• Klassiek in kleur

    Klassiek in kleur

    De kleuren spatten van de pagina’s. Koos striptekenaar Dick Matena voor sober zwartwit bij Gerard Reves De Avonden en Willem Elsschots Kaas, Multatuli’s Saïdjah en Adinda verbeeldt hij in een explosie van groen, bruin en blauw. En het werkt!

    Dick Matena (1943) is een grote naam als het om Nederlandse striptekenaars gaat. Wie de stripbladen Pep en Eppo uit de jaren zeventig en tachtig las, kent hem van verschillende stripseries, zoals De Argonauten en Dandy. Daarnaast schreef hij scenario’s voor Storm en De Partners. In 1986 won hij al de prestigieuze Stripschapsprijs. Toen moest het leeuwendeel van zijn werk nog komen, de verstripping van klassieke kinderboeken, romans en verhalen. Een stroom van titels volgde: Chris van Abcoudes Pietje Bell en Kruimeltje, Nienke van Hitchums Afke’s tiental, Jan Wolkers’ Kort Amerikaans, Kees de jongen van Theo Thijssen. Ook Roald Dahl en Charles Dickens heeft hij eens onder zijn hoede genomen. En dan nu uit de Max Havelaar, Saïdjah en Adinda, de geschiedenis van een tragische liefde tussen twee jonge mensen in de dessa, tegen het decor van kolonialisme en machtsmisbruik.

    De tekst van deze stripeditie is nagenoeg integraal overgenomen van de Max Havelaar-editie uit 1979, zo staat in de verantwoording. Slechts kleine gedeelten van de tekst zijn weggelaten, coupures die de lezer niet opvallen. De spelling is stilzwijgend aangepast, geen ‘den ketapan’, zoals in de editie van 1979, maar ‘de ketapan’. Ook enkele stripplaten hebben het boek niet gehaald, maar zijn wel op een website terug te vinden. Achter in het boek staat een verklarende woordenlijst met Indonesische en Nederlandse woorden: melati is jasmijnbloem, klappa is kokos, ketapan is een boomsoort etc.

    Close-up

    In Saïdjah en Adinda laat Matena Multatuli (Eduard Douwes Dekker) zelf het verhaal vertellen. Al op de eerste pagina portretteert Matena hem, terwijl hij één van de beroemdste regels uit de Max Havelaar voorleest: ‘Saïdjahs vader had een buffel, waarmede hij zijn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het districtshoofd van Parang-Koedjang, was hij zeer bedroefd, en sprak geen woord vele dagen lang.’

    Enkele bladzijdes later blijkt dat Multatuli zijn verhaal voorleest op wat een soiree lijkt van witte, welgestelde dames en heren. De gezichten van die bezoekers zijn interessant. Ze lijken onaangeroerd, zelfs een tikje verveeld in het begin, maar tegen het einde, als het drama heeft plaatsgevonden, draait Matena zijn camera (die vooral close-ups gaf van Multatuli’s gezicht), naar de zaal en zie je hoezeer het publiek geraakt is. Het is een handige zet van de tekenaar om Multatuli sprekend op te voeren en hem in beeld te brengen. Zo zit je als de lezer Multatuli dicht op de huid en probeer je emotie in zijn ogen te ontdekken – wat overigens niet zo gemakkelijk is, ook van Multatuli’s gezicht is moeilijk iets op te maken. Maar juist de pagina’s waarop deze close-ups ontbreken, zijn aansprekender. Je wordt als lezer niet afgeleid en je blijft meer in het verhaal van Saïdjah en Adinda. Natuurlijk is die geschiedenis overbekend. Saïdjah en Adinda past in de traditie van tragische liefdesgeschiedenissen als Tristan en Isolde en Romeo en Julia. Politiek blijkt telkens fnuikend voor de liefde.

    Eenzaamste plaat

    Saïdjah vertrekt naar Batavia om voldoende geld te verdienen voor twee buffels. Hij belooft Adinda met haar te trouwen wanneer hij terugkomt. Dan komt de korte dialoog tussen Saïdjah en Adinda die de schaduw van de tragiek vooruitwerpt.

    ‘Als ik terugkom zal ik roepen in de verte…’
    ‘Wie zal dat horen, als we rijst stampen in ’t dorp?’
    ‘Dat is waar. Maar Adinda… O ja, dit is beter. Wacht me bij het Djatibos onder de ketapan, waar je mij de melati hebt gegeven.’
    ‘Maar Saïdjah, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te [op te] wachten bij de ketapan?
    Saïdjah bedacht zich een ogenblik en zei: Tel de manen. Ik zal uitblijven driemaal twaalf manen…’

    De terugkeer van Saïdjah bij de ketapan levert de mooiste strippagina’s op. Zijn geduld wordt op de proef gesteld. Hij observeert tijdens zijn ‘afmattend wachten’ het op en neer klauteren van een eekhoorn, ziet de komst van een vlinder. In de decors wordt wit steeds prominenter. Als Saïdjah naar
    Badoer rent en het huis van Adinda niet meer kan vinden, staat hij uiteindelijk in een groot wit vlak, met om zich heen – op afstand – de vrouwen van Badoer met in hun rug het groen van het oerwoud. Het is de eenzaamste plaat van het boek, die je meteen raakt.

