• De zomerboeken van Ingrid van der Graaf

    De zomerboeken van Ingrid van der Graaf

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Ingrid van der Graaf neemt de volgende boeken mee:

    Merijn de Boer, De saamhorigheidsgroep
    Maxim Osipov, De wereld is niet stuk te krijgen
    Patrick Modiano, Een jeugd
    Walter J.C. Murray, Copsford
    Jente Posthuma, Waar ik liever niet aan denk
     

    Vanaf zijn verhalenbundel Nestvlieders heb ik alles van Merijn de Boer gelezen, alleen aan zijn vierde, zijn meest omvangrijke De saamhorigheidsgroep was ik nog niet toegekomen. De Boer hanteert een humor in zijn boeken die je niet vaak tegenkomt. Maxim Osipov wordt wel vergeleken met Tsjechov en Boelgakov, ook hij is arts en schrijft. Dertien verhalen met van die heerlijke Russische onderwerpen; ziekte, dood, verraad. Een jeugd van Patrick Modiano had ik al langer liggen, elke zin van deze schrijver is een verhaal op zich, dat wordt mooie zinnen lezen. Van Walter J.C. Murray had ik nog nooit gehoord, tot ik in het tweede boek van Raynor Winn las waarin veel natuurbeschrijvingen voorkomen, vermengd met de strijd om te overleven, dat zij gevraagd was een voorwoord bij een herdruk van Copsford (1948) te schrijven. Ook Winn trok zich terug op het platteland met haar man in een vervallen boerderij, net als Murray. Waar ik liever niet aan denk van Jente Posthuma gaat over een broer, zus relatie, de broer sterft. Dat interesseert mij bovenmate, broer, zus relaties in de literatuur.

     

    Lees hier meer van en over Ingrid van der Graaf

     

  • Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zes genomineerden, allen hadden ze een geweldig boek geschreven, elk van hen werd het gegund deze prestigieuze prijs te winnen. Maar het werd Jeroen Brouwers, belangrijk schrijver met een zeer omvangrijk oeuvre, hij won met het ‘onontkoombare, unieke, belangwekkende, buitengewone, fantastische boek’, Client E. Busken de Libris Literatuur Prijs. Het moest zo zijn, als een fantastische en waardige afsluiting van zijn schrijvers carrière. Brouwers zelf zei in een interview, voorafgaand aan de prijsuitreiking, ‘Ik ben met emeritaat.’ Of er ooit nog een nieuw boek komt is niet vanzelfsprekend meer. Het idee voor het winnende boek ontstond toen hij een oude vriendin in een verzorgingstehuis bezocht. De mate van gevangenschap die daar heerst, sprak hem aan, zoals hij vaker over gevangenschap schreef.

    De jury, bestaand uit Lilianne Ploumen (voorzitter), Judith Eiselin, Johan Fretz, Maarten Moll en Yves T’Sjoen, was lovend: ‘Brouwers zuigt je mee in dit verslavende taalcircus, een ware krachttoer, hilarisch en ontluisterend tegelijk. Cliënt E. Busken bewijst dat zelfs ogenschijnlijk maar voort wauwelen kan vlammen, zinderen en tergen. Deze unieke verkenning van wat een onbetrouwbare (of op zijn minst niet geheel te vertrouwen en te volgen, maar o zo dwingende) verteller vermag, vormt een schitterende toevoeging aan Brouwers’ rijke oeuvre.’

    Jeroen Brouwers (1940) schreef in meer dan een halve eeuw een imposant oeuvre bijeen dat romans, verhalen, essays, brieven en polemieken omvat. Zijn werk werd bekroond met vele prijzen, waaronder de Multatuliprijs, de F. Bordewijk-prijs, de Constantijn Huygens-prijs, de Gouden Uil, de AKO Literatuurprijs, de Prijs der Nederlandse Letteren en de ECI Literatuurprijs. In 2018 werd aan Brouwers door de Radbout Universiteit Nijmegen een eredoctoraat toegekend.

    Cliënt E. Busken beschrijft een dag van de man, E. Busken, die tegen zijn zin op de gesloten afdeling van een psychiatrische instelling verblijft. Hij spreekt niet, maar we lezen zijn gedachten mee, hoe hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar voorziet. Ongericht lopen zijn gedachten door elkaar. De eerste zin van Cliënt E. Busken: ‘…denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder, die al decennia dood is.’

     

    Overige genomineerden waren:
    Confrontaties – Simone Atangana Bekono (Lebowski)
    Wij zijn licht Gerda Blees (Podium)
    De Saamhorigheidsgroep – Merijn de Boer (Querido)
    Cliënt E. Busken – Jeroen Brouwers (Atlas Contact)
    De onbevlekte – Erwin Mortier (De Bezige Bij)
    Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld (Atlas Contact)

     

     

  • Dansen en knutselen voor een betere wereld

    Dansen en knutselen voor een betere wereld

    Principes en idealisme zijn mooi. Maar er zijn grenzen. Tristan, één van de hoofdfiguren uit De Saamhorigheidsgroep van Merijn de Boer, verzucht na de afrekening met een ingewikkelde driehoeksverhouding tussen zijn vrouw, diplomaat Bernard Wekman en hemzelf dat het gedachtegoed dat hij altijd had aangehangen niet bruikbaar was als het ging om de pijnlijke, donkere krochten van je ziel.
    De Saamhorigheidsgroep is in de gelijknamige roman van De Boer een club van vrienden die zo eenvoudig mogelijk leeft en allerlei projecten in de derde wereld financieel wil steunen. Ze dragen uitsluitend tweedehands kleren, verplaatsen zich per fiets, dansen naakt in de natuur, de mannen knutselen met elkaar en er wordt tweewekelijks vergaderd over nieuwe projecten en de bewaking van de linkse opvattingen.

    De kans is groot dat degene die deze inleidende zinnen leest een groep geitenwollensokken lieden voor zich ziet, waarmee in deze roman eens flink de draak wordt gestoken. De Boer laat je inderdaad grijnzen bij de cultuur van de groep en het gedrag van haar leden, maar hij vermijdt daarbij knap de ridiculisering en laveert behoedzaam langs de valkuil die meligheid heet. Hij slaagt erin de leden van de groep in al hun naïviteit op te voeren en tegelijk een zekere sympathie te kweken. De onderlaag van de geschiedenissen die hij beschrijft is wel degelijk een serieuze vraag naar hoe we onze oordelen vormen en welke keuzes we maken. Inderdaad: hoe ‘we’ dat doen; we worden als lezer in het verhaal getrokken en blijven geen buitenstaanders die ons louter vermaken om de onhandigheden van een clubje wereldverbeteraars waarom we hartelijk kunnen lachen omdat ze niet tot onze wereld behoren.

    Rode Volvo

    Het middel dat De Boer daarvoor gebruikt is het personage Bernhard Wekman, een ambtenaar die werkzaam is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en in de hoogtijdagen van de club op de nominatie staat voor buitenlandse diplomatieke missies. Hij wordt door zijn vroegere studievriend Felix geïntroduceerd. We hoeven ons niet met hem te identificeren om ons toch via hem in de groep onder te dompelen.
    Bernhard voelt zich er eigenlijk helemaal niet thuis, maar blijft toch, zeker als hij zich aangetrokken voelt tot Liza, de vrouw van de hiervoor al genoemde Tristan. Anderzijds komt hij voortdurend in conflict met zichzelf. Hij is de enige die een auto, een rode Volvo, bezit wat hij angstvallig geheim probeert te houden. Hij zoekt naar smoezen om als Rijksambtenaar niet deel te hoeven nemen aan een demonstratie tegen de opslag van kernafval, maar gaat toch omdat hij dan in elk geval Liza kan zien. Hij blijft een deelnemer die zich maar niet kan overgeven. In de vergaderingen dragen de leden projecten aan die steun verdienen, maar hij voelt zich daar als ambtenaar geremd in. Pas als de eigenaar van zijn favoriete stamppotcafé, die is weggepest door een klant, een nieuwe nering is begonnen in de mijnstreek in Wallonië, durft hij steun aan Waalse mijnwerkers voor te stellen.

