• Leven en werk van Wigman in prachtig vormgegeven boek

    Leven en werk van Wigman in prachtig vormgegeven boek

    Op een of andere manier is in het huis van de literaire historie altijd plaats voor de gedoemde dichter. Tijdens zijn leven verguisd, bespot, gemeden of in elk geval niet goed begrepen. En na zijn dood juist herkend als kwartiermaker en wegbereider. In Nederland was Slauerhoff er zo een. Het ultieme specimen is de Franse 19de eeuwse dichter Charles Baudelaire. Ten slotte ook maar de schrijver van één werkelijke bundel, maar wat voor een: Les fleurs du mal (1857) groeide uit tot een van de meest invloedrijke gedichtenbundels ooit. 

    Menno Wigman voelde zich sterk verwant aan Baudelaire. Al op 21-jarige leeftijd vertaalde Wigman gedichten van Baudelaire en publiceerde deze in eigen beheer, onder het halfpseudoniem Menno Wichman, met c h, waarmee hij een saluut bracht aan die ándere Nederlandse zeer onburgerlijke poète maudit: Erich Wichman(n), die leefde van 1890-1929. Menno Wigman overleed in 2018, slechts eenenvijftig jaar oud. Aan zijn dichterschap is nu (vijf jaar na zijn ontijdige dood) een ondanks alles, bijzonder feestelijk lees- en kijkboek gewijd.

    In een tiental hoofdstukken wordt Wigman’s leven en werk van verschillende kanten belicht. Sommige van die hoofdstukken zijn in principe ‘tekstloos’, d.w.z. er is genoeg te lezen maar het betreft vooral afbeeldingen van schrijvers en boeken die Wigman hebben geïnspireerd, vaak knipsels, handschriften, plakboeken en ander geknutsel uit de nalatenschap van de dichter zelf. Andere meer beschouwende hoofdstukken zijn van de hand van vriendin van Wigman en vertaalster Kiki Coumans, en de dichters Rob Schouten, Willem Thies en Vrouwkje Tuinman. 

    Op 16-jarige leeftijd maakte Wigman in eigen beheer zijn eerste poëziebundel, hij gaf een eigen tijdschrift uit (‘Nachtschade’) … alles getuigde van ‘het vuur van zijn ambitie’. En ook voor het overige komt het allemaal voorbij: drummen in een punkbandje, de telkens weer veel te tijdelijke troost van seks, verlangen naar Parijs, spleen, dwepen met vergankelijkheid en dood. Juist in de context van dit laatste manifesteerde Wigman zich – zeer toepasselijk – als een der initiatiefnemers van het fenomeen ’eenzame uitvaart’.  

    Pièce de resistance is het slot van het boek, dat een inventaris behelst van Wigman’s bibliotheek. Het gebruikte lettertype is helaas te klein om makkelijk te kunnen lezen; ongetwijfeld is hiervoor gekozen met het oog op de nodige ruimtebesparing, en met een vergrootglas is het leesbaar. Aldus is men erin geslaagd om op zestien bladzijden ruim 3.200 titels op te sommen van boeken die bij Wigman in de kast stonden. Een prachtige lijst met – wie zal het verbazen – heel veel poëzie. Van Achmatova tot Yeats en van Achterberg tot Tuinman. En heel veel Baudelaire. 

    Het is ongerijmd dat een boek over een helaas te jong gestorven dichter, die zelf bezeten was van dood en vergankelijkheid, zoveel enthousiasme weet los te maken. Want dat doet het. Voor de makers van dit boek, van wie zeker ook vormgever Huug Schipper moet worden genoemd, voor dichter Menno Wigman en voor de poëzie zelf. Bron van schoonheid, inspiratie en troost. 



  • ‘Mooie dingen, allemaal mooie dingen’

    ‘Mooie dingen, allemaal mooie dingen’

    Wat wil je na je eigen dood? Herinnerd worden of niet? Een plek op aarde, in het hiernamaals? Ik weet het niet. Voor het eerst in mijn leven moest ik dagenlang denken aan een dode in zijn graf. Menno Wigman stierf veel te vroeg en bij zijn teraardebestelling mochten intimi, vrienden en aanwezigen een schep zand op de kist gooien. De plof van het zand op de kist deed mij huiveren. Ik ben weggelopen, kon er niet aan meedoen. Een dode begraven. Het was voor mij de eerste keer op Zorgvlied, de beroemde begraafplaats langs de Amstel, net buiten Amsterdam. Het liefst blijf ik ver weg van afscheidsrituelen. De laatste jaren stierven nogal wat bekenden, mannen van rond de 50 jaar. Zelfmoord of het leven van de bohémien verhinderden het tweede deel van het leven. Een vriend vertelde me de namen van dichters, schrijvers, uitgevers, kunstenaars die er liggen. De begraafplaats bleef een begraafplaats. Doden blijven doden en komen tot ons in onze gedachten.

    Menno heeft zijn plek zeer verdiend met schitterende gedichten. Vanaf zijn eerste bundel heb ik hem gelezen, hij droeg ook wel eens voor in onze winkel in de Hartenstraat begin 2000. Dat was na zijn tweede bundel, Zwart als kaviaar. Onlangs kocht ik bij de onvolprezen bibliofiele boekwinkel Minotaurus een prachtige uitgave van Wigmans poëzie. Drie gedichten zonder weerbeschrijving uitgegeven in 2016 door Hinderickx & Winderickx in een oplage van 65 genummerde exemplaren. Het is de opmaat tot zijn laatste dichtbundel Slordig met geluk. Een donkere bundel – ‘Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?’, maar aan het eind schreef hij toch een lichter gedicht die, zoals de dichter Pieter Boskma op Wigmans begrafenis memoreerde, wellicht de opmaat was geweest naar een minder duister levensgevoel:

    Mooie dingen, allemaal mooie dingen: je hand die voor het eerst een kattenvacht streelt, je moeder die bezorgd je knie verbindt, zes moegedraafde paarden in de zon, het onweer waar augustus mee begon, Diana’s hand die naar je broek afgleed, haar lichaam waar je blind de weg in vond, de kleur van een kwatrijn van J.C. Bloem, Nick Cave die dwars door Paradiso zong, een woord als moerbei, huisraad, ravelijn, de vondst van een nog net niet schurftig rijm:- mooie dingen, allemaal mooie dingen, zoals de treinen waarop ik gezoend heb, het zachte golven van een dranklokaal, een meisjeskamer die naar adel geurt, het wonder dat geen dag zich ooit herhaalt, o mooie dingen en mijn mond benoemt het voor ik me met het domme zwart verzoend heb.

    Het gedicht is getiteld Oneindig wakker. Laten wij leven om te blijven lezen, de poëzie verdient dat, wij verdienen de poëzie.

     


    Stefan Ruiters  begon ooit zijn eigen tweedehands boekhandel, JOOT (Just Out Of Time). Eerst in de Amsterdamse binnenstad, vanaf 2014 als webshop. Boeken inkopen is voor hem een van de fascinerendste facetten van het boekenvak. Hij schrijft over dingen in de literatuur en de kunst die hem raken.

  • In memoriam Menno Wigman 1966-2018

    Een leven in dienst van de poëzie

    Een groot Nederlands dichter is gestorven. Het werd donderdag 1 februari op elk heel uur door de ‘Radio Nieuwsdienst van het ANP’ omgeroepen. Men stond stil en was geschokt bij het verscheiden van een dichter die niet veel publiceerde maar wat er van hem werd uitgegeven, was van grote klasse. Er ontbreekt in de Nederlandse poëzie plots een schakel, een tegenwicht, een klankbord. Aan de vooravond van Wigmans overlijden werd bekend gemaakt dat zijn laatste bundel Slordig met geluk, genomineerd is voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs.

