• Mogelijkheid van genade

    Mogelijkheid van genade

    Ineens was In ongenade overal: in een auteursgesprek raadde ik dit beroemde werk van J.M. Coetzee aan en nog geen uur later wandelde een collega, bij het gesprek afwezig, mijn kamer binnen om te vertellen dat hij het aan het lezen was. Daarnaast stond de titel al enige tijd op mijn lijst met te herlezen boeken. Toeval? Als tiener geloofde ik alleen in de volledige verbondenheid van het universum als ik verliefd was. Gelukkig was ik altijd verliefd – nog steeds eigenlijk. Thuis trok ik het boek direct uit de kast.

    ‘Ik werd er heel neerslachtig van,’ zei diezelfde collega een week later, hij zuchtte er zelfs bij. Dat gevoel herkende ik. In ongenade is een roman die je, na het dichtslaan, van je af moet ademen. Ik had het nog niet uit en toch kiemde die zucht al in mijn borst.
    Iemand anders moest drie dagen bijkomen van Mogelijkheid van een eiland. Hij las de roman van Houellebecq tijdens een strandvakantie met vrienden en, zijn woorden, het voelde als een emotionele kater. Vermoeidheid, ja, dat is ook wat ik aan dat boek overhield.
    In ongenade is een veelomvattende roman. Aan de hand van een weinig sympathiek personage, de gevallen professor Lurie, wandelt de lezer langs grote thema’s. Lust, schuld, ouderschap en familiebanden, ze worden alle bevraagd. Zowel voor Lurie als voor de lezer liggen er weinig antwoorden klaar: de schrijver reikt aan en de lezer kijkt wat hij kan met wat hij in zijn handen gedrukt krijgt. Dat kan per lezer en per lezing verschillen.
    De man die drie dagen moest bijkomen van Mogelijkheid van een eiland noemde In ongenade zonder twijfel zijn lievelingsboek.

    Waarom lees ik en herlees ik? Er is nooit een eenduidig antwoord op die vraag geweest. Soms is het slechts om mezelf te vermaken, dan weer om mezelf te inspireren, vaak lees ik om te kunnen schrijven. Sinds lezen mijn beroep is, begin en eindig ik de dag bewust met iets dat ik goed vind. Wat vind ik goed? Ook dat wisselt.
    Tijdens mijn vrije-tijdslezen denk ik – en ik merk dat ik enige schroom heb bij deze gedachte – dat ik hoop zoek – of, op zijn minst mededogen.

    De boeken die ik niet uitlees zijn vaak slecht getimed, niet wat mijn hoofd op dat moment behoeft, zijn slecht geschreven of ze zijn in de kern cynisch. In het dagelijks leven vind ik cynisme al lui, dus in een roman moet ik er helemaal niets van hebben. Laten zien dat iets lelijk is, daar is geen kunst aan. Laten zien dat er tussen allerlei ellende schoonheid te vinden is, vergt niet alleen mentale maar ook literaire kracht.
    Is In ongenade een cynisch boek? Je zou het bij aanvang kunnen denken, maar nee: hoe vilein en donker de toon en de ideeën van de verteller ook mogen zijn, cynisch zou ik het niet willen noemen. Opbeurend evenmin. Heeft David Lurie iets geleerd aan het einde van het verhaal, is hij veranderd? Geen idee. Maar ik wel.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

  • Inzicht in het oeuvre van Houellebecq aan de hand van Schopenhauer en Martin de Haan 

    Inzicht in het oeuvre van Houellebecq aan de hand van Schopenhauer en Martin de Haan 

    Michel Houellebecq, een groot bewonderaar van Arthur Schopenhauer (1788 – 1860), schreef ooit enkele essays over het filosofische werk De wereld als wil en voorstelling (1818). Zijn Nederlandse vertaler Martin de Haan heeft deze vertaald en voorzien van een interessante inleiding waarbij hij de link legt tussen Schopenhauer en het oeuvre van Houellebecq. De tekst van de schrijver bestaat uit citaten uit De wereld als wil en voorstelling en zijn interpretatie daarvan. Houellebecq’s essays kunnen we beschouwen als essays in hun meest letterlijke zin: pogingen, probeersels om een ingewikkelde denker te doorgronden. Ze maken de lezer in elk geval nieuwsgierig naar Schopenhauer. Door de inleiding van De Haan worden bovendien de overeenkomsten met Houellebecq’s oeuvre duidelijker. Vooral de verwijzingen naar zijn roman De mogelijkheid van een eiland maakt Houellebecq’s analyse van Schopenhauer inzichtelijk. De essays dateren dan ook van kort voor het schrijven van die roman.

    Lijden
    De wereld en het leven daarop zijn onaangenaam en elke poging daar wat aan te doen is per definitie vruchteloos; ‘elk genot, hoe heerlijk het ook mag lijken, is immers maar relatief, verkregen te midden van grote zorgen en voorbestemd tot een snel einde’. De mens, het dier, ja zelfs het ding kan niets anders doen dan lijden. Dat is op het eerste oog zo’n beetje het overkoepelende thema van het werk van Houellebecq. Dat wordt immers bevolkt door cynische buitenstaanders die de amechtige pogingen van hun medemens om er (in onze hedendaagse consumptiemaatschappij) nog iets van te maken zien mislukken – hun eigen pogingen incluis. Ook zij lopen gedwee mee in de kudde mensen zonder ook maar iets te kunnen veranderen aan hun doel- en zinloze bestaan.

    Daarin kan men Arthur Schopenhauer herkennen. Deze schreef immers ook dat de mens verwikkeld is in een strijd tegen pijn (voortgebracht door gebrek en ontbering) en verveling (dat op haar beurt zekerheid en overvloed als oorzaak kent): ‘Het lot is wreed en de mensen zijn erbarmelijk.’ De wereld is niet geordend, er is geen idee, geen reden, geen doel, geen God die zal zorgen voor eenheid. We worden allemaal slechts geregeerd door de wil en onze begeertes.

