• ‘Zelfbehoud is alleen in eenzaamheid’

    ‘Zelfbehoud is alleen in eenzaamheid’

    De dichter Jan Jacob Slauerhoff stierf in 1936, maar zijn werk en persoon blijven onverminderd populair. In de afgelopen jaren verschenen nieuwe edities van zowel zijn Verzameld Proza als zijn Verzamelde Gedichten, en onlangs verscheen bij Nijgh & Van Ditmar Logboek Slauerhoff, Dagboeken & Reisverslagen, samengesteld door Hein Aalders en Menno Voskuil in een zeer fraaie uitgave. De populariteit van Slauerhoff ligt natuurlijk naast de kwaliteit van zijn werk in de thematiek van de eeuwige reiziger, de scheepsarts die de wereldzeeën bevoer en verre continenten aandeed zonder ooit rust te vinden. Uit alle documenten blijkt de rusteloze geest van Slauerhoff.

    Rusteloze reiziger

    Als hij op zee was verlangde hij vaak naar de wal, maar zodra hij aan wal was wilde hij weer weg de zee op. Het is opvallend hoe vaak hij een nieuwe plaats teleurstellend vindt. Bijna altijd wil hij weer verder. Nergens voel ik mij zo levend als op zee, zo zegt hij in 1922 in een brief aan schrijver en dichter Roel Houwink. Het leven als scheepsarts bleek echter ook niet zijn ultieme droom, maar verschillende pogingen het op het vasteland te proberen mislukten eveneens. Toen hij eindelijk had besloten dat hij een beschikbare baan als assistent bij een kliniek in Rotterdam toch wel wilde, was de positie al vergeven. Een poging zich te vestigen als huisarts in Marokko liep uiteindelijk op een teleurstelling uit. Gelukkig bood het schrijven hem altijd weer troost, het was zijn eeuwige uitvlucht. Niet voor niets luidt zijn misschien wel beroemdste zin Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. En ondanks de vriendschappen, liefdes en collega’s bleef Slauerhoff ook een einzelgänger. Zelfbehoud is alleen in eenzaamheid’, zo schreef hij al op jonge leeftijd in zijn dagboek. Toch was dit ook een vloek want op zee ervoer hij vaak een ‘verpletterende eenzaamheid’, aldus de samenstellers.

    Kritisch proza

    Naast dagboekfragmenten en reisverslagen bevat dit logboek passages uit brieven en verspreide documenten, zoals een lezing voor de Volksuniversiteit. De dagboekpassages gaan soms mank aan een staccatostijl, maar zelfs dan blijft het voor de Slauerhoff fan boeiend. De reispassages die hij voor verschillende tijdschriften schreef vormen het hoogtepunt van dit Logboek. Vaak nuchter en feitelijk, maar ze laten soms ook bloemrijk taalgebruik zien. Slauerhoff spaart de benepen Hollandse – of in bredere zin de Westerse – burgerman niet, en opvallend is ook hoezeer hij oog heeft voor – en kritiek uit op – het opkomend toerisme, dat natuurlijk nog in de verste verte niet lijkt op het massatoerisme van onze tijd. Is het weer ironie van het noodlot dat ik, die altijd naar het barbaarse hunkerde en de stilte en het zwijgen en de vrijheid, steeds moet leven in een schijnbeschaving, iedere avond mij kleed, allerlei gepraat zonder zin moet aanhoren en flauwe scherts, niet kan zwijgen naar mijn zin en in plaats van over steppen te zwerven, in oerwouden om te tasten, op een schip leef dat 150 meter lang is, en in smalle gangen tussen luxehutten loop en op wandeldekken voor gelede dekstoelen met luie verwende cultuurmensen en parvenuen.’

    Ook de lokale bevolking spaart hij niet, al is hij daarbij vaak wel wat milder. Hierdoor, en door de mix van nuchtere feiten en bloemrijke taal doet hij soms denken aan een vroege versie van V.S. Naipaul, al gaat zijn antropologische kijk niet zo diep als bij Naipaul. ‘Het is een eeuwig misverstand dat de zeeman vreemde landen kent. Hij komt er wel, maar hij ziet ze niet, tenzij ’s nachts wanneer alle katjes grauw en alle danshuizen verlicht zijn.’

