• Fotosynthese 12 – Wedden op het verkeerde paard

    Fotosynthese 12 – Wedden op het verkeerde paard

    Adam: There is something that holds us together, something that has no word—
    The Serpent: Love. Love. Love.
    Adam: That is too short a word for so long a thing.

    Back to Methuselah Part 1, Act 1

    In 1922 lopen twee acteurs van de repetitiezaal van hun theater naar een fotostudio om een promotiefoto te laten maken voor het toneelstuk Back to Methuselah waarin ze beiden spelen. Ze zijn hoopvol gestemd, dit worden nu al The Roaring Twenties genoemd, hun stad is waar ze willen zijn, ze komen van het Amerikaans platteland en hebben al een filmcarrière achter de rug.

    De fotograaf toont hen de rekwisietenkast en ze maken snel hun keuze. De heilige familie is een iconische verzameling van steeds drie mensen, een vader, een moeder en een kind. Het is een model voor de christelijke familie, maar geestig is dat de ironie er al vroeg ingebakken zit: Jozef is immers niet de vader van het kind. De echte vader mag niet getoond worden, van God maak je geen afbeeldingen. Deze foto is ironisch op vele fronten. In de eerste plaats is deze heilige familie natuurlijk geen familie. Eleanor Woodruff en Stanley Howett hebben voor zover bekend geen relatie gehad. In de tweede plaats is het kindje in haar armen al jaren dood en netjes geprepareerd en waarom dan met zulke warme verwachting bezien? In de derde plaats is het kindje misschien een samengesteld skeletje van mensenschedel en apenarmen? Wat valt er te geloven aan deze foto? 

    In de Library of Congress bevindt zich een enorme verzameling glasnegatieven van George Grantham Baine (1865 – 1944). De man verdiende zijn sporen in de nieuwsfotografie maar verzamelde van alles en had een fotostudio. De meeste van deze negatieven zijn gemaakt in die studio in New York in de jaren ’10 en ’20 van de vorige eeuw. Zo ook deze foto. Eleanor Woodruff 1891 – 1980 denkt, oh ironie, op deze foto aan het begin van een nieuwe carrière te staan. Ze is een van de leading ladies van de vroege film en heeft een aardige carrière achter de rug als ze in 1922 al haar laatste film speelt: A Pastboard Crown. Ze stapt namelijk over naar het theater maar raakt daarmee eigenlijk onmiddellijk uit zicht, ze is op een zijspoor beland. Een zijspoor dat ze overigens wel opmerkelijk lang bewandelt. Er is nauwelijks iets te vinden over haar behalve haar overlijden in 1980 in Princeton. Ze heeft 58 jaar op het op deze foto vastgelegde moment kunnen terugkijken. Heel haar leven, voor zover gedocumenteerd, speelt zich alleen hiervoor af. Haar man Dorsey Richardson was economisch adviseur van Kennedy. Van Kennedy is een van de veel geciteerde opmerkingen de volgende: ‘You see things; and you say, “Why?” But I dream things that never were; and I say, “Why not?”’
    Dit blijkt een citaat uit Back to Methuselah te zijn. Zou er een etentje in de late jaren vijftig zijn geweest waar Eleanor het voor John F. uit het hoofd citeerde?  

    George Bernhard Shaw wedde in zekere zin ook op een verkeerd paard. De nobelprijswinnaar won in 1925 de prijs voor zijn rijk oeuvre en vond Back to Methuselah zijn sterkste tekst, een verzameling van vijf toneelstukken rond het thema vooruitgang en een lang leven. Het is gedeeltelijk science fiction. Het zou denkelijk zijn snelst vergeten werk worden.  En het is voor de New Yorkse uitvoering van dit stuk dat Woodruff haar filmcarrière stopzet en aan het toneel gaat. 

    Het stuk wordt in 1922 geproduceerd door het  New York Theatre Guild en opgevoerd in het Garrick Theatre aan Bleecker Street in wat nu Greenwich Village is. Shaw etaleert in zijn stuk een lamarckiaanse visie op de mensheid die op zijn beurt ook al weer op zijn retour is, Darwin doet steeds meer opgeld en de gedachte dat je de wereld verbetert door overerfbaar goed gedrag was al in 1922 niet houdbaar meer. Het is wel een fundgrube voor historische, filosofische verwijzingen deze reeks stukken. In 1961 promoveert ene H.M. Geduld met een werk van 1400 pagina’s over Back to Methuselah. Zou Eleonor het gelezen hebben?

