• Wraak via pretparken

    Wraak via pretparken

    In de tweede roman van Emma Curvers, Melktanden, gaat ik-verteller Lon samenwonen met Philip, iets waar haar moeder, gescheiden van haar vader en wat mannen betreft aardig gedesillusioneerd, weinig heil in ziet. Het stel is eind twintig en verhuist naar een nieuw appartement met geheel nieuwe huisraad, wat de opmaat naar een langdurige en standvastige relatie moet zijn.

    Aan hun voorliefdes geven ze zich graag gezamenlijk over. Philip (componist en geluidsontwerper) heeft een zwak voor all-you-can-eat-restaurants en Lon (filmstudent) voor achtbanen. Ze delen alles samen, waaronder hun wensen. De achtbanen worden een ‘bindmiddel’ en Lon wil naar het ‘belangrijkste land op het gebied van achtbanen’, de Verenigde Staten, een plan dat door Philip wordt omarmd. ‘Hoe groter het idee dat ik opwierp, hoe aantrekkelijker het hem leek. “Natuurlijk moeten we naar Amerika, de bakermat van all-you-can-eat. We moeten eigenlijk alle achtbanen van Amerika testen.”‘ Een maand lang zullen ze de honderd belangrijkste achtbanen aandoen waarvan de auteur de namen aansprekend opsomt. Met de lichtvoetigheid van twee tieners stellen ze vast wie wat op reis doet.

    Auteur Emma Curvers heeft inderdaad met een vriendin een reis langs een aantal Amerikaanse pretparken en achtbanen gemaakt. In een interview in De Groene Amsterdammer van mei dit jaar zei ze over de vergelijking tussen de twee parken Disneyland en Six Flags: ‘Ik hou van de kunstmatige wereld van Disneyland. Six Flags heeft echt geweldige martelmachines van achtbanen. Maar het is een vreselijk, vies park vol tongzoenende pubers en goor eten.’ De opgedane ervaringen heeft ze vakkundig in Melktanden verwerkt.

    Barstjes, onzekerheden, weerstand

    Ondertussen bepaalt Philip hun leven. Lon volgt, is bang dat ze ‘zal tegenvallen’, wellicht overgehouden aan een gezinsproblematiek waarover Curvers eerder schreef in haar, gedeeltelijk autobiografische, eerste roman Iedereen kan schilderen. Philip houdt van feesten, is vaak ’s avonds weg. Lon houdt er niet van, werkt overdag en hoopt dat met het samenwonen hun dag- en nachtritmes synchroon gaan lopen. Om hun leven meer gezamenlijke structuur te geven nemen ze een hond. ‘En zoals elke mascotte, zou de hond er ook voor ons zijn als er even geen samenhang tussen ons leek te bestaan.’

    Curvers schetst een relatie met alle vrijheid en mogelijkheid tot ontplooiing voor een man en vrouw die ondanks hun verschillen een sterke band lijken te hebben. Ze laat zien hoe er kleine barstjes ontstaan, waar de onzekerheid binnensluipt en toont de – vooral door Lon ervaren – onderdrukte weerstand tegen een wens van de ander.

    Lollig bedoeld?

    Philip maakt een bucketlist van leuke dingen die hij nog wil doen voor hij oud is en Lon constateert dat het allemaal dingen zijn waarin zij geen enkele rol speelt, vooral omdat de lijst steeds langer wordt en zelfs het woord trio verschijnt. ‘Philip en zijn lijst zouden misschien wel verdergaan zonder mij, de vrouw zonder wensen.’

    Lon ontfermt zich behalve over het huishouden ook over hond Frans. Ze is zorgzaam, geeft hem wat hij nodig heeft. Daarom stoort het als Curvers het eerst denigrerend over ‘het lekkende beest’ heeft als Frans nog niet zindelijk is. Later geeft Lon hem een dikke, met de post gekomen envelop om op te kauwen. De envelop met een vrouwelijk handschrift was aan Philip gericht, een onheilsteken voor Lon. Curvers beschikt over een behendige pen en originele stijl waar de humor niet ontbreekt, maar dit doet wat vreemd aan. Is het lollig bedoeld om een hond op een pak papier te laten kauwen?