    Liever fictie dan feit

    De reisverslagen zijn stilistisch hoogstaand en inhoudelijk altijd boeiend. Hoogtepunt is zijn reisverslag van Hong Kong en Macau. Natuurlijk is er in zijn beschrijving van de voormalige Portugese kolonie aandacht voor de voor hem zo belangrijke grote Portugese dichter van het epos De Lusiaden, Luís de Camões, die hij de hoofdrol zou geven in zijn beroemdste roman Het Verboden Rijk. ‘Als een oude gravure zo scherp afgetekend ligt Macau tegen het zwaar azuur van de middaglucht. Onthullend is hoe Slauerhoff blijk geeft de verbeelding te verkiezen boven de – teleurstellende – realiteit. ‘En toch, het ware bekoorlijker geweest hier niemand te leren kennen. ’t Is waar, ik zag even in het familieleven der oude Macause geslachten. Maar de stad was meer zijn eigen legende gebleven, zou meer geheimen achter zijn muren bewaard hebben die ik later in verbeelding had kunnen ontdekken.’ – De waarheid is heel wat minder exotisch dan hij had gedacht en doet hem zelfs aan de benepen Hollandse sfeer van Hildebrand denken. Mooi zijn ook de uitgebreide ‘Indrukken van een reis naar de Golf van Guinee’ – inclusief een uiterst negatief verslag van de tussenstop in Bordeaux, ‘Zomerhel. Nergens schaduw. Schroeiend gras./ ’t Water is niet meer vloeibaar, gloeiend glas.’ En ‘Wat de naam Bordeaux in het meervoud betekent, dàt zijn de brave burgers die allen in het enkelvoud leven, vergeten. Vandaar dat de stad ondanks dat meervoud van Bordel zo burgerlijk en solide aandoet.’

    Poëzie

    Het Logboek bevat ook veel gedichten, soms alleen een aanzet (waartussen ook de nodige rijmelarij), soms een half voltooid gedicht, maar ook klassiekers als zijn beroemde gedicht over het geïsoleerde eiland Fernando de Noronha, zo’n 1.000 km voor de Braziliaanse kust.

    Soms vertoont de stijl van Slauerhoff de invloed van de Tachtigers, zoals in zijn beschrijving van de Borobudur op Java, ‘Hoe geheimzinnig duisteren de Boeddha’s in de stupa’s op het plateau dat de zeven gaanderijen dekt.’ Verder is de taal niet geheel vrij van wat wij nu wellicht als racistisch zouden zien, al blijft dat beperkt. Zo op het oog is dat nergens aangepast en dat siert de samenstellers. Opvallend is de communistische bevlogenheid van Slauerhoff, al stamt dit uit de jaren twintig, toen van de wreedheid onder Stalin nog nauwelijks iets bekend was. “En toch moet vóor alles stelling genomen worden tegen bezit. […] Alle bezitters in Indië en Oost-Azië zijn van een stompzinnige arrogantie die doet wensen dat de Russische sikkel eenmaal door deze rotte aren varen zal, dat de Russische hamer eenmaal deze merendeels kale schedels zal verbrijzelen.”

    Malaria

    Het Logboek sluit af met een zeereis westwaarts, met in het eerste hoofdstuk een weinig positief verslag van Barbados, ‘naargeestig en stoffig’. Maar nadat hij onder andere ook een deel aan Curaçao heeft gewijd, eindigt het met Costa Rica, ‘een vredig welvarend land’. Dat positieve beeld komt niet in de laatste plaats omdat hij in het kleine Centraal-Amerikaanse land zijn nieuwe liefde Caridad Rodriguez ontmoet. Slauerhoff zit na deze reis nog vol nieuwe plannen, maar de werkelijkheid haalt hem in. Een nieuwe reis naar Costa Rica, of zich als arts aansluiten bij de internationale brigade van de republikeinen in de Spaanse Burgeroorlog, daar moet hij uiteindelijk van afzien. De malaria die hij heeft opgelopen op zijn laatste reis naar Zuid- en Oost-Afrika noopt hem op weg terug naar huis in Genua doodziek van boord te gaan. De verdere reis gaat over land. Terug in Nederland eindigt hij uiteindelijk in Villa Carla in Hilversum, waar hij op 5 oktober overlijdt. Gelukkig is er een enorm arsenaal aan egodocumenten van Slauerhoff, en dit Logboek, een waar genot voor de vele Slauerhoff fans.

     

     

  • Het karakteristieke oeuvre van een dichtende scheepsarts en zwervende schrijver

    Het karakteristieke oeuvre van een dichtende scheepsarts en zwervende schrijver

    Onlangs is een nieuwe editie verschenen van het Verzameld proza van J. Slauerhoff (1898-1936). In 2018 was al een herziene versie van zijn Verzamelde gedichten gepubliceerd. De samenstelling en tekstverzorging van beide nieuwe uitgaven was in handen van Hein Aalders en Menno Voskuil. Slauerhoff is een schrijver van tegenstellingen, die Nederland haatte en het ontvluchtte. Toch schreef hij voor Nederlandse lezers, die hij vergastte op verhalen over Chinese verten en Portugese dichters van lang geleden. Hoe on-Nederlands kan een schrijver zijn die Jan heet, geboren en getogen is in Friesland en het liefst vakantie vierde op Vlieland?

    Slauerhoff keerde zich van Nederland af door te kiezen voor het beroep van scheepsarts dat hem tot ver buiten de landsgrenzen voerde. Hij koos niet alleen voor het avontuur van verre reizen naar exotische oorden, maar ook voor afzondering en eenzaamheid.  Vandaaruit zocht hij juist wel weer contact met lezers, een publiek, door middel van  van gedichten, verhalen, romans en artikelen. Aldus nam hij zijn lezers mee op sleeptouw, de hele wereld over. En die lezers lieten zich meevoeren door Slauerhoff. Het succes van zijn werk gedurende de hele twintigste eeuw, tot nu aan toe, getuigt daarvan. Zelf verkondigde hij nergens vrede te zullen vinden, behalve aan die laatste ‘smalle ree, van hout in zand’. Daar rust Slauerhoff nu al meer dan tachtig jaar. Zijn werk is sindsdien allerminst met rust gelaten.

    De scheepskist

    Tekstbezorgers Hein Aalders en Menno Voskuil doen in een nawoord van ca. 50 pagina’s uit de doeken hoe in de loop van die tachtig jaren het verzameld proza en de verzamelde gedichten zijn behandeld, in welke diverse vormen, samenstellingen en edities deze zijn verschenen en wie zich daarmee hebben bemoeid. De belangrijkste naam die hierbij moet worden vermeld is die van tekstbezorger, bibliograaf en filoloog Kees Lekkerkerker (1910-2006). Het is boeiende en informatieve kost, met als spannend pièce de resistance de scheepskist van de schrijver, waaruit zo lang na zijn dood nog nieuw materiaal blijkt te kunnen worden opgediept. De lezer krijgt op grond van dit overzicht de indruk dat er ooit een nóg uitgebreidere editie van Slauerhoffs literaire werk zal worden bezorgd. Omdat er dan weer een nieuwe vorm voor gevonden wordt. Of omdat er eindelijk iemand is die ook Slauerhoffs meest onleesbare teksten kan ontcijferen.

    Slauerhoff is vooral bekend van gedichten en proza. Hij schreef slechts één echt toneelstuk: Jan Pietersz. Coen, waarvoor ook plaats is ingeruimd in deze editie van het Verzameld proza. Dit toneelstuk verscheen in 1931,maar echt opgevoerd werd het stuk eigenlijk nooit. De ontvangst was kritisch omdat Slauerhoff door zijn benadering van Jan Pietersz. Coen als ‘gewoon mens’ afbreuk deed aan diens toen breed geaccepteerde heldenstatus. Een criticus repte in 1931 over Slauerhoffs Coen als ‘een stervende stakker, die zelfs geen schaduw van een groot man meer is’. Ná de Tweede Wereldoorlog lag de opvoering van dit toneelstuk gevoelig vanwege de onafhankelijkheidsstrijd die in Indonesië werd gevoerd. Waar de hedendaagse lezer over struikelt, zijn de schaamteloos racistische aanduidingen van de bevolking van Nederlands-Indië/Indonesië, die toen blijkbaar probleemloos konden worden gebruikt. Voor wie bedenkt een tekst uit 1931 te lezen die een historische, koloniale realiteit weergeeft uit de 17de eeuw, is het wellicht aanvaardbaar, maar toch: met de actuele, 21ste eeuwse gevoeligheid voor dit soort uitlatingen, is het lezen van sommige kwalificaties op zijn zachtst gezegd ongemakkelijk.

    Verhalenbundels en romans

    Verder bevat het boek de bekende en klassieke verhalenbundels Het lente-eiland en Schuim en as, de romans Het verboden rijk en Het leven op aarde alsook verspreid gepubliceerde en nagelaten verhalen en fragmenten. In Het verboden rijk combineert Slauerhoff zijn eigen fascinatie voor de geschiedenis van China met zijn bewondering voor de 16de eeuwse Portugese dichter Camoës. Daar voegt hij dan een meer hedendaags perspectief aan toe door het verhaal over de Ierse marconist. Voor dit laatste kon de schrijver uit zijn eigen ervaring putten als arts op de grote vaart.  

    De tweede roman van Slauerhoff, Het leven op aarde, sluit losjes bij Het verboden rijk aan. Ook de verhalen in de bundels Het lente-eiland en Schuim en as hebben onveranderlijk exotische oorden als decor. Met het oog daarop was enige geografische toelichting bij sommige teksten geen overbodige luxe geweest. In regel drie van het eerste verhaal bijvoorbeeld gaat het over ‘het arme duistere Amoy’. Tegenwoordig kennen we dat als Xiamen, een stad in de Chinese provincie Fujian. En een blik op de plattegrond van deze stad biedt onmiddellijk herkenningspunten voor wat Slauerhoff erover schrijft. 

    Monumentaal oeuvre

    Sommige fragmenten verschijnen in deze uitgave voor het eerst in druk. Dat maakt nieuwsgierig: leren we middels dit nieuwe materiaal een andere, nog onbekende kant van de schrijver kennen dan degene met wie lezers in de loop van bijna honderd jaar bekend zijn geraakt? Het antwoord is nee – en dat is geen teleurstelling, eerder een versterking van het karakteristieke oeuvre van de dichtende scheepsarts en zwervende schrijver. In het verhaal ‘De Vliegende Hollander’ lezen we: ‘Ja, ik verlang er naar alleen te zijn.’ Of het verhaal ‘Maagdenroof’ begint met de zin ‘Ik ben zoals mijn land- en stadgenoten dat noemen aan lager wal geraakt.’ Of het verhaal  ‘Rivalen’, dat begint met: ‘Ik ben gelukkig geweest, dat is zeker.’ Allemaal Vintage Slauerhoff. Het bevestigt het belang van deze nieuwe editie van Slauerhoffs Verzameld proza: een monumentale uitgave die – samen met de uniform uitgegeven Verzamelde gedichten – recht doet aan een monumentaal oeuvre.    

     

     

  • Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    Schierbeek in de oorlog en andere zeer lezenswaardige bijdragen

    In deze tweede editie (2019) van De Parelduiker een bijdrage over de oorlogsjaren van Bert Schierbeek door Graa Boomsma, auteur, criticus, schrijfdocent en biograaf van Schierbeek. Bert Schierbeek (1918-1996) behoorde tot de Vijftigers en was schrijver van romans, verhalen, toneelstukken, essays en gedichten. Zijn boek, Het boek Ik (1951), wordt wel beschouwd als het eerste Nederlandse experimentele prozaboek.

    Tot zijn verrassing vond Boomsma in het Literatuurmuseum de oorlogsdagboeken van Schierbeek die vanaf april 1942 de illegaliteit in ging. Boomsma meent dat het verhaal over de Vijftigers, ‘stuk voor stuk getekend door de Tweede Wereldoorlog’ nog steeds niet volledig verteld is. Hierbij ook denkend aan de literaire rel in 2017 die ontstond nadat Wim Hazeu (biograaf Lucebert) ontdekte dat Lucebert zich in 1943 vrijwillig voor de Arbeidsinzet in Duitsland meldde en zich in zijn brieven antisemitisch uitliet.

    In het jaar dat Schierbeek in het verzet ging, meldden twee jongens van zeventien en achttien jaar (de latere Hans Andreus en Lucebert) zich bij de Duitsers: ‘De hopeloos verdwaalde jongens meenden zich te moeten melden voor het Oostfront,’ schrijft Boomsma. In 1948 raken Schierbeek en Lucebert bevriend met elkaar. Schierbeek die wist dat Lucebert de kant van de bezetter had gekozen, zei daar later over: ‘Lucebert stond heel anders in de oorlog’. Wat een fijne nuancering was van een verkeerde keuze maken.