    Geheel in stijl met zijn positie in dit heilig gezin is er over Stanley Howett 1886 – 1959 vrijwel niets bekend. De jaartallen vond ik omdat hij een ‘man van’ is. Als acteur en regisseur, schopt hij het niet verder dan een voetnoot hier en daar. Trouwt met Eve Balfour, eveneens een actrice wier cinematografie in de vroege jaren ’20 stopt. Ze dachten misschien dat het nooit wat zou worden met film. Zij overlijdt in Birmingham, Engeland, waar hij in de jaren vijftig nog een paar toneelstukken regisseert. Denkt hij ooit nog terug aan dit verstild moment van devote aandacht voor wat voorbij gaat? Of is dit zo’n foto die ook door de afgebeelde personages onmiddellijk vergeten is? Een te kort moment in een te lang leven.

    ‘Life is too short for men to take it seriously.’


    Back to Methuselah, Part 2


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

    Fotograaf: George Grantham Baine

  • Leestips voor de decembermaand – Menno Hartman

    Lijstjesgeluk

    Lijstjes suggereren dat geluk bereikbaar is. ‘10 dingen die ik nog doen wil voor ik dood ga’,  ‘5 platen uit de sixties die onvervangbaar zijn’, de 7 mooiste dierentuinen ter wereld’, ‘5 dichters die je gelezen moet hebben’.

    Als je ze afwerkt is geluk bereikbaar. Ben je klaar dan ben je gelukkig en/of bijna dood. Maar het geluk is altijd onder handbereik. Want vorig jaar waren er ook lijstjes. En je koopt je boeken en platen op al die goede suggesties en nu liggen de stapels op het boekencarroussel in de zuid-west vleugel van je huis. De stapel die daar ligt, is ook een lijstje: ’14 Boeken die ik dit jaar verzamelde omdat ze me aangeraden werden maar ik had de gelegenheid nog niet. FullSizeRender(1)

    Dit jaar vond ik de volgende boeken heel goed:

    Hella S. Haase – Zelfportret als legkaart.
    Een heel vroeg en heel vreemd boek van Haasse, filosofisch en praktisch: hoe te leven, maar niet simpel van geest worden, persoonlijke geschiedenis, abstracte denkbeelden, luiers, alles in een. Moet opnieuw uitgegeven zou ik zeggen. (lees verder)

    Patrick Leigh Fermor – Broken Road
    Fermor liep rond 1930 van Hoek van Holland naar Constantinopel en publiceerde bij leven twee titels over die reis: deze is postuum. Schitterende reis, door groot schrijver neergeschreven. (lees verder)

    Jenny Offil – Dept. of Speculation Een verliefdheid, een relatie een huwelijk en hoe die misloopt en het leven doorgaat. Zonder enige uitleg in korte impressies, helder, grappig, intelligent.

    Martin Amis – Times’ Arrow
    Het verhaal van een man terugverteld: Begint bij zijn dood en eindigt bij zijn geboorte. Een knap staaltje vertelkunst en ook huiveringwekkend. (lees verder)

    Ian McEwan – Children’s Act
    Hoe doet hij het toch: steeds die maatschappelijke relevantie zo knap zijn boeken binnen halen. Kinderrechter beslist over lot van doodzieke jongen en geeft hem weer hoop, maar ontneemt hem die vervolgens ook weer. Intussen zit zij zelf in een klassieke relatiecrisis. Die zo klassiek is dat ze hem alleen dáarom al vermoeiend vindt.

    En hier, om het maar eens transparant te maken, de lijstjes waaruit ik moest kiezen:FullSizeRenderFullSizeRender kopie

    Het jaar heeft nog een paar weken te gaan. Voor mijn persoonlijke lijstje: ‘3 ideeën om leuk de decembermaand door te komen’, mail me.

