• Spel van schrijvers & geschrevene

    Spel van schrijvers & geschrevene

    Fantasie en werkelijkheid. Spaans- Amerikaanse auteurs weten al sinds de jaren ’60 hun lezers te boeien en te vermoeien met hun literair spel tussen deze extremen. Dat ook de Mexicaanse Valeria Luiselli (1983) wel van een spelletje houdt, blijkt uit De gewichtlozen. In deze roman presenteert Luiselli haar lezers een Mexicaanse vrouw. Deze schrijft op haar beurt een roman over de Mexicaanse dichter Gilberto Owen. Haar obsessie voor hem begon toen ze nog werkte voor een uitgeverij in New York en erachter kwam dat hij in de jaren ’20 in het appartement vlak achter dat van haar had gewoond. Vanaf dat moment vervaagt de grens tussen fantasie en werkelijkheid.

    Als zij jaren later als moeder van twee kinderen thuis zit, probeert ze aan de dagelijkse sleur te ontsnappen door te schrijven. Ze zegt een nacht in zijn appartement te hebben doorgebracht. Vervolgens doet ze het voorkomen alsof ze de uitgever heeft voorgelogen en zelfs manuscripten heeft vervalst om Owens werk gepubliceerd te krijgen. Er lijkt geen weg meer terug als ze schrijft:

    ‘De vertelster ontdekt dat terwijl ze een verhaal in elkaar rijgt het weefsel van haar werkelijkheid versleten raakt en breekt. De vezel van de fictie begint aan de werkelijkheid te tornen en niet vice versa, zoals dat zou moeten.’ (p. 79.)

    Met nostalgie kijkt ze terug op haar eigen verleden dat ze, geïnspireerd door de kinderlijk-absurde gesprekken met haar zoontje, begint aan te vullen en te herschrijven. Tegelijkertijd werkt ze aan de roman over Owen en terwijl ze schrijft, gaan hun levens steeds meer op elkaar lijken tot het moment dat het leven van schrijfster en dichter één is.

    De gewichtlozen is een gecompliceerde raam-in-raamvertelling. Naast het verhaal van de hoofdpersoon en haar leven, dat al vrij lastig is om te volgen door de sprongen in de tijd, loopt het verhaal van de dichter Owen. De roman bestaat uit twee delen. In het eerste deel zijn de twee verhaallijnen nog duidelijk van elkaar te onderscheiden, maar het tweede deel vraagt volledige concentratie. Heden en verleden van zowel schrijfster als dichter lopen door elkaar, fantasie en werkelijkheid gaan hand in hand en ook de twee verhaallijnen vloeien in elkaar over. Op het eind leven beide personages in éénzelfde, fictieve, wereld. Al met al is de Gewichtlozen helemaal niet zulke lichte kost als de titel doet vermoeden.

     

  • Overtuigend debuut

    Overtuigend debuut

    Valse papierenvan de Mexicaanse schrijfster (met ook Italiaanse roots) Valeria Luiselli (1983) is een intrigerende bundel essays. Na een wat aarzelend beginessay, bespiegelingen over haar tocht naar het graf van Joseph Brodsky in Venetië, vindt Luiselli een eigen geluid en worden haar teksten eigenzinniger. Het levert mooie formuleringen op. Zo lezen we het volgende over het uithollen van de schedelruimte tijdens een mensenleven: ‘We worden gevuld geboren – gevuld met grijze stof, met water, met onszelf -, en in elk van ons vindt continu het trage, alchemistische erosieproces plaats. Boven onze nek dragen we een functionerende groeve met ons mee, vol fragmenten die beetje bij beetje vergruizelen.’ (79) Of dit nu werkelijk is zo als het gaat, doet niet echt terzake. Het is een beschrijving die bijblijft.

    Het schrijfproces vergelijkt Luiselli met restaureren: ‘Restaureren: gaten opsmukken die de boormachine van de tijd in elk oppervlak achterlaat. Schrijven, daarentegen, is een omgekeerd restauratieproces. Een restaurateur vult gaten in een oppervlak waarvan al een min of meer af beeld bestaat; de schrijver werkt vanuit de scheurtjes en de gaten. In die zin lijken de architect en de schrijver op elkaar.’ (102) Zo zit deze bundel vol met treffende formuleringen.

    Luiselli slaat soms ook wel de plank wat mis. Zo schrijft ze over lege ruimtes: ‘Misschien is het slechts een ontische uitdrukking, zouden de Heidegerianen zeggen over een ontologische, wortelgeschoten voorwaarde die onmogelijk te veranderen is: horror vacui tot uitdrukking gebracht in het oculair amusement en het mentale tijdverdrijf van het vullen van ruimtes.’ (106) Zulke obscure taal heeft de schrijfster niet nodig. Nee, dan kan ze beter schrijven over haar uiterlijk: ‘Ik zie de vele gezichten waaruit ik ben samengesteld. De stamboom van mijn gelaatsuitdrukkingen, de familegeschiedenis van elk gebaar. Een lijn markeert de blijdschap van mijn moeder, zware oogwallen de vermoeidheid van mijn vader, het attent voorhoofd heb ik van beiden. Dan de kromming van de lip: de vergissing van een van mijn grootmoeders; een blik die herinnert aan de overzeese eenzaamheid van een van mijn grootvaders; een gebaar dat voorkomt uit de vroege dementie van mijn tante.’ (112)

    Thema in Valse papieren is onder meer het leven in de grote stad (Venetië, Mexicostad, New York) en de rol die taal speelt bij de duiding ervan. Luiselli gaat in haar tekst ook in op het fenomeen ‘flaneur.’ In het oeuvre van de filosoof Walter Benjamin, die haar inspireerde, staat dit begrip voor de opmerkzame, maar niet per se betrokken grootstedelijke observant uit de moderne tijd die het wandelen tot levensstijl heeft gemaakt en alles wat hij passeert in zich opneemt. Luiselli voegt hier het concept van de ‘fietsganger’ aan toe: ‘de flaneur die zich op twee wielen voortbeweegt zal de juiste afstand houden om in de stad zowel medeplichtige als getuige van de stad te worden.’ (53) De tijden van de wandelende flaneur zijn volgens Luiselli voorbij: ‘Behalve degenen die gewoon nog met hun hond uit wandelen gaan, de kinderen die van school terugkeren, de alleroudsten en de straatverkopers, heeft niemand in de hedendaagse stad het recht een slentertempo aan te nemen,’ (50) constateert ze met spijt.

    Interessant is wat Luiselli over de begrippen melancholie, nostalgie en (de Portugees-Braziliaanse term) saudade te berde brengt. Het begrip saudade omschrijft ze in een omtrekkende beweging, waarin ze in feite geen bruikbare definitie geeft, maar wel de sfeer die het woord overbrengt weet te treffen. Ze schrijft: ‘Saudade, waar de pijn te horen is in de samenklank van twee klinkers, doet denken aan die dingen die tegelijkertijd mooi en verdrietig zijn: zeeschepen, treurwilgen, wierook, hagedissen.’ (62) Saudade kan misschien het best worden omschreven als een zowel plezierige als verdrietige herinnering vol emotie en verlangen aan een al dan niet fictieve tijd die voorgoed voorbij is. Melancholie was volgens de schrijfster in de twintigste eeuw geen geestestoesand van de dichter meer, ‘maar een verachterlijke karaktertrek, een divanhysterica niet waardig.’ (63) Freud banaliseerde het verschijnsel. Nostalgie is dan weer ‘het bastaardkind van de melancholie.’ (61)

    Luiselli lijkt niet erg positief over nostalgie: ‘Er is een Paseo de los Melancólicos in Madrid en een Rua de Saudade in Lissabon. Maar er is nergens, – gelukkig maar, want dat zou van slechte smaak getuigen – een Laan der nostalgici.’ (70). Voor Luiselli (en velen met haar) is nostalgie iets waarvoor je je geneert. Dat het begrip in feite niet wezenlijk verschilt van saudade, lijkt haar te ontgaan. De negatieve connotatie die voor haar aan het begrip nostalgie kleeft, voorkomt mogelijk dit inzicht.

    Luiselli haalt er in haar tekst vele grootheden uit de de wereldliteratuur bij, maar ze doet dit functioneel zonder te veel te pronken met haar belezenheid. Ze neemt de lezer voor zich in als ze haar eerste kennismaking met Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust beschrijft: ‘Ik begreep bijna niets van het Frans en bleef uren hangen bij een paragraaf waarin ik me probeerde voor te stellen wat bougie, quatour en écailles betekenden.’(84) In de rest van de tekst is ze voldoende overtuigend, dat ze deze ontboezeming wel aandurft. Het persoonlijke aspect maakt deze essays bijzonder. Zo neemt de schrijfster ons mee naar haar kindertijd, waarin ze tunnels in de achtertuin groef en kostbaarheden in de gaten verborg, voor toekomstige kinderen. Met dergelijke mededelingen tilt Luiselli de speelse tekst ver uit boven gortdroge literair-filosofische essays die schrijven over thema´s als taal, vertalingen, identiteit en stedelijke omgeving ook had kunnen opleveren. Minpunt aan dit door Merijn Verhulst vertaalde boek, overigens ingeleid door Cees Nooteboom, is dat het wat dun is. Het is uitzien naar een uitgebreider essayboek van deze schrijfster.