Zonder het af te doen als obscurantisme geldt vaak dat wijsheid uit het Oosten cryptisch wordt gebracht. Deze wijsheidsliteratuur duiden en brengen is een vaardigheid op zich. Zie bijvoorbeeld Michael Puett’s De Weg uit 2016. Maar deze andere perspectieven kunnen ons een nieuwe kijk bieden op het dagelijks leven en even een venster openzetten naar een andere wereld. Een van de belangrijkste stromingen uit het Rijk van het Midden was het taoïsme, een traditie geënt op oudere volksreligies, de natuur en mysticisme. De taoïstische filosofen waren vooral bezig om zich af te zetten tegen het heersende confucianisme, een strijd van ideeën die vandaag de dag nog actueel is.
Filosoof Michel Dijkstra laat in Spiegel van hemel en aarde zijn licht gaan over het begrip hart-geest, een van die onmogelijk te vertalen begrippen uit de Chinese filosofie. Een woord dat lijkt te hinten op een verborgen affectieve dimensie van en sympathie met de ’tienduizend dingen’. Je zou het volgens Dijkstra ook kunnen vertalen als ‘inter-sensitiviteit’. Net als het woord Tao is het op vele uiteenlopende manieren uit te leggen. Dijkstra kiest ervoor het begrip hart-geest te benaderen vanuit vier verschillende hoeken: taoïsme, confucianisme, shinto en zen. Hij laat hierover vier verschillende denkers aan het woord uit verscheidene tijden.
Deze aanpak heeft Dijkstra eerder al gebruikt door zenmeester Dogen tegenover de christelijk mysticus Meester Eckhart te stellen in zijn boek In alle dingen heb ik rust gezocht (2019). Dijkstra is goed thuis in de comparatieve filosofie en oosterse bronnen en dit levert boeiende vergelijkingen op, zeker op punten waar het Oosten het Westen ontmoet. Deze aanpak resulteert in een spectrum dat loopt van de dogmatische zenleraar Dogen tot de flierefluitende haiku dichter Ryokan. Een onderscheid wat Dijkstra al snel maakt is de tegenstelling tussen dualiteit en non-dualiteit. In het samenvloeien van subject en object ontstaat een modus die je denk-voelen kunt noemen. Hierover zegt Dijkstra dat de ‘antieke Chinees denkt met zijn hart en voelt met zijn gedachten.’ Denkers zoals Zhuang Zi gebruikten vaak geen instrumentele denkwijzen maar volgden onorthodoxe en paradoxale methodes om tot hun conclusies te komen.
Het oppoetsen van de spiegel
Zhuang Zi is een tegendraadse denker die ervan houdt om paradigma’s om te keren en ingesleten waarden tegen het licht te houden. De school van zen en taoïsme legt sterk de nadruk op ‘gecultiveerde spontaniteit’ en stelt als doel om zo los mogelijk te komen van alle geconditioneerde manieren van denken. De ‘spiegel van de geest’ moet opgepoetst worden om tot een grotere vrijheid van denken en handelen te komen. De gedachte is dat we met onze vastomlijnde voorkeuren onszelf het meest in de weg zitten. Deze grotere openheid en onthechting zou volgens Zhuang Zi leiden tot meer vrijheid van het ego, en paradoxaal genoeg juist tot meer verbinding. Wars van dogma’s en conventionele kennis grossieren de taoïsten in ongrijpbaarheid.
Omdat de confucianisten in de optiek van de taoïsten rigide en moralistisch waren met hun nadruk op regels en voorschriften gingen zij de hele andere kant op. Zij zagen het als belangrijk om zoveel mogelijk niet in te grijpen in de loop van de dingen. Gevoel wordt op deze manier boven de categorieën van het denken geplaatst. Het zoveel mogelijk loslaten van oordelen en vooroordelen is hierbij het hoogste devies. Voor denkers als Zhuang Zi was het loslaten van controle belangrijk. Zo wordt voor Zhuang Zi ontvankelijkheid of receptiviteit tot de hoogste deugd. Iets wat hij verbond met het mysterieuze alomvattende vrouwelijke begrip van de Tao die ‘alle dingen voedt’. In het taoïsme is het begrip hart-geest een paradoxaal ontstijgen van verwarring. De taoïsten houden een pleidooi voor de zachte krachten, voor buigen in plaats van breken.
Voetballen met kinderen
Moraal was voor confucianistische filosofen als Mencius iets wat ingebakken zit in de mens. We verplaatsen ons volgens hem vanzelf in anderen door compassie te hebben met hen die het slechter hebben. Op fijngevoelige wijze lichten deze filosofen uit dat deugd natuurlijk handelen belichaamt. Deze morele ontwikkeling is iets wat vooral in relaties naar voren komt. Het cultiveren van deugden is voor het confucianisme iets wat vanzelf tot meer medemenselijkheid leidt. Hart-geest is voor de volgelingen van Confucius een vorm van openhartigheid, het inclusieve verbreden van de eigen morele kring. Goedheid straalt af op anderen en schept zo de voorwaarden voor een meer harmonieuze maatschappij.
Voor shinto is hart-geest dan weer meer een esthetisch besef, wat voornamelijk terugkomt in de Japanse poëzie. Shinto is doortrokken van het besef van de kami en de bezieldheid van de wereld. Getroffen worden door het besef van vergankelijkheid of ontroerd door schoonheid lijken dus uitingen van hart-geest te zijn. Iets wat je bijvoorbeeld terugziet in het spontane karakter van sommige haiku’s.
Voor het in de praktijk brengen van al deze verheven ideeën richt Dijkstra zijn blik op de zendichter Taigu Ryokan (1751-1831). De man die voetbalde met kinderen, dobbelde met prostituees en schijnbaar zorgeloos zonder bezit leefde, belichaamt het ideaal van in het moment leven het beste. Als dieven zijn hut plunderen beklaagt hij zich niet maar merkt op dat ze tenminste wel het raam hebben achtergelaten waardoor hij de maan kan zien. Deze wijze dwaas leefde ongebonden, en was in elk geval los van tradities een vrije geest. Bij hem zie je de liefdevolle aandacht, het dingen nemen zoals ze zijn en in het moment leven, wat je de kern van zen zou kunnen noemen.
Illusies loslaten
Intuïtie lijkt dus leidend te zijn voor veel van het denken rondom hart-geest, als alles met alles is verbonden dan is ook elke interactie waardevol. Het enigszins mystieke besef van hart-geest kan wel tot solipsisme leiden, de onthechte houding is goed voor meer gelijkmoedigheid maar maakt ons niet meteen meer invoelend of geneigd tot liefdadigheid. Dus blijft de vraag; hoe pas je het begrip hart-geest nou daadwerkelijk toe? Het dichtst in de buurt komt Dijkstra in de epiloog als hij het heeft over het afstemmen op je hart, oordelen en illusies loslaten en je perspectief verbreden en zuiveren van egocentrisme. Hoewel dit mooie idealen zijn is het gevaar wel dat het daarbij blijft. Lao Zi kan het mooi verwoorden maar de praktijk is vaak weerbarstig.
Ondanks dat Dijkstra overvloedig citeert en goed uitlegt kan dat niet verhinderen dat het begrip hart-geest zelf vaag blijft. Het is iets wat eigenlijk in de praktijk duidelijk moet worden. De vele voorbeelden, metaforen en wijsgerige parabels behandelen de hart-geest allemaal op andere manieren. Het gaat soms over de balans van actie tegenover contemplatie in de morele praktijk, wat het een gebalanceerd verhaal maakt omdat er ruimte is om ook de tekortkomingen van de houding te bespreken. Zo kun je ook te open zijn of jezelf verliezen. Af en toe grijpt Dijkstra in zijn discours ook terug op Griekse denkers; zo vergelijkt hij confucianisme met de Aristotelische deugdethiek. En hij maakt uitstapjes naar westerse cinema, zoals met Star Wars. Dit maakt dat je goed verbanden kunt leggen.
Over het geheel genomen kan het begrip hart-geest ons iets leren over niet-weten als levenshouding en hoe we onze cirkel van sympathie kunnen uitbreiden. Iets wat bijvoorbeeld heel goed aansluit bij het werk van Peter Singer, een verband dat Dijkstra ook legt. Zijn boek is dus meer een ideeëngeschiedenis dan een praktisch boek en dat is prima. Het geheel biedt een boeiend overzicht van pakweg tweeduizend jaar Chinese en Japanse filosofie. Soms verlies je wel het overzicht tussen al die lianen, maar dat komt ook omdat het begrip zo vaag is. Er is geen houvast, maar misschien is dat ook goed want alles is constant aan verandering onderhevig. We worden met alles wat we zijn ‘van ogenblik tot ogenblik opnieuw geboren.’