    Ze had al sloffen aan

    Op de feestjes waar Philip heengaat is ook een Andere Vrouw. Lon is boos en verdrietig, wat ze behalve met af en toe een misprijzende opmerking niet uit. De illusie moet in stand blijven, praten zou die verstoren, minnares Xenia wordt knarsetandend aanvaard. Via Philips browsergeschiedenis zoekt Lon informatie over de rivale. ‘Hoe meer ik over haar te weten kwam, hoe meer het voelde alsof ze bij Philip en mij in huis was komen wonen. Ze zat op onze nieuwe hoekbank, ze had al sloffen aan. Ze droeg een huispak van velours. Ze praatte over haar stage […] ze haalde met gemak ieders sterrenbeeld aan om gebeurtenissen te verklaren. En ik deed niets, behalve afwachten.’

    Eigenaardige wending

    Via een vrijwilligersorganisatie komt ze in aanraking met de oma van Xenia. Dat biedt een opening naar een mogelijkheid tot wraak. Niet Philip maar de oma, Louise, gaat mee naar de Amerikaanse pretparken want deze dame zal autorijden in plaats van Philip. Zelf rijdt Lon niet. Helaas zet Curvers de zevenenzeventigjarige nogal clichématig neer: Afhankelijk, met een rollator in een aanleunwoning, ziektes en pillen, klagerig, en aan het begin van de reis botst ze met de gehuurde auto op een andere. Nogal tegenstrijdig met hoe Louise op reis op gegeven moment haar eigen gang gaat en zich weinig aan Lon gelegen laat liggen. De irritatie slaat bij beiden dan ook toe.

    Op het einde van het boek nemen de gebeurtenissen een eigenaardige, in eerste instantie onbegrijpelijke, wending. Lon wordt door de schrijfster neergezet als een soort misdadigster die haar medereiziger aan grote gevaren heeft blootgesteld. Alsof een scherp denkende vrouw, ook al is ze oud, niet in staat is haar eigen beslissingen te nemen en weloverwogen keuzes kan maken over wat wel of niet binnen haar bereik ligt.

    Kunstgreep

    Curvers weet helder te schetsen hoe twee mensen vrolijk een relatie aangaan, hoe er ondanks alle goede bedoelingen en voornemens toch de klad in komt, hoe mensen elkaar niet goed genoeg blijken te kennen en elkaar onvermijdelijk teleurstellen. De manier waarop ze vervolg geeft aan de neergang van de relatie is echter een kunstgreep die ze niet in de hand houdt. Het verhaal over de Amerikaanse pretparken en achtbanen lijkt belangrijker dan het verdiepen van de karakters of het einde van een relatie. De personages blijven aan de oppervlakte en samen met de vreemde afloop laat het verder prettig lezende boek een onvoldaan gevoel achter.

     

  •  Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

     Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

    Zou het bescheidenheid zijn dat de debutant Martijn den Ouden (1983), die naar eigen zeggen nog nauwelijks poëzie had gelezen voor hij aan het schrijven van zijn debuut begon, koos voor de titel Melktanden? Melktanden zijn geen blijvertjes en minder sterk dan de tanden van een blijvend gebit. De brutaliteit en het lef die van de pagina’s spatten, onderschrijven zo’n hypothese van bescheidenheid allerminst. Iets anders dan: bij jonge dieren is het melkgebit scherper en jonge dieren zijn zich bij lange na nog niet bewust van de kracht van hun beet. Die daardoor vaak harder is. Uit speelsheid wel te verstaan. Dat zou al meer bij deze bundel passen.