    Menno Wigman, klassiek dichter met een onnavolgbare manier van formuleren, overleed donderdagochtend op 51-jarige leeftijd in het VU ziekenhuis te Amsterdam. Hij werd in slaap gehouden, zo vertelde zijn vriend de dichter F. Starik op Radio 1. Sinds 2014 rommelde het met zijn gezondheid, waarvan zijn laatste bundel, Slordig met geluk een weerslag is.

    Het leven van Wigman stond in het teken van de poëzie, zozeer dat hij geen tijd leek te hebben zich om iets anders te bekommeren. Hij trad op jonge leeftijd in de voetsporen van klassieke dichters als Rilke en Baudelaire – in tegenstelling tot zijn generatiegenoten die nieuwe dichtvormen ontwikkelden. Zijn gedichten waren metrisch, bevatten een sterk ritme en veel rijm. De thematiek in zijn werk was altijd: jeugd, dood, liefde, aftakeling en verval.

    Wigman was een goed voordrachtkunstenaar. Hij stond verschillende malen bij De Nacht van de Poëzie en werd voor Het Tuinfeest in Deventer de laatste vijf jaar, jaarlijks uitgenodigd. Een eer die voorheen alleen Gerrit Komrij ten deel viel.

    Hij debuteerde in 1997 met ’s Zomers stinken alle steden. In ruim twintig jaar publiceerde hij zes bundels waarvoor hij twintig jaar lang ’s nachts schreef. Naast zijn eigen bundels, waaruit een bloemlezing verscheen onder de modern-klassieke titel De droefenis van copyrettes (2009), publiceerde Wigman vertalingen van Baudelaire, Else Lasker-Schüler, Rilke, De Nerval en Leopold Andrian.
    Tweemaal werd zijn dichtkunst bekroond. Voor Zwart als kaviaar (2001) kreeg hij de Jan Campertprijs, en in 2015 werd hem de A. Roland Holst-penning toegekend.

    Van 2012 tot 2014 was Wigman stadsdichter van Amsterdam en moest als ambassadeur overal opdraven. Zelf zei hij daarover, (in een interview met John Schoorl V.K. 2016) dat het een te zware periode was, hij belandde met een hartkwaal op de intensive care, waarover hij zou berichten in Slordig met geluk.

    In 2014 was er het besef dat hij iets met zijn leven – anders dan het ten dienste stellen van de poëzie – moest doen. In 2011 publiceerde Jozef Deleu van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Laatste taxi’ van Wigmans:

    Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode.
    Ik telde doden, steeds meer doden, en ik dacht
    aan drank, aan drugs, aan de millenniumnacht
    en rook. En deze eeuw? Muziek en inzicht, veel
    verheffing. Google, woede, oorlog, mist.

    Er heerst een rookverbod maar niemand kijkt nog fris.
    Letterlijk niks houdt onze weerzin in bedwang.
    In chatrooms straalt een teder licht. Er is het recht
    op geld, op seks, op zwachtels voor de hersenstam,
    noem het ontdaan van een Betekenis – en dan.

    Ik heb een jeugd gehad. Het is de laatste nacht
    van weer een jaar, ik leefde stil en kwam tot niets
    en zit nu in een taxi, buiten hoor ik schreeuwen,
    mensen die vuurpijlen afsteken, elkaar
    beroemde kussen geven. Ik kijk. Ik zie. Zal leven.

     

    Menno Wigman publiceerde:
    s Zomers stinken alle steden Prometheus, Amsterdam, 1997
    Zwart als kaviaar, Prometheus, Amsterdam, 2001
    Dit is mijn dag, Prometheus, Amsterdam, 2004
    De droefenis van de copyrettes, (bloemlezing) Prometheus, Amsterdam, 2009
    Mijn naam is legioen, Prometheus, Amsterdam, 2012
    Slordig met geluk, Prometheus, Amsterdam, 2016.

    Zijn werk werd vertaald in het Duits, Engels en Frans.

    Nagekomen bericht:
    Zaterdag 17 maart ontving Menno Wigman postuum de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2018 voor zijn dichtbundel Slordig met geluk, waarvoor hij tijdens zijn leven genomineerd was.

    De jury van de Ida Gerhardt Poëzieprijs bestond dit jaar uit Kunststof-presentator en journalist Petra Possel en Volkskrant-recensent Arjan Peters. Zij beschreven Slordig met geluk als de culminatie van Wigmans oeuvre, een oeuvre waarin hij altijd de ‘gure schoonheid’ heeft bezongen, ‘een dichtersleven lang, consequent, mooi en melancholisch en altijd flirtend met de dood’. In de bundel, zo stelde de jury, ‘is guur meer dan guur en is schoon meer dan schoon’. Zodoende noemen zij het Wigmans ‘beste bundel ooit, zijn zwanenzang’.

    Het bijbehorende prijzengeld zal gebruikt worden voor een gedichtenbundel die hij maakte voor Stichting De Eenzame Uitvaart. Hij droeg deze gedichten voor tijdens de uitvaarten van mensen die zonder nabestaanden ten grave werden gedragen.

     

     

  • Opnamen literair praatprogramma 'Letteren &tcetera'

    Agenda

    Twee edities van de maandelijkse literaire talkshow Letteren &cetera worden op donderdag 23 januari opgenomen. Per editie interviewt Kenneth van Zijl drie schrijvers en/of vertalers over hun jongste boek, dat op enigerlei wijze door het Fonds is ondersteund. De opnamen zijn gratis bij te wonen.

    In de eerste editie praat Kenneth van Zijl met dichteres en beeldend kunstenaar Annemieke Gerrist over haar tweede dichtbundel Het volume van een logé, (verschijnt deze  maand bij De Bezige Bij): met dichter en vertaler Menno Wigman (1966) over zijn recente en voor de VSB Poëzieprijs 2014 genomineerde bundel Mijn naam is Legioen (Prometheus) en dichter en columniste Ester Naomi Perquin (1980) over haar met de VSB Poëzieprijs 2013 bekroonde bundel Celinspecties (Van Oorschot).
    De opname van dit programma vindt plaats om 17.00, inloop vanaf 16.30.

    In de tweede editie spreekt Kenneth van Zijl met Jan van Mersbergen over zijn nieuwe roman De laatste ontsnapping (verschijnt in februari bij Cossee), vertaler Rob van der Veer over de Zuid-Afrikaanse roman Kroniek van Perdepoort (1975) van Anna Louw die onlangs door hem voor het eerst in het Nederlands is vertaald (Van Oorschot) en reisverhalenschrijfster Carolijn Visser over haar met de Bob den Uylprijs bekroonde boek Argentijnse avonden. Van de Zwart Janstraat naar de pampa (Atlas Contact).
    De opname van dit programma vindt plaats om 19.30, inloop vanaf 19.00.

    Leterren &tcetera
    Bibliotheek van het Nederlands Letterenfonds
    Nieuwe Prinsengracht 89, Amsterdam.

    Toegang gratis, reserveren is verplicht via letterenetcetera.nl.
    Na aanvang van de opname is er geen toegang meer mogelijk.
    De programma’s zijn onder meer online te bekijken via Cultura24.

  • Boekencafé in debat met verschillende auteurs, thema: 'De zeven hoofdzonden'

     Agenda

    De laatste vijf dagen van januari staan in het Boekencafé in het teken van De zeven hoofdzonden. Het Boekencafé is nieuw in Amsterdam: een week lang, van maandag 27 t/m vrijdag 31 januari, vanaf 17.00 uur gesprekken met schrijvers. Vijf achtereenvolgende avonden waarop gedebatteerd zal worden tussen een bekende auteur en evenzo bekende interviewer over De zeven hoofdzonden. Toegang is gratis, iedereen is welkom.

    Het Boekencafé opent maandag 27 januari met een verrassend herengesprek tussen Jan Siebelink en John Jansen van Galen.

    Waarna de volgende auteurs met de daarbij behorende thema’s aanwezig zullen:
    Di. 28 januari: Poëzie en beeldende kunst verenigd in een boek / Anton de Goede in gesprek met Menno Wigman en Diana Scherer.
    Wo.29 januari: Het succes van culinaire boeken / Yvette van Boven in gesprek met Harold Hamersma en Janneke Vreugdenhil.
    Do. 30 januari: Caraïbische letteren / Michiel van Kempen in gesprek met Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders.
    Vr. 31 januari: Ode aan Bernlef, schrijver en jazzliefhebber. Met live muziek en Bernlefs teksten over jazzmuziek.

    Tijd: elke dag vanaf 17.00 uur inloop, 17.30 uur start gesprek
    Na afloop tijd voor een borrel (18.45 uur).
    Adres: Amsterdamse Academische Club,
    Oudezijds Achterburgwal 235, Amsterdam.
    Graag aanmelden via aac.uva.nl/agenda

    Boekencafé is een nieuw begrip in Amsterdam en een initiatief van Boekface. Programmering is in handen van Vera de Kort. Zie ook boekface.

     

  • Ester Naomi Perquin wint met 'Celinspecties' de VSB Poëzieprijs 2013

    door Ingrid van der Graaf

    De bundel Celinspecties van de dichter Ester Naomi Perquin werd door de jury van de VSB Poeziëprijs verkozen tot de beste dichtbundel van het afgelopen jaar.

    Ester Naomi  Perquin (1980) genoot grote bekendheid  in betrekkelijk kleine kring. Daar maakte het winnen van de VSB Poëzieprijs een einde aan. Vanaf nu zal men in heel het Nederlandstalig gebied weten wie Ester Naomi Perquin is, en dat werd tijd ook.

    De jury van de VSB Poëzieprijs  verkoos Perquin boven H.H. ter Balkt, Sybren Polet, Menno Wigman en Luuk Gruwez te plaatsen. En was meer dan te spreken over de ‘verraderlijk luchtige toon en de onvoorspelbare wendingen waarmee Perquin een gelaagde ruimte in haar bundel schept.’ Men roemde haar taalgebruik: ‘soms soepel als spreektaal, dan weer geraffineerd en virtuoos. De dichter neemt de lezer aan de hand en laat hem net zo gemakkelijk struikelen, wanneer haar woorden dat nodig hebben.’

    De jury was verder van mening dat: ‘Als de dichter al een taak heeft, laat het dan die zijn die Perquin zich heeft opgelegd: het zichtbaar maken van wat obscuur en meestal verborgen blijft. (…) In het geval van Celinspecties levert het een bundel op van noodzaak, verlangen en schitterend mislukken.’

    Sinds 2007 publiceerde Perquin drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen. Haar werk wordt nogal eens beoordeeld als verontrustend. Als dichter heeft ze een scherp gevoel voor het alledaagse waaruit, wanneer zij haar poëzie erop richt, bevreemdende en schokkende voorstellingen ontstaan. In Perquins bundel Celinspecties zijn de duistere kanten van het leven op zijn scherpst verdicht. Wekelijks schrijft zij voor de Groene Amsterdammer een column waarin zich dezelfde, soms ontluisterende, ontrafeling van alledaagse gebeurtenissen voltrekt als in haar gedichten.

    Juryleden Maria Barnas, Geert Buelens, Patrick Lateur, Anthonya Visser en Saskia J. Stuiveling selecteerden in november 2012 de vijf genomineerden uit vijfenzeventig ingezonden bundels die allen tussen 1 september 2011 en 31 augustus 2012 verschenen.
    Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden.

    Uit alle ingezonden bundels koos juryvoorzitter Saskia J. Stuiveling haar 100 favoriete gedichten voor de bloemlezing De 100 beste gedichten VSB Poëzieprijs 2013. De uitgave van De Arbeiderspers en Stichting VSB Poëzieprijs werd tijdens de uitreiking gepresenteerd.

     

     

  • Mijn naam is Legioen – Menno Wigman

    Mijn naam is Legioen – Menno Wigman

    Gesignaleerd door de redactie:

    Mijn naam is Legioen is Menno Wigmans eerste dichtbundel sinds zes jaar. ‘Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode’, dicht Wigman in zijn nieuwe bundel. De dandy van de desillusie, zoals een criticus hem ooit noemde, kijkt terug op de eerste tien jaar van de eenentwintigste eeuw en doet dat in vastberaden, aangrijpende en soms ronduit pijnlijke gedichten.

    Of Wigman nu over chatrooms, porno, tuincentra, massavaccinaties of jeugdvandalisme schrijft, steeds is zijn toon die van een klassieke dichter en maken zijn gedichten de indruk er altijd al te zijn geweest. Zoals Guus Middag in nrc Handelsblad schreef: ‘Wigman wil als een van de weinigen niet behagen. Hij gaat zijn eigen gang. (…) Hij spreekt voor zichzelf, maar ook meteen voor iedereen – dat is het bijzondere.’

    Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist. Voor hij in 1997 met ‘s Zomers stinken alle steden debuteerde, gaf hij in 1984 zijn eerste bundel Zaad en as in eigen
    beheer uit. Zijn dichtwerk wordt gewaardeerd om het muzikale ritme en schijnbare eenvoud waarmee ze geschreven zijn. Voor zijn tweede bundel Zwart als kaviaar (2001) ontving hij in 2002 de Jan Campert-prijs. Naast dichter is Wigman vertaler (van o.a. Baudelaire’s  De bloemen van het kwaad) en redacteur van het poëzietijdschrift Awater en Meulenhoffs dagkalender van de poëzie. Hieronder een gedicht uit de bundel De droefenis van copyrettes. Een keuze uit eigen werk (2009) van Menno Wigman.

    Levensloop
    Voor bijna alles heb ik mij geschaamd.
    Mijn nek, mijn haar, mijn handschrift en mijn naam,

    de schooltas die ik van mijn moeder kreeg,
    mijn vader die zich in een blazer hees,

    het huis waar ik voor vriendschap heb bedankt.
    Maar nu mijn vader aan vijf slangen hangt,

    zijn mond steeds heser over afscheid spreekt,
    nu hurkt mijn schaamte in een hoek. Hij stierf

    zoals hij in zijn Opel reed: beheerst,
    correct, zijn ogen dapper op de weg.

    Geen zin in dom geworstel met de dood.
    Hoe alles wat ik nog te zeggen had

    onder de wielen van de tijd wegstoof.

     

    Op 26 januari 2012 draagt Menno Wigman zijn gedichten voor in het Huis van Poëzie. En op wo. 11 januari  sprak Jeroen van Kan met Menno Wigman over zijn nieuwe bundel. programma.vpro.nl/deavonden/Dossiers/Boeken.html?

     

     

  • Alleen in mijn gedichten kan ik wonen – Menno Wigman en Rob Schouten

    Gesignaleerd door de redactie:

    Evergreens in de poëzie blijken niet van alle tijden te zijn. De jongste generatie dichters leveren werk dat bijblijft en van de vorige generatie dichters blijkt dat gedichten hun werk gedaan hebben. Wat doe je daar mee?

    In dit beweeglijke landschap van de poëzie hebben Menno Wigman en Rob Schouten de canon opnieuw tegen het licht gehouden, met oog voor traditie, maar vooral met oog voor het nieuwe. En zo komt men in Alleen in mijn gedichten kan ik wonen het repertoire tegen van Marsmans ‘Herinnering aan Holland’ en J.C. Bloems ‘De Dapperstraat’, maar ook de meest gelezen en geciteerde verzen van relatief nieuwe dichters als K. Michel, Tonnus Oosterhoff en Esther Jansma, die hier hun eerste sporen in de canon van onze tijd nalaten.
    Alleen in mijn gedichten kan ik wonen is een overzicht van het mooiste wat de Nederlandse poëzie te bieden heeft, zowel voor poëziekenners als voor hen die nog nooit eerder een gedicht lazen.

    Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist. Rob Schouten (1954) is dichter, literatuurcriticus en columnist van o.a. Dagblad Trouw. Eerder stelden ze de veelgelezen bloemlezingen A Thing of Beauty en Tell Me the Truth about Love samen.

     

    Allen in mijn gedichten kan ik wonen

    Menno Wigman en Rob Schouten
    Blz: 312
    Prijs: € 15.00
    Uitgeverij Prometheus

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00

     

     

  • Menno Wigman

    Menno Wigman (10 oktober 1966, Beverwijk) groeide op in Santport en verhuisde naar Amsterdam om daar Nederlandse taal en letterkunde te studeren aan de Vrije Universiteit. Vanaf 1984 gaat hij zich profileren als dichter: hij publiceert in eigen beheer de dichtbundel Van zaad tot as en heeft zijn eerste optredens als dichter. Pas 13 jaar later debuteert hij in het officiële circuit met de bundel ’s Zomers stinken alle steden, een jaar eerder was zijn vertaling van Bloemen van het kwaad van Baudelaire verschenen. De bundel ’s Zomers stinken alle steden werd door de critici unaniem goed ontvangen en er verscheen al snel een tweede druk. In 2001 ontving Wigman voor zijn tweede bundel, Zwart als kaviaar, de Jan Campertprijs en werd hij genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs. Drie jaar later, in oktober 2004 verscheen zijn derde bundel, Dit is mijn dag. Dit jaar schreef Wigman het gedichtendagbundeltje De wereld bij avond.

    Menno Wigman wordt gezien als een exponent van de jonge, nieuw romantiek. Beïnvloed door de  decadente dichters van het fin de siècle zijn zijn gedichten  doorspekt met melancholie, muziek en liefde. Niet alleen de kritiek is zeer enthousiast over de kwaliteiten van Wigman, ook mededichters laten zich regelmatig zeer  positief over hem uit. Zo noemde Ingmar Heytze Wigman in Passionate ‘de beste dichter van onze generatie’ en Komrij nam in de 2004-editie van zijn bloemlezing uit de Nederlandse poëzie zeven gedichten van Menno Wigman op.

    Over het algemeen prijst men zijn dichttechniek en zijn grote kennis van zaken. Arie van den Berg over het gedicht ‘Onder de tandarts’ (uit Zwart als kaviaar): ‘Het ritme lijkt op de voet geteld, er is voortdurend een suggestie van rijm (maar een schema ontbreekt), de enjambementen zijn gedurfd maar onderbreken nergens de parlando toonzetting. Het eerste couplet eindigt in een fraaie aanzet tot een Homerische vergelijking die in de eerste regel na het wit al gesmoord wordt in het contrabeeld van het tandheelkundig werk. En dan zwijgen we nog over de inhoud. Dit is een superieur gedicht’.

    Een bibliografie van het werk van Wigman, zijn eigen bundels en vertalingen is hier te vinden.

    Bron: www.kb.nl/dichters
    Donderdag 2 maart is Menno Wigman te gast in VADEM, een initiatief van de jonge dichters Jan-Willem Anker, Tsead Bruinja en Thomas Möhlmann. In wisselende rolverdeling nemen zij de presentatie en uitvoering van de avonden voor hun rekening. VADEM wil tegemoet komen aan de belangstelling voor goed geïnformeerde en inhoudelijke gesprekken met hedendaagse dichters.

    Bezoek de site van Menno Wigman.

     

    Locatie: Café De Doffer, Runstraat 12-14, Amsterdam
    Aanvang: 20.00 uur
    Toegang: gratis, maar uitsluitend na aanmelding op
    info athenaeum.nl.

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman