Ik nam me voor elke ochtend een wandeling naar de rivier te maken. Om de weidsheid van het water te zien. Het leek me een goed begin van de dag. Het duurde even voor ik ook werkelijk ging. Er was veel dat zich tussen het voornemen en de uitvoering ophield. Maar vanmorgen liep ik dan met de man de tuin uit, het gangpad tussen de huizen door, het trottoir over, rechtdoor naar de rivier. Het wateroppervlak glinsterde ons tegemoet. In het midden smalle stroken land, bevolkt door ganzen. We vermaakten ons met voorspellingen over hoe hoog het water nog zou stijgen. Speelden met het idee van rampspoed.
‘Sinds de overstroming hoor je overal druppelen, kabbelen, stromen, kolken.’, lees ik in het openingsverhaal van Weertij.
Maar wacht, zag ik nu een bootje. Daar, in de verte? Ik vertelde de man het verhaal van die vrouw in een roeiboot die ze in de chaos van mensen op de vlucht voor water van haar buurman had gestolen. Drie dagen roeide ze over ondergelopen land. Er verdrinken mensen, er drijft een koe. Dan, een overlevende grijpt zich vast aan haar boot. Ze hakt met haar zakmes in die hand. De hand laat los. Dat het zo gaat als je in nood verkeerd. Red eerst jezelf en daarna de ander is het adagio, toch?
Het ene verhaal is als een voorspelling van rampspoed, in een ander verhaal zit je er middenin. Verhalen die spiegelend werken. Zou ik in de overleef stand ook zo radicaal handelen als die vrouw met de roeiboot?
Eén verhaal liet me in verwarring achter. Ik las het nog eens, maar begreep het niet. De man zei, (alsof het een Rubik Kubus betrof waarvan ik de stukjes niet op hun plaats kreeg), zal ik het eens lezen? Het verhaal van de oude vrouw die met haar dochter een paar dagen aan zee logeert. Daar treft ze haar jeugdliefde, (of toch niet?). Later, als ze het dorp verlaten, ziet ze vanuit de bus een man die rozen snoeit. Ze herkent hem, (is dat hem dan?). De man las het verhaal. Hij vond het een mooi verhaal. Hij zei dat het een geval was van je de dingen anders herinneren dan degene waarmee je het beleefd hebt. Dat het daarover ging. Ik zei, O, ja!
Verrassend is hoe personages en gebeurtenissen van het ene verhaal in een ander en een volgend verhaal overlopen. De weervrouw, die en passant door een tienermeisje op tv wordt gezien terwijl ze zich innerlijk voorbereid op een ontmoeting met haar vriendje waarbij ze het gaan ‘doen’, waarschuwt voor smeltende gletsjers en stijgend zeewater. In een volgend verhaal een vrouw op de vlucht (naar een pension aan zee) nadat ze in haar laatste tv optreden de waarheid over het klimaat vertelde en online wordt afgemaakt.
Dat is het ook.
Al die thema’s. Die op een ‘be the way’-achtige wijze worden aangestipt. Zoals de vrouw uit ‘De pas gearriveerden’, drie keer moet ze opnieuw inparkeren voor het lukt. Dan: ‘de nieuwe Audi is groter dan haar vorige auto’. Dat het leven ons te groot is geworden. Dat is wel een dingetje. Deze vrouw kiest voor modemerken, datingapps en wil haar puberzoon gelukkig zien. Ook zij overnacht met haar zoon in een pension aan zee. Wat een uitstapje lijkt, blijkt een raadselachtige onderneming. Raadselachtig, omdat ik het niet wil geloven. Want gaan mensen nu en masse wachten op een boot vluchtelingen in de hoop er een mee naar huis te kunnen nemen?
En dan zijn er die hoofdjes van klei die in verschillende verhalen opduiken. Op een plank, in de vensterbank. Soms wel veertig bij elkaar. Het is de dagelijkse werkelijkheid die Van der Kind op soms hilarische wijze uitvergroot. Verhalen waarin het geluid van roeispanen weerklinkt. Er hangt een gele jurk in een boom in het ene-, en een vrouw draagt ‘haar gele jurk, haar vlecht hangt tussen haar schouderbladen’ in een ander verhaal.
Ik zit op de bank. Kneedwezens, de laatste bundel van Judith Herzberg naast me. Die opent met een fragment uit haar toneelstuk, Leedvermaak. Hoe kinderen voor van alles en nog wat bang zijn. ‘Pien: (…) en angst, angst, angst! Voor van alles en nog wat. De een voor wezens van een andere planeet, de ander voor kneedwezens,…’
Riet:
‘Kneedwezens?
Pien:
‘Ja, dat heeft Rifka. Kneedwezens. Van klei of zo zeker. Ik weet het niet. Maar ze is er als de dood voor. Gillend ‘s nachts wakker worden en zo.’
Ik dacht, ja, dit is het. De mens een kneedbaar wezen. Gekneed naar de omstandigheden. Van der Kind kruipt in het hoofd van haar protagonisten. Ze zet een sfeer neer die doet denken aan de verhalen van Vonne van der Meer. Het eigengereide van haar protagonisten die denken dat wat zij doen, goed is. Of in ieder geval kunnen ze niet anders. Dat je daar soms gillend van wakker wordt.
Weertij / Michelle van der Kind / 146 blz. / Van Oorschot
Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.