    Het stadium van het melkgebit is ook dat van de onschuld, van het vrijblijvend vertoeven aan gene zijde van Goed en Kwaad. En als één ding na lezing van deze bundel wel duidelijk is, is dat de in deze gedichten verhaalde anekdotes zich niet gedragen naar de gangbare opvatting van goed en kwaad. Maar het stadium van onwetendheid lijkt al ruimschoots gepasseerd in deze gedichten. Er ligt dikwijls een nauwelijks verholen verlustiging in een wreed spektakel aan ten grondslag. De touwtjes lijken in handen van iemand die een sadistisch en kwaadaardig genoegen in de fatale afloop schept, in gruwelsprookjes.

    De bundel telt maar liefst 55 gedichten die ongelijk van lengte en over 4 afdelingen verdeeld zijn. Op twee wat liedjesachtige gedichten na, valt de afwezigheid van formele strofen en rijmschema’s op. Titels, hoofdletters en interpunctie zijn nagenoeg buiten de deur gehouden. Maar het poëtische middel van de herhaling op letter-, woord- en regelniveau wordt allerminst geschuwd. Opvallend is verder de hoeveelheid neologismen die dit debuut rijk is: er kan zomaar sprake zijn van ‘bloedgroeten’ ‘ketskoeien’ ‘zwiebeldijen’ of van ‘een bastbrekend bos’ dan wel van ‘een poepsterk wedstrijdpaard’. Een buitenbeentje in de bundel is het langste gedicht (twee en een half pagina) dat slechts uit 1 regel bestaat die maar liefst 85 maal herhaald wordt: ‘ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’. Als een portie strafwerk van de bovenmeester. Ook jongetjes met melktanden moeten weten hoe het hoort.

    Er is bijna geen gedicht waarover niet de dreiging van geweld hangt, als een suspense. Er wordt al dan niet heimelijk gesmacht naar wreedheid, dan wel beschrijven de gedichten op quasi neutrale toon een macaber tafereel waarin, zoveel is zeker, geweld niet lang tevoren heeft plaatsgehad. Weerloze dieren of fabuleuze creaturen hebben het onderspit gedolven, door menselijk toedoen of door veronachtzaming. Soms ook is het slachtoffer een meisje of een kind. De huiveringwekkende, soms grotesk of absurdistisch aandoende verhalen worden op een montere, nonchalante toon opgedist, waardoor er niet alleen kwaadaardige onschuld doorheen sijpelt, maar ook de lach een kans krijgt.

    ‘het diertje is in de brandnetels gevonden

    is het een hoefdier?
    nee,
    hij pist over z’n schoentjes
    zwartgelakte balletschoentjes

    bij Harm deed ie een dansje
    verloor zijn hoed

    doe het hokje maar weer dicht
    straks is ie weg’

    Dit zou je enkel nog in Herenleed van Armando hebben kunnen vernemen.

    Elders is men toeschouwer van een niet nader geduid schouwspel waarbij overduidelijk lijdende voorwerpen betrokken zijn en leest men in het betreffende gedicht bij herhaling de zinnen: ‘wij lachen/ja wij lachen/wij hebben hier veel geld voor neergeteld’.

    De stijl is zelfverzekerd en trefzeker, ook in wat verzwegen wordt. Dat verhoogt de suggestieve lading. Maar deze poëzie is hiermee nog niet afdoende gekenschetst. Tussen droge, vaak niet mis te verstane, beschrijvende regels, kan opeens een onvervalste poëtische regel opduiken als: ‘de zee laat overdag haar honden los in mijn hoofd’ of regels als: ‘in de spiegelogen van het buitenzinnig vee/ schicht kanonvuur naar een traag tranende hemel // later in de lente / tranen zustersogen van netels in heldenhanden’. Het raadselachtig poëtische gedeelte kan soms ook bijkans het gehele gedicht behelzen. Laat ik hiervoor eens een misschien wat minder geslaagd gedicht citeren:

    ‘zonnegoud geschilderde handen
    begraven je tanden
    in braakliggende grond

    het stil gebaar van
    het heeft iets te betekenen
    melktandendokter

    wuift graanrijk over onze lieve aardemoeder

    op jouw leeftijd Laura
    – en je hebt je laten facefucken ?
    is het blijk en bloot dat je met bruidsnagels niet naar tanden graaft
    dertig centimeter kan diep zijn’

    De ongehoorde combinatie van hermetische dichtregels en platte rauwheid werkt verrassend goed. Ze overrompelt de lezer, pakt hem in. Ze maken de anekdote er misschien niet onschuldiger mee, maar benadrukken wel dat de angel van het gedicht in de taal en niet in het verhaal zit. Dat het eigenlijk niet meer is dan een spel met de woorden. Dat het plezier aan de taal het met gemak wint van de verhaalde gruwelijkheden, zegt veel over de poëtische kracht van deze gedichten. Martijn den Ouden draaft er niet mee over de gebaande wegen, maar zet op eigen kracht een zeer gewaagd spoor uit. En hij blijft daarbij verrassend genoeg overeind.

    Een typerend gedicht (maar ieder gedicht uit deze bundel lijkt wel een typerend gedicht, hoewel zeker niet ieder gedicht even sterk is in zijn geheel) is het gedicht op pagina 12.

    ‘bok hok bok
    met bekken dik mos keilgeiten melken
    ketskoeien
    buidelkatten

    bok hok bok
    vijf keer per dag
    gluren in ’t kippenlicht

    wit buigt de brug over het klein knikkerbad
    bok hok bok
    springt het van grafkuilen naar lentebloemen
    bekt in het zalig zuigen van de dingen

    een kom vol vissen draait mee in de pels
    radslag your ass
    sluierdier
    van grafkuil naar lentelicht’

    Wat hierin als regel misschien niet meteen te duiden valt, komt het verstaan van de wrange, suggestieve ondertoon als geheel haast ten goede. Terwijl je het gedicht leest, klopt het. Bij de versregel ‘radslag your ass’ was het me opeens volkomen duidelijk waarom juist Astrid Lampe op de achterflap deze bundel aanprijst.

    Van een lang elegisch getoonzet gedicht uit de laatste afdeling Straten die we overslaan (de afdeling waarin de minste slachtoffers vallen) citeer ik tot slot graag de eerste helft:

    ‘als de wind zo kalm als ze nu is, blijft liggen
    als ze niet meer, dan zo af en toe,
    heel zachtjes kucht, en de bloemen buigen.

    als alle dieren slapen of sluipen.
    als het water een spiegel is.
    als het vuur niets meer dan
    koude handen nog verwarmt.

    als de zon een wit laken is
    aan een boom in een weiland.

    als dit de waarheid is
    en de kinderen met hoofdtooien
    in het lange gras met vossen spelen
    tot het witte laken aan de boom verbleekt
    en het nacht is.

    als het zilver van de nacht
    in het slapend land
    naar de honden roept
    en de honden zich de wonden likken.
    en de regen langs de hemel glijdt,

    juist dan,
    breekt de rand van het dak van het huis waar ik ben grootgebracht.

    beneden veegt een man de stukken bij elkaar.
    met gesloten ogen en gevouwen handen
    prevelt hij voor zich uit:
    men zou het moeten bezweren en als stof zijn zij
    als stof zijn zij in de adem van het beest met de vuren ogen.
    (…)’

    Als het de jury van de C.Buddingh’-prijs, die jaarlijks aan een poëziedebuut wordt toegekend, er om te doen is de eer te gunnen aan de bundel die getuigt van de meeste lef, de sprankelendste en eigenzinnigste stijl, de minste navolging dan kan Martijn den Ouden alvast aan een dankwoord knutselen. Dit is een debuut waarvan je kunt gaan houden en waarvan het verleidelijk is er veel uit te citeren.