    Studeren op de wc

    Bernhard vertegenwoordigt een botsing van culturen, die van zijn werkkring en die van de Saamhorigheidsgroep. Bij de geboorte van een kind doet hij een grote beer cadeau terwijl een ander lid van de groep een appel (onbespoten natuurlijk) geeft. Verder roepen, naast de Volvo, het pak van Bernhard en zijn dure hoed afwijzing op. Maar het komt de leden uitstekend uit als ze vier weken willen kamperen in Frankrijk om te onderzoeken of ze een commune kunnen beginnen: ze rijden dan in de Volvo en een geleende auto zuidwaarts en laten Bernhard voor de benzinekosten opdraaien.

    Een amusant voorbeeld van de scherpstelling van principes binnen de groep lezen we als mevrouw Hennis, de moeder van Felix overlijdt. Hij erft een bedrag van zes ton van haar, maar de groep brengt hem in verlegenheid als hij gewezen wordt op het beginsel dat de leden tien procent van hun inkomsten voor projecten aan de groep afstaan. Het leidt tot een discussie over de vraag of een erfenis een inkomen is, maar ook over wat je als eigenbelang mag opvoeren. De kleinbehuisde Felix en zijn vrouw Hester willen juist groter gaan wonen en hij wil een echte studiekamer zodat hij voor zijn proefschrift niet langer op de wc hoeft te werken.

    Fietsenmaker

    Het leidt tot komische dialogen. De voorzitter van de vergadering, Bronno Koolmees, wil na het overlijden van zijn ouders eveneens tien procent van zijn erfenis afstaan, dus moet Felix dat ook doen:

    ‘Maar goed, dat was heel weinig. Jouw vader was fietsenmaker’, zei Olga.
    ‘Dat is toch niet van belang? Het gaat om het principe.’
    ‘En als iemand’, vroeg Bernhard, ‘ik zeg maar wat, de loterij wint. Moet die daar dan ook tien procent van betalen?’
    ‘De loterij? Dat doen wij toch niet?’ zei Renate. ‘Hoe kom jij ineens bij de loterij?’ vroeg Ralf. ‘Ken jij mensen die loten kopen?’
    ‘Nee, nee, natuurlijk niet. Sorry’. Een lot kopen mocht blijkbaar ook al niet van de Saamhorigheidsgroep.

    De roman De Saamhorigheidsgroep beslaat voor het grootste deel het reilen en zeilen van de groep in de jaren 1982-1983 in de omgeving van Haarlem vanuit de optiek van de belangrijkste deelnemers, waaronder Bernhard. In 1984 vertrekt deze korte tijd voor een missie naar Jeruzalem. Dat relaas met al zijn amoureuze en dilettantistische verwikkelingen wordt omkaderd door de herinneringen van Bernhard in 2018 als hij permanent vertegenwoordiger voor Nederland is bij de VN in New York, en de verwerking van zijn verleden in 2019 als hij is teruggekeerd naar Nederland en weer leden van de nog altijd bestaande Saamhorigheidsgroep ontmoet. Ook hun leven is veranderd. Relaties zijn verbroken (iemand is lesbisch en een ander homo ‘geworden’) en de kinderen van de leden werken bij de multinationals waartegen hun ouders juist te hoop liepen. Het mooist zijn in dat hoofdstuk de bespiegelingen van Bernhard die nog altijd getuigen van een naïviteit maar je toch nog meer voor hem innemen.

    De beschrijving van de Saamhorigheidsgroep in de jaren 1982 en 1983 is zo treffend dat je als lezer zou kunnen denken dat Merijn de Boer ooit zelf deel van een soortgelijke groep moet hebben uitgemaakt. Hij is echter zelf pas in 1982 geboren. Hij moet dan ook goed hebben geluisterd naar zijn ouders. Die waren wel lid van een werkelijk bestaande Saamhorigheidsgroep. Afgezien van enkele anekdotes die hij van hen hoorde zijn echter alle gebeurtenissen verzonnen, schrijft De Boer in zijn verantwoording.
    Dat heeft hij dan bijzonder knap en realistisch gedaan!

     

     

  • Merijn de Boer lezen

    Merijn de Boer lezen

    De herfst staat voor de deur en ik heb gelukkig nog niet al het moois van deze zomer gelezen heb. De geur van miljoenen van Merijn de Boer ligt er nog. ‘Wie wat bewaart, die heeft wat’, zegt het spreekwoord dat mijn moeder vroeger (in armoediger tijden) veel gebruikte. Tijden waarin mijn vader een abonnement op de Wereldbibliotheek nam, dat weer wel. Hij ontving op gezette tijden de Russische schrijvers per post en was dagen zoet met lezen. Uit zijn boekenkast ligt hier een bundeling van twee verhalen De jaarmarkt in Sorotsjínintsy en Kerstnacht van N.W. Gogolj, (in 1952 fonetisch gespeld). Het mooiste stuk in dit boekje is eigenlijk het voorwoord van een imker, Rode Pánjko. Voor wie Gogol kent, weet dat de schrijver zelf dit voorwoord schreef waarin hij het heeft over de ‘Avonden op een hoeve bij Dikánjka’ waar boeren en dorpelingen elkaar verhalen vertellen. Verhalen die door de zogenaamde imker (Gogol dus) op papier worden gezet, en wat voor nut dat heeft. Wijdlopige verhalen met vele terzijdes die op het oog niet zo belangrijk lijken maar een verhaal wel uittekenen tot in alle hoeken waar anders niet gekeken wordt.

    Zo gauw de eerste regen viel, sloeg ik De geur van miljoenen open. Na de eerste alinea’s keek ik, een zucht slakend, een moment dromerig voor me uit en wist dat het goed was, beter dan goed. Ik trok mijn benen op de bank en las het verhaal ‘Een acrobaat in Accra’ over een vriendschap die de uiterste houdbaarheidsdatum heeft overschreden. En daarna het titelverhaal, waarin een oude rekening vereffend moet worden maar de gedupeerden het er om persoonlijke redenen bij laten zitten. Met daarin een hilarisch terzijde over een van de gedupeerden – Anna Graswinkel: ‘Ze was vernoemd naar Anna Achmatova. Een volstrekt overbodig detail, maar als een personage is vernoemd naar een dichteres, dan kan een schrijver dat moeilijk onvermeld laten.’ Prachtig!
    Dan is er nog een zeer (echt waar) liefdevol verhaal, ‘De remise’. Over de laatste dagen van een bejaarde Nederlandse ambassadeur in Marokko die uiteindelijk sterft op straat terwijl een hond hem gezelschap houdt. Dat klinkt triest maar is het niet. Het is of die ambassadeur dit gewenst heeft zo te sterven!

