• Halvezolen

    Halvezolen

    Mijn vader stond per definitie wantrouwend tegenover autoriteiten en identificeerde zich met ‘de mindere man’. Vooral autoriteiten die faalden, moesten het bij hem ontgelden. Maar ook onderdanige types die zich belangrijk voelen omdat ze in de schaduw van de machthebbers figureren, kon hij bepaald niet waarderen. Smakelijk kon hij lachen om figuren die de autoriteiten uitdaagden en façades doorprikten. Ik deel zijn wantrouwen enigszins en kan erg genieten van verhalen waarin autoriteiten op de hak worden genomen. De manier waarop de brave soldaat Švejk op een onnozele manier de autoriteiten te kakken zet en de regels bekritiseert, doet me schateren.

    Misschien bevalt daarom ’s Nachts onder de stenen brug van Leo Perutz me zo goed. Ik lach me een kriek om de vele aandoenlijke ‘halvezolen’ en lawaaischoppers in zijn verhalen. Ze maken zichzelf belangrijk terwijl ze zich proberen te koesteren in de warmte van het Praagse hof van keizer Rudolf II rond 1600. De hofnar Brouza wordt door de keizer gedwongen zich om te scholen tot ovenstoker van de keizerlijke vertrekken. Hij stemt van harte in met deze omscholing omdat, zoals hij snedig opmerkt, twee narren (hij en de keizer) onder één dak, er één teveel is. De keizer zelf is een zielig mannetje dat door zijn hofhouding op de been wordt gehouden. Hij geeft bakken met geld uit en is gek op de nieuwste schilderijen en recent gevonden oudheidkundige artefacten. De bijfiguren zijn aandoenlijk omdat ze ambitieus streven naar een beter leven en opscheppen welke belangrijke – maar in werkelijkheid marginale – positie ze aan het hof bekleedden. Brouza scoort met snoeven een hoofdrol.

    Er staan zinnen in deze roman die ik zou willen inlijsten. Neem deze: ‘Ik ken een gek die loopt in zijn blote hemd op straat en schreeuwt dat ze water over hem heen moeten gooien, hij zou een ziel in het vagevuur zijn, en ik ken er een die denkt dat hij een vis is, zit overdag in een tobbe en ’s nachts, als hij naar bed moet, moeten ze hem met haak en vislijn uit de tobbe trekken. Maar een gek die zijn geld weggeeft, ken ik niet, hoop echter al heel lang zo iemand nog eens tegen te komen.’ En wat te denken van de uitdrukkingen als: ‘Die man is zo rijk, die doet suiker op zijn honing.’ Dit taalgebruik, de overdrijving en de ironische benadering van mensen maken het lezen van dit boek tot een groot plezier.

    Maar ’s Nachts onder de stenen brug is meer dan een serie verhalen over kleurrijke figuren rondom de oude burcht van Praag: barbiers, narren, alchemisten en wat niet al. Maar dat doet er voor mij minder toe. Volgens vertaler Chris Bakker, die met de vertaling van deze roman goed werk heeft geleverd, is het een raamvertelling bestaande uit veertien novellen. In de twee slothoofdstukken wordt duidelijk dat de novellen onderling verstrengeld zijn en sterk samenhangen rondom de geheime relatie tussen keizer Rudolf II en de beeldschone Esther, vrouw van een Joodse koopman. Hun relatie heeft talloze gevolgen die aan het einde van de roman worden onthuld.

    Perutz wordt door kenners geroemd om de uitwerking van het plot en om de manier waarop hij gebruikmaakt van parabels, fabels en legenden uit de christelijke en joodse cultuur van Praag. Niet omdat hij zich als een moderne historicus baseert op ‘historische feiten’. Het leuke van dit boek van Perutz is dat je het op verschillende niveaus kunt lezen: als een verzameling verhalen, maar ook als een knap gecomponeerde historische roman.

    Op de achterflap van het boek staat een citaat van Daniel Kehlmann. ‘Hoe kan iemand zoiets schrijven en daarna níét tot de beroemdste romanschrijvers van zijn taal behoren?’. Meestal verafschuw ik dergelijke verkooppraatjes, maar in dit geval ben ik het ermee eens. Niet vanwege het plot, maar simpelweg omdat ik onbedaarlijk moet lachen om de zotten en dwazen in dit boek, of ze nu autoriteiten of gewone burgers zijn. Perutz is een heerlijke schrijver.

     


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

  • Een kathedraal van woorden

    Een kathedraal van woorden

    Onlangs was ik op een feest waar een literaire quiz werd georganiseerd. Gasten werd gevraagd hun favoriete roman te noemen en ik riep meteen Mystiek lichaam. Anderen riepen Nooit meer slapen en Oeroeg. Vervolgens was het de bedoeling dat de gasten zich groepeerden rondom de persoon die een voor hen bekende titel had geroepen. Van de honderd aanwezigen koos niemand voor mijn boek, behalve een man die zei dat hij alleen tuinboeken las.

    Op 7 januari jl. was het 75 jaar geleden dat Frans Kellendonk, de auteur van Mystiek lichaam, werd geboren in Nijmegen. Hij was een bijzondere jongen die al op jonge leeftijd promoveerde. Zijn werk trok direct de aandacht van literatuurliefhebbers. Hij werd niet oud, overleed in 1990 ten gevolge van AIDS. Op zijn rouwkaart stond: ‘Remember me, but forget my fate.’

    Na zijn overlijden werd het stiller rondom zijn werk. Bij tijd en wijle wordt er aandacht aan besteed, bijvoorbeeld bij de publicatie van zijn Verzameld Werk, zijn brieven en zijn biografie. Bij de plaatselijke boekhandel zijn zijn boeken niet op voorraad.

    Kellendonk is een van de weinigen die in mijn jonge jaren de godsdienstige traditie waarin hij opgroeide een plaats in zijn bestaan te geven. Daar was ik zelf ook volop mee bezig, met Kellendonk als mijn grote voorbeeld. Hij zag de cultuurhistorische betekenis van het christendom en had bewondering voor de schoonheid van de overgeleverde geloofswaarheden waarin hij zelf niet meer geloofde. In een interview met Vrij Nederland zei hij: ‘Het is gevaarlijk het verleden zomaar weg te willen vegen, er niks mee te maken willen hebben, en te willen doen alsof we zomaar opnieuw kunnen beginnen.’

    Een echte schrijver emigreert volgens Jos Palmen uit de familie en het land dat hem baarde. Kellendonk deed dat ook, maar hij wilde op een of andere manier daarmee verbonden blijven in het besef dat hij de traditie waarin hij opgroeide nooit helemaal opzij kon schuiven. Onderzoek doen naar de verbinding met de eigen traditie is overigens heel wat anders dan het verheerlijken van het verleden.

    Bij herlezing van Mystiek lichaam word ik opnieuw gegrepen door Kellendonks taalgebruik. Zijn stijl is hoekig en compact, barstensvol metaforen. Zo beschrijft hij niet bepaald vleiend een oude kunstcriticus: ‘Op zijn voorhoofd groeiden de wenkbrauwen in lange scheefgewaaide pollen, als op een oude vestingwal. Maar het afstotelijkst was de lobbes van een buik die bij hem op schoot zat. De gevlekte handen fladderden en bibberden er onderdanig omheen.’ Kellendonk is niet aardig voor zijn personages. Ze worden tot op het bot uitgekleed en in al hun naaktheid getoond.

    Het boek gaat over de familie Gijselhart, die herenigd wordt rondom de zwangerschap van dochter Magda. Daarvoor komt ook zoon Leendert na een mislukt avontuur in New York terug naar ‘De Doornenhof’. Magda wordt veelzeggend door de andere familieleden Prul genoemd. Van enig onderling mededogen is in deze familie geen sprake. Kellendonk maakt er een rariteitenkabinet van vol groteske figuren. Neem bijvoorbeeld de vrekkige, kille vader. Hij is een geldwolf, een pestkop, een racist, een naarling. Alles in en om hem verwijst naar metaal en steen. Een oude loods achter huis is volgestouwd met oud ijzer en sloopmateriaal. De auteur laat de perenbomen ‘glimmen als lantaarnpalen’. Het gras op vader Gijselharts erf lijkt ‘ijzervijzel’, het jonge boomblad ‘blikkert metaalachtig’. Vader telt zijn geluk in guldens en dubbeltjes. Zijn gezicht is gekreukeld als een oud bankbiljet. Alles is koud bij hem. Als hij ligt te slapen is zijn mond ‘als een kapotte deur opengevallen’. Het is erg verleidelijk met citeren door te gaan.

