• Buitenbeentje in een slaperig Engels kustplaatsje

    Buitenbeentje in een slaperig Engels kustplaatsje

    De in Den Haag geboren en in Schotland wonende schrijver Michel Faber (1960) is bekend van zijn monumentale roman Lelieblank, scharlakenrood van bijna 1000 bladzijden. Fabers oeuvre valt vooral op doordat hij thriller- sciencefiction en horrorelementen met filosofische beschouwingen combineert en nadrukt legt op uitgebreide sfeerbeschrijvingen. Nu is er Een geschiedenis van twee werelden, een jeugdboek met een sprookjesachtige setting. Het boek kent twee delen, die als volgt zijn aangeduid: ‘De eerste (iets kortere en aanzienlijk minder hachelijke) helft van het verhaal, die zich afspeelt in DEZE wereld’ en ‘De tweede (iets langere en aanzienlijk hachelijker) helft van het verhaal, die zich afspeelt in DIE wereld.’ Deze nogal archaïsch aandoende stijl hanteert Faber het hele boek. 

    Stel je een wereld voor waarin de letter d opeens is verdwenen. En stel je dan ook eens voor dat dit betekent dat alles waarin de letter ‘d’ voorkomt eveneens verdwijnt: drums, dromedarissen, dolfijnen, draaideuren en duffelse jassen. En stel je dan óók nog eens voor dat jij de enige bent die dit in de gaten lijkt te hebben en dat anderen je voor een zonderling uitmaken als je het ter sprake brengt. 

    Meisje uit Somaliland 

    Het overkomt de twaalfjarige Dhikilo. Dhikilo woont in het slaperige Engels kustplaatsje Cawber-on-Sands en is anders dan de andere kinderen in het plaatsje. Ze komt namelijk uit Somaliland. Dat maakt het leven van Dhikilo sowieso al ingewikkeld genoeg. Somaliland zou voor veel inwoners van Cawber-on-Sands best een sprookjesland kunnen zijn. De meesten hebben er nog nooit van gehoord of verwarren het met Somalië. Als ze besluit om op zoek te gaan naar de verdwenen letter d staat ze er dan ook aanvankelijk alleen voor totdat ze kennis maakt met een overleden professor en zijn huisgenoot mrs. Robertson. Mrs. Robertson is deels labrador deels sfinx. Samen met haar vertrekt ze naar de magische wereld Luminus waar ze het op moet nemen tegen de dictator Gamp.
    De eerste helft van het boek is genieten geblazen. Michel Faber leeft zich uit en het is te merken dat hij met veel plezier het verhaal vertelt. De wijze waarop Dhikilo als buitenbeentje wordt neergezet, de beschrijvingen van het schilderachtige Cawber-on-Sands dat betere tijden heeft gekend en de reacties van de overige inwoners op de waarnemingen van Dhikilo zijn ronduit sprankelend. 

    ‘De laatste plaats waar Dhikilo had gewoond voordat ze werd overgebracht naar de Engelse zuidkust was een stad die Laascaanood heette, wat klonk als een drankje op de menukaart van een oriëntaals restaurant dat je misschien wel wilde proberen, maar waar je van afzag omdat je bang was dat je het niet zou lusten, zodat je toch maar Pepsi nam.’

    Ontregelende leeservaring

    Michel Faber neemt de lezer op een mooie actieve manier mee in het verhaal. Op het moment dat je denkt dat er best veel personages voorbij komen, stelt hij de lezer gerust door op te merken dat de meesten van hen eigenlijk toch niet heel erg terzake doen. Zo serveert hij vlak nadat hij een pestend meisje ten tonele heeft gevoerd haar al snel weer af. De d-loze wereld waar Dhikilo in terecht is gekomen, is wonderlijk en onwennig, net als het lezen van dit boek. Want niet alleen ontbreekt de letter d in de nieuwe wereld van Dhikilo, maar laat de schrijver zelf ook consequent de letter d weg en dat is aanvankelijk wennen geblazen. Het is slechts één letter uit het alfabet, maar je krijgt als lezer voortdurend het gevoel dat er van alles in de tekst ontbreekt. Het is een behoorlijk ontregelende ervaring. In de tweede helft van het verhaal als Dhikilo via een magische deur de wereld Luminus betreedt, dreigt de vaart wat uit het verhaal te raken.

    Plotseling einde

    De door Faber aangekondigde aanzienlijk hachelijker tweede helft voelt nooit echt heel erg hachelijk. Het is een redelijk tam fantasy-achtig verhaal waarin de verwondering, die in de eerste helft nog aanwezig was, grotendeels uitblijft. Dhikilo en mrs. Robertson betreden een wereld die een kruising lijkt tussen De tovenaar van Oz en de Kronieken van Narnia en komen een keur aan vreemde volkeren en personages tegen die soms nieuwsgierig, soms afwijzend en soms ronduit vijandig tegenover hen staan. Zo zijn daar de Quilpen, een groep dwergachtige mannen die zowel vuil als dom zijn, de Magwitches, een stel kwaadaardige heksen en de Droods, een volk van lange elegante schepselen in elfengewaden.

    Dit klinkt allemaal erg interessant, maar écht spannend wordt het niet. Het land waar Dhikilo terechtkomt ontvouwt zich als een panorama waarin zij vooral een toeschouwer is.  Uiteindelijk komt ze de kwade dictator Gamp tegen, maar het blijft onduidelijk wat zijn motieven precies zijn. Het einde komt erg plotseling zonder dat Dhikilo daar een actieve bijdrage aan levert. Een personage dat even tevoren in de problemen was geraakt komt op onverklaarbare wijze terug in het verhaal en redt de dag. Dat voelt wat te makkelijk. Al met al is het een interessant jeugdboek met een bijzonder sterk begin, een geloofwaardiger einde had het in zijn geheel wel een stuk sterker gemaakt.

     

     

  • Oogst week 39 – 2020

    D

    Michel Faber, geboren in Den Haag, maar opgegroeid in Australië en nu wonend in Engeland, nam zich na de verschijning van Het boek van wonderlijke nieuwe dingen te stoppen als romancier. Tot zijn uitgever hem vroeg om een bijdrage voor de herdenking van de 150ste sterfdag van Dickens in 2020. Dat deed hem terugdenken aan een sprookje dat hij dertig jaar eerder had geschreven maar nooit had gepubliceerd. Het was een verhaal over het meisje Dhikilo dat door een professor wordt geholpen om de letter D terug te vinden die uit de taal was verdwenen. Ineens wist Faber dat die professor Dickens zou moeten zijn. Het is een boek geworden over problemen van onze tijd – onderdrukking, censuur en vrijheid – dat doet denken aan Alice in Wonderland.

    D
    Auteur: Michel Faber
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Mrs. Degas

    Arthur Japin heeft een grote belangstelling voor kunstenaarslevens. Na Vaslav (over Nijinski) en Kolja (over Tsjaikovski) is er nu Mrs. Degas. In deze roman leeft Japin zich in in het toenemende isolement van de schilder Degas in zijn laatste jaren toen hij blind was en nog met weinigen contact had. Met zijn familie had hij geen contact. De vrouw uit de titel is de Creoolse Estelle, zijn Amerikaanse nichtje dat blind werd. Als een jonge vrouw Degas helpt zijn archieven te ordenen komen bij de schilder herinneringen terug aan Estelle die hij vaak schilderde terwijl ze aan het bloemschikken was. Het blijken pijnlijke herinneringen te zijn.

    Mrs. Degas
    Auteur: Arthur Japin
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tirade 480

    De Sovjet-Unie is uiteengevallen. Julia Khusainova gaat met haar ouders eten in hun favoriete restaurant. Haar vader vertelt ‘na een paar wodka’s dat in hal drieëndertig al vijf jaar niets werd gemaakt, die stond leeg. Mijn moeder huilde, mijn vader schaterlachte. Ikzelf geloofde er niets van: mijn vader nam natuurlijk iedereen in de maling, net als elke dubbelspion.
    Ik was ontroerd, maar ook volkomen van streek, mijn hele wereld leek ineens een wankele constructie. Ik vroeg me af wat schadelijker was: de harde werkelijkheid of de schone schijn ophouden? Wanneer moest je lijden? Wanneer mocht je eraan ontsnappen? En wanneer verloor je de balans?’
    Het is een fragment uit ‘Tsarinakapsels en metershoge grafstenen’, één van de essays in het jongste nummer van Tirade 480. Het bevat verder gedichten van onder anderen Tonnus Oosterhof en Maria Barnas, een essay van Sander Kollaard en verhalen van Langston Hughes en Samira Elomari.