    Merijn de Boer schrijft als een muzikant tijdens een jamsessie. Hij varieert er lustig los, gebruikt een ongewone terminologie en vertelt schijnbaar zonder structuur een verhaal. Zoals in ‘De jaguar, Naar een verhaal van Gogol’, waarin een speech wordt ‘getermineerd’, personen ‘gedefenestreerd’ en een ‘petomane snuiter’ in voorkomt. Een terminologie die pedanterig aandoet maar dat helemaal niet is! Gelijk als in een jamsessie. Nog één variatie  op een verhaal:‘In slechte handen, Naar een roman van Robbert Welagen’, waarin twee identieke ikken voorkomen. Dubbelgangers die elkaar naar het leven staan en waarin de heerlijke en op het oog niets toedoende terzijde als: ‘Na het eten deden we onze twee zoons (Jacob en Jacob, een tweeling) in bad.’
    Om deze terzijdes, de eigenzinnige variaties, lees ik deze schrijver het liefst.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Kaf maar gelukkig ook koren

    Kaf maar gelukkig ook koren

    Merijn de Boer (1982) is ondanks zijn jeugd een gelauwerd schrijver met een prijs voor zijn debuut Nestvlieders en long- en shortlist-vermeldingen voor zijn latere romans. Wie zijn nieuwe verhalenbundel De geur van miljoenen leest, verwacht dus kwaliteit. En voelt teleurstelling als hij een onevenwichtige serie verhalen voorgeschoteld krijgt die soms zó uit de droomwereld van een wat aangeschoten corpsbal geplukt lijken. Ze zijn verspreid in de tijd gepubliceerd en een aantal toont een nog wat onbeholpen, onwennige stijl. Alsof de schrijver voor het eerst de pen hanteert en veiligheidshalve kiest voor cliché-uitdrukkingen die hij dagelijks in de krant leest.

    Veel van de verhalen ogen nogal bedacht. Een ik-persoon die een ereplaats krijgt bij de begrafenis van een collega en tot zijn schrik merkt dat hij in ’s mans op de begrafenis voorgelezen vaarweltekst afgezeken wordt. Een andere ik-persoon die besluit te adverteren dat hij samen met iemand Vestdijks hele oeuvre wil lezen en zo kennis maakt met een paar eigenaardige mensen. Een derde ik-verhaal gaat over een ik die zichzelf tegenkomt en tenslotte besluit die andere ik om te brengen.
    Al lezend krijgt men sterk de indruk dat De Boer vooral opzienbarende verhalen wilde schrijven en weinig doet om de lezer te betrekken bij zijn personages en wat hen overkomt. Toch zijn er twee verhalen die juweeltjes genoemd kunnen worden. Het ontroerende Een vaderfiguur over de jonge Pjotr uit Eindhoven die met de al wat oudere Amsterdamse homo Jakob een kennismakingsafspraak heeft en wordt overspoeld door diens warme hartelijkheid en belangstelling.

    En dan De registermakers dat gaat over het register dat alle registers bevat en tachtigduizendzeshonderd-
    negenentachtig lemma’s telt. Het is een hoop werk om alles up to date te houden. De zenuwen slaan aan het eind van het jaar toe:
    De periode tussen inlevering van de kopij en de aflevering door de drukker is voor een registermaker slopend en uitputtend. Wijzelf zijn in de loop der jaren gehard. We weten zo langzamerhand hoe we ons er doorheen kunnen slaan. Maar er zijn verhalen van collega’s die eraan zijn bezweken. Het ergst wat er namelijk kan gebeuren is dat een lemma sterft terwijl hij op de drukpers ligt. Dat is niet de fout van een lemma. Dat is de fout van een registermaker.
    Kijk, wat er na verschijning van een register gebeurt kan de registermaker gestolen worden. Laat ze vooral allemaal een andere nationaliteit en een andere baan nemen. Niet onze verantwoordelijkheid. En laat ze stuk voor stuk doodgaan, we liggen er geen nacht wakker van. Als ze maar niet doodgaan in dat schemergebied tussen inlevering en verschijning.
    Ach, twee mooie verhalen op twaalf is eigenlijk nog niet eens zo’n slechte score voor een beginnend schrijver. Waarvan akte!

     

  • Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Niets dan proza en poëzie in de eerste editie van dit jaar van het halfjaarlijks tijdschrift Revisor. Eenvoudiger kan het niet en volgens het introducerende redactioneel door Daan Stoffelsen, wordt er eens niet met thema’s gewerkt of anderszins gekaderd. Zo blijft er voor de lezer ruimte om zelf zijn thema’s te ontdekken. Stoffelsen sluit af met: ‘(…), Revisor is geen gezelligheidsdier. De lucifers zijn opgebrand. Maar we bewaren ze, want de taal smeult na en vlamt weer op, 64 pagina’s lang.‘ Zie de cover met het leeggeschudde doosje afgebrande lucifers op mediterraan blauw; of die nog ooit zullen ontvlammen is de vraag.

    Het leven van een groepje outcasts in het verhaal ‘Leven’ van de Amerikaanse schrijver David Ray Pollock (zoek die naam op) (vertaling Luc de Rooy) is een kwijnende toestand. Een verhaal met een hooggespannen verhaallijn over outcasts die niets meer te eten en te roken hebben (voornaamste levensbehoeften). Bij de eerste twee regels weet je al dat vanuit niets een vuur kan ontvlammen: ‘Randy was alweer door zijn peuken heen, en hij trok het niet langer. Godverdomme niet een van hen had nog een baan; en nu was in het voorjaar ook nog moeder overleden en zat hij, de oudste, met verantwoordelijkheden opgezadeld die te hoog voor hem gegrepen waren, tering ja.
    Schrijnend en rauw, daar schijnt Pollock een patent op te hebben. Hij beschrijft de levens van mislukte zielen. Met trefzekere en krachtige stijl werpt hij het de lezer voor de voeten. Prachtig!

    De personages van Sanneke van Hassel, nu we het toch over patent hebben, hebben een uitzonderlijke voorkeur ‘voor dingen die niet gebeuren’. In het verhaal ‘Nederzettingen’ waarin een schrijfster met een archeoloog samenwerkt aan een boek, houdt de schrijfster bij alles wat ze doet rekening met de archeoloog, zonder echt deel uit te maken van zijn leven. Op elke moment van de dag maakt zij zich een voorstelling van wat hij aan het doen is. In de slotzinnen van het verhaal wordt de betekenis van deze non-relatie duidelijk: ‘We bestonden in wat we achterlieten. We bestonden in wat we verkozen niet te doen. We konden vrienden worden.’ Maar dat werden ze niet. En dat niet worden; dat wordt gekoesterd in het verhaal. Betoverend proza.

    ‘Ik ben de hond’ van Jente Posthuma, gaat over een kunstenares, die bezoek krijgt van de volwassen dochter van een overleden vriendin. De oude kunstenares heeft een weekend daarvoor open atelier gehouden; ze had tien cakes ingeslagen. Er waren tweehonderd mensen langs geweest, de cake bleef onaangeroerd. ‘Iedereen had het over het uitzicht, zei ze. Niemand zei iets over mijn aquarellen.’ Een verhaal met ongelukkige handelingen en verkeerd geplaatste opmerkingen, als waren ze zo uit de werkelijkheid van het dagelijkse leven opgetekend.

    ‘Wafelbakker’ is een bijdrage van Merijn de Boer die tegenwoordig vanuit New York zijn verhalen de wereld instuurt.
    Over Ole, die op een begrafenis van een oud collega is genodigd maar niet begrijpt waarom. De man in kwestie negeerde hem altijd en heeft hij in drie jaar niet meer gezien. Waarom werd hij uitgenodigd en mag hij ook nog in het huis van de overledene wonen? Een verhaal waarin personages op knappe wijze gespiegeld worden en langzaamaan elkaars gedaante aannemen, waardoor een verrassende apotheose volgt (in traditie van klassiekers in de wereldliteratuur). Zeer Boeriaans kunnen we zeggen.

    Vincent Merjenberg schreef het weergaloze verhaal ‘Het water’. Over een relatie waarin een groot verdriet gedeeld wordt om het verlies van een kind, en een bosmeer dat ontstaan is door een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog. Merjenberg verstaat de kunst een verhaal te vertellen door juist niet alles te beschrijven. Met zinnen als, ‘Ik wist, kortom, van niets en zag alle veranderingen aan voor aarzelend terugkerend geluk.’ Een stevig verhaal waar je van moet bekomen als van een stevig maal.

    Verder verhalen van Jan van Mersbergen, Klaas Knooihuizen en Robin Kramer. Poëzie van Luca Hirsch, Runa Svetlikova, Simone Atangana Bekono en Marwin Vos.

    Mooie verhalen en gedichten van auteurs die eerdere publicaties op hun naam hebben staan. In die zin geen ‘echte’ debutant te bespeuren. Een tijdschrift die het niet om nieuwe oogst gaat, maar de verhouding tussen schrijver en lezer gaande houd terwijl de eerste werkt aan een nieuw boek en even van de radar is. Revisor houdt met niet eerder gepubliceerd werk de lezer en schrijver bij de les, opdat ze elkaar niet uit het oog verliezen.’

     

     

  • Bizarre verhalen

    Bizarre verhalen

    Ik vond een debuutbundel met bizarre verhalen. Droomkeuken (1996) van Hiske Dibbets oogde als een damesroman wat me een aanbeveling leek om te gaan lezen. Ik ken een roman van haar, De gifmengster (2006), waarvan de vaart waarmee het verhaal werd verteld en de onverwachte wendingen in het verhaal, me zijn bijgebleven. Het gaat over de onverwachte dood van een vrouw en hoe de dochter in haar moeders verleden duikt. Er zit een verdachte Rus in en veel verhaallijnen waarvan er enkele naar het einde toe wat in de lucht bleven hangen. Waardoor het toch wat vaag bleef. Aan haar debuut had ik nooit gedacht, tot ik het tegenkwam bij antiquariaat Kok in Amsterdam. Tien verhalen waarin menselijke eigenschappen als jaloezie en hebzucht de boventoon voeren.

    Alle verhalen zijn even bizar en uitdagend als een puber die constant doet wat je niet verwacht. Er is het verhaal van Frank Jansen, die wegloopt bij zijn vrouw en zijn naam verandert in Wim Smit. Tijdens zijn reis naar Moskou, (hier kwam Rusland dus ook al voor) komen er herinneringen aan zijn vrouw naar boven. Die keer dat ze in Parijs schuilden in een portiek voor de regen. Hoe zij dicht tegen hem aan ging staan en hij van puur geluk iemand een klap verkoopt. ‘En jawel, je schedel werd gekraakt als een walnoot en je hersenpan gelicht. (…) Je moest een daad stellen (…) je zag een voorbijganger naderen. In een reflex haalde je uit met de paraplu. De man kreeg een harde klap op zijn hoofd, (…) strompelde weg.’

    Iets wat ik niet zag aankomen, gelijk de man die de klap op zijn hoofd kreeg. En als je dan vermoedt dat daar de huwelijkse problemen mee begonnen zijn: ‘buitensporig gedrag van de man’, zit je verkeerd. Want de vrouw reageert als volgt: ‘[ze] gierde het uit. Ze kromp ineen van de pret en gooide haar hoofd naar achteren. Ze riep: “Hou op ik kan niet meer. Ik doe het in mijn broek.”’
    Verhalen waarvan je uit je doen raakt maar die ook zeer vermakelijk zijn. Ze vertonen een overeenkomst met de verhalen uit de debuutbundel Nestvlieders (2012), van Merijn de Boer. Een ster in het schrijven van absurdistische verhalen. In beide bundels is er het grensoverschrijdende gedrag van wat betamelijk is of in de lijn der verwachtingen ligt. Al gaat De Boer verder dan Dibbets; is zijn fantasie onbeteugelder. Maar beiden lijken een zeker genoegen te scheppen in het beschrijven van het ongewone.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Een fabuleuze vertelling

    Een fabuleuze vertelling

    In een villa bij Loenen aan de Vecht, leeft Neeltje Bruinjaar in een symbiotische relatie met haar vijfendertig jarige zoon Binnert. Hoewel het landgoed familie-eigendom is van vaders kant (in bezit gekomen door een spelletje whist), is vader al lang uit beeld. Binnert was vanaf zijn geboorte wat ‘raar’ en Neeltje houdt haar zoon consequent voor dat hij niet goed is en nooit aan het openbare leven zal kunnen deelnemen. Dat er meer iets met moeder aan de hand is dan met de zoon, is al snel duidelijk. De zoon is welopgevoed, virtuoos harpspeler, en leest wel drie boeken naast elkaar, zeer trouw aan zijn moeder, maar geniet van kleine verzetjes zoals ‘badjas’ blijven zeggen tegen de voorkeur in van zijn moeders zegswijze van ‘kamerjas’.

    “Mild verzet in een uitgestrekte jeugd vol gehoorzaamheid.”

    Tot zover niets aan de hand, ze zouden voor altijd en eeuwig zo door kunnen leven. Dan ziet  Neeltje het item sekszorg voor gehandicapten in het Journaal voorbij komen. Ze had haar zoon wel eens iets bijgebracht over masturberen aan de hand van een stengel bleekselderij (die later in de soep ging, zo gaat dat bij De Boer) en ze had hem, met behulp van een passer, haar ‘binnenste’ laten zien: “(…) maar daar lag wat haar betreft dan ook echt de grens. Een moeder kon ook té dichtbij komen.” Dit wordt in zo vanzelfsprekend en mooi proza verteld dat je er even bij stil moet staan. Het nog eens lezen, en dan komt de humor goed aan.

    Aanvankelijk leek het of Merijn de Boer (1982) zijn dolle, jonge honderigheid voorbij is, want de personages in zijn tweede roman zijn behoorlijk consequent. Dat was wel anders in zijn debuutroman De nacht, waarin de protagonist een grote fantast en leugenaar is. Maar denk aan de vos, die wel zijn haren verliest maar (gelukkig) niet zijn streken. Zijn proza is wat meer glad getrokken maar hij blijft volstrekt onvoorspelbaar in zijn vertellingen. De Boer fantaseert er met een lust op los die aanstekelijk werkt. Dat maakt van deze  roman een fabuleuze vertelling, die zowaar een moraal in zich herbergt.

    Rendez vous

    Vera is een jonge vrouw van midden twintig haar master geschiedenis heeft ze in Oxford gedaan. Ze wil een volwassen leven en een kind maar vindt de ware niet. Ze leert een voormalig prostituee kennen die de zorginstelling de ‘Drie Gezusters’ heeft opgericht, waarvan de slogan luidt: Futuimus ad vostram sanitaten, ofwel: ‘Wij vrijen voor u gezondheid.’ Het klantenbestand van de organisatie bestaat voornamelijk uit verstandelijk gehandicapten. Vera gaat voor hen werken en maakt in die hoedanigheid kennis met Neeltje Bruinworst, die haar uitnodigt voor een kennismakingsgesprek in ’t Jagthyus. Van de zoon vangt ze een glimp op, verborgen achter een gordijn.

    Binnert stond achter het gordijn terwijl ik kennis maakte met zijn moeder. Ze wist niet dat hij daar stond en ik had het aanvankelijk ook niet door. (…) De zoom kwam tot zijn kuiten: hij droeg een gele broek, rode sokken en bruinrode brogues. Waardoor het leek alsof het gordijn voeten had.

    Een week later volgt het rendez vous  tussen klant en zorgverlener en zo gauw Vera hem ziet weet ze dat ze hem nooit meer zal laten gaan. Eindelijk de perfecte man: een intelligente geest in een goddelijk lichaam. Vanaf dat moment ontstaat er een strijd tussen moeder Neeltje en Vera om de exclusieve aandacht van de zoon.

    “Ik was alleen maar op hem gericht, op hem, op hem – met zijn mooie ogen en sterke lichaam. En ik heb hem helemaal voor mij alleen, dacht ik, niemand weet dat hij bestaat.”

    De weddenschap

    Vera droomt ervan met hem op de bagagedrager op het voorwiel van haar fiets, door Amsterdam te fietsen. Ze dringt op een avond de villa binnen en installeert zich op de kamer van Binnert terwijl die beneden met zijn moeder tv kijkt. Het is een sprookjesachtige passage, die de sfeer van Blauwbaard oproept als Vera om het wachten te bekorten, over de bovenverdieping zwerft en deuren opent waar ze niets te zoeken heeft. Het lukt haar uiteindelijk hem het huis uit te krijgen.

    Een verhaal uit de Russische literatuur dient als leidraad voor het leven van Binnert. Hij leest De weddenschap van Tsjechov gedurende vijfentwintig jaar, steeds weer opnieuw, waarin een jurist twintig miljoen roebel kan winnen als hij zich vijftien jaar laat opsluiten in het tuinhuis van een bankier. Verstoken van de buitenwereld. Met een muziekinstrument en alle boeken die hij wil lezen. Als hij na vijftien jaar de weddenschap wint, doet hij afstand van de twintig miljoen. De jaren in afzondering hebben hem meer wijsheid en levensinzicht gebracht, dan hij daar buiten ooit had kunnen vinden. En dan wordt je door De Boer een stukje van de ‘duidingspuzzel’ toegeschoven als hij schrijft: “Dit verhaal uit 1899 diende als verantwoording voor zijn bestaan.”

    Binnert leefde zijn leven als in De weddenschap maar droomde ervan aan het openbare leven te kunnen deelnemen. Wanneer het zo ver is en Vera hem meeneemt, mist hij zijn ‘binnenhuis’ leven. Na een paar dagen houdt hij het niet meer uit. Hij verlaat Vera en gaat op weg naar huis waarbij hij in zijn naïviteit de ongelukkige keuze maakt over het spoor terug te lopen. Maar misschien was het uiteindelijk de juiste keuze voor hem, want zijn leven zou nooit meer zijn zoals voorheen. Met het ongeluk dat Binnert tegemoet loopt, komt de volgende gedachte vrij: Waar twee vechten om een been gaat de derde ermee heen. Waarbij in deze de derde, dezelfde is als waarom gevochten werd.

    Arjan Peters schreef in zijn column (VK 19 maart) over dure schrijfcursussen op verre eilanden waar het schrijven niet te leren valt. Schrijven leer je door te lezen aldus Peters. Waaraan toegevoegd kan worden: Blijf lekker thuis en lees Merijn de Boer, een schrijver die alle schrijfconventies overboord gooit. Hij zou bij wijze van spreken een mus van het dak laten vallen zonder dat daar verder enige betekenis aan hoeft te worden gehecht. En dat levert heerlijk proza op.

    De moraal van dit verhaal voor wie het wil: ‘Liefde is niet voor de heb.’ Laat dat een les zijn voor de Vera’s en Neeltjes onder ons.

     

     

     

  • Leestips voor de decembermaand – Ingrid van der Graaf

    Wacht tot het voorjaar Bandini van John Fante is een van mijn favorieten. Eind jaren tachtig voor het eerst gelezen en werd vorig jaar opnieuw uitgegeven bij Meulenhoff. Fante (1909-1983), zoon van Italiaanse immigranten, beschrijft Dickensiaanse taferelen op zijn Amerikaans. Het leven van Arturo Bandini kent een stuntelend verloop in zijn pogen er iets van te maken.  Met dit boek voor de kachel en een goed glas wijn binnen hand bereik. Dan kom je de grijze winterdagen op gepaste wijze door en prijs je jezelf gelukkig.

     

     

    Kroniek van PerdepoortKroniek van Perdepoort (1975) van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Anna Louw (1913-2003) is een bijzonder rauw boek over het leven van blanke boeren in Zuid Afrika, na de afschaffing van de apartheid in de vorige eeuw. Om de geschiedenis en vooral om zinnen als: ‘Hij was er zo een die nooit genoeg begreep om ergens betrokken bij te raken.’   Wie van het werk van Coetzee houdt, leze Kroniek van Perdepoort.

     

     

    indexMet tussenpozen heb ik vanaf 1989 verschillende jaren Een braaf meisje (1971) van  Philip Roth rond Kerst gelezen. Ook al zo’n verhaal waarin de hoofdpersoon, Lucy ten onder gaat aan haar eigen goede bedoelingen. Daar heb ik schijnbaar iets mee. Maar het is vooral de sfeer die Roth als geen ander weet te scheppen die me er toe doet besluiten het dit jaar weer eens te lezen. Goed voor een herdruk.

     

     

     

     indexDe nacht van Merijn de Boer als het meest vernieuwende Nederlandstalige boek van 2014? Dat durf ik wel te zeggen. Het boek speelt nog steeds door mijn hoofd om zijn absurdistische ontwikkelingen en wie deze schrijver wil volgen doet er goed aan deze roman te lezen of cadeau te doen.

     

     

     

    imagesEen flinke poëzie bloemlezing met niet eerder gepubliceerde gedichten behoort ook tot mijn lijstje van aanbeveling. Het liegend konijn is een tweejaarlijks verschijnend, mooi uitgegeven boekwerk onder de bezielende redactie van Jozef Deleu. Met werk van gearriveerde dichters én van debutanten. Verrassend, steeds weer.

     

     

  • Longlist AKO Literatuurprijs 2014

    Wat schreef Literair Nederland over zes van de vijfentwintig titels die de longlist haalden?

    Onlangs werd de longlist van de AKO Literatuurprijs, waarop maximaal 25 titels, bekend gemaakt. Uit deze longlist worden zes boeken gekozen die op de shortlist terechtkomen. Die lijst wordt vrijdag 26 september bekend gemaakt. Wie uiteindelijk de winnaar wordt van de AKO Literatuurprijs moet wachten tot donderdag 13 november. Dan zal de prijs worden uitgereikt in Den Haag in een bijzondere samenwerking met het festival Crossing Border. Het wordt een speciale Crossing Border avond waarin de genomineerde auteurs geïnterviewd zullen worden door  Wim Brands. De avond zal worden afgesloten met de bekendmaking van de winnaar van de AKO Literatuurprijs 2014.

    Zes van de vijfentwintig titels zijn door Literair Nederland besproken.

    indexMachiel Jansen over Appels en peren van Maarten Asscher: 
    De creativiteit zit ‘m erin dat je nieuwsgierig wordt gemaakt naar wat Asscher nu zo belangrijk vindt in een goeie roman. Want behalve over Het fregatschip gaat dit essay (kort gezegd) over de opvatting dat goede romans ideeën behoren te bevatten.

     

    thumb.phpIngrid van der graaf over De nacht van Merijn de Boer:
    Het blijkt dat Marcel de gewoonte heeft  op een willekeurige plek van zijn stadsplattegrond een konijn te tekenen, als uitdaging om delen van de stad te doorkruisen. Langs niet gekende wegen, waarbij hij zich niet mag laten afleiden door zaken die zijn aandacht trekken, moet hij het traject lopen dat correspondeert met het op de kaart getekende konijn. En dat is exact wat De Boer met zijn roman doet: hij daagt zijn lezers uit door de complexe verhaallijnen het spoor van Marcel te blijven volgen. De andere personages zijn in wezen van geen enkel belang maar tegelijk zijn ze onmisbaar om Marcel te kunnen laten stralen in zijn rol van klunzige buitenstaander.

    thumb.phpMenno Hartman over Vis in bad van Tijs Goldschmidt:
    Vis in bad
    is een gevarieerde essaybundel van hoge kwaliteit die aanzet tot denken en lezen. En vergelijken: het register van Vis in bad is alleen maar wat minder streng opgesteld dan dat van de eerste twee bundels. Zodat je moet constateren dat Goldschmidt in dit boek wel over ‘zee’ en ‘actrice’ heeft geschreven, en in de vorige twee niet. Of toch?