    In zoon Leendert tekent hij een homoseksuele mislukkeling. Zijn liefde wordt in de roman als parodieliefde betiteld. Hij wordt een seksuele ruimtevaarder genoemd die geen leven voortbrengt, alleen de dood. Hij noemt zichzelf ‘een Frankenstein in het seksuele’ en ‘een uitgebluste draak’. De ‘bloedkankerkliniek’ die hij moet bezoeken omdat hij aan AIDS lijdt, wordt door Leendert ‘Klein Transsylvanië’ genoemd.

    Spot is bij Kellendonk ook zelfspot, door enkele recensenten ‘zelfhaat’ genoemd. Hij sneed met de figuur Leendert in eigen vlees en ironiseerde zijn eigen opvattingen en geaardheid. Toen hij de roman schreef was al duidelijk, waar hij zelf aan leed. Ook dochter Magda en haar geliefde, de Jood Pechman (what’s in a name?), komen er niet best van af. Enkele recensenten beschuldigden Kellendonk zelfs van antisemitisme.

    Kellendonks Mystiek lichaam is een stilistisch meesterwerk dat mij, ook bij de zoveelste lezing, geen moment verveelt. Kellendonk zei eens: ‘De stijl is het lichaam van de schrijver. Daarin komt zijn persoonlijkheid tot uitdrukking.’ Hij onthult in deze roman zijn nietsontziende blik op de mensheid, maar ook op zichzelf. De auteur opent vele taalregisters en maakt van zijn laatste roman een kathedraal van woorden. Lees en geniet, zodat zijn tragische leven niet voor niets is geweest.

     

     


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

  • Regime van geluk is zelf ook niet gelukkig

    Regime van geluk is zelf ook niet gelukkig

    In het voetspoor van Orwell’s Nineteen Eighty-Four zijn al heel wat boeken geschreven. Nelleke Noordervliet voegt daar met Het bewind van de gelukkigen een kloeke roman aan toe. Ze plaatst de handeling in het heden en maakt er een psychologisch verhaal van. De leider van het nieuwe regime in dit boek is toevallig ook de halfbroer van hoofdpersoon Sophie Roth. Hun relatie speelt een belangrijke rol in deze roman die zich afspeelt in de Lage Landen. Door de bloedband wordt een politiek-maatschappelijk probleem tot iets heel persoonlijks. Het boek gaat over de persoonlijke keuzes en beslommeringen van een tobbende vrouw die naar het platteland vlucht en de mede door haar opgevoede charmante halfbroer die uitgroeit tot de leider van het nieuwe regime. Big Brother teruggebracht tot kleine broer.

    De verwijzing naar het boek van Orwell is helder. Hoofdpersoon Sophie noemt het boek expliciet. In de maatschappij waarin zij leeft, heeft zich een regimeverandering voorgedaan, die de Grote Omslag wordt genoemd. De omslag is op democratische wijze tot stand gekomen. De partij van Sophie’s halfbroer Alain Legrand heeft een meerderheid bereikt en nadien blijft niets bij het oude. Alle democratische vrijheden worden ingeperkt. Immigranten worden het land uit gepest. De lhbtq+ gemeenschap wordt tegengewerkt en alle verzet tegen het regime wordt de kop ingedrukt. Sophie kan deze nieuwe maatschappij niet verdragen en trekt naar het platteland.

    Verwerpelijk verzet

    Deze roman laat zien wat de overgang naar een autocratisch bewind betekent voor de burgers. En hoe de burgers langzamerhand meebuigen met het nieuwe regime. Er is ook geen echt alternatief. Hierin herkennen we onze eigen tijd waarin links ploetert om een antwoord op de dominantie van rechts. In de roman proberen enkele groepen zich wel actief te verzetten. Sophie raakt betrokken bij één ervan. Maar het verzet verwacht van haar dat zij zo ver gaat haar broer om het leven te brengen en daarmee het regime omver te werpen. Deze kwestie wordt nog persoonlijker als het verzet Sophie chanteert door haar dochters te bedreigen als ze niet meewerkt. Sophie ondervindt dat zowel het regime als het verzet ertegen gedreven worden door hun eigen alternatieve waarheden. Ze moet laveren tussen haar broer en het verzet tegen hem. In de loop van het boek wordt de band tussen Sophie en haar broer steeds duidelijker. De passages waarin ze in gesprek zijn behoren tot de interessantste en best geschreven.

    Nelleke Noordervliet heeft een aanzienlijk oeuvre van fictie en non-fictie bij elkaar geschreven. Als geëngageerd schrijfster maakt zij zich druk over de gevaren van onze tijd. Zij wil met deze roman waarschuwen voor de uitholling van de democratie. Sophie vindt het rechtse regime uitermate verwerpelijk, maar even verwerpelijk is volgens haar het verzet ertegen, want ook dat neemt zijn toevlucht tot geweld om het gestelde doel te bereiken. Sophie zelf wordt heen en weer geslingerd tussen bloedband en politieke voorkeuren, tussen mensen en ideeën. Waarheid is niet meer dan een optelsom van tegenstrijdigheden, denkt ze. Noordervliet maakt haar tot een speelbal van allerlei gedachten en indrukken. De titel is in dit verband ironisch bedoeld. Het bewind maakt de burgers niet gelukkig en wordt geleid door mensen die zelf ook niet gelukkig zijn. Ook Sophie is dat bepaald niet. Haar vlucht naar het platteland biedt geen uitkomst.

    Veel uitleg

    De roman geeft veel informatie over ontwikkelingen en personen, wat prettig is voor lezers die ervan houden om bij de hand te worden genomen. Noordervliet maakt er – enigszins gechargeerd gezegd – een encyclopedie van moderne ideeën van. Een figuur als de filosoof Fukuyama bijvoorbeeld wordt uitvoerig belicht en becommentarieerd en hij niet alleen. Sophie legt alles uit wat ze doet. Ze psychologiseert en informeert de lezer uit en te na over mensen die ze ontmoet. Soms is dat te gek. Zo is er bijvoorbeeld een oude mevrouw die aan het syndroom van Gilles de la Tourette leidt. Zij roept altijd ‘Sodemieter op’ en dan op een dag opeens ‘Hallelujah, looft den Heer’. Sophie voegt daaraan toe: ‘dat leek wel de softe versie van Sodemieter op.’ Alsof je dat zelf niet kunt bedenken. Aan de andere kant verwijst Noordervliet in sommige gesprekken naar klassieke figuren of romanfiguren. Zo zegt een verzetsman tegen Sophie, die onder druk is gezet en nadenkt of ze mee wil werken: ‘Je bent aan het spinnen. (…) De draad van Ariadne, de weg uit het labyrint.’ Wellicht is dat de manier waarop Noordervliet zelf converseert, maar het komt in een spannende scène gekunsteld over. Spreektaal is bij haar nogal eens schrijftaal. Ze gebruikt ook dubieuze metaforen: de temperatuur is ‘zacht als zijde’, maar dat kan toch alleen de lucht zijn? Temperatuur is gewoon een getal. Of: ‘Er ging weinig uit van het huis, behalve achterbaksheid.’ Aan de ene kant wordt de lezer aan de hand genomen en aan de andere kant wordt verwacht dat hij of zij allerlei metaforen en literaire verwijzingen begrijpt. Dat lijkt tegenstrijdig.

    Toch was het lezen van deze roman niet vervelend. Er gebeurt veel en Noordervliet is en blijft een goede schrijver. De oude mevrouw met De La Tourette bijvoorbeeld ‘heeft de eeuwige jeugd van een mummie’. De brieven die de jonge Alain aan zijn zus schrijft tijdens zijn reis door Amerika, Mexico en andere landen zijn prachtig van taal en inhoud. De roman verrast echter niet en zet je niet echt aan het denken. Misschien komt dat wel omdat de ervaren schrijfster te veel uitlegt en te weinig toont.

     

     

  • Laat het niet gebeuren

    Laat het niet gebeuren

    Pippi Langkous beweert dat 3 x 3 = 6. Zij schept haar eigen regels en waarheden. Het meisje uit de boeken van Astrid Lindgren bepaalt zelf wat zij denkt. Winston Smith, de hoofdpersoon in George Orwells Nineteen Eighty-Four, krijgt een rekensommetje voorgeschreven: 2 + 2 = 5. Smith moet instemmen met wat het totalitaire regime hem voorschrijft. Ze martelen hem net zo lang tot hij het accepteert. Pippi denkt en doet wat ze wil en gunt dat anderen ook. Ze vecht tegen onderdrukking en misdaden. Winston moet buigen voor de wil van het collectief in de persoon van Big Brother. De radicale vrijheid van het kind tegenover de collectieve dwang van de dictator.

    Maar als dictators zich als kinderen gaan gedragen, wordt het oppassen geblazen voor de burger. Dictators die klinkklare bedenksels alternatieve feiten noemen, mensen om zich heen verzamelen die hen bevestigen in hun quatsch zijn een gevaar voor het vrije denken. Volgens historicus Aart Aarsbergen gaat het mis als iedereen met de dictator gaat meedenken, zoals bij Hitler gebeurde. ‘Wat wil de Führer van ons?’ Aarsbergen schreef onlangs het inhoudelijk rijk en opiniërende boek Het verdwijnen van de waarheid. De actualiteit van George Orwell.  Waarin Aarsbergen waarschuwt voor de gevaren van de leugens van Trump.

    Hij schetst kort en bondig een beeld van Orwells leven, van zijn werk en de receptie daarvan. Hij laat zien hoeveel invloed Orwell op anderen heeft gehad. Bijvoorbeeld op Margaret Atwood. Zij schreef naar aanleiding van Orwells roman het prachtige, A handmaid’s tale, dat tot een succesvolle tv-serie werd verfilmd. Orwells werk is volgens Aarsbergen in de afgelopen 75 jaar letterlijk voor ieder karretje gespannen. Ook voor rechtse karretjes. Denk aan de tegenstanders van de coronamaatregelen die in de overheid Big Brother zagen die hen dwong zich te laten vaccineren. Ook voor André Breivik was Nineteen Eighty-Four zijn favoriete boek. Maar Aarsbergen vindt dat deze mensen Orwell misbruiken. ‘Laten we ons niet vergissen: Orwell was een linkse criticus, geen verdediger van troebel rechts gedachtegoed.’

    De belangstelling voor Orwells werk is naar Aarsbergens mening onderhevig aan de tijdgeest. Na de oorlog werd Orwell vooral geroemd om zijn anticommunisme. Velen zagen in Nineteen Eighty-Four een uitvergroting van het Russisch communisme. Na de val van de Berlijnse Muur verbleekte de aandacht voor zijn werk. In de nieuwe eeuw werd Orwell beschouwd als de auteur die het verlies aan privacy in de moderne digitale wereld had voorzien. Orwell maakt een enorme comeback in onze moderne post-truths wereld. Zijn boeken vliegen weer over de toonbank sinds Trump aan de macht is. Aarsbergen waardeert vooral Orwells intellectuele oprechtheid, die nog steeds relevant is, want we leven volgens hem ‘in een tijd waarin de waarheid zwaarder dan ooit onder vuur ligt.’

    Wat Aarsbergen ook in Orwell bewondert is dat hij in staat was om de onvolkomenheden van zijn eigen standpunt onder ogen te zien. De kern van zijn schrijverschap is ‘zijn onverholen trouw aan de waarheid en zijn verzet tegen intellectuele hypocrisie’. Dit in tegenstelling tot Trump die volgens hem de Amerikaanse idealen van vrijheid en gelijkheid te grabbel gooit met zijn aanvallen op media, democratie, rechterlijke macht, onderwijs en academische vrijheid. De Verenigde Staten lijken te zijn veranderd in een autocratisch regime. In de strijd tegen Trump speelt Orwell een emblematische rol. ‘Ik schreef 1984 als een waarschuwing en niet als een verdomde handleiding’, ging recent als fictief bericht op sociale media rond. Petjes met ‘Maak Orwell weer fictie’ worden in de VS grif verkocht.

    Aarsbergen beschrijft het allemaal en maakt Orwell uiterst actueel. Zelfs Trumps bezoek aan Engeland afgelopen september neemt hij in zijn boek mee. Trump prees Orwell ten overstaan van de Britse Koninklijke familie als een van de grote schrijvers die Engeland heeft voortgebracht. Aarsbergen noemt die aanprijzing een gotspe in het licht van Trumps afbraak van de democratie.

    Orwell was één van de lege planken in mijn boekenkast. Het boek van Aarsbergen zette mij aan tot het lezen van enkele van zijn boeken. De kennismaking was indrukwekkend. In Nineteen Eighty-Four is het bijhouden van een dagboek door Winston Smith al een daad van verzet, hij houdt van zijn vriendin Julia en wil met haar vrijen en plezier maken, maar dat is verboden. Winston redt het niet. Geheel murf na marteling legt hij zich bij de almacht van Big Brother neer. Orwell zegt daarmee tegen ons: Laat het niet gebeuren! Neem het niet!

    Gelukkig zijn er nog steeds mensen die de strijd voor de waarheid aangaan. Zeer recent zei Richard Newsom, de gouverneur van California over Donald Trump: ‘This man is rewriting history and censoring historical facts.’ Dat laatste werd onlangs ook in Nederland maar al te duidelijk in de zogenaamde panelenkwestie. De verantwoordelijken voor de Amerikaanse begraafplaats in Margraten verwijderden twee panelen waarop de belangrijke bijdrage van zwarte Amerikaanse soldaten bij de bevrijding van Nederland werd gememoreerd. Het verwijderen van die panelen leidde tot een stroom van verzet. Het cabaretduo van ‘Even tot hier’ maakte er in hun tv-programma een hartverwarmende, messcherpe satire van.

    De Belgische organisatiedeskundige Jesse Segers noemt onze tijd die van ‘New Public Brutalism’. Waarheid is in het ‘post-truth’ tijdperk geen gemeenschappelijk ankerpunt meer, maar een strijdmiddel voor het aanwakkeren van onderling conflict. Wie de meeste emotie weet te mobiliseren, wint. Wie ophef en spektakel kan uitbuiten wordt de grootste. Niet omdat die persoon gelijk heeft, maar omdat diens inbreng resoneert. En wie resoneert bepaalt, want commotie trekt de aandacht.

    Deze tijd heeft behoefte aan de fantasie en creativiteit van een Pippi Langkous, waarbij we als moeten volwassenen beseffen dat alles wat we denken voorlopig is. Wie denkt de waarheid in pacht te hebben zal voorbijgaan aan de feiten en aan de interpretaties van anderen. Wie echt op zoek is naar de waarheid moet in staat zijn de eigen mening ter discussie te stellen in het licht van nieuwe, gewaarmerkte feiten omdat niemand de waarheid in pacht heeft. Dat wordt opnieuw helder na lezing van Aarsbergens voortreffelijke boek.

     

     


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a.  Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

     

     

  • Gebreken en frustraties van een journalist

    Gebreken en frustraties van een journalist

    In De allemansvriend is de hoofdpersoon een journalist die veel raakvlakken heeft met schrijver Arjan Visser. De journalist schrijft het boek in opdracht van een ander. Dat onthult hij in het laatste hoofdstuk, zoals dat gewoon is bij een whodunnit. ‘Het zou niet de zoveelste biografie van een of andere mediapersoonlijkheid worden, maar een serieus en beslissend boek zijn, een eerherstel, niet alleen voor (…) maar ook voor mij. Ik zou schoon schip maken, mezelf tonen, met al mijn gebreken.’ Volgens het alter ego van Arjan Visser schreef het boek zichzelf: ‘Ik wist alles al, ik had het allemaal gezien, gehoord of meegemaakt. Het moest alleen nog in de juiste vorm gegoten worden.’ En dat werd een boek dat twee hoofdlijnen kent: een fictief verhaal over een broederstrijd en een autofictief verhaal over een journalist.

    De journalist krijgt een aanbod dat hij niet kan weigeren. Of hij de doodgewaande vastgoedman Jack Kaptein wil interviewen. Jack is gepikeerd over een interview in Trouw met zijn broer William. Hij wil zijn eigen visie op de zaken geven in een interview waarover hij zelf de regie wil voeren. Daar heeft hij 75000 euro voor over.  William en Jack Kaptein zijn fictieve personages. Hun vader is in het verleden om het leven gekomen. Ze geven elkaar daarvan de schuld. De broers hebben een gereformeerde opvoeding genoten. Voor William is het gereformeerd zijn de basis van waaruit hij anderen en dus ook zijn broer graag vertelt hoe ze leven moeten. Jack heeft onder de opvoeding van zijn ouders geleden. William en Jack zijn een soort Kaïn en Abel. De oudere William voelt zich als Kaïn door zijn vader miskent. De jongere Jack doet als Abel alles wat God en zijn vader verboden heeft. Beiden blijken anders te zijn dan het beeld dat ze van elkaar schetsen.

    Integere interviewer verkoopt zichzelf

    De journalist gaat met Jack in zee en reist naar Marrakesh waar Jack zich schuilhoudt. Het interview wordt gecomponeerd en geplaatst, hij ontvangt zijn geld en koopt een huisje in Normandië en een nieuwe motorfiets. Enerzijds schaamt hij zich voor het te grabbel gooien van zijn goede naam als integere interviewer. Aan de andere kant zegt hij: ‘Waar is wat werkt’, zich daarmee een kind van deze tijd tonend. In het slothoofdstuk komen we te weten hoe de vork betreffende het overlijden van vader Kaptein precies in de steel zit. Daar wordt ook een en ander onthuld omtrent de familie Kaptein. De journalist besluit het boek te schrijven om een onterecht gestrafte recht te doen. Dat personage komt min of meer als een deus ex machina uit de lucht vallen.

    In de context van dit verhaal komen we alles te weten over de gebreken en frustraties van de journalist. Hij schrijft voor het dagblad Trouw op regelmatige basis een veel gelezen en -besproken interview waarin de Bijbelse Tien Geboden het vaste kader vormen. Die interviews worden gehouden met min of meer bekende Nederlanders. In deze roman relativeert de journalist zijn eigen vak. Volgens hem stelt het vak van interviewer niets voor: ‘Ik was bedreven geraakt in mijn vak doordat ik keer op keer de kans had gekregen mezelf te verbeteren. Op die manier had ik ook een uitstekend fietsenmaker kunnen worden.’ Hij krijgt er af en toe genoeg van de ‘aangever te zijn van dit soort derderangs clowns.’ Het werk is ook steeds minder spannend voor hem: ‘Vroeger was ik nerveus voor het gesprek, de laatste jaren maakte ik me vooral zorgen om de kwaliteit van de geluidsopname.’ De journalist heeft veel moeite om met zijn werk in zijn onderhoud te voorzien en moet soebatten en slijmen om een artikel te mogen schrijven voor glossy tijdschriften. En dan wordt de relatie met zijn vrouw ook steeds saaier, zij raken langzaam van elkaar verwijderd.

    Bekende Nederlanders passeren de revue

    Allerlei bekende Nederlanders die de journalist interviewt of met wie hij als romanschrijver te maken heeft, passeren de revue. Lale Gül en Frènk van der Linden, in wie ‘een zekere ijdelheid’ schuilt, komen langs. Ook uitgeefster Tilly Hermans, de schrijver Marieke Lucas Rijneveld en vele anderen voert hij ten tonele. Zo introduceert hij Marieke Lucas Rijneveld: ‘Na succesvol te zijn gedebuteerd als dichter wilde ze nu haar geluk als romancier beproeven.’ Alsof je een curriculum vitae van haar leest. Je vraagt je af waarom hij juist deze bekende personen in zijn roman opvoert. Hebben ze iets met de plot van het boek te maken? Zijn ze evenals de journalist vroom opgevoed en hebben ze daar ook afstand van genomen?

    Het autofictieve in deze roman komt niet verder dan een caleidoscopisch beeld van personen en gebeurtenissen. Het is niet veel meer dan aapjes kijken. De roman stoot niet door tot een diepere laag in het leven van de journalist, al willen de vele mea culpa’s en de opsomming van minder leuke eigenschappen ons dat wel doen geloven. Meer dan een veredeld RTL Boulevard is het niet. ‘La vie est autre que ce qu’on écrit’ vermeldt Visser als motto, maar hij geeft op geen enkele manier in de roman aan waar dat autre zich dan wel in uit. Visser brengt zaken te berde, maar doet er vervolgens niet veel mee. Wil hij daarmee uitdrukking geven dat de allemansvriend niet in staat is tot enige diepgang?

    Een aardige observatie

    Cabaretier Theo Maassen boort een beetje dieper in de ziel van de journalist. In het gesprek met hem wordt hij confidentieel over de relatieproblemen met zijn vrouw. Theo doet daar wat schamper over en noemt hem een ‘gereformeerde eikel’. Volgens Theo doet de journalist laatdunkend over zijn journalistieke werk omdat hij zichzelf diep van binnen een grote zondaar voelt. Een zondaar die alle mensen die hij interviewt ‘absolutie’ verleent, omdat hij weet dat hij zelf nog een veel grotere zondaar is. Een aardige observatie. De journalist neemt deze echter voor kennisgeving aan getuige zijn reactie: ‘Ha…Ja, misschien.’ Ze gaan vervolgens samen stappen en worden lekker dronken.

    De passages met Maassen laten echter wel zien dat Visser een goed stilist is. Bijvoorbeeld: ‘Theo’s arm kwam als een afgebroken herfsttak op mijn schouder terecht.’ Jammer dat het plot zo eenvoudig is en de autofictie zo oppervlakkig.

     

     

  • Nationalistische humbug

    Nationalistische humbug

    Laatst wandelde ik met twee vrienden bij camping Het Zinkviooltje in Epen, vlakbij de Geulrivier. Zinkviooltje? Een van de vrienden wist te vertellen dat het een geel bloempje is dat zich in de loop van de tijd heeft aangepast aan de enorme hoeveelheden zink die in dit gebied door de rivier zijn meegenomen. Het zink werd gewonnen in een mijn vlak over de grens in het nu Belgische Kelmis. We reden ernaartoe. De mijn ligt in een gebied dat na de Franse Tijd betwist werd tussen het Duitse Rijk (Pruisen) en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. En dat allemaal vanwege een zinkmijn die veel geld zou kunnen opleveren. En niemand wilde toegeven. Daardoor werd het een compromis: een neutraal staatje, genaamd Neutraal Moresnet, een taartpuntje van 3,44 vierkante kilometer ten zuiden van Vaals. Een vrijstaat zonder munt, zonder schoolplicht, zonder belastingen en zonder gerechtshof. Er werd alcohol gestookt, gesmokkeld en veel gedronken. Iedereen die iets op zijn kerfstok had vluchtte erheen. Het werd een paradijs voor dienstweigeraars. Op 4 augustus 1914 was het afgelopen met de neutraliteit toen Duitse troepen het gebied binnentrokken.

    Jozef Rixen woonde in dit gebied. Ik kwam hem op het spoor door het boekenweekessay Zink van David van Reybrouck. Hij gebruikt diens leven ter illustratie van de gebeurtenissen in dit gebied tussen 1915 en 1950. Jozef was het buitenechtelijk kind van een Duits dienstmeisje en een fabrikant in Krefeld. In haar eentje verhuisde ze van Duitsland naar het taartpuntje onder Vaals, waar Jozef in 1903 werd geboren. Toen de Duitsers in 1914 deze vrijstaat hadden veroverd, woonde hij opeens in het Duitse keizerrijk en was Berlijn zijn hoofdstad geworden. Toen de Duitsers in 1918 vertrokken hoorde het gebied bij België en werd Brussel zijn hoofdstad. Als jonge Belg vervulde hij in 1923 zijn dienstplicht in het Belgische leger. Drie jaar was hij gelegerd in Krefeld in het Ruhrgebied. Hij vormde een onderdeel van de troepenmacht die de Duitsers moesten dwingen de opgelegde herstelbetalingen te voldoen. In die tijd bezocht Jozef zijn biologische vader, maar die wilde niets van hem weten. ‘Er schmiss ihn raus, weil er die Belgische Militäruniform trug,’ zo sprak een familielid.

    Toen Jozef terugkeerde uit Duitsland werd hij bakker en stichtte hij een gezin. Hij kreeg elf kinderen. In die jaren probeerde de regering van België de Duitstalige gebieden in het Oosten aan Duitsland te verkopen. Daarmee wilde ze de wederopbouw van het eigen land financieren. Bewoners aan de oostgrens wisten inmiddels niet meer goed ‘van welk hout pijlen te maken,’ zoals Van Reybrouck het prachtig uitdrukt. Waren ze nu Duits of Belgisch? Waar lag hun loyaliteit nu ze handelswaar bleken tussen België en Duitsland? Die loyaliteit werd in mei 1940 maar al te duidelijk, toen Hitler ‘zonder veel omhaal’ het voormalige Neutraal Moresnet en de Oostkantons annexeerde. De inwoners kregen de Duitse nationaliteit en ontvingen een oproep voor de Wehrmacht.

    Zelfs bakker Jozef moest eraan geloven. Hij werd eerst ingezet als bewaker van Russische krijgsgevangenen en in september 1944 naar het front gestuurd om de Amerikaanse opmars in de Ardennen te stuiten. Voor het eerst van zijn leven stelde hij zich weerbaar op: hij deserteerde. Maar ook dat liep verkeerd af. Hij slaagde er nog wel in thuis te komen. Het gebied was inmiddels door de Amerikanen veroverd, maar Jozef werd bij thuiskomst gearresteerd door de Belgische ondergrondse omdat hij bij de Wehrmacht had gediend. Het verzet droeg hem over aan de Amerikanen die hem transporteerden naar Cherbourg. Daar verbleef hij zeven maanden als een van de miljoen Duitse krijgsgevangenen onder erbarmelijke omstandigheden. Na die tijd werkte Jozef nog een paar jaar, maar als vijftigjarige was hij totaal versleten. Hij bracht de rest van zijn leven achter de geraniums door. Van Reybrouck schrijft heel treffend: ‘Er zijn mensen in wier lichamen de geschiedenis zoveel lijnen trekt, krast en kerft, dat stilzitten, zodra het kan, nog de enige optie is.’

    Het leven van Jozef Rixen toont glashelder hoe de gewone burger een speelbal kan worden van de machthebbers. Jozef was verre van een nationalist, maar werd toch als soldaat voor het karretje gespannen van regeringsleiders die gebiedsaanspraken maakten. Het is van alle tijden. De machthebbers, of ze nu keizer Wilhelm II, Adolf Hitler of Vladimir Poetin heetten, veroveren, gerechtvaardigd door nationalistische leuzen, alle gebieden waar ze recht op denken te hebben. Wantrouwen tegenover deze nationalistische humbug blijft geboden. Want Jozef de bakker is het slachtoffer.

     

     


    Michiel van Diggelen, schrijver van een  Ab Visser – Biografie (2013) en van de historische romans over Hendrik Peter Scholte (Uitgeverij IJzer). Met Richard Tanke schrijft hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

     

  • Vormen van rouw

    Vormen van rouw

    ‘Egidius waer bestu bleven.’ Deze versregel schiet mij de laatste weken geregeld te binnen. Hij is afkomstig uit het Egidiuslied dat rond 1400 in Brugge werd geschreven. Het hardop uitspreken ervan geeft troost, nu ik in de rouw ben om twee onlangs overleden vrienden. De literatuurlessen op het atheneum hebben toch iets nuttigs achtergelaten. Troost geeft ook het zingen van psalmen die ik wekelijks uit mijn hoofd leerde op de School met den Bijbel.

    De twee vrienden stierven in de afgelopen zomer, beiden na een ziekbed. Ze waren van mijn leeftijd en dat klopte niet. Sterven doe je toch pas na je tachtigste? Twee jaar geleden waren zij nog volop actief. Toen de ziekte werd geconstateerd, was er voor hen geen houden meer aan. Hun ziekte en overlijden bracht mij in de rouw. Een periode van herinnering en gemis, van het besef dat alles wat mij omringt breekbaar is. En dat er voor mij ook ooit een einde aan komt.

    Rouwen komt van het Germaanse woord hreuwan wat jammeren, verdriet hebben betekent. En dat verdriet kwam, het gemis werd gevoeld. Op de momenten waarop ik tijdens hun leven normaliter contact met hen had. Of zomaar, in een flits, terwijl ik iets heel anders deed, wat niets met hen te maken had. Alles in mijn omgeving lijkt de afgelopen maanden wel op rouwen betrokken. Ik struikel over een ‘walk of grief’, een wandelpad van 75 kilometer op Terschelling.  Volgens de tekst op de site kun je je er wandelend ‘weg van de drukte van het dagelijks leven’ openstellen voor ‘wat gezien wil worden.’ Blijkbaar moeten mensen daar speciaal de tijd en de ruimte voor nemen. Alsof rouwen sowieso niet allesoverheersend is.

    Rouwen om een vriend is echter heel anders dan rouwen om een echtgenoot of kind. Iemand zei me: ‘Als je vriend overlijdt is dat een heftig moment van pijn, maar je leven gaat door. Als je vrouw overlijdt staat je hele leven stil, je moet opnieuw leren leven.’ Heel treffend komt dat naar voren in het Rouwjournaal van Jan Siebelink. Hij schreef het na het overlijden van zijn vrouw Gerda. De 125 passages in het boek lijken zonder literair filter te zijn geschreven, waardoor je het proces dicht op de huid komt.

    Een ziekte- en stervensproces kent overeenkomsten. Herkenbaar in Rouwjournaal is de af en toe opvlammende hoop bij Gerda beter te worden, afgewisseld met bittere teleurstelling als dat niet voor de hand ligt. De dichtbije gesprekken tussen Jan en Gerda over wat er echt toe doet, afgewisseld met de momenten waarin de geliefden ver van elkaar staan. De huisarts die het proces begeleidt met goede raad, komt ook bekend voor. Hij raadt Siebelink bijvoorbeeld aan geen tijd te verliezen met onzinnige dingen, want ‘nooit is tijd kostbaarder geweest.’ Ook de raad om niet bij Gerda te gaan slapen, omdat hij dan te weinig nachtrust krijgt. Ook dat herken ik uit het ziekte- en stervensproces van mijn vrienden. Het komen en gaan van de jongens en meisjes, mannen en vrouwen van de thuiszorg.

    Onmiskenbaar zijn de ingewikkelde medische termen, die tot opzoeken dwingen. Bij Siebelink is dat cholangiocarcinoom. De middelen voor palliatieve sedatie: pomp, morfine en dormicum, komen langs. Herkenbaar is ook het vochtig houden van de lippen, met allerlei middeltjes, door deze of gene aangeraden. Liefdevol is de opoffering voor de partner. Siebelink schrijft: ‘Steeds meer ben ik erachter gekomen dat alles wat ik doe, onderneem, doe ik voor haar, zij wordt er rustig van’. Siebelink schrijft met liefde over zijn vrouw zonder zichzelf of haar te verheerlijken.

    Na Gerda’s dood voelt Jan zich in een vreemd land, waar hij de weg niet weet: ‘Ik lijk verborgen onder een glazen mand.’ Op de eerste zondag na haar begrafenis moet hij bekennen dat hij naast haar in het graf wil liggen. ’s Morgens vroeg verlangt hij soms al naar het einde van de dag, ‘om dan, boordevol slaapmiddelen, in bed te tuimelen, als in een graf, om niet te worden lastiggevallen door het beeld van een trotse vrouw, die, zonder morren, het blauwige, vernederende absorptiebroekje aantrekt.’

    Siebelink beseft dat hij niets is zonder Gerda die opgesloten ligt in de aarde. De enige die hem warmte geeft is hond Sarah. ‘Nevelslierten tegen de ramen, de hond dicht tegen me aan, op de bank, waar eerder je bed stond. De nevel zelf is donker, rouw op het dak, om mijn huis, rauw op het dak.’ Hij denkt dat hij haar nog werkelijk in zijn armen heeft, ze is ‘meer dan ooit aanwezig’.

    Jan Siebelink zou Jan Siebelink niet zijn als zijn vader en de religie niet in het boek zouden verschijnen. In de laatste passage herdenkt hij het overlijden van zijn ouders dat hij eindigt met: ‘Niet alleen verse wonden doen pijn, ook diepe littekens blijven pijnlijk. De afgelopen tijd heb ik de veiligheid en geborgenheid van het ouderlijk huis extra gemist.’

    Illustratief voor zijn vader en religie is de passage waarin hij beschrijft hoe hij na Gerda’s dood met zijn hond Sarah wandelt op de Ginkelse heide. Het is al een hele stap voor hem om die open vlakte binnen te treden zonder bescherming van bomen of muren. Het is een donkere dag, maar rondom hem wordt het opeens licht, helder licht. Hij heeft het idee van bovenaf bekeken te worden. Dan schiet hem te binnen dat zijn vader ooit een teken van boven ontving, een stem die zijn leven radicaal veranderde. Zijn vader kwam tot bekering. Siebelink schrijft: ‘Ik was ooit jaloers op mijn vader, en sindsdien lijkt God te zwijgen.’ Maar nu ontvangt hij ook een teken. Hij ziet het als een teken van zijn vader en moeder en van Gerda, aangekomen op de plaats van hun bestemming.

    In één van de passages loopt hij de tuinpoort van zijn woonhuis uit. Als hij in de auto wil stappen komt de jonge buurvrouw naar hem toe. Ze vraagt hem hoe het gaat en geeft zelf een antwoord: ‘U wilt uw vrouw terug hebben.’ Ze kijkt hem aan en zegt: ‘Ik bid elke dag voor u.’ Jan bedankt haar en herinnert zich een zin die thuis vaak werd gebruikt: ‘Het gebed van een rechtvaardige vermag veel.’ De passage eindigt cryptisch met de zin ‘De mythe van de secularisatie’. Siebelink wordt getroost omdat het geloof van zijn vader blijft doorwerken en niet alleen bij hem.

    Rouwjournaal is een schitterend, droevig, maar ook hoopgevend boek. Het is niet alleen kommer en kwel. Het toont ook aan hoe dicht geliefden elkaar kunnen naderen in zo’n fataal ziekteproces. Liefde is sterker dan de dood.

    Het overlijden van mijn vrienden heeft minder impact op mijn dagelijks leven, dat staat niet stil. Geregeld schiet mij een herinnering aan één van hen te binnen. Als Ajax voor de Champions League speelt, mis ik het appcontact met de ene vriend. Ik denk aan een wedstrijd in het afgelopen voorjaar. Ajax speelde tegen het Brusselse Royal Union St Gilles. De wedstrijd werd gespeeld in het stadion in Brussel waarvan de grasmat zo kaal was dat het wel een zandbak leek. Mijn vriend appte dat het knap van Ajax was om drie punten mee te nemen uit die zandbak. Waarop ik terug appte dat Ajax de tweede helft prima had gevoetbald in de Sahara. Na enkele ogenblikken schreef hij: ‘Kun je toch zien dat die klimaatsverandering geen onzin is. De Sahara komt steeds dichterbij.’ Het lezen van de app troost me, maakt me zelfs een beetje gelukkig omdat ik zo’n humoristische vriend heb gekend. Meteen denk ik aan een gedicht van Kees van Domselaar.

    ‘Geluk is nooit volledig
    is nooit af
    geluk lijkt een beetje op rouw
    het is nooit helemaal klaar.

     

    Rouwjournaal / Jan Siebelink / De Bezige Bij

     

  • Flamboyant schrijver

    Flamboyant schrijver

    Misschien omdat mijn ouders uit Groningen komen dat elke schrijver, die op een of andere manier aan die stad gelinkt kan worden, een bepaalde aantrekkingskracht op me uitoefent. W.F. Hermans woonde er van 1953 tot 1967 aan de ​​Spilsluizen 17. De oudste dochter van mijn vaders broer heeft nog met Hermans zoontje Ruprecht, gespeeld. Vanuit de Oude Kijk in ‘t Jatstraat waar mijn nichtje woonde, en waar ik later wel eens logeerde, hoefde ze alleen het Lopende Diep over te steken, dan rechtsaf langs het Diep op lopen, dan 2e straat rechtsaf waar de familie Hermans op de hoek woonde. Dat nichtje  kwam weleens bij hem thuis, herinnert zich de vader in een kamertje met boeken, pijprokend, ze wist nog van niets.Dat nichtje kwam weleens bij hem thuis, herinnert zich de vader in een kamertje met boeken, pijprokend, ze wist nog van niets. Wat er dan in een flits gebeurt, hoogstaande literatuur getransformeerd naar gewone levens.

    En dan, ik heb een biografie van een Groningse schrijver in handen. Ab Visser (1913-1982) werd in Groningen op Kanaleneiland geboren. ‘De buurt was een volkswijk, bestaande uit een paar straten met een negental kleine huizen. Met een paar slagen van de pedalen was je buiten de stad, (…) met hetzelfde paar pedaalslagen stond je via de Sluiskade in het centrum van Groningen.’ Hermans en Visser woonden op zo’n 20 minuten loopafstand van elkaar, niet dat ze elkaar opzochten. Wel wisten ze van elkaars schrijversbestaan. Hermans sprak lovend over zijn boek Rudolf de Mepse (1945). ‘Hij noteerde enkele zinnen die hem deden hopen dat Visser nog eens een meesterwerk zou schrijven.’ Maar niet iedereen zag dat gebeuren.

    Visser schreef op zijn vijftiende al gedichten. Toen hij op zijn 32ste trouwde, verliet hij pas het ouderlijk huis. Met zijn vrouw Edith Bongers verhuisde hij kort daarna naar Amsterdam, waar het allemaal gebeurde. Als schrijver leidde hij het leven van een bohemien, werd geplaagd door deurwaarders vanwege belastingschulden en rond zijn twintigste openbaarde zich de ziekte van Bechterew waardoor hij langzaam krom groeide. Een gesprek tijdens een wandeling met hem was niet mogelijk, om zijn naar de grond gebogen houding. Maar Visser liet zijn handicap nooit het onderwerp van gesprek zijn. Bij het maken van nieuwe vrienden sloeg hij alle wind uit de zeilen door als eerste  te vragen: ‘Welke ziektes komen er in jullie familie voor?’ Een man die zich voor me inneemt door zijn eigenzinnige gedrag, en zijn liefde voor de zwerfkatten in Rome, gelijk als Paul Léautaud zich over de zwerfkatten van Parijs ontfermde.

    Om gezondheidsredenen verblijft hij jaarlijks een periode in het warmere zuiden van Europa met zijn vrouw. Later als hij al op leeftijd is, (wat heet, hij werd maar 69 jaar), krijgt hij een relatie met de veel jongere schrijfster Margreet Hirs.

    Hoewel hij in 1936 debuteerde als dichter, schrijft hij vanaf 1948 enkel nog proza, waaronder romans, novellen, feuilletons, spookverhalen, kinderboeken en detectives. Waarvan de literaire kwaliteit niet altijd even sterk was. Het leven van een schrijver kan interessanter zijn dan de boeken die hij schreef. Ab Visser beleefde als schrijver geen doorbraak, als flamboyant mens was hij onvergetelijk voor de kringen waarin hij verkeerde. Hoewel zijn gezondheid te wensen overliet, hij altijd een vitale uitstraling had, stierf  hij vrij plotseling na een hartstilstand op een zondag in mei 1982. Hij werd herinnerd als ‘onwankelbaar trouw aan zichzelf’.

    Terwijl ik lees over het leven van Ab Visser, de schrijver die noch bij leven, noch na zijn dood doorbrak en die me toch een geweldig interessant schrijver leek, schemert de boekenkast van mijn vader door mijn hoofd. Dat daar ergens op de onderste plank een boekje met harde kaft stond van Ab Visser. Dat moet welhaast De buurt zijn geweest. Mijn vader las alles wat hem weer terugbracht naar Groningen stad. Dat ik er dichtbij was wanneer mijn blik  op Steinbeck’s Muizen en mensen of Vestdijks Koperen tuin viel. Deze uitvoerige biografie over de flamboyante man en schrijver die Visser was, drukt me er nog eens met de neus bovenop. Voor ik het weet zoek ik online De buurt van Ab Visser, en vind een in 2015 opnieuw uitgegeven druk door Lebowski. Verwacht dat ik ook naar de rest van zijn proza blijf uitkijken.

     

    Ab Visser, Biografie / Michiel van Diggelen / Uitgeverij Passage (2013)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • Reishonger

    Reishonger

    Er zijn mensen die het verlangen hebben een plaats te bezoeken waarover zij lezen in een boek. Een reishonger die ik ook ken. Als jongeman las ik de roman Waterland van de toen nog vrij onbekende auteur Graham Swift. Hij plaatste zijn verhaal in de Fens, een gebied boven Cambridge dat ooit door de Nederlanders is drooggelegd. Het is er plat als een pannenkoek. Hij beschreef deze streek rondom de rivier de Ouse zo mooi dat ik dezelfde zomer nog de fiets pakte om het gebied te doorkruisen op zoek naar plaatsen die in het boek van betekenis waren. Ik zocht de stuw op waar het lijk van Freddy Parr tegen het ijzerwerk bonkte en schuurde. Ik ging ook op zoek naar de lucht van het water, zoals Swift die beschrijft, als kenmerkend voor de Fens: ‘Een koele, slijmerige maar eigenaardig doordringende en nostalgische lucht. Een lucht die half mens is en half vis.’ Ik herkende die geur uit mijn kindertijd in een dorp langs de Bergsche Maas.