     

  • Gedachten bij een decennium Literair Nederland

    Een persoonlijke herinnering

    Op 15 december 2012 bestaat Literair Nederland 10 jaar. Dit decennium van internetrecensies van Nederlandse en vertaalde literatuur, fictie en non-fictie, proza en poëzie begon met een krantenbericht.
    In het voorjaar van 2000 stond er een klein berichtje in de krant dat een aantal ministeries een potje met geld had vrijgemaakt voor een zogenaamde ‘Millenniumprijsvraag’. Over een aantal disciplines zouden bedragen van een ton, in guldens, worden uitgekeerd voor innovatieve plannen. Ik had een weekeinde niets te doen en zette een idee op papier dat duidelijk geschreven was voor het ontvangend comité, doorspekt met wat visionaire internetgedachten –  die geleend waren – en een blauwdruk voor een website over literatuur die erg veel leek op de Internet Movie Database (IMDB), een website waarvan ik een nogal fervent gebruiker was. Er kwam op geschept papier een bevestiging van ontvangst binnen, en een bericht dat het plan de eerste screening gepasseerd was. In het najaar ging ik naar Tibet en in november kwam ik terug in Amsterdam. Toen lag er opnieuw zo’n brief en die meldde dat het plan genomineerd was en dat de uitreiking zou plaatsvinden op 23 november in de Ridderzaal in Den Haag.

    Kostuum uit Vietnam

    Het was een mooie dag, ik meen dat er acht prijzen werden uitgereikt. Een hele mooie was –  misschien in de categorie emancipatie – de ‘plastuit’, een kartonnen ‘geleider’ die het vrouwen mogelijk maakt staand te plassen. Het was deze plastuit die het meest het nieuws haalde. Ze ontvingen 100.000 gulden om met het plan aan de gang te gaan.
    Die 100.000 gulden ontving ik ook. In de categorie literatuur was mijn database boven komen drijven. Ik stond er in een pak dat ik het jaar ervoor op reis in Vietnam had laten maken, veel pakken had ik niet, ik was net afgestudeerd en vermoedde in Azië dat ik zo’n ding wel eens nodig zou kunnen hebben. Vervolgens moest het nog duizenden kilometers mee in mijn rugzak. Maar hier stond het nu. De toen vigerende ministers Louk Hermans en Annemarie Jorritsma gaven een grote gouden check en een hand en wensten ons allen veel succes.

    Polsblessure

    De avond erna ging onder ingewijden de geschiedenis in als ‘het champagnefeest’. Het volstaat misschien te zeggen dat ik de maandag die volgde bij de dokter was met een polsblessure, die, zo ontdekten we samen, dan toch wel het gevolg moet zijn geweest van champagneflessen ontkurken.
    Een paar weken later had ik een stichting en 100.000 gulden, waarvan 75 voor de uitvoering van de website, en 25 voor eigen gebruik. Over die 25 kunnen we kort zijn, die heb ik twee jaar daarna stukgeslagen door met mijn vrouw Caroline en jong baasje  Zeb (twee jaar), drie maanden door Nieuw-Zeeland te struinen.
    Over de 75 kunnen we ook redelijk kort zijn, die resulteerden uiteindelijk in wat de site nu is, een archief van meer dan 4.000 recensies, stukken over literatuur die gratis beschikbaar zijn en waar mensen die van boeken houden met aandacht aan gewerkt hebben.

    Die mensen zijn belangrijk. Zoals in veel literatuur zal ik de namen hieronder in een noot noemen, niet om ze weg te moffelen, maar omdat het er meer dan zestig zijn.

    Redactie voeren

    De beste manier om ‘redactie te voeren’ hebben we moeten leren. Er zijn drankovergoten avonden geweest in een café aan de Zeedijk, met stapels boeken op tafel, hees pratende dronken Amsterdammers die ons vroegen of we een leesclub waren. (‘Nee? Wat doen dan godverdomme die boeken op tafel?!’) Er zijn picknicks geweest, ruzies, telefonades en eindeloze correspondenties. Er zijn heel erg goede recensenten geweest, en ze gingen ook weer weg, en er kwamen nieuwe.

    Thans wordt de redactie gevoerd door Carolien Lohmeijer en Ingrid van der Graaf. Het nu behoorlijk omvangrijke recensentencorps krijgt boeken per post toegestuurd, recenseert en ontvangt een nieuw boek. Zo kun je het blijkbaar ook doen.

    Een opzet voor de website uit 2008 die het niet werd

    Ik heb in die 10 jaar veel geleerd. Over websites, databases, en afspraken. Over hoe je je geld niet moet uitgeven, over deadlines en wie er wel van houden en wie niet. Ook veel over boeken, want twee lezen meer dan één. En dertig mensen lezen ongelooflijk veel.
    De site heeft een keer of vier in dit decennium een extreme make-over ondergaan. Er was een tijd dat je de kleur van de website zelf kon kiezen, er was een tijd dat we een boek van de week hadden, dat we aan toneel deden, dat we essayettes publiceerden, essays van duizend woorden, dat we een weekschema hadden, een dichtbundel van de week, een non-fictieboek van de week.

    Backup voor het nageslacht

    Literair Nederland heeft nu, (op een maand na) tien jaar na het moment van online gaan, 15 december 2002, 7.000 abonnees en vele, vele bezoekers. Dat vinden we leuk en daar zijn we trots op, maar belangrijker voor ons is dat we literair nieuws signaleren en recensies publiceren over boeken die er toe doen. Niet de boeken waar je tante zo enthousiast over is. De Koninklijke Bibliotheek vroeg ons onlangs of ze een complete back up mochten maken voor het nageslacht. Dat mocht, maar wij schrijven gewoon door, voor u.

    De niet professionele recensent

    Een database is het niet geworden. Als ik in het jaar 2000 van het fenomeen Wiki had gehoord had ik het anders aangepakt. Als ik van Wikipedia had geweten, was ik dat weekend in het park gaan liggen. Het is misschien toch goed dat ik dat niet deed, en voor mij persoonlijk om deze reden: ik ben de recensie-van-de-niet-professionele-schrijver gaan waarderen als een onmisbaar element in het literaire leven. De recensent van Literair Nederland heeft nooit haast, heeft niets af te rekenen en hoeft niet bij de 400 woorden te blijven. Ik geef veel korte recensies van de kwaliteitskranten en bladen graag cadeau voor die van Literair Nederland. Al kunnen we de grote stukken in de krant nog niet altijd evenaren. Maar dat zijn er slechts twee per week. Op papier is ruimte duur. De kleine stukjes, met hun ‘sterren’ laten we meestal ver achter ons.

    Hoogtepunten

    De komende weken zullen we wat hoogtepunten uit tien jaar Literair Nederland boven water halen. Grotere stukken, of heel bijzondere, of recensies over inmiddels vergeten boeken. We hebben nu ook een overzichtelijke archiefbladzijde waarop je kunt kiezen voor boekomslagen of tekst. (In de vroege jaren minder plaatjes.)
    Overigens zijn we altijd op zoek naar goede recensenten, want om lezers draait het. Wilt u meeschrijven en meelezen? Laat het ons weten.

    De noot: graag dank ik de volgende mensen uit heden en verleden voor hun inspirerende bijdragen:  Fred Baggen, Wil van Basten, Thalita van Basten, Gijs Barends, Patrick Bassant, Geert Beernaert, Ina Bieze, Jessica Brouwer, Hugo Brutin, Anne Margriet van Dam, Joost Duijvelshoff, Ingrid van der Graaf, Daphne de Heer, Frank Heinen, Albert Hogeweij, Lisette Huibers, Sunny Jansen, Machiel Jansen, Jaap Jansen, Nikki de Jong, Jan de Kater, Alexander van Kesteren, Eva Keuris, Stacey Knecht, Rosalien Koster, Mohana van den Kroonenberg, Lodewijk Lasschuit, Thomas van Lier, Carolien Lohmeijer, Martin Lok, Michiel Mijs, Thomas Möhlmann, Mike Naafs, Marleen Nagtegaal, Niels Nijborg, Geesje Nijland, Maria Noordman, Coen Peppelenbos, Judith Ploegsma, Marleen van de Pol, Annemarie van der Poel, Katelijn Pompe, Ella Quist, Ria van Rheenen, Eeke Riegen, Olivier Rieter, Dominique Rothengatter, Laura Schans, Kurt Snoekx, Yvonne Stengs, Rein Swart, Saskia Taggenbrock, Marieke Visser, Hilde van Vlaanderen, Joost van der Vleuten, Andreas Vonder, Wouter de Vries, Karel Wasch, Carolien van Welij en anderen wier namen mij niet meer te binnen schieten, maar wier bijdragen blijvend zijn. Voor persoonlijke herinneringen, en vergeten aspecten mail!
  • Van Oorschot Poëziekalender 2013