    Saídjah sluit zich aan bij de opstandelingen tegen het Nederlands gezag: ‘niet om te strijden zozeer, als om Adinda te zoeken. Want hij was zacht van aard, en meer ontvankelijk voor droefenis dan voor bitterheid’. De kleuren zijn donkerder geworden, zeker bij de vondst van het dode lichaam van Adinda. Saïdjah, overmand door verdriet, werpt zich in de bajonetten van de Nederlandse soldaten.

    Tekenstijl

    Wat opvalt is dat Dick Matena in zijn tekenstijl meer inzoomt dan uitzoomt. Kenmerkend zijn de portretten, of uitsneden van gezichten, met name die van Multatuli of van Saïdjah, en heel verschillend zijn die gezichtsuitdrukkingen nu ook niet. Net iets te vaak zet Matena zijn camera op de lip van de personages. Het zijn de grote tekeningen die Saïdjah en Adinda bijzonder maken: de buffels op het land, de aanval van een tijger op een liggende Saïdjah, de jongen die uit de klappaboom valt, of de aankomst van Saïdjah in Serang, tekeningen die de lezer bijblijven, tekeningen – en kleuren! –  die de lezer brengen in het Nederlands-Indië van de negentiende eeuw. Dan zie je Matena’s meesterschap.

     

  • ‘Hertalen die handel!’

    ‘Hertalen die handel!’

    Lang was Marita Mathijsen faliekant tegen het hertalen van boeken die kunnen bogen op een canonieke status in de Nederlandse literatuur. Ze zag niets in het inwisselen van door een schrijver weloverwogen gekozen woorden voor hedendaagse equivalenten. Hertalen deed in haar ogen geen recht aan het origineel. En het inkorten van een verhaal ook niet. Inmiddels is Marita Mathijsen om. ‘Liever een luie lezer dan geen lezer. Hertalen mag. Het is de enige manier om literatuur uit het verleden te redden van de vergetelheid’, liet ze zich vorige maand in een interview ontvallen.

    Ik snap haar oorspronkelijke bedenkingen. Waar Marita Mathijsen bang voor was, is dat literaire meesterwerken teruggebracht worden tot simpele verhaaltjes. Als literatuur staat of valt met de stem en de stijl van de schrijver wordt met het hertalen en/of inkorten van een tekst iets wezenlijks geamputeerd. Ik snap ook waarom ze terugkwam op wat ze vond. Ze wil dat Vondel, Multatuli, Couperus en al die andere voortreffelijke schrijvers uit het verleden gelezen en gewaardeerd worden door nieuwe generaties lezers. Taal mag wat ze te vertellen hebben niet in de weg staan.

    Het belang en de zeggingskracht van letterkundige werken van voor negentienhonderdnogwat wordt in Nederland onderschat. Of het ontbreken van een hertaaltraditie daar de oorzaak of een gevolg van is, laat ik in het midden. Maar betreurenswaardig is het ontbreken van die traditie wel.

    Een tekst die stevig in zijn schoenen staat, kan heel wat hebben. Neem nou Hamlet. Ik hou van Hamlet en die liefde werd tijdens mijn meeste recente verblijf in Londen bekroond met vier versies voor mijn verzameling die inmiddels meer dan honderd exemplaren telt. In lang niet al die exemplaren wordt het toneelstuk van William Shakespeare op de voet gevolgd. Sommige ver- en hertalers veroorloven zich heel veel vrijheden. Maar Hamlet blijft Hamlet. Als Hamlet het kan hebben dat hij grondig onder handen genomen wordt, waarom zouden Gijsbrecht van Aemstel, Max Havelaar en Eline Vere dat dan niet verdragen?

    Nederland is het bewerken van haar eigen klassiekers niet gewend, maar helemaal onbekend is het fenomeen hier ook weer niet.
    Eerstegraads docente Nederlands en schrijver van de roman Darko’s lessen Michelle van Dijk pakte de door Marita Mathijsen én Ronald Giphart – ‘hertalen die handel!’ is zijn motto – toegeworpen handschoen op en treedt daarmee in de voetsporen van onder andere Ivo de Wijs, Daniël Mok en Gijsbert van Es, die zich ontfermden over De geschiedenis van Woutertje Pieterse, De kleine Johannes en Max Havelaar. Michelle van Dijk maakt zich sterk voor Louis Couperus’ Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. Haar hertaling die het origineel uit 1906 trouw volgt, is werk in uitvoering en verschijnt als feuilleton op haar blog.

    PS. Anders dan Marita Mathijsen suggereert is hertalen niet de enige manier om klassieke literatuur nieuw leven in te blazen. Verstrippen is ook een optie. Kijk maar naar Dick Matena en Viktor Hachmang. Hachmang werkte ruim drie jaar aan de graphic novel Blokken: de mislukking van een heilstaat en gebruikte daarbij gewoon de woorden van F. Bordewijk.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.