    In mijn enthousiasme ging ik ook op zoek naar de door mij veronderstelde verblijfplaats van de schrijver in de Fens. Ik had ergens gelezen dat hij in het gebied was gaan wonen om de couleur locale op te snuiven. Ik dacht dat ik wist waar dat geweest moest zijn. Aangekomen op de locatie wist niemand mij iets over Swift te vertellen.

    Datzelfde overkwam mij toen ik op zoek ging naar huize Louwhoek, de boerderij in het Gelderse Exel, waar Jeroen Brouwers woonde tussen 1979 en 1991. Ik was in die tijd helemaal gefascineerd door zijn werk en wilde weten in welke biotoop hij zijn prachtige zinnen uit Exelse Testamenten construeerde. Nu wil het geval dat Exel nogal een groot buitengebied heeft waar hier en daar wat losse huizen staan. Huize Louwhoek kon ik niet vinden. Ik raadpleegde een oudere man die voor zijn huis op een bankje zat, voorover leunend op zijn stok: ‘Weet u wellicht waar de schrijver Jeroen Brouwers woont?’ Zijn antwoord was kort en ontluisterend: ‘Jeroen Brouwers, een skriever? Hier? Nooit van eheurd.’

    Ooit gehoord van Fanghetto? Tot voor kort zei die naam mij ook niets. Ik kwam de naam van het dorpje tegen in De voorloper waarin Tom Rooduyn het ‘gedurfde leven’ van zijn vader Hans Roduin beschrijft. Dat leven eindigt dramatisch in het ruige gebied rondom dit Italiaanse bergdorpje waar zijn vader een woning had. Zoon Tom maakte Fanghetto voor mij aantrekkelijk door enkele prachtige beschrijvingen, waaronder: ‘Fanghetto lijkt in het strijklicht van de namiddagzon op de bergrug te zijn geboetseerd. Een steenarend zeilt op de zuidenwind bewegingloos boven de vallei. Net als we de hoogte van het dorp bereiken, verdwijnt de zon achter de bergen. Rook van houtvuur kringelt uit de schoorsteen.’ Ik wilde er meteen naartoe, maar heb mijn reis uitgesteld tot volgend voorjaar. Ben benieuwd of iemand daar Hans Roduin zich nog kan herinneren.

     

     


    Michiel van Diggelen, schrijver van een biografie van  Ab Visser (2013) en twee delen van een historische roman over Hendrik Peter Scholte (Uitgeverij IJzer). Samen met Richard Tanke schrijft hij aan een biografie van verzetsman en jodenredder Arnold Douwes. Als columnist schrijft hij maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Wedstrijdje stoepschrobben

    Wedstrijdje stoepschrobben

    Op een vroege morgen in Pella (Iowa), werd ik gewekt door een tweestemmig gezongen ‘Lang zal ze leven’, dat door de muren heen klonk. Twee vrouwen zongen via de smartphone een jarig familielid toe. Ze zetten daarmee op moderne wijze een traditie voort, die ze van huis uit meekregen. De vrouwen spraken thuis met hun ouders nooit Nederlands, maar Nederlandse liedjes werden er wel gezongen, met name op feestdagen. Ze herinneren zich ook allerlei aan het Nederlands ontleende uitdrukkingen die thuis gebruikelijk waren, zoals ‘Mondje boven’, waarmee hun grootmoeder aangaf dat ze recht aan tafel moesten zitten en niet mochten onderuithangen als een bos wortels.  

    Maar dat is heel wat anders dan met elkaar Nederlands spreken, zoals auteur Philipp Dröge, overigens zonder bewijsvoering, schrijft in zijn veelgeprezen boek De Tawl, waarin hij sporen van het Nederlands in Amerika onderzoekt. Volgens hem komt dat omdat Pella geïsoleerd is gebleven. Ik vraag me af waarop hij dit baseert. Er zijn Nederlandse emigranten die uit louter nieuwsgierigheid het Nederlands onder de knie willen krijgen. Er zijn ook mensen die nog niet zo lang geleden uit Nederland emigreerden en met hun kinderen Nederlands bleven spreken. De meesten beperken zich echter, evenals bovengenoemde vrouwen, tot enkele eindeloos herhaalde uitdrukkingen. In een 13 jaar oude video op Youtube citeert een stokoude inwoner van Pella, een beetje giechelend, een familiegezegde: ‘Het is altijd wat, als je neus niet kriebelt, dan kriebelt wel je gat.’

    Standaard Nederlands is er in Pella nooit gesproken. De landverhuizers kwamen uit plattelandsgebieden en spraken allerlei dialecten. Gemengd met het standaard Nederlands van de elite van het dorp en met het Amerikaanse Engels groeide dit uit tot een eigen dialect, het ‘Pella Nederlands’. 

    Toen dominee Hendrik Peter Scholte in 1847 met een grote groep gelovigen naar Amerika vertrok, wilde hij dat de landverhuizers meteen na aankomst zo snel mogelijk de taal leerden om Amerikaan te worden. Zo zouden ze meer kans maken deel te worden van hun nieuwe wereld. Al na een maand zwoeren de gearriveerde kolonisten in een emotionele bijeenkomst trouw aan de Amerikaanse grondwet. Scholte was een grote aanjager van de integratie. Zelf preekte hij al snel in het Engels en gaf een Engels weekblad uit. Hij wilde van Pella het centrum van Iowa maken dat verbonden zou zijn met alle markten. Velen van zijn medekolonisten waren het niet met hem eens en verbroken hun banden met hun charismatische leider. Ze wilden dat er in het Nederlands gepreekt werd en dat hij zich met binnendorpse zaken bezighield en niet met de nationale politiek.

    Nederlandse liedjes, aan het Nederlands ontleende uitdrukkingen en gezegden, klompendansen, traditionele gebruiken en Hollandse recepten, zijn een laatste strohalm met een traditie. En die strohalm grijpen velen graag vast. Het beeld van Nederland is door de inwoners van Pella op een bizarre wijze vertekend. Er is een Molengracht waarin blauw aandoend water stroomt. Daarachter is in Nederlandse stijl Hotel Amsterdam gebouwd. Met het festival Tulip Time wordt een wedstrijdje stoepschrobben gedaan, wat de meeste inwoners van het huidige Nederland al lang niet meer doen. Mijn vrouw werd gevraagd of zij iedere week nog de ramen lapt, want dat doen ze toch in Nederland? 

    Emigranten en hun nakomelingen bevinden zich tussen twee wallen, die van hun oude en het nieuwe vaderland. Ze zijn blij met ieder contact van overzee. En niet alleen Nederlanders. Overal in het land werden we aangesproken door mensen van velerlei Europese nationaliteiten die blij waren iemand uit Europa te ontmoeten. Ze zijn bang dat die band door de recente politieke ontwikkelingen in hun land verhinderd zal worden. Bij de geisers in Yellowstonepark werd ik aangesproken door een man die Brower (voorheen Brouwer) heette. Hij wil in juni Amsterdam bezoeken en vroeg zich af of hij er als Amerikaan niet met de nek zou worden aangekeken. De Nederlanders in Pella zagen in mij een ’trait d’union’ tussen hun bestaan in Amerika en hun vaderland. Ze koesteren hun Nederlandse contacten. ‘So, we’re having friends in Europe now!’

     

     

     



    Michiel van Diggelen, reisde vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Dit is het laatste verslag van deze reis.

  • Tulip Time

    Tulip Time

    Tulip Time in Pella is een fenomeen. Drie dagen lang feest rondom Nederlandse bloemen, tradities, eten en niet te vergeten de verkiezing van miss Tulip Time. Zelfs in het Chinese restaurant hangt een grote plaat met tulpen erop. In het centrum zijn Nederlandse liedjes als ‘Bij ons in de Jordaan’ en ‘Geef mij maar Amsterdam’ te horen. 

    Zo’n 150.000 mensen bezoeken jaarlijks deze stad om het feest mee te vieren. Amerikanen schrikken niet terug daar vier of vijf uur voor te moeten rijden. De inwoners van Pella zelf kijken er enorm naar uit. Ze betalen grif 15 dollar om plaats te nemen op de tribune voor een podium op het centrale plein en klappen vrolijk mee met de jongens en meisjes op klompen die oud-Hollandse liedjes zingen over beren die broodjes smeren. Bij het aanhoren van Amerikaanse en Nederlandse volksliederen zingen ze mee met de hand op hun hart.

    De middag- en avondparade zijn het hoogtepunt van het feest. Vanaf zes uur ’s morgens mag er een plaats langs de route gereserveerd worden door het plaatsen van een klapstoeltje. Daar wordt veel gebruik van gemaakt. De parade is een goed georganiseerde optocht waarin iedere praalwagen een aspect van de stad en haar verleden uitbeeldt. Fanfares en harmonieën schetteren erop los. Mijn vrouw en ik zitten in geleende klederdrachtkostuum op een wagen getiteld ‘Vriendschap’ samen met een stuk of tien kinderen die, net als wij, zwaaien naar het publiek. Voorbij elke bocht klinkt een luide stem die onze wagen voorstelt aan het publiek. Zo hoor ik vele malen mijn naam uit een luidspreker schallen. Dutch author. Wrote a historical novel. Based on facts. Mijn vrouw zit als een koningin op een hoge stoel en houdt mijn boek omhoog. We schamen ons hier nergens voor.

    De duizenden bezoekers van dit bloemen festival zijn op zoek naar een wereld die niet meer bestaat. Alles lijkt hier nog netjes, schoon en overzichtelijk, zoals vroeger. De gemoedelijkheid is groot. De auteur Bill Bryson herinnert zich dat hij onderweg met zijn ouders vaak in dit stadje stopte, omdat het er zo vriendelijk en mooi was. Het Archie Bunker gevoel maakt zich zelfs van mij meester. ‘Those were the days’. Ik geniet, maar het verwart me ook. Diep van binnen schuilt in mij blijkbaar nog die hang naar de ogenschijnlijke duidelijkheid van de kindertijd. 

    Ik was gevraagd om in Pella een lezing te geven over de stichter van het stadje, dominee Hendrik Peter Scholte. De zaal in de bibliotheek was afgeladen met belangstellenden. Nederland is het vaderland in de verte en velen willen graag horen wat een echte Nederlander over hun stichter te vertellen heeft. De rij wachtende mensen na afloop wordt maar niet kleiner. Als ik vele boeken gesigneerd heb, zing ik samen met een inwoner psalm 42 in de oude berijming van 1773, die ik vroeger op de ‘School met den Bijbel’ heb geleerd. Als we het lied inzetten, ben ik weer een jongen van tien. Het wordt zelfs de organisator te bont. Hij spoort mij aan haast te maken, hij wil naar huis.

    Het stadje trekt dit jaar ook de aandacht van Birgitta Tazelaar, de Nederlandse ambassadeur in Amerika. Ze bezoekt enkele grote bedrijven. Pella heeft meer arbeidsplaatsen dan inwoners en trekt personeel van heinde en verre aan om de machines draaiende te houden. Ondanks dat Trump hier een meerderheid behaalde, zijn er nu heel wat mensen die hem verafschuwen. Hij behandelt niet alleen mensen als koopwaar (commodity), maar helpt ook de hele economie naar de knoppen. Wie zal hier het werk doen als hij iedereen over de grens jaagt?

    De in oranje geklede ambassadeur brengt een spontaan bezoek aan het prachtig bewaard gebleven Scholtehuis waar ik mijn boek signeer. Het huis werd direct na aankomst door de dominee zelf ontworpen. We praten bijna een uur aan het boekentafeltje, waar oud-Hollandse koekjes, thee en prikkertjes met augurk en kaas worden geserveerd. Tot mijn vreugde zingt de ambassadeur uit volle borst mee met ‘Een Nederlandse Amerikaan’, een raadselachtig liedje, waarover de volgende keer meer. Daarna krijgen we nog een rondleiding van coördinator Lisa Zylstra. Het is voorbij sluitingstijd als de ambassadeur het pand verlaat.

     

     


    Michiel van Diggelen reist vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Voor Literair Nederland doet hij hiervan verslag.

  • Our guy

    Our guy

    Een vrouw van een jaar of zeventig loopt met grote passen op me af, pakt mijn hand en zegt dat ze zo blij is dat er in Grand Rapids eindelijk iemand aandacht besteedt aan ‘My guy Scholte’. Zij is oorspronkelijk afkomstig uit Pella (Iowa) en vindt het maar niks dat Scholte in Michigan niet meetelt. Hier is Albertus van Raalte de grote man, over wie bijna ieder jaar wel een boek verschijnt, terwijl haar Scholte, die toch minstens zo interessant is, er wordt doodgezwegen. Vindt zij.

    Ik ben op het Theologisch Seminarium van de Calvin University om samen met de in Pella wonende Bruce Boertje een lezing te geven naar aanleiding van de verschijning van de Engelse vertaling van mijn beide historische romans over Hendrik Peter Scholte. Tot mijn grote verbazing zijn er meer dan 100 mensen op de lezing afgekomen en, zo vertelt organisatrice Sonja de Jong vol trots: ‘Online luisteren en kijken ook nog 150 mensen mee.’

    Zelden werd ik enthousiaster ontvangen bij een lezing. Zelden ook waren de geluidsinstallatie en het projectiescherm zo professioneel als hier. Vier jonge mensen waren continu in de weer om de zaken te regelen. Het leeft hier allemaal nog, al zijn de bezoekers – alumni van Calvin University – wel allemaal boven de zestig. Tijdens mijn lezing wordt er veel gelachen. Terwijl ik toch echt niet leuk wil zijn. Volgens vertaalster Carol Hoeksema lachen ze ook omdat ze mijn accent zo grappig vinden. Ik knauw niet als een Amerikaan en mijn uitspraak houdt het midden tussen een betere versie van Rutte en die van mijn middelbare schooldocent Jan Bertens.

    Uit de vragen die mij gesteld worden blijkt dat sommigen heel goed op de hoogte zijn en een docent Engels heeft mijn boek zelfs in drie dagen uitgelezen. Hij wil graag weten of Scholte zelf niet beter is geworden van de landverkoop in de kolonie Pella. Ik kan hem verzekeren dat Scholte een ‘fair price’ heeft gerekend en dat niet ik dat heb onderzocht maar de in Grand Rapids hooggewaardeerde professor Robert Swierenga. Dat maakt me meteen geloofwaardig. 

    Een dag later spreek ik in het Museum van Holland, de stad die door dominee van Raalte in oktober 1846 werd gesticht. De kleine zaal is vol ook al moeten de bezoekers entree betalen. Voorafgaand aan de lezing ontbijten we bij restaurant De Boer, die ook als bakker van traditionele producten als speculaas en krentenbrood zijn broek ophoudt. Voorvader De Boer was afkomstig uit Kollum. De huidige eigenaar De Boer komt, als we aan de maaltijd zitten, naar ons toe om de mensen uit zijn vaderland te begroeten. Hij spreekt zelf geen enkel woord Nederlands meer, maar trakteert ons wel spontaan op ‘Sinterklaas Kapoentje’ dat hij met volle bariton zingt. Dit feest wordt hier nog altijd gevierd.

    Als bakker van traditionele Nederlandse producten heb je er natuurlijk belang bij dat dit feest gevierd blijft. Ik heb hem maar niet verteld dat Scholte wilde dat de landverhuizers zo snel mogelijk Amerikanen werden. Maar de meeste volgelingen, hier in Holland, maar ook in Scholte’s Pella hielden tradities vast. Zo wordt er in beide steden een Tulip Festival gehouden, waar klompen en klederdracht tevoorschijn worden getoverd. Het is een meerdaags feest waarvoor heel de gemeenschap als vrijwilligers tienduizenden bezoekers vermaken. Het is een feest voor iedereen en zeer in het bijzonder voor de plaatselijke middenstand. Volgende week gaan we dit feest meevieren in Pella, waar ik nog een lezing zal geven.

    Na afloop van de lezingen komen mensen enthousiast op me af. Of ik met hen op de foto wil en of ik het door hen gekochte boek wil signeren. Even, heel even heb ik het gevoel dat ik een beroemde schrijver ben. Maar het draait hier niet om mij, maar om dominee Scholte: ‘He’s our guy, you know.’

     

    `

     


    Michiel van Diggelen, reist vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Voor Literair Nederland doet hij hiervan verslag.