    Gesignaleerd door de redactie

    De Van Oorschot Poëzie kalender (2013) verschijnt dit jaar voor het eerst. ‘Van Oorschotpoëzie’, of ‘Tiradepoëzie’, heeft de naam verstaanbare poëzie te zijn: de poëzie van Vasalis, Herzberg, Kopland en Morriën. Maar daarnaast levert bijna zeventig jaar uitgeven en vertalen zoveel meer op: Verlaine, Majakovski, Van Ostaijen, Marjoleine de Vos, Vikram Seth, Emily Dickinson, Lieke Marsman en vele anderen.

    Deze kalender biedt dus de liefhebber, maar ook de beginner de kans om kennis te maken met zeer veel goede poëzie, of de kennismaking te hernieuwen.
    Een heel jaar lang iedere dag een nieuw gedicht.
    De opbrengst van deze kalender komt geheel ten goede aan het voortbestaan van literair tijdschrift Tirade. Het tijdschrift waar vrijwel alle gekozen dichters voor de Poëziekalender 2013 in gepubliceerd hebben.

     

    Poëziekalender 2013

    Dagkalender
    Prijs: € 15,00
    Uitgeverij Van Oorschot

     

  • Rudy Kousbroek

    Herman Rudolf (Rudy) Kousbroek, geboren 1 november 1929 te Pematang Siantar, Sumatra, is een schrijver en essayist en belangrijk voorvechter van De Vijftigers. Als essayist besprak hij uiteenlopende zaken, zoals de Japanse interneringskampen, spellingshervorming, pornografie en melancholie.

    Persoonlijk

    Rudy Kousbroek wordt in 1929 in Indonesië geboren. In de oorlog  wordt hij geïnterneerd in een Jappenkamp en in 1946 verhuist hij naar Nederland.
    In Amsterdam volgt hij de HBS van het Amsterdams Lyceum en gaat aansluitend wis- en natuurkunde in dezelfde stad studeren. Deze studies maakt hij niet af.
    Hij leert Remco Campert kennen en samen richten ze in 1950 het literaire tijdschrift Braak op, dat een belangrijke rol speelt in de doorbraak van De Vijftigers, waarvan Kousbroek en Campert belangrijke vertegenwoordigers zijn.
    Kousbroek verhuist in 1950 naar Parijs, waar hij Japanse en Chinese letteren studeert. Ook deze studies voltooit hij niet. Een jaar later trouwt hij met de schrijfster Ethel Portnoy, ze krijgen twee kinderen, maar de relatie houdt geen stand.
    In 1953 debuteert hij met de dichtbundel Begrafenis van een keerkring.
    Vanaf de jaren zestig publiceerde hij essays in onder meer Hollands Maandblad, NRC Handelsblad en Vrij Nederland, waarin hij fel van leer trok tegen waandenkbeelden in uiteenlopende vakgebieden: filosofie, politiek, natuurwetenschap en geschiedschrijving.
    In 1975 krijgt hij de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistische werk.
    In 1989 komt Kousbroek terug naar Nederland. Hij woont kort bij vrienden in Amerongen en vestigt zich dan in Leiden.

    Rudy Kousbroek woont in Leiden en is getrouwd met de Ierse schrijfster Sarah Hart.

     