     

    thumb.phpAstrid van Wijngaarden over Zeer helder licht Wessel te Gussinklo:
    Te Gussinklo dwingt je mee te spartelen in gepijnigde zielekrochten, megalomane opvlammingen, tedere droomgedachten, hysterische razernij, obsessief verlangen en uitvergrote schrikgezichten. Soms – hoe aangenaam – mogen we ook even deinen op het gladde oppervlak maar ja, je zou als schrijver geen Te Gussinklo heten als je uiteindelijk niet toch weer kopje onder gaat. Of erger nog, door koude golven genadeloos wordt uitgespuwd.

    thumb.phpHelle Kuipers over De laatste ontsnapping Jan van Mersbergen:
    Terwijl het verhaalheden gaat over een tripje van het viertal naar Zuid-Frankrijk, is De laatste ontsnapping voor een groot deel een kaleidoscopische terugblik op de kroegbelevenissen en de wording van Ivan als vader.

     

    thumb.phpMartin Lok over Voor jou van K. Schippers:
    Voor wie nu denkt dat Voor jou louter een melancholische blik is van een verdrietig man; dat is geenszins het geval. Voor jou is ondanks de alomtegenwoordige Dood vooral een ode aan het volle leven. Het is een parade van herinneringen aan jazz, film en kunst. Billy Eckstine, Balthus, Rudy Kousenbroek, John Cage, René Margritte, Johnny Mercer, Édouard Manet en Geer van Velde. Allemaal komen ze bij Schippers langs, steevast in gezelschap van zijn vrienden.

    I. v/d Graaf

     

  • Merijn de Boer daagt de lezer uit

    Merijn de Boer daagt de lezer uit

     In 2011 debuteerde Merijn de Boer met de verhalenbundel Nestvlieders waarvan ondergetekende opmerkte dat het een indrukwekkende bundel was maar qua compositie en uitwerking prematuur. Zijn tweede boek, De nacht is een ingewikkelde maar knap geconstrueerde roman. Met bovendien op elke pagina een voorval of zegswijze die verbazing wekt, spontaan een lach doet losbarsten en bovenal bewondering wekt. Of het nu om een gebeurtenis an sich gaat of de wijze waarop deze beschreven wordt, het is door de bizarre, droogkomische en indrukwekkende verhaalconstructies, dat het  geheel een prachtige roman over buitenstaanders is geworden.

    Marcel, de alwetende verteller van De nacht, heeft een relatie met Lidia, juriste bij een advocatenkantoor, beiden dertigers. Marcel, ooit student psychologie, is naar volle tevredenheid werkeloos maar houdt de schijn op dat hij een baan apprecieert. Het liefst slentert hij door de stad, van lantaarnpaal naar lantaarnpaal, bezoekt boekhandels in alle uithoeken van de stad. Hij is nogal ingenomen met zichzelf en verdraait de waarheid waar dit (volgens hem) gevraagd wordt. Ondertussen houdt hij de schijn op dat hij zich intellectueel scherpt door antieke literatuur te lezen en weet een alcoholverslaving goed te maskeren. Lidia staat doordeweeks om zeven uur op en wanneer ze de deur uit gaat naar haar werk, pakt Marcel van achter het bed een fles drank en neemt zijn eerste slok van de dag waarna hij weer verder slaapt.

    De nacht opent aldus: ‘Ik wachtte op haar voor de deur van het advocatenkantoor. Naast me stonden de twee rolkoffers. Omdat het lunchtijd was, kwamen er voortdurend werknemers langslopen. Ik telde het aantal donkerblauwe dassen en was bij drieëntwintig toen ze naar buiten kwam. Sorry (…), zei Lidia, (…). Sta je hier al lang? Vijf minuten. Ik had er drie kwartier staan wachten.’

    Het is niet ongewoon een situatie beter voor te doen dan het is. Het niet toegeven dat je drie kwartier voor niets hebt staan wachten, zal velen niet vreemd zijn. Maar voor de goede verstaander is duidelijk dat Lidia, ondanks dat ze op het punt staan hun tienjarige relatie te vieren op een tropisch eiland, niet veel waarde meer hecht aan hun relatie. Gaandeweg De nacht geeft Lidia steeds meer te kennen dat ze Marcel wantrouwt; zijn verhalen (terecht) niet meer gelooft. Ze vindt hem een mislukkeling en heeft het eigenlijk wel met hem gehad.

    De dag van hun afreis naar het eiland was voor Marcel uitzonderlijk vroeg begonnen. Nadat Lidia naar haar werk was vertrokken, werd er gebeld:

    Gezwind schoot ik mijn kimono en pantoffels aan, om vervolgens met rechtopstaande haren en de slaap nog in mijn ogen de dakdekker te ontvangen. ‘Persoon’, zei hij en hij stak zijn hand uit. Ik vond het een verwarrende achternaam. Terwijl ik met trillende handen koffie zette, klonk boven mijn hoofd het gestommel van voeten over dakpannen. Een kwartier later zaten we samen, Persoon in een overall en ik nog steeds in mijn kimono, koffie te drinken en over vrouwen en katten te praten. Ik voelde me midden in de maatschappij.

    Je vraagt je af wie een dakdekker laat komen op de dag dat je een vlucht te halen hebt. Het is niet geloofwaardig dat een dakdekker na vijftien minuten op het dak alweer beneden komt voor koffie.
    Maar zo moet De nacht dus niet gelezen worden. De Boer daagt uit mee te bewegen in zijn bizarre vertelling waarin heden en verleden, fantasie en werkelijkheid op onnavolgbare wijze door elkaar lopen en verwijzingen niet altijd direct geduid kunnen worden.

    Ergens staat; ‘Als ik niet een konijn had na te wandelen was ik misschien wel links afgeslagen.’ Je leest het nog eens in de verwachting dat er iets niet klopt aan die zin. Dan moet er teruggebladerd worden op zoek naar het moment waarop dat konijn werd geïntroduceerd. En hoe het in de Lijnbaanssteeg, waar hij op dat moment loopt, is terecht gekomen. Maar dat levert niets op. Het blijkt dat Marcel de gewoonte heeft  op een willekeurige plek op zijn stadsplattegrond een konijn te tekenen, als uitdaging om delen van de stad te doorkruisen. Langs niet gekende wegen, waarbij hij zich niet mag laten afleiden door zaken die zijn aandacht trekken, moet hij het traject lopen dat correspondeert met het op de kaart getekende konijn. En dat is exact wat De Boer met zijn roman doet: hij daagt zijn lezers uit door de complexe verhaallijnen het spoor van Marcel te blijven volgen.

    De verhalen die Marcel, over bijvoorbeeld de vader van Lidia vertelt, zijn fantastisch. Je vraagt je af waar hij ze vandaan heeft, daar de moeder van Lidia het hem niet verteld kan hebben en Lidia zelf er niet van afwist. Hoe Hugo, de vader van Lidia na haar geboorte en naar Brabants gebruik, zich met een stel vrienden vol alcohol liet lopen om op die manier te voorkomen dat je kind op latere leeftijd scheel gaat kijken. ‘Het scheel eraf drinken’ heette dat. En hoe Hugo aan zijn einde kwam. Hij werd uit een kermis attractie gekatapulteerd en overleefde het niet. ‘Het betrof een van de allereerste Polypen ter wereld, behept met kinderziektes die nu eenmaal bij die prille periode van ontwikkeling horen.’ Niet zelden wordt een ernstig voorval afgesloten met een droge opmerking als bovenstaande. Gelijk aan de gesprekken die dagelijks op straat en in trams klinken over de ernstige zaken des levens als geboorte en dood. Gesprekken gelardeerd met nuchtere dooddoeners als: ‘Tja, het leven is geen pretje’, of ‘Het is maar beter zo’.

    In De nacht dient alles het verhaal. Van zijn Landmark assertiviteitstrainingsavontuur met studiegenoot Ruben, tot het genderkind op het eiland in het vervallen café met de toepasselijke naam: L’ENFANT PER U. Waarbij duidelijk moet zijn dat de ‘D’ , uit perdu van de gevel is weggevaagd. De schrijfstijl van De Boer heeft een grote impact op de lezer: het blijft je bij. Denk aan het beeld van de ‘gele halo’ die de onfrisse Balthazar Tak over zijn fysieke toestand beschrijft, (uit het gelijknamige verhaal uit Nestvlieders)  weerzinwekkend maar daardoor onvergetelijk. Of je daar nu zo blij mee moet zijn, is wat anders.

    Zijn personages zijn ofwel een boek aan het lezen, houden er een in de hand of leggen het net terzijde. En voor verschillende personages is in een bepaalde levensfase, een bepaalde schrijver van belang geweest. Schrijvers als: Maarten ’t Hart, Kerouac, Céline, A. Koolhaas en Valérie Larbaud. En het gaat nog verder, de moeder van een vriend doet Marcel denken aan de moeder van Gogol (alsof hij haar gekend heeft) en zijn kat heet Poesjkin.

    Laag voor laag lees je je door het boek heen. Met verwondering over de ongelooflijke hoeveelheid onwaarachtige gebeurtenissen die hij opvoert waarbij de vraag rijst hoe dit tot een acceptabel einde kan worden gebracht. Er worden zaken verdoezeld, een moord gepleegd, vreemd gegaan, ongewenste seksuele handelingen verricht, het houdt niet op. Maar het knappe is dat deze roman, niet verwordt tot een klucht maar eindigt met de ontroerende scène dat de outcasts in het verhaal, Marcel en Zelda de zestienjarige dochter van een opdringerig bankiersechtpaar, zich samen verwijderen van een feest op de golfclub. Niets is opgelost maar zij zijn vrij. Deze roman laat zien dat je je hoe dan ook los kunt maken uit deze dolgedraaide wereld door niet te voldoen aan verwachtingen. Dat De Boer op de laatste bladzijde van het boek, een onverwachte vleug van ontroering voelbaar maakt, bewijst dat hij een zeer goed schrijver is.

     

  • De nieuwe Tirade en twee voorgaande edities hier belicht

    In de laatste drie edities van Tirade zetten dichters en literatuurbeschouwers de toon en schrijft Joop Goudsblom verder aan zijn memoires. De tijdschriften bevatten een fijn aanbod van onlangs gedebuteerde – en debuterende auteurs, vertaalde literatuur en persoonlijke literaire verslagen. Tirade onderscheidt zich wel degelijk door plaats te bieden aan een mengeling van prille en doorgewinterde auteurs die in hun stijl verrassen en aan het denken zetten. 

    De nieuwste Tirade (nr. 443) is een themanummer over de auto in de wereldliteratuur: Het Tirade-autonummer, ‘speciaal gemaakt voor hoedenplank en dashboard’. ‘Hoedenplank’ en ‘dashboard’ roepen nostalgische gevoelens op aan vervlogen tijden. Hoofddeksels worden er tegenwoordig in alle soorten en modellen gedragen maar wie legt nu nog zijn hoed op de hoedenplank sinds het veelkleurige gehaakte hoedje (om de aanwezigheid van de onvergetelijke closetrol te camoufleren), de respect afdwingende hoed van vader of opa daarvan verdreef? Ook die closetrol is inmiddels van zijn plaats verdreven. Ruimte genoeg dus voor Tirade.

    Jeroen van Kan vraagt zich af in Dichters rijden niet, waar de mythe vandaan komt dat dichters niet geschikt zijn voor het autorijden en zo ja, waarom dat zo is. Is het simpel omdat ze dan ongelimiteerd drank tot zich kunnen nemen? Met behulp van een enquête kwam Van Kan tot de hem verbazende conclusie dat de helft van de geënquêteerde dichters wel autorijdt.

    De crash, vier keer is een bijdrage van Menno Hartman. Waarin op tamelijk willekeurige manier, zoals je een mooi veldboeket samenstelt, auto gerelateerde ervaringen uit de wereldliteratuur zijn samengebracht. Waaronder literaire werken als Machines en emoties van Hermans en Kousbroek, (Hermans schrijft over zijn ‘gesneuvelde lieveling’). De door een verkeersongeval omgekomen schrijvers Italo Svevo, Albert Camus en Roland Barthes als ook de eerste verkeersdode in Engeland (1869) vinden een plek in dit boeket aan autoleed op wereldniveau.

    Van Vrouwkje Tuinman het gedicht LiveHammer, dat welhaast voor zichzelf spreekt. In Autogedichten droomt Delphine Lecompte dat ze verkracht wordt op de achterbank van een taxi door een imker. ‘De taxi heeft geen chauffeur / De taxi heeft een dode chauffeur.’ Geheel des Lecomptes is het dat ‘de verkrachting’ leest als stond er bijvoorbeeld ‘ze dronken een kopje thee’.

    De invariant van M.G. Jansen gaat over de ervaringen van een perfectionistische treinreiziger die de tijd en zichzelf volledig onder controle lijkt te hebben. Als hij in een treincoupé zijn overbuurman observeert, corrigeert hij zichzelf direct: ‘Bekijk hem niet te lang, kijk naar buiten, met een hand op je tas.’ Jansen schrijft in een dwingende ritmische stijl die, tussen de observaties door, doen geloven dat de man vrij is, dat hij elk moment uit de trein kan stappen waar hij maar wil. ‘Je wilt iets groters, iets onmogelijks. Je wilt de coupé ontstijgen, boven je lucht zien en niet geleid worden (…).’ Het verhaal toont zich in eerste instantie langdradig, je denkt, ‘laat die man uitstappen, zijn vrijheid vinden’. Maar dan, de titel De Invariant indachtig is het duidelijk. Deze man zal nooit veranderen. Een knap beklemmend verhaal.

    In een bijdrage van Geerten Meijsing Eerste rit heeft hij het over zijn relatie met zijn onlangs overleden zus, Doeschka Meijsing. Herinneringen aan zijn kinder- en jeugdjaren die hij begint met: ‘Ter begrafenis van mijn onlosmakelijke zuster was mij door de familie een spreekverbod opgelegd, (…).’ Geerten Meijsing deelt beslist geen pluimen uit en leeft, zoals hij zelf zegt, geheel afzijdig van de Nederlandse literatuur. Eerste rit is een eigenzinnige en daardoor ontroerende hommage aan Doeschka Meijsing.

    Van Tsead Bruinja het gedicht Fennema. Een gedicht, waar achter de ogenschijnlijk simpele strofen, weemoed en wraak op de loer liggen.
    ‘fennema had een zuur hoofd en met dat hoofd / en dat wijf zou hij in ons huis wonen / (…) / fennema had twee zonen ze keken / gemeen uit hun ogen maar niet zo zuur als hun vader /op mijn slaapkamer lachtte de ene me uit / hier zal ik me wel vermaken / maar ik geloof niet dat hij uren door het raam / de weilanden over vloog of brood met aardbeien/ en suiker in de tuin opat’
    De weemoed om het huis van de jeugd, met al zijn toekomstverwachtingen, dat verlaten werd, zal nooit slijten. De dichter wil er naar terug, de sterfelijkheid trotserend.
    ‘(…) maar moeder is allang dood / en het huis staat er nog / als ik dood ben zoek ik haar op / gaan we samen terug / jagen we fennema er uit’

    Meer poëzie van Sylvia Hubers, Gerard van Hameren, Kreek Daey Ouwens en proza van Thomas Heerma van Voss, de Schotse schrijver Norman Douglas (1935). Herinneringen aan het kopen van een Dinky Toys van Joop Goudsblom en Joris van Casteren schreef een reisverslag Het glas van Casanova. Met zijn vierjarige dochtertje reisde hij naar het graafschap Suffolk om daar de locaties uit De ringen van saturnus van de schrijver W.G. Sebald (die overigens in 2001 bij een auto ongeluk om het leven kwam), te gaan bekijken. Per fiets reisde Van Casteren door het graafschap en schreef er een mooi verslag over.

    In Kroniek van de roman onderwerpt Carel Peeters de nieuwe roman van Gerrit Komrij De loopjongen aan een diepgaander onderzoek onderwerpt dan de meeste recensenten deden (die het vooral een ‘echte’ Komrij vinden) en noemt Komrij liefkozend een ‘scheppende schizo’ zoals W.F. Hermans een ‘scheppende nihilist’ was.

    In Tirade – 442 – (Februari 2012) proza van Gilles van der Loo. Dag, Bert over een prettig gestoorde oudere vrouw die zich onweerstaanbaar  gedraagt in een smoezelige echtscheidingsprocedure. Van Daan Heerma van Voss het verhaal Veldkinderen, een ontmoeting tussen twee vrienden. Heerma van Voss heeft een indringengde en bewegende stijl: ‘Rennende kinderen trekken onze blikken mee, (…) Onwillekeurig lacht hij even, mijn vriend. Dan, alsof betrapt, staat hij op om koffie te halen.’ Mooie beschrijving van twee mensen die elkaar alles al gezegd hebben.

    Esther Naomi Perquin componeerde Boekarest, een éénpersoons reisadvies. Perquin is in eerste instantie dichteres en dat is terug te vinden in haar proza. In korte hoofdstukken, waarin ze afstand neemt tot de gebeurtenissen, beschrijft ze haar verblijf in Roemenië. Zinnen als: ‘Kom er aan op een doordeweekse dag.’ of ‘Dat het toeteren dat je hier hoort een andere betekenis heeft dan thuis.’ en ‘Er is een lunch waarbij je aan twee Roemeense schrijvers zult worden voorgesteld.’ geven een gecomprimeerd beeld van Perquins waarneming. Fijne literatuur die zich graag opnieuw laat lezen.

    Willem Otterspeer werkt aan een biografie over W.F. Hermans waarbij hij een correspondentie tegenkwam tussen Hermans en Jan Emmens die ooit een essay over Hermans schreef dat om een of andere reden publicatie steeds misliep. Volgens Otterspeer ‘(…) een van de beste essays ooit over Hermans geschreven.’

    Verder een verhandeling van W.I.M. van Calcar over Vrijheid van meningsuiting in historisch en taalkundig perspectief, schreef Arnold Heumakers een goed stuk over De verthrillering van de literatuur aan de hand van Bonita Avenue en Merijn de Boer de bijdrage De bril van Campert. Het debuutverhaal van Isaac Babel De oude Sjloime werd vertaald door Froukje Slofstra. Een sfeervol wintersprookje Victor Halfnar van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) en proza van Sander Kollaard.

    Gedichten zijn er van Hans Mirck, Mees Hartog, Tjarda Eskes, Anton Korteweg, Adrienne Rich, Linda Greg, Adam Clay en Richard Sikken, de laatste vier in een vertaling van Lieke Marsman. En is Carel Peeters in Kroniek van een roman vol lof over de roman Grip van Stephan Enter.

    In Tirade – 441 – (december 2011) een bijdrage van socioloog Joop Goudsblom (1932). Zijn memoires startte hij in Tirade nr. 429 (2009) en zet hij voort in dit nummer. Een beter podium voor de (voorpublicaties?) van de memoires van Goudsblom (1932) kan men niet bedenken. Goudsblom was ooit (1957) medeoprichter en kwam met de naam ‘Tirade’. In een portretinterview in de Groene Amsterdammer (2-02-2012) sprak Goudsblom onder andere over zijn memoires en dat het een moeilijk genre is. Ze moeten goed geschreven zijn, geen woord teveel bevatten en je moet geloven in wat er aan herinneringen is bij gebleven. ‘(…) ik geloof er ook echt in. Zo moet het gegaan zijn. Ik durf mijn hand ervoor in het vuur te steken’, aldus Goudsblom over zijn memoires. Scholier in oorlogsrijd (memoires, deel II) is een sobere weergave van herinneringen die, doordat ze dus goed opgeschreven zijn, niet anders gebeurd kunnen zijn. Het is zoals het was en niet anders. Goudsblom wil met deze memoires geen tijdsbeeld schetsen, dat dit toch gebeurt komt door het zodanig componeren van de herinneringen dat de tijd waarin het speelt, als een soort couleur locale vanzelf verschijnt. ‘(…) zoals op een oud familiefilmpje, opgenomen om het gedrag van kinderen vast te leggen, onbedoeld nog te zien is hoe de tuin er toen bijstond.’ Mooi is dat.

    Merijn de Boer reisde In het kielzog van Albert Helman door het Surinaamse binnenland. In zes weken voer de schrijver Helman in een uitgeholde boomstam en met drieëndertig man personeel over de Surinaamse rivieren. De Boer en zijn familie passen zich aan de tijdgeest aan en reizen met twee bootsmannen en twee gidsen.

    Verder een in memoriam in briefvorm van de hand van Jeroen van Kan aan de vorig jaar overleden literatuur- en toneelwetenschapper Hans van den Bergh (1932-2011). Debuteert Sebastiene Postma met de twee proza gedichten; Hulp II en De Jakobsladder. En verhalen van Julien Ignacio, Edith Wharton, Victor Frölke, Michiel Heijungs en Marijke Schemer. Meer poëzie van Jan Kruizinga, Hedwig Selles en Nicky Theunissen.

    Carel Peeters schreef in zijn Kroniek een verhandeling over de rol van de grootvader als beschermheer in de werken van Jeroen Brouwers aan de hand van Bittere bloemen.

    Uitgever Wouter van Oorschot plaatste een ‘kadertje’ in deze editie. Hiermee een initiatief van zijn vader, Geert van Oorschot volgend waarin hij jaarlijks lezers opriep nieuwe abonnees te werven en wanbetalers verzocht hun achterstallige betalingen te voldoen. De huidige uitgever, achtte het tijd voor een kadertje nu het voortbestaan van Tirade afhangt van ‘kapitaalkrachtige abonnees met een onbedwingbare mecenaatwens’. Welnu, die mogen zich, wat Van Oorschot betreft, laten gelden om het voortbestaan van Tirade te waarborgen.

    Welke auteur in welke editie precies publiceert, is na te zien op de site van Tirade. Een site die er nogal stilletjes uitziet maar waar maandelijks een auteur resideert die bijna dagelijks een blog schrijft. In het verleden waren dit o.a. Maartje Wortel, Jan van Mersbergen en Menno Wigman. Op dit moment is Sander Kollaard de Tirade blogger. Kollaard woont in Zweden en debuteerde onlangs met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde bij Van Oorschot. Lees zijn blogs en speciaal de bijdrage van 2 juni, het kan wat teweeg brengen, zo’n blog.

     

    Lees en bestel hier:

    Tirade 443 – mei 2012
    Tirade 442 – februari 2012
    Tirade 441 – december 2011
    Onder redactie van: Ester Naomi Perquin, Merijn de Boer, Menno Hartman en Jeroen van Kan
    Uitgeverij Van Oorschot

    Verschijnt vijf maal per jaar. € 12,50 losse nummers € 40,00 abonnement (vijf nummers) € 34,00 voor studenten en CJP-houders