    Schrijver door de oorlog

    De titel van de te verwachten biografie, Niemand is waterdicht komt van  een uitspraak van Schierbeek in zijn dagboeken. Hij schrijft over het moment dat leden van zijn verzetsgroep worden opgepakt en hij moet onderduiken, omdat: ‘Niemand is waterdicht, als de duimschroeven worden aangedraaid kan de grootste held doorslaan.’ Boomsma schrijft dat Schierbeek zonder de oorlog waarschijnlijk geen schrijver zou zijn geworden. Het fusilleren van negentien verzetslieden uit zijn groep, was de directe aanleiding een roman te schrijven. In iets meer dan een half jaar schrijft Schierbeek een roman die in de herfst van dat jaar wordt uitgegeven: Terreur tegen terreur. ‘(…) een traditionele roman in de geest van André Malraux en Du Perron, [die] laat zien hoe goed Bert was ingevoerd in het Amsterdamse verzet en de geallieerde oorlog tegen Duitsland.’
    Het fijn geschreven stuk is rijkelijk geillustreerd met beeldmateriaal uit het leven van Schierbeek. Een biografie om naar uit te kijken.

    Portret Anton Bakels

    Een ander biografisch project is gewijd aan de anarchist en uitgever Anton Bakels door de in Canada woonachtige Bart De Cort. Anton Bakels (1989-1964) behoorde tot de groep Amsterdamse bohème en was uitgever. Hij kende vele kunstenaars en schrijvers waaronder Joseph Roth. Een man die met zijn conversatie het vermogen had ‘om een havenkroeg om te toveren tot een literair café.’ Volgens De Cort een man die gedoemd was uit de literaire geschiedenisboeken te blijven, deels dankzij zichzelf omdat hij nooit op de voorgrond trad, maar die een leven leidde dat interessant genoeg was om een biografisch portret aan te wijden.

    Essay vanuit Praag

    Van Chrétien Breukers een essay over Praag waar de schrijver sinds 2017 woonachtig is. Een essay over de Tsjechische cultuur, zichzelf, Kafka en de Tsjechische schrijver, en in Nederland vrijwel onbekende, Paul Leppin (1878-1945). Breukers’ kennismaking met Praag die hij voor hij er ging wonen ‘Met de moeder van mijn dochters […] al een keer of acht [had] bezocht’ voert door de literaire cultuur, langs Duitstalige schrijvers, en zijn eigen veroveringen en ontdekkingen van de stad. Uitkomend bij Paul Leppin, een ‘intercultureel’ schrijft Breukers. ‘Daarom heeft hij natuurlijk heel veel geleden: wie bij verschillende groepen hoort, is nergens thuis.’ Praag leren kennen aan de hand van het essay van Breukers is een interessante kennismaking met de stad en zijn Duitstalige schrijvers, en met de schrijver zelf.
    Verder in deze editie onder meer een teruggevonden verslag van Gerard van het Reve uit 1946 over het Tegelse Passiespel, bezorgd door Niels Bokhove. In de rubrieken  ‘Laagwater’ Wat las Juliana? door Marco Entrop en ‘De Laatste Pagina’ over Peter van Gestel, 1937-2019 door Paul Arnoldussen.
    Voor wie zich om de literatuur bekommert en het huidige literaire beeld gespiegeld wil zien aan het rijke literaire verleden doet er goed aan De Parelduiker te lezen.

     

  • Nieuwe teksten van en over Slauerhoff

    Nieuwe teksten van en over Slauerhoff

    De acne van Clara Eggink
    Het heele leven is toch verloren is een bundeling van Slauerhoff-teksten: nagelaten en verspreide gedichten, briefwisselingen met een studievriend en met zijn laatste geliefde, een gecoupeerde herdruk van zijn dagboek, aangevuld met 2 essays: eentje over Slauerhoffs Verzameld Werk en eentje over zijn Utrechtse periode. Een gezellige restantopruiming voor een spotprijsje. Elke Slauerhoviaan moet het lezen, en ook iedereen die wil weten hoe Slauerhoff de acne op het voorhoofd van Clara Eggink bestreed. De literatuurliefhebber kan ook kiezen voor Slauerhoffs ‘echte’ werk. Daar valt nog veel te ontdekken.

    Gekwelde ziel met gebroken hart
    Het is verbazingwekkend hoeveel Slauerhoff in zijn korte leven (hij werd 38 jaar) heeft geschreven en gepubliceerd: tien dichtbundels, drie romans (Het verboden rijk, het leven op aarde, De opstand van Guadalajara), drie verhalenbundels (Schuim en As, Lente-eiland en De erfgenaam), en veel journalistiek werk en vertalingen. Slauerhoff wordt nog steeds gelezen en van de Verzamelde Gedichten ligt de 20e druk in de boekhandel. Zijn werk heeft echter bij benadering niet de aandacht gekregen van literatuurwetenschap en -kritiek die het verdient.

    Biografica alom
    Slauerhoffs leven ja, dat leidde tot een stroom boeken en andere artikelen. Drie biografieën (van Constant van Wessem, C.J. Kelk en ‘de definitieve’ van Wim Hazeu) en boeken en boekjes over Slauerhoff als student-auteur, als zeereiziger en als sloddervos (Slauerhoff, slodderhoff door Peter Dicker). Zijn reisreportages en journalistieke werk werden uitgegeven, evenals zijn correspondenties met een handvol vrienden, vriendinnen en collega’s. Vorig jaar verscheen Het heele leven is toch verloren. Gedichten, brieven essays. Ook hier weer biografica alom. Niels Bokhoven geeft in zijn essay een overzicht (met aanvullingen op Hazeu’s biografie) van de Utrechtse periode van Slauerhoff. In 1929 – 1930 deed die een halfhartige poging zich in het Academisch Ziekenhuis daar te specialiseren in huid- en geslachtsziekten. Hij verhuisde vaak, dubde over steeds weer andere toekomstplannen en kankerde op collega’s. Maar hij publiceerde ook Fleurs de marécage (Franse gedichten), Yoeng Poe Tsjoeng, Schuim en As, Saturnus, Het Lente-eiland, Serenade en een aantal vertalingen. Hoe dat in zijn werk ging, daarover kom je nauwelijks iets te weten. Wél weer over zijn ontmoeting met de danseres Darja Collin, de enige vrouw met wie hij ooit trouwde en van wie hij ‘tout a fait épris’ was, zoals hij schreef aan Roland Holst. Andere biografica zijn de briefwisseling met Maarten Vrij (1918 – 1923) en met zijn laatste geliefde Caridad Rodriguez (1935 – 1936). De laatste correspondentie geeft de zoveelste proeve van Slauerhoffs compromisloze maar hopeloos onpraktische aard. Al heen en weer schrijvend over een oceaan komt hij erachter dat het allemaal toch wel weer niks zal opleveren: ‘Intussen, mijn schat en geliefde, als je het wachten moe bent en de ander wil, wacht dan niet langer.’ Een paar maanden later zou hij sterven.

    Schrijver pur sang
    De correspondentie met studievriend Maarten Vrij maakt vooral duidelijk hoe toegewijd Slauerhoff werkte aan zijn oeuvre, en hoe hij met wisselend succes probeerde zijn gedichten, vertalingen, verhalen en journalistiek werk geplaatst, gebundeld en uitgegeven te krijgen. Na veel gedoe en beperkt succes bij De Nieuwe Stem (Henriëtte Roland Holst), de Beweging (Verwey) en anderen schrijft Slauerhoff: ‘Ieder moet zichzelf zeer luide proclameeren, of moet een claque, een kring, een partij hebben om zich te doen proclameeren. En dan nog langzaam. […] Ach wij jeugdigen.’ Uiteindelijk vond hij onderdak bij het expressionistische ´t Getij en nog later Forum. En tegen het einde van zijn leven kwam de erkenning in de vorm van literaire prijzen en verkoop, maar toen was het – veel te vroeg – te laat. Wie des schrijvers ziel verder wil doorgronden kan zich verliezen in Slauerhoffs Dagboek 1926 – 1928. Ooit gepubliceerd in een beperkte oplage, direct uitverkocht, nauwelijks meer antiquarisch te krijgen en nu herdrukt. Maar dan zonder de reisbeschrijvingen die al werden opgenomen in een andere uitgave voor Slauerhovianen: Alleen de havens zijn ons trouw. Diepe zucht. Wel mooie beschrijvingen van opiumgebruik en de bijbehorende dromen – die later weer een plek vonden in zijn fictie.

    Blijft over de poëzie, een stuk of 30 gedichten die alleen te vinden waren in uitgaafjes van margedrukkers, verschijnen hier voor het eerst in een toegankelijke uitgave. Aangevuld met een (1) ongepubliceerde vertaling van een Spaanse copla. De gedichten zijn van alles maar vooral niet voldragen en voltooid. Wél interessant, zoals iedere loslopende komma van de arme man dat onderhand is. Onrijp jeugdwerk ‘Och arme kindje  / in grooten stad / ‘k wou dat ik je heel dicht / bij me had.’ Een poging door een omgekeerde verrekijker naar de wereld te kijken: ‘Het lijkt een vlooitheater / Doe maar of je ’t niet kent.’ En meer van wat we al kennen: ‘Ik kan niet zeggen hoe ik Holland haat’, onvoltooid maar met karakteristieke slotregel: ‘Maar ook in ’t mooiste ijs is wel een wak.’ En dan zijn er schimpdichten die onder de titel Drie confrontaties bijeen zijn gezet en toegelicht door Arie Pos. Goed voor de literatuurgeschiedschrijving, minder boeiend voor de letterlievende.

    Een heel nieuwe Slauerhoff
    Al wil je iedere letter van Slauerhoff lezen, dan toch word je ongelukkig van Het heele leven is toch verloren. Ondanks alle goede bedoelingen en interessante inhoud. Met iedere nieuwe publicatie van weer andere oude snippers vermindert de waarde van de Verzamelde Werken en wordt het beeld bevestigd van Slauerhoff als een slordig auteur die maar een eind wegschreef. Terwijl vrijwel alle nagelaten, onvoltooide en anderszins niet in de Verzamelde Werken opgenomen teksten toch afkomstig zijn uit één en dezelfde bron: de ‘befaamde zeemanskist met handschriften en andere documenten, door Slauerhoff nagelaten, nadat hij ze nog op zijn laatste ziekbed had geordend.’ Menno Voskuil beschrijft in zijn essay ‘Eén ding, niet teveel komma’s. Over de totstandkoming van Slauerhoffs Verzamelde Gedichten’ hoe de inhoud van die kist werd verrommeld, versnipperd en verknipt. Die scheepskist namelijk, werd in 1937 afgeleverd bij K. Lekkerkerker, die gesteund door een Commissie van wijze mannen (lees: ex-vrienden van Slauerhoff) de bezorging van het Verzameld Werk op zich nam. Hij had daarbij het recept te volgen van E. du Perron, die claimde dat de auteur het zo gewild zou hebben: de tijdens Slauerhoffs leven gepubliceerde bundels moesten worden beschouwd als niet meer dan ‘kernen’, die moesten worden aangevuld met andere gedichten uit diezelfde periode. Nagelaten, verspreid gepubliceerd, voltooid of niet, dat bleef in het vage. Het recept was vooral goed voor een editoriale nachtmerrie. Lekkerkerker ging manmoedig aan de slag en voltooide de editie. Toen NRC in 1980 (43 jaar later, dus) eens informeerde waar de beloofde tekstverantwoording bleef, gaf Lekkerkerker toe dat hij niet meer achter de uitgave stond. Omdat er zoveel nieuwe brieven en documenten waren opgedoken, zei hij. Maar ook omdat de editietechniek zich had ontwikkeld tot een volwaardige hulpwetenschap, die het mogelijk maakt overzicht en helderheid te creëren, waar de aanpak van Lekkerkerker (conform Slauerhoff, aldus Du Perron) leidde tot treurigheid en de nadruppelende stroom publicaties waar Het heele leven is toch verloren een voorbeeld van is. Hoog tijd dus voor ‘een geheel nieuwe Slauerhoff’ zegt Voskuil Lekkerkerker na. Als zijn essay daaraan kan bijdragen, dan is deze uitgave meer dan gerechtvaardigd.

     

    J. Slauerhoff, Het heele leven is toch verloren
    Gedichten, brieven, essays.

    Samenstelling Arie Pos en Menno Voskuil.
    Utrecht, (Het Literatuurhuis. Serie ‘Literaire Meesters’), 2012.
    Aantal pagina’s: 250
    Prijs: € 12,50 (2e druk verkrijgbaar vanaf 14 januari 2013).