    Bijzonderheden

    • In 2006 stond Kousbroek, voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer, als lijstduwer op de lijst van de Partij voor de Dieren.
    • Kousbroek verdiepte zich in Toergenjev. In 2005 maakte hij een bedevaart naar diens graf in Petersburg.
    • Rudy Kousbroek schreef in Vrij Nederland onder het pseudoniem Leopold de Buch.
    • Arnold Heumakers: ‘In Kousbroeks borst huizen twee zielen: de ene behoort aan een geharnast rationalist, die alles wat naar religie, mythologie of metafysica zweemt, met de grond gelijk maakt; de andere verraadt een romantische ontvankelijkheid voor emoties en sentimenten, die zelfs voor onvervalste sentimentaliteit niet terugschrikt. Eigenlijk is dat altijd al zo geweest, maar in de loop van de tijd heeft Kousbroek zijn gevoelige ziel duidelijker op de voorgrond geplaatst (Arnold Heumakers, de Volkskrant, 23 april 1993).’
    • Werken
    • De begrafenis van een keerkring (1953, poëzie)
    • Revolutie in een industriestaat (1968)
    • De aaibaarheidsfactor, gevolgd door Die wacht am IJskast (1969)
    • Anathema’s 1 (1969)
    • Het avondrood der magiërs (1970)
    • Anathema’s 2 (1970)
    • Het gemaskerde woord. Anathema’s 1, 2 en 3 (1970)
    • Een kuil om snikkend in te vallen (1971)
    • Anathema’s 3 (1971)
    • Ethologie en cultuurfilosofie (1973, Huizingalezing)
    • Een passage naar Indië (1978)
    • De aaibaarheidsfactor (1978, uitgebreide herdruk)
    • Anathema’s 4, De waanzin aan de macht (1979)
    • Vincent of het geheim van zijn vaders lichaam (1981)
    • Wat en Hoe in het Kats (1983)
    • De logologische ruimte (1984)
    • Anathema’s 5. Het meer der herinnering (1984)
    • Het rijk van Jabeer. Getransformeerde sprookjes (1985, met bijdrage van Joost Roelofsz.)
    • Lief Java (1987)
    • Nederland: een bewoond gordijn (1987, boekenweekessay)
    • Een zuivere schim in een vervuilde schepping (1988, over het werk van Konstantinos Kavafis)
    • Dagelijkse wonderen (1988, budgetboek-serie)
    • Anathema’s 7, De onmogelijke liefde (1988)
    • Morgen spelen wij verder (1989)
    • De archeologie van de auto (1989)
    • Einsteins poppenhuis, Essays over filosofie 1 (1990)
    • Het Paleis in de verbeelding (1990)
    • Lieve kinderen hoor mijn lied (1990)
    • Anathema’s 6, Het Oostindisch kampsyndroom (1992)
    • Anathema’s 8, De vrolijke wanhoop (1993)
    • Varkensliedjes (1993)
    • Terug naar Negri Pan Erkoms (1995)
    • Hoger honing (1997)
    • Verloren goeling (1998)
    • In de tijdmachine door Japan (2000)
    • Opgespoorde wonderen: fotosynthese (2003, fictie; fotografie)
    • Die Winterreise (2003, audio-boek, verhalen)
    • Dierentalen en andere gedichten (2003, poëzie)
    • Verborgen verwantschappen: fotosynthese (2005, fictie; fotografie)
    • Het Oostindisch kampsyndroom (2005, vijfde, uitgebreide druk)
    • De archeologie van de auto (2006, uitgebreide herziene uitgave)
    • Het raadsel der herkenning: fotosynthese 3 (2007, fictie; fotografie)

     

    Prijzen

    • 1969 Essayprijs van de gemeente Amsterdam voor Revolutie in een industriestaat
    • 1975 P.C. Hooft-prijs voor zijn beschouwende oeuvre.
    • 2005 Jan Hanlo Essayprijs Groot voor Opgespoorde wonderen

     

    Benoemingen

    • 1994 Eredoctoraat in de wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen.

     

     

  • Een licht en op zichzelf staand ongeluk

    Een licht en op zichzelf staand ongeluk

    In de beste verhalenbundels gebeurt er iets tussen de verhalen door dat de verhalen verbindt. Niet per se een gemeenschappelijk thema, dat de lezer gaandeweg gaat ontdekken, minder nog pesonages die door verschillende verhalen lopen. In de beste verhalenbundels valt de bundel samen te vatten zoals een roman samengevat kan worden, als een ordening in de wereld op basis van een aantal verhaallijnen, sterk door de stijl ondersteund.

    In James Salters verhalenbundel Laatste nacht maken de welopgeleide, niet zeer uitzonderlijke, ongeveer middelbare hoofdpersonen die waarschijnlijk aan hun zoveelste belangrijke relatie bezig zijn iets mee dat van een beetje tot zwaar teleurstellend is, ontluisterend en dat ze confronteert met de gang van het leven. Of hoe hun eigen gesteldheid daar voorgoed een verontrustende zwaai aangeeft.