    Berusting?
    Wie een object weet te beschouwen en zich daarin volledig kan ‘verliezen’, kan daar slechts aan ontsnappen. De alledaagse manier van kijken moet men laten varen ‘en niet meer het “waar” het “wanneer”, het “waarom” en het “waartoe” van de dingen, maar enkel het “wat”’ beschouwen. Een kunstenaar kan bijvoorbeeld alleen maar tot een wezenlijke schepping komen als hij de wereld op die manier beschouwt, van elk willen en elke begeerte bevrijd. Alleen op die manier kun je berusten in het feit dat het leven lijden is. Houellebecq werpt tegen: kun je werkelijk een zodanige buitenstaander zijn voor wie slechts het ‘wat’ er nog toe doet? Is de mens, en dus ook de kunstenaar, er tragisch genoeg niet toch veroordeeld tot het zijn van een onderdeel in een collectief?

    De mogelijkheid van een eiland
    Als gezegd verwijst De Haan onder andere naar De mogelijkheid van een eiland om de link tussen Houellebecq en Schopenhauer concreter te maken. In die roman laat een komiek (Daniël) zich opnemen in een sekte die het eeuwige leven mogelijk maakt doordat de leden zich kunnen laten klonen. De latere nazaat van Daniël, Daniël25, leeft in een compound in een wereld die verder woest en ledig is. Er is slechts nog contact met anderen via een soort intercom, en verder is iedereen op zichzelf en bezig met het willoos aanschouwen van de wereld. Komt dat misschien in de buurt van de ascese waarin slechts het ‘wat’ nog telt? Uiteindelijk verlaat echter ook Daniël25 zijn compound op zoek naar liefde. Die tocht zal vol lijden zitten maar kennelijk heeft hij dat liever dan een Schopenhaueriaans bestaan in zijn compound zonder lijden. Ook het gelijknamige gedicht van Houellebecq – ooit gezongen door Carla Bruni– suggereert dat niet alles in de wereld lijden is.

    Schopenhauriaan-af
    Dat is een signaal dat Houellebecq, ondanks zijn op z’n best als negatief te kenschetsen wereldbeeld, geen absoluut cynisch of zelfs nihilistische schrijver is. Dat zorgt meteen voor een aardige twist aan de inleiding van De Haan en de stukken van Houellebecq: de lezer leert een filosoof kennen door de ogen van een bewonderaar die die bewondering eigenlijk (deels) al heeft afgeschud.

    Ergens gelooft hij immers toch nog in de in de mens en is hij ervan overtuigd dat ‘de aard van mens de wereld kan veranderen’. Dat is, volgens De Haan, iets wat Schopenhauer nooit zou hebben gezegd. De Haan karakteriseert Houellebecq dan ook als ‘schoperhaueriaan af’. De schrijver bevestigt dat zelfs in twee afzonderlijke interviews die zijn vertaler citeert. Al met al is het boek een zeer interessante en ook nuttige uitleg van het oeuvre van Houellebecq en diens interpretatie van Schopenhauer. Maar wie geïnteresseerd is in het oeuvre van Houellebecq, leest toch beter eerst de romans zelf en beschouwt het ‘wat’ van zijn oeuvre en niet het ‘waarom’ of ‘waartoe’.

     

  • Oogst week 35 – 2018

    Zeemansgraf voor een kort verhaal

    We beginnen dit nieuwe boekenseizoen met een debuut met een intrigerende titel, Zeemansgraf voor een kort verhaal geschreven door Dorothée Albers (1966). Albers studeerde Franse Taal- en Letterkunde en Communicatiewetenschap en is o.a schrijfcoach.

    ‘Zeemansgraf voor een kort verhaal vertelt het verhaal van drie generaties musici. Saxofonist Jurre wordt als pasgeboren baby weggehaald bij zijn moeder Jet, een concertpianiste, waardoor ze elkaar nooit ontmoeten. En wanneer Jurre ontdekt dat hij geadopteerd is, houdt hij dit voor zichzelf. Ook zijn dochter Fine komt dat niet te weten.

    Hoewel deze drie generaties gescheiden zijn door het leven, zijn zij verbonden door hun muzikale talent, waarvoor zij alles overhebben, maar die ook een zware last op hun leven legt.’

    Zeemansgraf voor een kort verhaal
    Auteur: Dorothée Albers
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    In aanwezigheid van Schopenhauer

    Michel Houellebecq is al jaren zeer gefascineerd door de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788 – 1860).
    In In aanwezigheid van Schopenhauer geeft hij aan waarom.

    … ‘Dat is meer in het algemeen het doel van dit boek: aan de hand van een aantal van mijn favoriete passages wil ik laten zien waarom Schopenhauers intellectuele houding in mijn ogen een voorbeeld blijft voor elke filosoof in spe; en ook waarom je, zelfs als je het aan het eind van de rit met hem oneens blijkt, niet anders dan grote dankbaarheid jegens hem kunt voelen. Waarom, om nogmaals met Nietzsche te spreken, “het feit dat zo iemand heeft geschreven, werkelijk het plezier om op deze aarde te leven heeft vergroot”.’

    Martin de Haan is de vaste vertaler van de boeken van Houellebecq. Van hem verscheen in 2015 Aan de rand van de wereld. Michel Houellebecq. Portret in dertig korte stukken. Hij schreef een uitgebreid voorwoord in In aanwezigheid van Schopenhauer.

    In aanwezigheid van Schopenhauer
    Auteur: Michel Houellebecq
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Hoe wij kijken

    De BBC-reeks Civilisations is een remake van de bekende serie Civilisation uit 1969. Het oorspronkelijke Civilisation kwam voort uit de visie van kunstkenner en presentator Kenneth Clark. Clark besteedde vooral aandacht aan de tijd vanaf de Middeleeuwen.

    De nieuwe serie biedt een blik op kunst en cultuur in zes continenten, van oertijd tot nu. De verschillende afleveringen worden gepresenteerd door Simon Schama, Mary Beard en David Olusoga. Aan de hand van kunstenaars en objecten uit verschillende culturen staan zijn stil bij het ontstaan en de ontwikkeling van de menselijke creativiteit, en hoe beschavingen elkaar daarbij beïnvloedden.

    In het verlengde van die serie zijn afgelopen juli en augustus bij uitgeverij Athenaeum de boeken Met gelovige ogen van Mary Beard en Verering van de vooruitgang van David Olusoga verschenen.

    Beard is een Britse classica, o.a. hoogleraar aan de Universiteit van Cambridge en auteur over de Oudheid in The Times Literary Supplement. Zij weet die periode voor een breed publiek toegankelijk te maken. In Hoe wij kijken onderzoekt zij ‘hoe de menselijke gestalte werd vormgegeven in een aantal van de vroegste kunstuitingen ter wereld – van de gigantische stenen hoofden van de Olmec in Midden-Amerika tot het terracottaleger van de eerste keizer van China. Ze legt uit hoe een uit de oudheid afkomstige weergave van het menselijk lichaam de manier waarop mensen in het Westen hun eigen cultuur en die van anderen zien beïnvloedt, en soms vervormt. In het tweede deel
    van het boek staat deze vraag centraal: wat is de functie van de beeldende
    kunst in de religie? Met andere woorden: hoe kijken we naar
    mensen en naar goden?’

    Hoe wij kijken
    Auteur: Mary Beard
    Uitgeverij: Athenaeum

    Eerste ontmoetingen

    David Olusoga is dus een van de andere presentatoren van de hierboven genoemde serie Civilisations.

    ‘De van oorsprong Nigeriaanse historicus David Olusoga reist de wereld rond om de geschiedenissen die volken met elkaar verbinden aan elkaar te knopen. We lezen wat er met de kunst gebeurde tijdens het tijdperk van de ontdekkingsreizen, toen beschavingen elkaar voor het eerst ontmoetten. Natuurlijk was dat een periode van veroveringen en vernietiging, maar het was ook een tijd van wederzijdse nieuwsgierigheid, wereldhandel en de uitruil van ideeën.
    Met de industriële revolutie in de negentiende eeuw veranderde de kijk van de kunstenaar op de wereld: de nieuwe fabrieken, de urbanisatie en de onderwerping door Europa van andere volken lieten hun sporen na in de kunst.’

    Eerste ontmoetingen
    Auteur: David Olusoga
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Zomerboeken 2018 – Lezen is ontsnappen

    Zomerboeken 2018 – Lezen is ontsnappen

     

     

     

     

    De welwillenden

    Uw vakantieboeken hoeven zich niet af te spelen op de vakantiebestemming, ga liever voor contrast, zodat u een dubbele ontsnapping creëert. Lees tijdens een lamlendige strandvakantie boeken die bol staan van vaart en spanning en de hele wereld bestrijken. Ludlumachtige boeken dus of de literair verantwoorde versie ervan: De ontdekking van de hemel van Mulisch of De welwillenden van Litell waarin vanuit het perspectief van een SS’er een enorm scala een oorlogsgruwelen de revue passeert.

    De welwillenden
    Auteur: Jonathan Littell
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Als u tot een actieve vakantie besluit, hiken in Noorwegen bijvoorbeeld, lees dan niet Grip van Enter of Nooit meer slapen van Hermans, maar een lekker landerig boek: Carson McCullers’ De balade van het treurige café (over een zeer broeierig Georgia) of juist een grote-stadsroman zoals het hilarische Geld van Martin Amis over een Londense reclameman die in New York de voorbereidingen treft voor zijn eerste speelfilm.

    De waterman

    Gaat u op een vakantie van lichte zeden, lees dan niet Platform van Houellebecq of de sublieme memoires van Casanova, maar het vrijwel vergeten juweel De waterman van Van Schendel, over een negentiende-eeuwse binnenvaartschipper die met ijzeren discipline en een loodzwaar moreel regime tegenslag na tegenslag doorstaat.

    De waterman
    Auteur: Arthur van Schendel
    Uitgeverij: Athenaeum (alleen als e-boek)

    De tijgerkat

    Lees hoe dan ook een monumentaal werk- daar heeft u nu de tijd voor-, zoals De Radetzkymars van Joseph Roth over het Habsburgse rijk van keizer Franz Joseph of De tijgerkat van Tomasi di Lampedusa over het negentiende-eeuwse Sicilië waar een revolutie ervoor zorgt dat alles bij het oude blijft.

    De tijgerkat
    Auteur: G. Tomasi di Lampedusa
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep
  • Karikaturen in literatuur en schilderkunst

    De Dood van Sardanapalus (1827) van Eugène Delacroix (1798-1864) is een explosie van kleur en geweld. Het schilderij is gevuld met extravagante rijkdommen, naakten en de dood. Vooral met de dood, want Sardanapalus de laatste koning van Assyrië, wilde zijn aankomend verlies voor zijn en liet daarom al zijn bezittingen inclusief zijn vrouwen vernietigen voordat hij de hand aan zichzelf sloeg.

    Delacroix’ schilderij is in velerlei opzichten woest. Van de moordende soldaten tot de opgestapelde rijkdommen en wulpse, neervallende vrouwen. Alles drukt een irrationele onstuimigheid uit, nog eens extra aangezet door de heftige penseelvoering waar Delcroix zich van bedient. Een typisch voorbeeld van een oriëntalistisch meesterwerk.

    Oriëntalisme is volgens Edward Said, de bedenker van de term, een manier van spreken, denken en schrijven dat het Westen een spiegel verschaft waartegen het zichzelf kan identificeren (Orientalism. Western Conceptions of the Orient, 1978). Niet door zijn spiegelbeeld te tonen, maar zijn tegendeel. De Oriënt wordt dan als primitief, sensueel en irrationeel getypeerd, terwijl het Westen progressief, meer geordend en rationeel zou zijn. En hoe zeer dat irrationele en sensuele van de Oriënt ook mag aanspreken, zeker als het met de vaardige hand van een Delacroix op het doek is gesmeten, het is altijd een karikatuur dat de boodschap uitdraagt dat datgene dat je niet ziet (het Westerse), duizend maal beschaafder en beter is.

    Michel Houellebecq treedt met zijn roman Onderworpen, waarin hij een islamitische wereld schetst die naar de Seine is opgerukt en de democratische orde heeft verdrongen, vakkundig in de voetsporen van Delacroix. Opnieuw is het geweld en sensualiteit wat de klok slaat. Geweld in de vorm van rellen en dood in les rues de France, zoals de recente geschiedenis heeft getoond en is helaas een niet geheel onrealistisch beeld. Sensualiteit in de vorm van de meerdere (jonge) vrouwen die zelfs de meest sullige professoren aan de Sorbonne ten deel vallen als dat bolwerk van Westers denken onder Saoedische leiding is gekomen.

    Volgens de Volkskrant is Onderworpen een intelligente analyse van de westerse samenleving en speelt het een meesterlijk en geraffineerd spel met de angst voor de islam. Volgens het NRC is het een wake-upcall, met de vraag wat we over hebben voor het voortbestaan van onze beschaving en democratie. Door de ogen van Said in de roman, overheerst een ander beeld. Houellebecqs roman is dan niet meer om de zoveelste poging om de Westerse hegemonie te bevestigen en het onbegrepen Oosten te marginaliseren. Wat Houellebecq overigens met grote kwaliteit doet. Want net als De Dood van Sardanapalus is Onderworpen uiterst amusant en een weldaad voor de geest. Maar het is goed je te realiseren dat het fictie in het kwadraat is. Niet alleen omdat het verhaal is verzonnen, maar ook omdat de Oosterse spiegel waar Houellebecq ons in laat kijken karikaturaliseert.

     

  • Vijfde editie City2Cities, bereid je voor

    Agenda / 15-16 mei / City2Cities / Postkantoor Neude / Utrecht

    Op vrijdag 15 en zaterdag 16 mei 2015 vindt de vijfde editie van het internationale literatuurfestival City2Cities plaats. Het festival over literatuur uit wereldsteden heeft voor deze jubileumeditie een bijzondere locatie gevonden: het voormalige hoofdpostkantoor op de Neude in Utrecht. City2Cities is het eerste festival dat in het monumentale gebouw plaatsvindt.

    Onder de bogen van de indrukwekkende hal – waar men vroeger in de rij stond voor postzegels en briefkaarten – klinkt twee dagen proza, poëzie en muziek. Ook in de kantoren, de kluisruimtes en langs de balustrades van dit imposante Amsterdamse School-gebouw vinden tientallen voordrachten, interviews en lezingen plaats van nationale en internationale schrijvers.

    Net als voorgaande jaren gaat ook bij deze editie de bijzondere aandacht uit naar  literatuur uit twee wereldsteden. Dit jaar zijn dat Krakau en Parijs.

    Voor zover bekend staan op het programma o.a. schrijfster Eleanor Catton uit Nieuw-Zeeland en Michel Faber uit Schotland en de Vlaamse dichter Jo Govaerts. Catton won in 2013 voor haar roman Al wat schittert (Anthos) de prestigieuze Man Booker Prize. Zij was toen 28 jaar oud en de jongste winnaar ooit.
    Michel Faber is de schrijver van Lelieblank, scharlakenrood (Podium). Zijn boek Onderhuids (Under the Skin) werd onlangs verfilmd met Scarlett Johansson als hunkerend ruimtewezen in de hoofdrol. Dit jaar verscheen Fabers, naar eigen zeggen, laatste roman Het boek van wonderlijke nieuwe dingen. De Vlaamse dichteres Jo Govaerts woonde lange tijd in Krakau en vertelt over haar grote liefde voor de Poolse literatuur en de literaire aantrekkingskracht van de stad Krakau.

    Tijdens de eerste editie van City2Cities (2011) was Michel Faber Writer in Residence. De Franse schrijver Thomas Clerc treedt dit jaar in zijn voetsporen.

    Michel Houellebecq treedt zaterdag 16 mei op tijdens City2Cities. Met zijn vertaler Martin de Haan spreekt Houellebecq over zijn laatste boek Onderworpen (Soumission) waarin een moslim in 2022 president wordt van Frankrijk. Het boek veroorzaakte voor veel ophef, die des te meer werd aangewakkerd door de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs.

    Michel Houellebecq debuteerde begin jaren negentig als dichter, maar brak in 1998 door met de roman Elementaire deeltjes. Met dat boek en later nogmaals met Mogelijkheid van een eiland greep hij net naast de belangrijkste Franse literatuurprijs. In 2010 ontving hij de Prix Goncourt wel, voor De kaart en het gebied.
    Begin dit jaar ging de film The kidnapping of Michel Houellebecq in première. In deze komische nep-documentaire wordt uit de doeken gedaan waarom hij in 2011, vlak voor een promotietour door Nederland en België, onverwacht verdween.

    De rest van het programma wordt in de loop van de komende maand bekendgemaakt.
    Zie voor meer informatie & kaartverkoop: www.city2cities.nl

     

  • Superieur gemopper van een nietig mens

    Superieur gemopper van een nietig mens

    In het tweede deel van De kaart en het gebied wandelt Michel Houellebecq zijn eigen roman binnen. De manier waarop hij zichzelf introduceert, is een knipoog naar glossy interviews waarin ‘de mens achter de beroemdheid’ gretig wordt uitvergroot:

    ‘Hij belde aan, wachtte een halve minuut en de auteur van Elementaire deeltjes kwam opendoen, op pantoffels, gekleed in een ribfluwelen broek en een comfortable kamerjasje van ongebleekte wol. Hij nam Jed lang en nadenkend op en richtte zijn blik toen op het gazon met een mijmerende, droefgeestige uitdrukking die hem leek aan te kleven.’

    Houellebecq beschrijft zijn romanversie als een schurftige, eenzame man met een drankprobleem. Die introductie van zichzelf binnen het kader van een roman roept associaties op met Summertime, de quasi-biografie van Coetzee waarin hij een kritisch beeld van zijn overleden zelf laat schetsen. Maar waar Coetzee’s zelfportret adembenemend menselijk is, lijkt Houellebecq in eerste instantie vooral een lange neus naar de wereld – de Franse media in het bijzonder- te maken.

    ‘De wereld heeft genoeg van mij. En ik al evenzeer van haar’. Dit citaat van de dichter Charles d’Orléans koos Houellebecq als motto voor zijn boek. Het laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.

    In De kaart en het gebied  heeft de kunstenaar Jed Martin bekendheid verworven met een fotoserie van Michelinkaarten. ‘De kaart is interessanter dan het gebied’, was de titel van de bijbehorende tentoonstelling. Inmiddels werkt hij al geruime tijd aan een serie geschilderde beroepsportretten. In deze fase van zijn leven waarin hij worstelt met zijn laatste werk, (Damien Hirst en Jeff Koons verdelen onderling de kunstmarkt), zijn combiketel en zijn herinneringen, vraagt Martin de schrijver Michel Houellebecq een inleiding bij zijn catalogus te schrijven.

    Hun eerste ontmoeting vindt plaats in Ierland waar de schrijver op dat moment woont.  Na een avond in zijn gezelschap te hebben doorgebracht, besluit Martin een portret van Houellebecq te schilderen. Wanneer hij de schrijver een paar maanden later opzoekt met een fles dure wijn, treft hij ‘de auteur van Weerbaarheid’ in een zekere staat van verwaarlozing aan:

    ‘”Eén fles maar?” vroeg de auteur van Het streven naar geluk, terwijl hij zijn nek strekte naar het etiket. Hij stonk een beetje, maar minder dan een lijk; het had al met al slechter kunnen gaan.’

    Na de tentoonstelling die hem puissant rijk heeft gemaakt, gaat Martin nog één keer bij de schrijver langs, dit keer om hem zijn portret te overhandigen. Houellebecq is inmiddels teruggekeerd naar Frankrijk en heeft zijn intrek genomen in het huis op het Franse platteland waar hij zijn kinderjaren heeft doorgebracht.

    Zoals Martin al voorvoelt, is het hun laatste ontmoeting. Niet lang daarna zal de schrijver bruut aan zijn einde komen en samen met zijn hond Plato gefileerd tot kleine stukjes vlees als Action Painting op de vloer van zijn huiskamer door de plaatselijke gendarmerie worden aangetroffen. Jed Martin stopt met schilderen en richt zich in de laatste jaren van zijn leven op het filmen van afgedankte computermoederborden.

    Deze schrale plot lijkt niet meer dan een alibi voor de schrijver om uitgebreid te fulmineren en te filosoferen. Die schraalheid betreft ook de geschakeerdheid van de (mannelijke) personages die de roman bevolken. Zonder uitzondering zijn het opzichtige pendanten van de schrijver: bordkartonnen Houellebecqjes die zich mensen- en relatiemoe uit de wereld hebben teruggetrokken.

    Maar steeds als de eenkleurigheid van zijn personages gaat tegenstaan, volgt er weer een onverwachte geestigheid die veel goedmaakt. ‘Ik ben teruggevallen… Ik ben qua charcuterie helemaal teruggevallen.’ laat hij Houellebecq ergens sip constateren.

    Wat mij wel voor de mannen van Houellebecq inneemt, is hun eeuwige geaarzel dat zelden gaat over hoe zij zouden moeten handelen, maar altijd over wat zij zouden mogen verwachten van het leven. Toch mept Houellebecq ons keer op keer weg bij zijn personages. Steeds wanneer een karakter al te menselijke trekken vertoont, volgt er weer een ironisch, afstand scheppend intermezzo. Iemand ziet de siliconenborsten van zijn vrouw als haar grootste kwaliteit. Er wordt superieur gejammerd over een lievelingsparka die niet meer in productie is. De arts van de euthanasiekliniek die Houellebecqs vader heeft geholpen, krijgt een muilpeer en de commissaris die belast is met het onderzoek naar de moord op de schrijver, betreedt de plaats delict uiteraard op Maigreteske wijze:

    ‘Zodra hij het portier van de Safrane opendeed begreep Jasselin dat hij voor een van de ergste momenten van zijn loopbaan stond. Op een paar passen van het hek zat luitenant Ferber lethargisch met zijn hoofd tussen zijn handen in het gras, volmaakt onbeweeglijk.’

    (…)

    ‘Langzaam, als een jongen die straf krijgt, keek Ferber op en wierp hem een klaaglijke, verbitterde blik toe.

    “Is het zo erg?” vroeg Jasselin zacht.

    “Nog erger. Erger kun je je niet voorstellen. Degene die dit heeft gedaan…zou niet mogen bestaan. Hij zou van de aardbodem moeten worden weggevaagd.”

    “We krijgen hem wel, Christian. We krijgen ze altijd.”‘

    Op de grafsteen van de vermoorde schrijver staat de afbeelding van een möbiusband. Het is alsof de auteur van Platform wil benadrukken dat we in ons leven ogenschijnlijk ergens naar toe gaan, maar dat aan het eind van onze rit de weg die we bewandelen gewoon de andere zijde blijkt te zijn van het pad waar we ooit begonnen.

    Dit duizeligmakende principe vlecht Houellebecq met steeds weer andere ballorige vondsten door zijn verhaal. Zo laat hij de schrijver aan het eind van zijn leven weer slapen in zijn oude kinderbed, en blijkt zijn doodskist een kinderkist van slechts 1.20m lang. Door zijn gefileerde toestand is hij ‘niet meer dan een klein, compact hoopje van veel geringere omvang dan een normaal menselijk lijk.’

    De kaart is interessanter dan het gebied. Kunst is belangwekkender dan de mens. Houellebecq kan er met zijn bladzijdenlange uitweidingen over kunst en zijn gemopper op de nietigheid van de mens geen genoeg van krijgen om dit te benadrukken. Tegelijkertijd ondermijnt hij met zijn geschmier, zijn treiterige cursiveringen en wikipedia-feitjes voortdurend het gewicht van zijn werk.

    ‘Ik denk dat ik het wel zo’n beetje gehad heb met de wereld als verhaal- de wereld van romans en films, de wereld van muziek ook. Ik interesseer me alleen nog maar voor de wereld als nevenschikking – de wereld van de poezie, van de schilderkunst’, verzucht de schrijver vlak voor zijn dood. Misschien is De kaart en het gebied niets anders dan de bewuste onttakeling van een roman.

     

     

  • Winnaar recensiewedstrijd: Elementaire deeltjes – Michel Houellebecq

    Begin november schreef Literair Nederland een recensiewedstrijd uit. Uit de inzendingen koos de redactie onderstaande recensie van Ludo Hellemans over Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq. De recensie geeft blijk van een gedegen analyse van de roman en een originele en duidelijk becommentarieerde visie op het verhaal.

    Recensie door Ludo Hellemans
    In Elementaire deeltjes is de mens een diersoort. En niet zomaar een diersoort, maar een zieke, aan seks lijdende soort die er goed aan zou doen zichzelf op te heffen en van het toneel te verdwijnen. Weinig romans wisten zoveel hatelijke reacties op te roepen als Elementaire deeltjes van de Franse schrijver, dichter en popzanger Michel Houellebecq. De befaamde literaire prijs Prix Goncourt werd hem uit rancune ontfutseld. Waarom? Omdat er nog steeds een taboe rust op het beschouwen van de mens vanuit een biologisch perspectief.

    Het biologische mensbeeld in Houellebecqs roman Elementaire deeltjes

    ‘Vroeg lijfelijk contact lijkt van vitaal belang bij de hond, de kat, de rat, de cavia en het resusaapje (Macaca mulatta). Wanneer er tijdens de kindertijd geen contact met de moeder is, ontstaan er ernstige verstoringen van het seksuele gedrag bij het mannetje, met name remming van het hofmakingsgedrag.’
    Dit citaat is kenmerkend voor Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq (1) . Is dit een wetenschappelijk betoog of lezen we een roman? Dat kun je je blijven afvragen bij het lezen van Elementaire deeltjes. Het boek is van begin tot eind doorspekt met biologielesjes die soms rechtstreeks afkomstig lijken te zijn uit een studieboek. Toch is het een roman, over liefde en geluk. Maar ook een roman à thèse, een tendens- of ideeënroman. Eén waarin de auteur het erin lijkt te willen hameren dat we niet om de biologie heen kunnen en al helemaal niet om de ethologie, de biologie van het gedrag van mens en dier. Houellebecqs biologisch mensbeeld zoals dat tot uiting komt in Elementaire deeltjes berust op een fundamenteel ethologisch gegeven: hoe belangrijk warm huidcontact en liefderijke zorg in de prille levensfasen zijn voor de normale ontwikkeling van de seksualiteit en het vermogen om liefdesrelaties aan te knopen.

    Blinde vlek

    Des te opvallender is het dat daar in de pers zo weinig over is geschreven. Je zou haast spreken van een blinde vlek. Is de politiek correcte taboeïsering van biologische interpretaties van menselijk gedrag uit de jaren Zestig en Zeventig vandaag nog steeds werkzaam? Mogelijk. Deze taboeïsering komt grotendeels op rekening van de generatie van ’68, de intellectuelen van de naoorlogse babyboomgeneratie. In hun gedachtewereld was er geen plaats voor zoiets als gedragsbiologie omdat dit vakgebied teveel herinneringen opriep aan het taalgebruik van de nazi’s. In plaats daarvan was de gedragssociologie hun favoriete paradigma. Het zijn juist de opvattingen van deze generatie intellectuelen die Houellebecq in Elementaire deeltjes zo vernietigend beschrijft. Misschien voelen sommige recensenten zich persoonlijk beledigd en is dat een reden waarom Houellebecq zo vaak wordt afgeschilderd als een pornograaf die niets serieus te vertellen heeft.

    Verwaarlozing

    Elementaire deeltjes is het levensverhaal van twee halfbroers, Bruno en Michel. Ze hebben dezelfde moeder, Janine, een rijke vrouw die haar heil zoekt in de hippiecultuur en haar beide jongens meteen na de geboorte verwaarloost en afstoot. (Peuter Michel ‘kroop onhandig over de vloer, af en toe uitglijdend in een plas urine of uitwerpselen. Hij knipperde met zijn ogen en kreunde zonder ophouden. Toen hij de aanwezigheid van een mens gewaarwerd, probeerde hij te vluchten.’) Ze worden ieder apart bij grootouders onder gebracht. Bruno’s grootouders overlijden echter en hij komt in een internaat terecht waar hij door medescholieren wordt gepest. Later studeert hij Franse letterkunde en wordt hij leraar Frans.
    De andere broer, Michel, ontwikkelt op jeugdige leeftijd interesse voor natuurwetenschap. Hij wordt een rationalist, studeert fysica en wordt vervolgens een getalenteerde onderzoeker. Hij doet baanbrekende ontdekkingen over de moleculaire mechanieken die ten gronde liggen aan de menselijke voortplanting.

    Met beide halfbroers gaat het op seksueel en relationeel vlak volledig mis. Bruno’s seksuele leven speelt zich af in de wereld van peepshows, Thaise massagesalons, bordelen, seksparty’s, parenclubs, en wat al niet meer. Hij valt op jonge meisjes (‘blonde, bruine, roodharige. Franse, Noord-Afrikaanse, Aziatische…allemaal verrukkelijk, allemaal begeerlijk’), masturbeert in de klas en in de metro en verliest zijn baan als leraar na een seksueel vergrijp. Hij eindigt in een psychiatrische inrichting. Michels seksualiteit ontwikkelt zich daarentegen op een compleet andere wijze. Hij is niet of nauwelijks geïnteresseerd in seks en leidt ‘een zuiver intellectueel bestaan’. Emoties schrikken hem af en alleen al de gedachte aan zoiets als vrijen, bezorgt hem een gevoel ‘alsof hij in ijskoud water wegzonk’. En dat terwijl het mooiste meisje van de school, Annabelle, smoorverliefd op hem is. Later ontwikkelt hij als moleculair bioloog de grondbeginselen van een nieuwe techniek om (seksvrije en onsterfelijke) mensen te klonen. Maar zelf maakt hij de realisatie van zijn project niet meer mee. Hij verdwijnt. Men veronderstelt dat hij een eind aan zijn leven heeft gemaakt door zich te verdrinken in de Ierse zee.

    De talrijke onverbloemd seksuele passages in dit boek hebben veel stof doen opwaaien in de media. Ook het thema ‘klonen van de mens’, dat Houellebecq als science fiction heeft verwerkt, was reden voor ophef. Houellebecqs flinterdunne sciencefiction plot, de schepping van een nieuwe mensheid die niet meer hoeft te lijden onder wrede biologische wetmatigheden, ligt in het verlengde van de ethologie. Het is niet het belangrijkste thema van het boek; het komt pas op de laatste pagina’s enigszins uit de verf. Volgens Houellebecq is het niet meer dan een toevoeging, een ‘interessante denkpiste’ (2).
    Helemaal op het eind van het boek komt de aap uit de mouw als blijkt dat de alwetende verteller een kloon is, een exemplaar van de kunstmatige supersoort die is gemaakt volgens een procédé dat een van de twee hoofdpersonen heeft bedacht. Aan het eind van de eenentwintigste eeuw blikt deze kloon terug op de tweede helft van de twintigste eeuw: ‘De mensheid moest verdwijnen, de mensheid moest een nieuwe, ongeslachtelijke en onsterfelijke soort voortbrengen die de individualiteit, het isolement en de verwording achter zich had gelaten.’  (3)Ongeslachtelijk en onsterfelijk – geen dood, geen seks, geen ellende. Zo simpel is dat. En ook: geen mannen. Houellebecqs klonen worden namelijk geproduceerd uit vrouwelijk materiaal; en passant rekent hij dus ook af met het verschijnsel man.
    Herhaaldelijk brengt Houellebecq de sciencefictionklassieker Brave New World uit 1932, van Aldous Huxley, ter sprake. Daarin worden verschillende typen mensen in grote reageerbuizen gekweekt. Huxley laat zorgvuldig in het midden of deze mensen een hel of een hemel te wachten staat, net zoals ook bij Houellebecq de toekomst in nevelen gehuld blijft.

    Apen- en mensenbaby’s
    Met veel meer aplomb presenteert Houellebecq zijn visie op het heden, zijn kritiek op de huidige westerse samenleving. Waarom gaat het in onze samenleving zo vaak fout tussen ouders en kinderen, tussen geliefden, tussen mensen überhaupt? Volgens Houellebecq omdat men te vaak een aantal elementaire biologische waarheden zoals het cruciale belang van moederliefde en huidcontact, negeert. De biologische kennis die Houellebecq in Elementaire deeltjes ten toon spreidt, berust onder meer op gedegen biologisch onderzoek naar de relatie tussen moeder en kind dat in de jaren vijftig en zestig (van de twintigste eeuw) is uitgevoerd.
    De Amerikaanse etholoog Harry F. Harlow verwierf grote bekendheid met zijn experimenten op apenbaby’s in een primatencentrum in de Verenigde Staten. Harlows proeven staan beschreven in tal van studieboeken (4).  Hij ging als volgt te werk: pasgeboren resusaapjes werden bij hun natuurlijke moeder weggehaald en kregen vervolgens twee kunstmoeders van ijzerdraad aangeboden. De een was ter hoogte van de borsten voorzien van een zuigfles, de ander was overtrokken met een zachte stof. Hoe de babyaapjes reageerden, is bijvoorbeeld te zien in Bert Haanstra’s film Bij de beesten af (1972). Het is meelijwekkend om te zien hoe het babyaapje zich angstig vastklemt aan zijn gestoffeerde kunstmoeder, totdat de honger hem naar de andere kunstmoeder drijft, die met de melkfles. Aapjes die zó zijn grootgebracht, zonder huidcontact met een echte warme zachte moederende volwassene, zijn voor de rest van hun leven beschadigd. Ze kunnen zich niet aanpassen aan een normaal apenleven en zijn doodsbang voor hun soortgenoten. De grootste schade betreft hun seksueel gedrag: ze kunnen niet vrijen en ook geen jongen zogen en verzorgen. Als ze toch jongen krijgen, worden die verwaarloosd en verstoten. Deze onbarmhartige experimenten met primaten en andere zoogdiersoorten hebben belangrijke kennis opgeleverd, ook voor ónze soort. Als gevolg van deze experimenten is men pas werkelijk gaan beseffen hoe belangrijk liefdevolle huidcontacten zijn voor de normale ontwikkeling van mensenbaby’s. Dit besef maakt tegenwoordig deel uit van de basiskennis van psychologen, verpleegkundigen en kinderartsen.
    De parallel tussen deze ethologische experimenten en het lot van Houellebecqs personages Bruno en Michel is evident: beide halfbroers hebben dat onontbeerlijke huidcontact met hun moeder in de kritieke levensfase moeten ontberen, en beiden hebben zich op seksueel vlak abnormaal ontwikkeld. De sekspassages in Elementaire deeltjesbetreffen hoofdzakelijk de tastzin: nauwgezette beschrijvingen ? zeg maar close ups – van geslachtsorganen en slijmvliezen die met elkaar in contact zijn. De seksuele bevrediging vermag echter niet dat oorspronkelijke gemis aan huidcontact tussen moeder en kind weer goed te maken.

    Het haperende erotische mechaniek
    Elementaire deeltjes gaat over het verlangen naar liefde, over verliefd zijn, over de aangeboren menselijke erotische impuls om te willen aanraken wie en wat men liefheeft. Tegelijkertijd staat Houellebecq in de hedendaagse literatuurgeschiedenis niet voor niets geboekstaafd als dé vertegenwoordiger van het Franse déprimisme (5) : liefde en seks zijn in zijn ogen een bron van ellende. Deze mistroostige en misantropische visie beschrijft hij op keiharde, indringende en soms pijnlijke wijze. Eén van zijn motto’s is dat je als schrijver juist dáár moet slaan waar het pijn doet: ‘frapper là où ça fait mal’. (Elementaire deeltjes kun je maar beter niet gaan lezen als je in een dip verkeert.) Niettemin zijn er een paar romantische passages die over zuiver verlangen naar liefde gaan, en die juist door hun zeldzaamheid extra betekenis krijgen. Maar dan slaat de auteur weer toe: die zuiverheid gaat in de puberteit alsnog reddeloos verloren.
    Beetje bij beetje, op een gefragmenteerde, collageachtige wijze, bouwt Houellebecq zijn betoog op. Als literair auteur neemt hij de vrijheid om wetenschappelijke (biologische) feiten te gebruiken om zijn betoog kracht bij te zetten (een techniek die bekend is in de reclame- en propagandawereld).
    Een van die fragmenten verhaalt van de jongen Michel, die toen hij negen jaar was eens met zijn nichtje Brigitte in een weiland speelde. Ze vallen in het gras, en ‘hij vlijde zich tegen haar warme boezem. Ze droeg een korte rok. De volgende dag zaten ze onder de rode blaasjes, hun hele lichaam jeukte verschrikkelijk. Trombidium holosericum, ook wel oogstmijt genoemd, komt in de zomer zeer algemeen voor in grasvelden.’ Dan volgt een pedante biologische descriptie van deze oogstmijt, gevolgd door die van nog een andere jeukverwekker, Linguatula rhinaria, de tongworm (6).
    Het spontane en onschuldige huidcontact tussen Michel en het meisje wordt meteen gevolgd door hevige jeuk. Het doet denken aan het behavioristische begrip van conditionering (gedrag inprenten door straf en beloning). Misschien kwam deze nare ervaring net op een cruciale fase in de seksuele ontwikkeling van de jongen; op de een of andere manier is het in zijn hoofd blijven zitten.
    Het komt nooit meer goed in de treurige wereld van Houellebecq, want deze wordt beheerst door krachten waar de mens geen invloed op heeft. Ook de titel wijst in deze richting. Elementaire deeltjes zijn de bouwstenen van atoomkernen: protonen, neutronen, quarks enzovoorts. Deze deeltjes worden bijeengehouden door enorm sterke aantrekkingskrachten. De seksuele natuurkrachten die bij alle zoogdiersoorten en dus ook bij de menselijke soort de twee seksen naar elkaar toe drijven zijn in sterkte te vergelijken met die kernkrachten. Seks heeft een prominente plaats in Elementaire deeltjes.em>

    Seksualiteit, dat is natuurlijk biologie.
    Het uitgesproken biologische karakter van Houellebecqs boek wordt weerspiegeld in zijn taalgebruik. In de (overigens zeer mooie) vertaling van Martin de Haan is dit kenmerk helaas sterk afgezwakt. Een voorbeeld: Houellebecq gebruikt een aantal keren de typisch biologische uitdrukking mutation, en wel in de combinatie mutation métaphysique. In de biologie is een mutatie een permanente verandering in het DNA. Het is aannemelijk dat Houellebecq die een biologisch vak heeft gestudeerd (landbouwkunde) deze term juist heeft gekozen vanwege de krachtige biologische connotatie. De Haan vertaalt dit echter met ‘metafysische omwenteling’ in plaats van ‘metafysische mutatie’. Daardoor wordt de bètawetenschappelijke connotatie omgezet in een alfawetenschappelijke (7) . Zonde! Zo wordt de angel uit Houellebecqs vlijmscherpe betoog gehaald (8).
    De angel uit het betoog halen, dat is ook het effect van de blinde vlek voor de ethologie in Elementaire deeltjes bij tal van recensenten. Naar mijn mening is het juist die angel die het boek de moeite waard maakt. Houellebecq betoogt in Elementaire deeltjesdat de biologie, en dan vooral de ethologie, vandaag de dag méér zinnigs te zeggen heeft over liefde en geluk dan alle geesteswetenschappen bij elkaar. Een stelling die niet wordt ontkracht door haar te negeren.
    Noten
    (1) Michel Houellebecq: Les particules elementaires; Flammarion, 1998. Nederlandse vertaling door Martin de Haan ; Uitgeverij De Arbeiderspers, 1999. Dit citaat : p. 65.
    (2) Interview door Sofie Messeman en Piet de Moor, De Groene Amsterdammer, 25-8-99.
    (3) P. 330. Dit citaat, en alle volgende, uit de Nederlandse vertaling van Martin de Haan.
    (4) Informatie afkomstig uit: Niko Tinbergen, De dieren en hun gedrag; Parool/Life Natuurserie, 1966.
    (5) Zie bijvoorbeeld: Margot Dijkgraaf, Franstalige literatuur van nu. Een vreemd soort geluk. De Geus, 2003.
    (6) Elementaire deeltjes, p. 36
    (7) Hetzelfde gebeurt bijvoorbeeld bij de vertaling van évolution als ‘verandering’ of ‘ontwikkeling’ in plaats van ‘evolutie’.
    (8) Deze stelling is voorgelegd aan vertaler Marin de Haan, die daarover contact heeft gehad met de auteur, Michel Houellebecq. De Haan vroeg hem of ‘mutation métaphysique’ voor hem een biologische bijklank heeft. De Haan: ‘Hij (Houellebecq) antwoordde zeer resoluut van niet, en dat het woord gewoon op een grote verandering sloeg.’ Maar heeft de auteur het laatste woord? Ik denk van niet. Wel een interessante vraag: wie heeft hier gelijk, de auteur, de vertaler, de recensent? Wat ter discussie staat is de autonomie van de tekst, en het gelijk van de lezer. (Mosaïek 6, 2, herfst 2004.)