    Tirade 480
    Auteur: unknown
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Winternachten – Is this the real life?

    Winternachten (22e editie) is er voor wie stof tot nadenken zoekt, romans, poëzie of non-fictie leest en die een ander perspectief op de actualiteit wil. Een vierdaags festival dat inspireert met verhalen van internationale en Nederlandstalige schrijvers die reflecteren in zaalgesprekken en debatten, rond filmvertoningen en muziekoptredens aan de hand van het motto ‘Is this the real life?’ op de grote en de alledaagse vragen waar Nederland en Europa mee worstelen.

    Er zullen tijdens deze dagen zo’n  tachtig gasten optreden waaronder Arnon Grunberg, Tommy Wieringa, Bas Heijne, Joke Hermsen en, uit het buitenland, Ian Buruma, Colson Whitehead, Michel Faber, Tomas Sedlacek, Michaïl Sjisjkin en Salena Godden.

    20161221184648_1Vaste prik is de NRC Leesclub, dit jaar vertegenwoordigd door wetenschapper en schrijver Louise O. Fresco, ingeleid door NRC-chef boeken Michel Krielaars. Fresco bespreekt met het publiek De tienduizend dingen van Maria Dermoût. Fresco vertelt waarom deze Indische roman uit 1955 relevant en waardevol is om (opnieuw) te lezen. Ze nodigt u uit om de roman te lezen, en er met haar en andere bezoekers over in gesprek te gaan.
    Fresco zegt over De tienduizend dingen: “Je kunt dit boek op vele manier lezen. Als een schitterend portret van een voorbije koloniale tijd; als een ode aan de nostalgie, het sensuele verlangen naar sfeer, landschap, zee en geuren; maar ook als een tijdloze studie in hoe je zin moet geven aan het leven, familierelaties, eenzaamheid en de al of niet plotselinge dood. In 1958 riep Time de Engelse vertaling uit als een van de beste boeken van het jaar.”

     Tijdens de grote festivalavonden Friday & Saturday Night Unlimited keert dit motto terug in debatten als This is Not America, IS: The Horror Show, Fictie in tijden van Fake en De verborgen stad.

    Op vrijdag- en zaterdagavond verzorgt Spoken Beat Night optredens waarin jazz, spoken word, wereldmuziek, voordracht, live animatie en funky beats zich vermengen. Tijdens het festival worden de Oxfam Novib PEN Awards (donderdag 19 januari) en de Jan Campert-prijzen (zondag 22 januari) uitgereikt.

     

    Kijk voor het hele programma en het kopen van toegangskaarten op de volgende link:
    www.writersunlimited.nl/editie/winternachten-2017

     

     

     

     

  • Getuigenis van een sterven

    Getuigenis van een sterven

    Michel Faber (1960) is geboren in Nederland maar woont al sinds zijn kindertijd in landen waar Engels de voertaal is: eerst Australië, later Schotland. Sinds eind jaren 90 publiceert hij romans en verhalen, alle geschreven in het Engels. Meerdere van zijn boeken zijn vertaald in het Nederlands. Wereldwijd succes verwierf hij met The crimson petal and the white uit 2002 (vertaald als: Lelieblank, scharlakenrood), een omvangrijke roman over het leven van een 19-jarige prostituee in Londen tijdens de regeerperiode van koningin Victoria. Tot leven. Een liefdegeschiedenis is de eerste bundel gedichten van Faber.

    De reikwijdte van poëzie in onbegrensd. Gerrit Komrij merkte al eens op: de onderwerpen waarover gedicht wordt, variëren van God tot een eierslaatje. Nu is er dan de bundel Tot leven. Deze gedichten zijn geschreven naar aanleiding van de ziektegeschiedenis en het overlijden van Fabers vrouw Eva, gedichten over multipel myeloom, een ongeneeslijke vorm van beenmergkanker. Nu kan poëzie heel goed waarachtig zijn, en zelfs zuiver autobiografisch zonder terughoudendheid. Met pathetiek ligt het anders: dat kan gedichten gruwelijk ongenietbaar maken of in elk geval onpoëtisch. Het rustige, nuchter-informatieve voorwoord bij deze gedichtenbundel is in dat opzicht – klinkt gek in deze context misschien – geruststellend. Pathetiek staat de lezer niet te wachten. Hartverscheurend verdriet des te meer.

    […]

    Waar je ook komt kussen ze je op de wangen,
    betrekken ze je in hun toekomstplannen,
    vertellen ze je hun geheimen,
    delen ze je hun dromen mee,
    en beloven je van alles
    wat ze nooit zullen gaan doen.
    Alleen je beenmerg kan
    met zekerheid voorspellen
    wat je toekomst brengen zal.

    Dit zijn geen gedichten die je leest omdat je graag ‘een mooi gedicht’ wilt lezen. Deze gedichten zijn een getuigenis die in een andere vorm waarschijnlijk tenenkrommend zou zijn geweest vanwege de volkomen ongefilterde realiteit, de overbodige feitelijke details die het juist in poëzie zo goed doen.

    […]

    Na elk verlies en elke nieuwe zwakte
    verviel je verder aan mijn zorg.
    Bij elke nieuwe handeling besefte ik nog meer
    dat ik er was voor jou, en dat wij tot het laatst
    er samen voor zouden staan.
    Met elke nieuwe taak won
    ik meer je vertrouwen
    en leerde jou op mijn beurt
    dat je mij vertrouwen kon
    Mijn liefde was niet langer uit op je genezing,
    maar richtte zich op het verwarmen van je sokken,
    het kloppen van je custard, het prakken van tomaat,
    het lezen van verhalen, het masseren van je been,
    en op geliefde, vriend, verzorger zijn ineen.
    Kapot en weer hersteld was ik wat ik beweerd had
    nooit te kunnen zijn: je steun en toeverlaat.

    De bundel valt in twee delen uiteen. Het eerste deel gaat in op de ziekte en het aftakelingsproces. Het tweede deel op de periode na de dood van de geliefde vrouw. Het [moment van] overlijden zelf komt – overtuigend, net als in veel andere gedichten – onnadrukkelijk maar onverbiddelijk voorbij. Nog een treffend voorbeeld van deze krachtige gedichten:

    Je as
    Je as weegt zwaar, weegt
    zwaarder dan ik dacht.
    Ik wandel naar de trein
    met in mijn hand het plastic tasje met
    de asbus die de uitvaartleider meegaf,
    door de hoofdstraat met zijn cafetaria’s,
    winkelfilialen en moegslenterde toeristen
    met tasjes als het mijne, waarin flessen drank
    die minder wegen dan jouw overschot,
    en ik heb het gevoel dat ik
    te veel heb gekocht.

    Voor wie het weten wil: ‘Vraag het dan gerust’ is het mooiste (of beste?) gedicht in deze bundel. Zoek het maar op. Anderzijds … ‘mooiste’ of ‘beste’ zijn kwalificaties die slecht bruikbaar zijn in dit verband. Het criterium van vorm of traditie is hier ook al ruimschoots losgelaten. En toch is er iets ontstaan in dichtvorm dat – zoals altijd bij goede poëzie –  meer is dan de som der delen. Een bevrijding voor de schrijver, een memento voor de aanbeden overledene, een houvast voor wie dit is overkomen of te wachten staat. Kankerpoëzie die sterk is en onnadrukkelijk, die straalt, heelt en troost.

     

     

     

  • Literaire soap in het Victoriaans Londen van 1875

    Literaire soap  in het Victoriaans Londen van 1875

    Voor iedereen die wil voorkomen dat de zonovergoten dagen aan strand of zwembad in ledigheid voorbijgaan: neem dit boek mee. Het is meeslepend en het doet je regelmatig vergeten waar je eigenlijk bent: niet in je strandstoel tussen de badgasten, maar in het Victoriaans Londen van 1875, tussen de prostituees en de heren, tussen droom en daad. Rauw, humoristisch, sfeervol en vol verrassende personages.

    ‘Ik verzoek u om alstublieft, alstublieft, ALSTUBLIEFT een vervolg te schrijven.’ Aan het begin van ons millennium was dit geen ongewone smeekbede voor Michel Faber (1960), nadat hij zijn lezers verslaafd had gemaakt aan zijn The Crimson Petal and White (Lelieblank, Scharlaken Rood). Aanvankelijk verscheen het boek als een feuilleton, passend bij de tijd waarin het verhaal speelt. Immers, in de Victoriaanse periode vierde deze literaire vorm hoogtij. De verschillende episodes vormen gebundeld een fantastische roman van 950 pagina’s.

    Michel Faber (1960) emigreerde op zijn zevende naar Australië. Hij was een negentienjarige student Victoriaanse literatuur toen hij aan dit boek begon, om het twintig jaar later te publiceren. Geheel in de stijl van de klassieke werken die hij bestudeerde, voorzag hij zijn verhaal van een alwetende verteller aan wiens arm de lezer door de straten van het negentiende eeuwse Londen wordt geleid. ‘Kijk waar u loopt. Let goed op, u zult ogen en oren tekortkomen. De stad waarheen ik u voer is groot en verwarrend, en het is de eerste maal dat u hier bent.’ Zo begint het: een veelbelovende ontgroening. Al lezende voel je je bevoorrecht dat de verteller jou heeft uitgekozen om mee op pad te mogen.

    We duiken in het leven van de negentienjarige Sugar, een intelligente en ongewone prostituee uit Londen. Zij wordt de oogappel van William Rackham, een getrouwde jongeman, die een veelbelovende toekomst tegemoet gaat als directeur van Rackham Parfumerieën. William raakt verslaafd aan Sugar en koopt een huis voor haar, onder de voorwaarde dat haar liefde exclusief voor hem is. Zo ontstijgt Sugar het leven van een doorsnee prostituee, waardoor haar maatschappelijke positie aanzienlijk verbetert. Dit heeft overigens niets met toeval te maken; het lukt haar vanwege haar karakter. Sugar is slim, leergierig, bevallig, vastberaden, knap, zelfstandig en kritisch. En voor William niet te versmaden. Tegenover de losbandige relatie van William en Sugar staat de respectvolle en verlegen relatie tussen de broer van William, Henry, en Emmeline Fox. De bonte stoet aan overige personages en het Londense decor zorgen voor een vermakelijke en sfeervolle setting.

    Als in een emotionele rollercoaster, zo ga je door de verschillende verhaallijnen van het in vijf delen opgedeelde boek. Ben je het ene moment opgelucht dat je zelf een kansrijkere toekomst hebt dan Sugar, zo ben je het volgende moment teleurgesteld dat je niet bij haar op de koffie kunt. Om vervolgens hardop te moeten lachen om een hilarische scène in een pub of hoerenkast. Op een scherp observerende en licht cynische toon verhaalt Faber over de verschillende personages. Daarbij maakt hij gebruik van volkse dialecten, die in de Nederlandse vertaling zijn overgenomen. Dit boek heeft slechts één nadeel: aan het eind moet je abrupt afscheid nemen van je nieuwe vrienden. De wanhopige smeekbedes van lezers aan de schrijver zijn daarom begrijpelijk. We willen meer van deze literaire soap.

    Een kleine troost: in 2006 verscheen De appel. Nieuwe lelieblank-verhalen, met zeven verhalen over personages uit Lelieblank, Scharlaken Rood. Ook verscheen in 2011 de gelijknamige tv-serie in de vorm van een kostuumdrama. Of het kijken hiervan de moeite waard is, is natuurlijk de vraag. De intrigerende Sugar met haar ruwe huid gaat geheid een eigen leven leiden in het hoofd van de lezer. Faber zorgt er met zijn levendige vertelstijl voor dat we daar geen beeldmateriaal voor nodig hebben.

     

    Bronnen:

    • Lelieblank, Scharlaken Rood, Michel Faber, uitgeverij Podium Amsterdam, 16e druk, 2007, Harm Damsma en Niek Miedema
    • www.stinejensen.nl op 28 juni 2015
    • www.imdb.com
  • Een wonderlijk boek

    Een wonderlijk boek

    Peter Leigh heeft in het begin van zijn leven een zwervend bestaan geleid, is dakloos en verslaafd geweest aan de alcohol en drugs. Als gevolg van een ongeluk komt hij in het ziekenhuis terecht. Daar wordt hij verpleegd door Beatrice. Door haar komt hij in contact met het geloof, laat hij zijn verslaving achter zich en wordt hij dominee. Ze trouwen. Dat huwelijk is erg goed, ze zijn dol op elkaar.

    Dan geeft Peter zich op bij de USIC om uitgezonden te worden naar een andere planeet en daar het geloof te brengen aan de plaatselijke bevolking. De USIC – onduidelijk is waarvoor deze afkorting staat, het roept associaties op met de UN – is een tamelijk mysterieuze organisatie waarover, ook verder in het verhaal, niet veel duidelijk wordt. Pas halverwege het boek blijkt dat deze club een nieuwe ‘Utopische’ samenleving wil stichten zonder de mankementen van de Westerse maatschappij. De opdracht is ‘om een duurzame omgeving tot stand te brengen. Schoon water. Duurzame energie. Een team dat goed samenwerkt. Een plaatselijke bevolking die geen pesthekel aan ons heeft.’
    Daarvoor selecteert de USIC streng: Peter wordt geselecteerd maar zijn vrouw niet. Even aarzelt hij of hij zal gaan, maar samen besluiten ze dat hij die opdracht niet kan laten lopen; bovendien is het maar voor drie maanden. Vlak voordat Peter vertrekt en de ruimte in gaat, hebben ze nog een keer seks en raakt Beatrice, overigens tegen Peters bedoeling zwanger.

    Aangekomen op de planeet, door Peter Oasië genoemd, gaat hij naar het basiskamp waar hij een kamer krijgt. De mensen aan wie hij het geloof moet brengen wonen niet daar maar in wat door de aardbewoners ‘freaktown’ wordt genoemd. Wanneer Peter deze buitenaardse wezens voor het eerst ziet schrikt hij van hun uiterlijk. ‘Dit was een gezicht dat in niets op een gezicht leek. Wat hij zag was de inhoud van een walnotendop, maar dan groot en witroze. Of nee, het leek nog meer op een placenta met twee foetussen (…) die met de hoofdjes en knietjes tegen elkaar lagen. Hun gezwollen hoofdjes vormden als het ware het gekloofde voorhoofd van een Oasiër, hun geribde ruggetjes vormden zijn wangen, hun stakerige armpjes en gewebde voetjes versmolten in een wirwar van doorschijnend vlees dat wellicht – in een voor hem niet herkenbare vorm – een mond, neus en ogen herbergde.’ Peter kan ze nauwelijks van elkaar onderscheiden, dat lukt hem alleen aan de kleur van hun gewaad. Hij geeft ze namen als ‘Vriend van Jezus Een’. De communicatie verloopt ook zeer moeizaam, omdat zij geen ‘s’ kunnen zeggen: ‘waar je een ‘s’ zou moeten horen, klonk het geluid van een rijpe vrucht die met de duimen in twee helften uiteen werd getrokken.’ Aan deze wezens moet hij het geloof brengen. Hij heeft een voorganger gehad die bij de wezens al wel het geloof heeft gezaaid. Zo vragen zij aan Peter of hij het boek bij zich heeft. Op zijn vraag welk boek, antwoordt de Vriend van Jezus Een, Het Boek van de Wonderlijke Nieuwe Dingen. Dat heeft hij niet, maar Peter begrijpt dat het om de Bijbel gaat. We zijn dan halverwege het boek; wat dan nog volgt is verre van boeiend en vooral wonderlijk.

    De vertelling over het verblijf van Peter op de planeet en zijn missieactiviteiten is langdradig. Dat hij samen met die wezens een kerk bouwt en daar gaat slapen zodat hij niet terug naar de basis hoeft en steeds bij hen kan zijn, wijst erop dat Peter steeds meer sympathie voor hen krijgt. Maar waarom hij steeds meer sympathie opvat voor die vreemde wezens blijft raadselachtig. Tegelijk verliest hij alle interesse voor wat er op aarde gebeurt.
    In de tweede plaats lezen we weliswaar veel over de relatie tussen Peter en zijn medeaardbewoners op de planeet, maar die wordt niet verder uitgediept. Alleen over Peters relatie met de vrouw die hem voortdurend heen en weer rijdt van de basis naar de nederzetting komen we meer te weten.
    Interessant is wel hoe de liefdesverhouding tussen Peter en Beatrice zich ontwikkelt. Ze kunnen elkaar via ‘De Flits’ – een soort internet, maar wel gecensureerd door de USIC – brieven schrijven. In het begin missen ze elkaar enorm, vooral ook wanneer Peter hoort dat Beatrice zwanger is, maar gaandeweg begint hij zijn interesse in haar en in wat er op aarde gebeurt te verliezen. Hij wordt volledig in beslag genomen door zijn missie en de kloof met Beatrice wordt steeds groter. En wanneer op aarde op grote schaal crises uitbreken als gevolg van natuurrampen en de aarde aan het vergaan lijkt, kan dat Peter niet echt verontrusten. Door al die rampen verliest Beatrice het geloof in God en eigenlijk ook in Peter. Ze denkt dat de aarde zal vergaan en daarom smeekt ze Peter om niet terug te komen: de aarde is niet veilig meer. Uiteindelijk gaat hij toch, indachtig de laatste woorden van Mattheus: ‘Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Amen.’

    Hoewel Michel Faber een gerenommeerd schrijver is, is deze halve sf-roman maar matig boeiend. Daarvoor staan er te veel wonderlijke dingen in die niet in een context worden geplaatst en evenmin in de loop van het verhaal betekenis krijgen. Bovendien worden zij ook nog eens lang uitgesponnen wat tot verveling leidt.
    En dan is er nog de thematiek: een religieuze missie op een buitenaardse planeet die door een mysterieuze organisatie wordt geëxploiteerd om er een soort Utopia te stichten. Het beeld dat Michel Faber evenwel van Oasië schetst, komt niet over als een wenselijke alternatieve samenleving, ook al omdat die nauwelijks wordt ingevuld. Centraal staan de missieactiviteiten van Peter en die missie lijkt nu niet een erg dominant kenmerk van een utopische maatschappij.

    Er worden in het boek te veel zaken aan de orde gesteld die impliciet blijven. Dat is soms goed voor een verhaal, maar in dit geval niet. Zo blijft die organisatie, de USIC, in nevelen gehuld, evenals haar selectiebeleid en haar doelstellingen en passeren de mensen die op de basis wonen en werken de revue, maar vooral als ze in de kantine gaan eten. Nergens wordt duidelijk wat ze precies doen, ja, iets technisch, of wat ze van hun missie vinden. Zo is de sympathie die Peter ontwikkelt voor de Oasiërs niet te begrijpen en waarom dat ten koste moet gaan van de relatie met zijn vrouw evenmin. Zo zijn er vele voorbeelden te geven, die het lezen van het boek ongemakkelijk maken.

     

     

  • Zoethoudertje

    Zoethoudertje
    Recensie door Anne-Marie van der Poel

    Vier jaar geleden verscheen het magnum opus van Michel Faber: The crimson petal and the white (lelieblank, scharlakenrood). In dit kloeke boek (955 pagina’s) volgen we de belevenissen van prostituee Sugar terwijl ze in het Londen van 1875 op een onconventionele manier hogerop komt in de samenleving. Een stoet van merkwaardige figuren trekt aan de lezer voorbij. De meeslepende roman werd goed ontvangen door zowel de kritiek als het publiek en betekende de internationale doorbraak van de auteur. Er was echter een element aan de roman dat de gemoederen, gezien het voorwoord van De appel, nogal heeft beziggehouden: Lelieblank, scharlakenrood had een open einde. Aan het einde van het boek werkt Sugar als gouvernante en heeft ze een zeer hechte band opgebouwd met het jonge meisje voor wie ze verantwoordelijk is. Aan het slot wordt Sugar gedwongen het huis waar ze werkt te verlaten en ze neemt het kind mee.  Velen lezers bleken met dit einde op z’n zachts gezegd nogal moeite mee te hebben. Een greep uit de lezersbrieven die Faber ontving:


    ‘Meneer hoe durft u? Wat een einde!’

    ‘(…)Ik ben gehecht geraakt aan Sugar, uw en mijn heldin van het verhaal. Ik heb ik mijn eigen leven diverse malen een plotseling en onomkeerbaar afscheid moeten meemaken, en die gelegenheden hebben blijvende gevoelens van pijn en schuld bij me achtergelaten. Waarom moet u me nu nog meer laten lijden?’ 

    ‘Een paar dagen voor Kerstmis werd ik langzaam wakker en mijn eerste gedachte was welke kerstcadeautjes ik zou kunnen kopen voor juffrouw Sophie, Sugar en juffrouw Fox. Toen besefte ik opeens wat ze eigenlijk waren.’

    ‘Romans kunnen toch niet zomaar plompverloren eindigen? Romans zijn toch niet als het leven zelf? Romans horen bevredigend, elegant afgerond te worden.’

    Buiten een intrigerend beeld van hoe intens met een roman geleefd kan worden en hoeveel impact deze kan hebben op iemands geestelijke gesteldheid, is het vooral opmerkelijk dat hedendaagse lezers blijkbaar toch vooral een verhaal willen lezen, van a tot z en netjes afgerond – als het maar vooral niet is zoals het leven zelf. Literair escapisme viert kennelijk hoogtij. Er is een aardige boom op te steken over dit onderwerp, maar terug naar lelieblank, scharlakenrood. Faber verklaart het slot van zijn roman als volgt:

    ‘Ja, hun toekomst is ongewis. Maar dat geldt voor de toekomst van ieder van ons. Alleen de dood voltooit het verhaal, en Sugar en Sophie leven nog. Met een vervolg zou dat leven uit hen worden weggeknepen.’

    Toch verscheen er recentelijk De appel. Een bescheiden boekje met de veelzeggende ondertitel nieuwe lelieblank- verhalen. De lezers van lelieblank die al jaren kampen met een verweesd gevoel omdat ze in het ongewisse zijn over het lot van hun vriendin Sugar, zullen opgelucht ademhalen – De appel belooft op het eerste gezicht een einde te maken aan hun lijden. Ze kunnen zich echter opmaken voor een tweede klap: al in het voorwoord wordt duidelijk dat ook deze verhalen geen afgerond slot zullen breien aan het verhaal. Het lot van de hoofdpersonages blijft onduidelijk, maar de zeven verhalen in De appel gaan wel over personen die we nog kennen (of zouden moeten kennen) uit lelieblank, scharlakenrood. De lezers kunnen zo zelf de puzzel enigszins in elkaar leggen. Maar verzekert Faber ons, ook lezers die lelieblank niet hebben gelezen kunnen genieten van deze verhalen. Na lezing blijkt De appel toch vooral een zoethoudertje voor diegenen die niet met het slot van lelieblank konden leven.
    De bindende factor in de verhalen is Sugar en het lelieblank-verhaal. Helaas is deze factor ook het enige dat de eerste zes verhalen nog interessant maakt. Alleen het laatste verhaal – dat ironisch genoeg ook het meest prijs geeft over het vervolg van het leven van Sugar en Sophie – is krachtig genoeg om als kort verhaal op zichzelf te kunnen staan. Bij de overige verhalen kun je je niet aan de ondruk onttrekken dat het schetsen zijn die het oorspronkelijke verhaal niet hebben gehaald. Bovendien laat de stijl van Faber in de eerste verhalen het wensen over. Zo staat er tot twee keer toe een flauwe verwijzing naar de hedendaagse tijd. In Kerstmis in Silver Street lezen we: ‘Sugar merkt dat niet alle winkels geopend zijn. Een zorgwekkende ontwikkeling. Gaan we een toekomst tegemoet waarin alles met kerst dicht zal zijn? De hemel verhoede.’ Jammer, zeker als het in een ander verhaal weer gebeurt: ‘Het zou werkelijk een weldaad betekenen voor het mensdom (en zeker voor de vrouw) wanneer iemand een of ander mechaniek zou uitvinden waarmee een bladzijde met tekst automatisch kon worden gekopieerd.’
    Michel Faber heeft bewezen dat hij een begenadigd schrijver is, hij kan goed verhalen vertellen en heeft de kracht om verschillende stemmen te laten horen en zijn karakters psychologisch goed uit te werken. Dit zijn echter niet de talenten en vaardigheden die je nodig hebt om een kort verhaal te doen slagen. Het lukt Faber in De appel dan ook niet om indruk te maken. Het blijven schetsen, anekdotes, die wellicht beter tot hun recht waren gekomen wanneer ze onderdeel hadden uitgemaakt van een groter, overkoepelend verhaal. Waarmee ik niet wil suggereren dat Faber beter een echt vervolg op lelieblank, scharlakenrood had moeten schrijven. Of je je er nu aan irriteerde of het juist fantastisch vond, een gedeelte van de kracht van de roman lag juist in het open einde. Dat is wat je na vijf jaar nog steeds is bijgebleven. Met deze knieval voor zijn lezers doet Faber zijn magnum opus en schrijverschap te kort.