    Psychisch landschap

    Tot zover zouden het ook wel verhalen van Raymond Chandler kunnen zijn, Donald Barthelme of Flannery O’Connor, Jumpha Lahiri of welke goede (Amerikaanse) verhalenverteller dan ook. James Salter heeft een stijl die speciaal voor verhalen heel effectief is, een half woord geeft hij en de lezer moet de andere helft  maar zien te vinden. De opbouw is altijd zo dat slechts met het omslaan van de pagina’s langzaamaan duidelijk wordt hoe de vork in de steel zit, niet speciaal in de ontwikkeling van de handeling, maar meer in het psychisch landschap van de personages.

    Als in veel Amerikaanse korte verhalen speelt dialoog een beslissende rol. Het bijzondere van deze vertaling van Ronald Cohen is dat je niet steeds blijft denken: had ik de Amerikaanse uitgave maar. De vertaling van dialoog in deze bundel is heel natuurlijk. De onbepaaldheid van de dialoog vervolgens, is een belangrijk middel in de stijl van Salter. Hij geeft de lezer de gelegenheid een nauwkeurig beeld te krijgen van personages en situaties door ze maar zeer omcirkelend te beschrijven, en door ze te laten spreken zoals mensen dat doen: meer bedoelend dan zeggend, met zo nu en dan hilarische zinnen die geen vervolg krijgen als: ‘Ik geloof wel dat je met één man teveel naar bed kunt gaan’. En dan is er nog iets zeer krachtigs aan de eerste zinnen van deze verhalen, vaak toch het probleem in dit genre. Veel ruimte is er niet, dus het moet informatief zijn, maar anderzijds vereist de lichte weerzin van de lezer om na net een verhaal uitgelezen te hebben – en dus een wereld verlaten  te hebben – dat die introductie meteen verlokkend is, inkapselend. Vanaf de eerste zin moet de lezer deel uitmaken van het verhaal.

    ‘Philip trouwde met Adele op een dag in juni.’ of ‘Ze was klein en had korte benen, en haar lichaam had zijn vormen verloren.’of ‘Er lagen verfrommelde servetten op de tafel, wijnglazen met nog een donker bodempje erin, koffievlekken en borden met stukjes hard geworden brie.’ of ‘Toen ze het restaurant uitkwamen wilde Leslie bij haar thuis nog iets gaan drinken, het was maar twee straten verderop, een groot, oud flatgebouw met glas-in-loodramen beneden en uitzicht over Washington Square.’

    De lezer moet de suggestie krijgen in die eerste zin, dat hij de helft van het verhaal al kent; de illusie van een keerpunt in een grote roman. Een verhalenbundel als een roman met hoofdstukken uit verschillende levens.

    Het beste aan korte verhalen

    In het titelverhaal helpt een man zijn vrouw die ernstig ziek is met haar geplande zelfmoord. Met een etentje vooraf zoals je dat verwacht op zo’n omineus moment met twee flessen witte wijn van 575 dollar. Want wat moet je anders? Waarbij om de spanning te breken een gemeenschappelijke vriendin aanwezig is. Pijnlijk is het goede woord. Een goed woord voor het gemiddelde gevoel waar de lezer mee achterblijft, na elk verhaal. Niet de pijn, maar het gevoel dat pijn met zich meebrengt als je de pijn zelf wegdenkt, een licht en op zich zelf staand ongeluk. Zoals in het titelverhaal letterlijk gebeurt, betrapt de lezer in de levens van Salters personages deze beperkte mensen, die we zelf zijn. In een kort pijnlijk moment is het leven eigenlijk vol schaamte, waaruit je wegloopt en waarvan je weet dat het erbij hoort en dat het steeds onvermijdelijker wordt. Zulke momenten zijn hier in tienvoud bijeengebracht. Salter draait de verwachting van de lezer voortdurend om, zoals de ‘laatste nacht’ van de zieke Marit die toch uiteindelijk meer de laatste nacht van haar behulpzame man lijkt te zijn, als bedrieger.

    Dit is een verhalenbundel die behoort tot het beste dat er aan korte verhalen verschijnt in Amerika. Salter is een meester van het genre, en een superieur stilist. Je snakt na het laatste verhaal naar meer.

     

     

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman