• Herkenning in de kunst

    Herkenning in de  kunst

    Gezien door de ogen van deze tijd lijkt de strijd tussen de kunsten in de Renaissance, de paragone, een ordinaire ruzie tussen alfamannetjes. Maar dan wel een tussen de crème de la crème van de artistieke alfamannetjes, met als hoogtepunt de schermutselingen tussen Leonardo da Vinci en Michelangelo Buonarroti. Waarbij de eerste de schilderkunst boven de beeldhouwkunst stelde, vanwege het intellect dat nodig is om een voorstelling geloofwaardig in het platte vlak uit te beelden, en de tweede de beeldhouwkunst, omdat de drie dimensionaliteit van beelden de werkelijkheid veel dichter zou benaderen.

    Afgelopen zaterdag toonde Wim Pijbes zich in het Gemeentemuseum in Den Haag een ware volgeling van Michelangelo. Hij bekende bij de opening van de tentoonstelling ‘Van Rodin tot Bourgeois; Sculptuur in de 20ste eeuw’, dat voor hem beeldhouwkunst absoluut op nummer 1 staat, omdat je je er als mens zo mooi toe kunt verhouden. En dat blijkt voor Pijbes een cruciaal element van kunst te zijn. Hij vindt dat je je als toeschouwer moet kunnen vereenzelvigen met de kunst die je aanschouwt. Iets dat hij onderstreepte door beeldend kunstenaar Antony Gormley (1950) aan te halen: ‘kunst gaat tegenwoordig niet meer over macht en prestige, maar over participatie’. Voor Pijbes is er geen betere kunstvorm om in te participeren dan beeldhouwkunst, omdat die bijna altijd over mensen gaat. Of je er nu vlak voor staat, er omheen cirkelt of een beeld vanuit de verte aanschouwt; je herkent jezelf altijd onmiddellijk in een beeld. Een stelling die je nu in het Gemeentemuseum kunt toetsen met en weergaloos overzicht van topbeelden uit de twintigste eeuw.

    Als beeldhouwkunst de ultieme participatieve vorm van beeldende kunst is, dan is muziek dat misschien wel voor literatuur. Muziek is immers een literaire vorm die je meer nog dan romans of poëzie tot deelname uitnodigt. Luidkeels meezingend of zachtjes neuriënd. Op de fiets, als je aan het koken bent, of onder de douche. Zingen kan je altijd en overal.

    In het licht van Gormley’s stelling is het dan ook niet meer dan logisch dat de Nobelprijs voor de literatuur eindelijk eens aan een songwriter is toegekend. Want als ook literatuur tegenwoordig draait om participatie, dan is het tijd dat die prijs naar het gezongen woord gaat, de meest participatieve literaire kunstvorm. Ook al omdat je niet kunt ontkennen dat er geweldig goede, literair hoogstaande songteksten zijn, waaronder die van Bob Dylan, die tot de absolute top van het muzikale woord horen. Daar zijn vriend en vijand het wel over eens.

    Dus waarom is er dan zoveel rumoer sinds bekend werd dat Dylan met de hoogste eer ging strijken? Is dat omdat Gormley’s stelling toch niet opgaat voor de literatuur? Dat macht en prestige daar nog immer voorop staan? Of omdat velen het gedrukte woord intelligenter vinden dan het gezongen woord? Zoals Leonardo de schilderkunst hoger achtte dan de beeldhouwkunst? Als dat zo is dan hoop ik dat er snel een Michelangelo uit de muziek opstaat.

     

     

  • Vergeet je jas niet

    ‘De Ark van Noach in Dordrecht biedt een leuk dagje uit voor jong en oud!’, wordt vermeld op www.arkvannoach.com. ‘U krijgt een indruk hoe het schip eruit heeft gezien en ontdekt hoe Noach en zijn gezin geleefd moeten hebben’. De site bevat een goede tip: ‘Het kan koud zijn op de Ark. Vergeet je jas niet.’

    De Ark is in historisch opzicht ver afgedreven. De oorsprong is het Bijbelverhaal van de zondvloed in Genesis, waarin Noach met zijn familie ontsnapt aan de verdrinkingsdood. En dan hebben we het alleen nog maar over onze christelijke versie. Een soortgelijke vertelling is ook te vinden in de Koran en in het Soemerische epos over Gilgamesj.

    Het schip ziet er in de iconografie niet altijd even patent uit. Maar dat hoefde ook niet. Het ging niet om de bewijsbare degelijkheid van het vaartuig maar om de redding van de goede mens. Eeuwenlang kozen kunstenaars ervoor de Ark af te beelden als symbool van die redding. Soms loerden uit alle ramen dieren, want Noach redde en passant ook de aarde. Maar die was niet te zien. De boot vulde het beeld. En het water.

    ark van noachMichelangelo introduceerde in de 16de eeuw een ander perspectief, dat van de afvaart. Bij hem geen solitaire boot als ‘save haven’, maar de angst en het lijden van de mensen die niet hebben weten te ontkomen en het nakijken hebben. Het tafereel is te zien in de Sixtijnse kapel. Op de voorgrond worstelen mensen om aan de ramp te ontkomen, terwijl de Ark verdwijnt in de achtergrond. Niet de geredden, maar zij die dat niet zijn vullen het fresco.

    In onze 21ste eeuw voldoet dit beeld niet meer. Het perspectief is opnieuw veranderd. De boot staat weer centraal. En dit keer komt hij aan. Op de voorgrond staan nu over elkaar buitelende ngo’s die de opvarenden opvangen. Maar de boot die aanlegt is niet een schip van hoop zoals de Ark ooit. Nee, het is de wanhoop die landt. Niet op de berg Ararat, verwelkomd door een duif met een palmtak, maar op Griekse en Italiaanse eilanden en – verder van ons – op de stranden van Thailand en Maleisië. En het schip als solitair symbool is er óók weer.

    Het icoon is sinds een paar jaar de foto van Massimo Sestini die in 2015 een World Press Photo-bekroning kreeg. Hij nam hem op 7 juni 2014 voor de kust van Libië waar de Italiaanse marine een boot vol drenkelingen redde van de ondergang.

    Foto: Massimo Sestini

  • Door: Martin Lok

    Door: Martin Lok

    De wereldberoemde Italiaanse beeldhouwer Michelangelo Buonarroti (1475-1564) heeft zijn haast onaantastbare status bereikt zonder veel beelden af te maken. Hij maakte ongeveer zes op de tien beelden niet af! Maar het werd hem niet kwalijk genomen en stuwde zijn faam alleen maar naar grotere hoogten. Volgens Giorgio Vasari, biograaf van de beeldhouwer, waren Michelangelo’s onafgemaakte beelden bij uitstek meesterwerken ‘die ons leren wat ware beeldhouwkunst vermag’. Vooral de onafgemaakte apostel Mattheus, te zien in de Accademia in Florence, bekoorde Vasari zeer. Een getormenteerde, gepijnigde apostel, die zich in alle bochten lijkt te wringen om aan het marmer te kunnen ontsnappen. Een andere tijdgenoot van Michelangelo, Benedetto Varchi, zou bij de begrafenis van de beeldhouwer eveneens de onafgemaakte beelden prijzen en stellen dat Michelangelo daarin meer liet zien dan andere beeldhouwers in gecompleteerde werken.

    Ik moest hieraan denken toen ik Harry Mulisch’ laatste boek ter hand nam, De tijd zelf. Een klein boekje, met daarin drie fragmenten van nog geen dertig pagina’s. Een voorzichtige aanzet tot een novelle. Daarna volgen ruim 120 pagina’s met toelichtende teksten, dagboekfragmenten en eerdere versies van de teksten. Is dat interessant, literatuur in wording? Kan een onaf boek ons leren – om Vasari te parafraseren – wat ware literatuur vermag? Snel lees ik de drie ontluikende hoofdstukken. De klok, De tegentijd en Het gezicht. Titels die ontegenzeggelijk de handtekening van de auteur dragen. Maar het blijft niet meer dan een aanzet. Onsamenhangend, onvoltooid. Ingehaald door de dood of door onvermogen. Wie zal het zeggen?

    Het blijft na dertig pagina’s ongewis hoe de novelle zich verder zou hebben ontwikkeld als Mulisch niet overleden was. Waar bij Michelangelo uit zijn non finito beelden het idee van het voltooide beeld duidelijk naar voren komt, zich letterlijk aan de steen lijkt te willen ontworstelen, blijft dit idee in De tijd zelf verhuld. Op zich is dit niet zo vreemd. In de Renaissance wist men immers al dat er één belangrijk verschil is tussen literatuur en beeldende kunst, en dat is – hoe passend bij een beschrijving van Mulisch’ laatste novelle – De tijd zelf. Waar in de literatuur een verhaal kan worden verteld dat zich op meerdere momenten in de tijd afspeelt, moet de beeldende kunst alles in één moment, in één beeld samenballen. Wat een voordeel lijkt voor de literatuur, wordt een nadeel als het om onafgemaakte werken gaat. In een onafgemaakt literair verhaal is het de vertelling zelf immers die tot stilstand komt, en is het verloop ervan in de tijd per definitie onaf. Er zijn geen aangrijpingspunten, zoals dat bij een half in marmer verzonken figuur wel het geval is, om als lezer het onvoltooide verhaal in gedachten af te maken. Maar betekent dit ook dat het publiceren van een onafgemaakte novelle een heilloze weg is? En dat ook Mulisch’ andere ongepubliceerde werken ongepubliceerd moeten blijven?

    Dat denk ik niet. Want er gebeurt iets fascinerends als ik de toelichtende teksten, dagboekfragmenten en eerdere versies van Mulisch’ novelle lees. Ik ontdek hoe het verhaal ontstond en evolueerde en vang zo een glimp op van het wezen van Mulisch’ kunstenaarschap. Door te volgen hoe De tijd zelf groeit en stokt, groeit het inzicht in wat voor Mulisch de essentie van zijn schrijverschap is. Wat ware literatuur voor hem vermag. Meer nog dan in zijn voltooide werk toont de schrijver in de onvoltooide novelle zijn ware meesterschap. Hij weet dat het verhaal dat hij creëert te weinig ruimte heeft, zichzelf vastdraait en de adem beneemt. Hij neemt zichzelf de maat en bevindt zijn novelle te licht. Het is wat Louk Tilanus, kunsthistoricus en huisvriend van de dichteres Vasalis, het oudste recht van een kunstenaar noemt, ’te zeggen wanneer iets af is’ (IKON, Profiel, woensdag 19 oktober 2011). Op grond van dit recht bepaalde Mulisch dat De tijd zelf niet goed genoeg is, niet af. Twee maanden voor zijn dood noemde hij de novelle een vastgelopen project. Niet goed genoeg voor publicatie. En toch is het, gepubliceerd met de achterliggende teksten, een prachtig kleinood. Je wordt meegevoerd langs de onnavolgbare wendingen van Mulisch’ creatieve proces, langs de omwegen waarlangs zijn meesterwerken eerst gevoerd moeten worden, alvorens ze zich in volle glorie kunnen openbaren. Langs de omwegen ook waarlangs het soms vastloopt. Zoals bij De tijd zelf. Dat maakt de publicatie ervan met de aantekeningen en dagboekfragmenten die ermee samenhangen tot fascinerende lectuur. Een genre dat hopelijk een vervolg krijgt.

     

    De tijd zelf

    Auteur: Harry Mulisch
    Verschenen bij: De Bezige Bij (2011)
    Aantal pagina’s: 158 pagina’s
    Prijs: € 17,90