• Structuur van een tragedie

    Structuur van een tragedie

    In de ouverture van de derde bundel van Max Greyson, Dramaturgie van het loslaten word je direct meegenomen in het meeslepende liefdesspel dat het ik met zichzelf en de ander opvoert. Je voelt direct de behoefte om te weten hoe dit drama afloopt. Greyson heeft voor deze bundel als dichter en theatermaker de klassieke vorm van de tragedie gekozen met een opbouw van vijf bedrijven, een ouverture, een epiloog en een interlude na het derde bedrijf. De drive die hij zijn verzen meegeeft, laat zich goed begrijpen vanuit zijn ervaring als spoken word performer. In verschillende verzen maakt hij gebruikt van parallellie en opsomming. Met het motto van Maya Angelou: ‘One paints the beginning/ of a certain end// The other, the end of a sure beginning’ illustreert Greyson hoezeer de personages in dit levensdrama staan, al cirkelend rond zichzelf en elkaar. Gedurende de opvoering van dit drama koesteren ze voortdurend een oprecht en intens verlangen naar elkaar. 

    In de ouverture ‘Chanson’ bespeurt het ik ‘het milde gebaar’ om afgewezen te worden. Er is op dat moment al tussen de geliefden een spatie zichtbaar ‘tussen geest en drift’.  De betovering van de ander zit voor het ik in haar manier van bewegen. In zijn nadering betrapt hij zichzelf op vluchtgedrag. Greyson is er een meester in om met aansprekende personificaties en metaforen je een voorstelling te geven van het proces waarin het ik en de jij zich begeven. Daarbij zet hij wat het ik wel en niet bekoort tegenover elkaar. Zo kan de schoonheid van ‘de gouddooraderde ogen’ niet de bekoring van het ik voor de jij doen verminderen, maar wel haar ‘trage sier’ van schouders. 

    Opbouw van het drama

    Het eerste bedrijf ‘jij’ is als een Genesismoment. Daarin ontspint zich de intrige van het spel van aantrekken en loslaten. Een woord als ‘bindingsangst’ valt, maar ook de uitspraak ‘we maken ons op om te spelen’. In ‘Fiat lux’ bevinden het ik en de jij zich op het toneel en voeren elke avond hun dialoog in de spotlights op. Er is plankenkoorts, schroom om zich aan zichzelf, elkaar en het publiek te tonen. Het ik heeft er moeite mee ‘dezelfde vanzelfsprekendheden schuldig te blijven’ en heeft behoefte aan ongrijpbaarheid. Ze zoeken naar de juiste houding tijdens hun repetities. Zodra ze op het toneel staan, bevriezen ze in de stilte.  Ze zoeken naar dekmantels voor hun ware gevoelens door middel van beeldspraak: ‘De zin van dit rekken is vrijlaten/ zonder los te raken, in het rafelen/ niets van mezelf verliezen’. 

    In het tweede bedrijf ‘zij’ lezen we het verhaal van de pleegdochter. Zij vertelt aan het ik hoe in haar ogen de wereld draait. Met de ‘tedertalige vorm van medeleven’ van het ik heeft ze moeite. Het gebruik van deze nieuwvorming illustreert dat nog eens. Haar werkelijkheid is te pijnlijk voor woorden. Gevlucht uit haar dorp in Afghanistan vertelt ze van haar ‘spooktocht’ naar een veilige haven. Ze merkt hoezeer ze is getekend door haar cultuur en voorgeschiedenis, waar ze moeilijk van kan loskomen, zoals ‘de man aan wie ze was uitgehuwelijkt’. Haar lichaam vergeet niet wat ze heeft doorgemaakt. Ze ervaart haar dingelijkheid en weet dat de werkelijkheid niet deugt. In het laatste gedicht ‘Oost West’ gebruikt Greyson de typografie om de twee werelden waarin de pleegdochter leeft uit te drukken door links, rechts en door het midden tekstfragmenten af te drukken die haar innerlijke gespletenheid tonen. Het loslaten van de Afghaanse en het ingroeien in een Vlaamse cultuur strijden om de voorrang.  Uiteindelijk is haar wens vrij te zijn en niemand toe te behoren. Wereldproblematiek van de vluchteling spiegelt zich hier aan de persoonlijke tragedie tussen het ik en de jij. 

    Koor van tussentijds commentaar

    Het derde bedrijf ‘wij’ staat in het teken van de intensieve verkenning van elkaars werelden. De ontaarding in de liefde lag op de loer. Nu het ik en de jij bij elkaar zijn is bij haar de vrees voor de Blauwbaard in de ander. Er is afstand tussen de geliefden. Athene en Parijs. Sms-contact als teken van af- en aanwezigheid. Er schuilt iets van de Persephone in de jij bij de halfjaarlijkse afwezigheid van het ik. De jij is bang voor die afstand en vreest dat het ik een ander zal zijn als hij terugkomt. Ze weten zich omringd door de grote boze buitenwereld. Het ik probeert echter deze ‘ontwijkende wijs’ te omzeilen. Toch is er dan nog het ‘zwijgen’ van de ander als was zij ‘De stomme van Portici’. Tot slot dromen ze samen ‘terug de kamer in’ en wegen hun geheugen, laten zich wiegen ‘als een lied’. En dan is er de constatering dat ‘een lichaam […] beter [weet] dan een hoofd/ wat het moet onthouden en vergeten’. Telkens speelt bij de jij de gedachte aan het rollenspel, dat leven heet, te willen ontsnappen. 

    Zoals in tragedie gebruikelijk is, geeft het koor tussentijds commentaar op de gebeurtenissen. In de interlude kijken anderen naar het ik en de jij. We hebben elkaar in de wereld mandaat gegeven om te praten, maar dat leidt helaas tot de conclusie, dat het leven ‘een dialoog van doven’ is. ’Eerst aan zee’ is zo’n gedicht waarin Greyson met de repeterende versregel ‘Er is een feest aan zee’ de huiver, vrees en angst die bij de ‘toneelspelers’ leeft, kracht bijzet. Zo doet het ik in ‘Onenightstand met Amsterdam’ een (zelf)verkenning bij een hoer, om tot de conclusie te komen: ‘hoe graag ze gebonden wordt, maar [ze] zich niet bindt’. Hij ervaart in haar onervarenheid van het vertragen, opnieuw zijn eigen moeite in het loslaten. In het gedicht ‘Woke’ toont Greyson zich waakzaam en kritisch om ‘de westerse geschiedenis van haar opsmuk’ te ontdoen. Hij spreekt in ‘Generatiepact’ een mild oordeel uit over de voorgaande generatie, wetend dat de volgende het niet veel beter zal doen, kortom, laat je oordeel los. 

    Zo steekt loslaten in elkaar

    In het vierde bedrijf ‘Zij’ (de moeder) komt een bewustwording tot stand. Telkens komt ’s nachts in haar dromen de overleden moeder van de jij haar opzoeken. Ooit is ze zoekgeraakt. Hoewel het ik en de jij een vorm van zwijgen hebben gevonden omtrent haar, trilt nog altijd: ‘je moeders stem […]/ in het gips van de muren’. Weemoed heeft de jij bevangen: de ik ‘hoorde tussen het fluiten van je adem door/ hoe herinneringen visioenen werden’, als het gaat om de moeder. Dat verleden, heden en toekomst ononderbroken doorlopen geeft Greyson aan door de ontbrekende leestekens. Steeds duidelijker wordt dat de dingen nooit de dingen blijven onder invloed van het ‘flirten met de dood’. Het kost de jij moeite om de moeder los te laten. 

    Telkens blijft in het ik de verleiding bestaan de jij ‘liever te vergeten, dan naar […][haar] te moeten kijken’. In elke ervaring speelt de relativiteit een rol. Het zelfinzicht neemt toe. De mentale omslag nadert, zoals te lezen in het gedicht ‘Na de komma’:

    ‘De toegift, de complimenten, de buiging
     krommend knikken
     uit beeld verdwijnen en weer terugkomen
     de buiging nog net iets dieper,  iets langer aangehouden

     Wie elkaar kwijtraakt, komt elkaar pas weer tegen
     wanneer de een niet zoekt en de ander niet wacht’ 

    Pas wanneer de ontspannenheid over het opgaan in elkaar er is, kan het loslaten leiden tot meer vrijheid: ‘maar dichter, je zal zingen op papier of je zal zwijgen/ hou op, ze slaapt in een andere kamer/ ze is verwijderd, ze heeft je losgelaten/ je bent vrij’. Zo steekt voor Greyson de dramaturgie van het loslaten in elkaar.

     

     

  • Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    In een half jaar tijd meer dan honderdtachtig gedichten vergaren voor publicatie in een nieuwe editie van Het Liegend Konijnga er maar aan staan. Jozef Deleu, hoofdredacteur van dit tweejaarlijkse poëzieboek doet dit al vijftien jaar lang, elk half jaar. Speuren naar – en proeven van pril afgescheiden dichtwerk waarbij telkens weer een soort afweging wordt gemaakt die – niet te achterhalen hoe – maar in alle gevallen wel raak geschoten is. Een keuze waarbij – zoals Deleu zegt in een fijn interview met Jeroen van Kan in poëzieblad Awater – hij zich niet laat binden door poëtica: ‘Als je vervuld bent van een eigen gelijk, van een eens en voorgoed vastgesteld poëtica, dan is er eigenlijk geen gesprek meer mogelijk.’

    Goede keuze
    De ramen moeten open bij Deleu en laat al lezende binnen wat er binnenkomt. Dat is ook precies wat je telkens weer ervaart bij een nieuwe editie van Liegend konijn; een keuze van gedichten waar geen dwang naar vormgeving, gedachtegoed of wat dan ook achter zit. Toch is er geen willekeur in het spel. In het interview in Awater – als tijdschrift een must voor poëzielezers – vertelt Deleu dat er nogal wat dichters zijn die hem niet persoonlijk liggen maar dat het belangrijk is om voorbij te gaan aan je eigen smaak; ligt een dichter je niet, dan wil dat niet zeggen dat hun gedichten niets voorstellen. En dat is merkbaar, de poëzie in Het Liegend Konijn is immer goed gekozen en poëzie waarbij de smaken uiteenlopend zijn.

    In een redactioneel voorwoord laat Deleu weten dat het poëzietijdschrift in deze tijd waarlijk ‘een daad van verzet is tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden (…). En ja, gezien de beeldende, betoverende en experimentele bijdragen in deze editie en alle voorgaande edities, mag de politiek zich schamen dat ze geen aandacht besteedt aan deze vorm van cultuur waarin –  volgens Deleu – dichters als archeologen beschouwd kunnen worden, ‘die zoeken naar de gelaagde en meerzinnige betekenis van de woorden’.

    De plaatsing van de gedichten gebeurt enkel op alfabetische naamvolgorde en wordt niet door thema of redactioneel oordeel beïnvloed. Ook het aantal gedichten per dichter verschilt nogal en lijkt enkel en alleen van de goedkeuring van Deleu afhankelijk  te zijn. Een staalkaart van poëzie waaraan de kunst van het heersende dichterschap kan worden afgelezen. Zoals Frank Keizer (1987) in zijn  – uit dertien afdelingen bestaande – gedicht; ‘Zorg en macht’: ‘er is niet zoiets als een samenleving / alleen buren, familie / en individuen / maar ik heb gevoelens / in die samenleving / en ik ben alleen

    Tijdsbeeld en verscheidenheid
    Liegend konijn
    geeft onderhand een tijdsbeeld weer van de Nederlandstalige poëzie van de laatste anderhalve decennia. Fijn is het dat naast frisse poëten ook bekende dichters als nieuw naar voren komen met hun werk. Zoals Willem Zadelhof met een serie kleine gedichten over de ‘hysterische liefde’ ‘ach met liefde heeft het niet eens zoveel te maken’. En die enkele dichter met één gedicht: K. Michel (1958): ‘Onder bankiers (in de City)’ (…) jaag de groei ademloos door roeien en ruiten en Piet Gerbrandy met zeven slagen in het donker. Daar tegenover staan er van Tijl Nuyts (1993) een reeks van tien (prachtige) gedichten in onder de titel: ‘Toerist’.

    Of Kira Wuck met drie gedichten waarvan ‘Bezwering’ de boel loszingt:  ‘Als de stewardes zegt dat we eerst onszelf moeten redden voordat we anderen / lacht een man, zijn ruwe huid barst open’
    Deze strofe brengt je direct in dat vliegtuig en hoor je de stewardess uitleggen hoe te overleven bij een ramp. Die man die lachend openbarst, hoe bevrijdend maar ook hoe schurend (door het woordje ‘ruwe’) dat werkt. De neiging herken je, op zo’n moment van eensluidende braafheid van burgers die in eenzelfde schuitje zitten. Verderop zegt de stewardess dan ook: ‘het gaat zelden mis (…) / maar als er wat gebeurt, komen we er zelden goed van af / dus vergeet wat ik allemaal gezegd heb’. Wat van zo’n heerlijke openheid is dat je direct inziet hoe we onszelf voor de gek houden met al die veiligheidsvoorschriften.

    Grasduinen
    Ach, en alleen al de titels te lezen in de inhoudsopgave doet de dichter in je door de knieën gaan: ‘Het trillen van veengras / Jij en ik / ze zeggen / Kattebel / Duizeling (Oostende)/ Wat jou minder vrolijk maakt / Ik dacht jij was / kan je de tijd wat zachter zetten / De ratten van de oude wereld 1.2.3. / Gebedenboek / Een krap schilderij / Zalmkanonnen oestermeisjes / Een vos lag vuil / De kunst van het prutsen / Merels ten spijt / Insomnia ‘

    Grasduinend door deze editie wordt hier en daar een strofe geproefd als waren het kleine snacks: ‘Je besluit ook de vorm van halve giraffe op te geven’ (Esther Jansma) en ‘De angst zit veilig op dubbelslot’ (Max Greyson). En met grotere trek  de gedichten van onder meer Elvis Peeters (1957) ‘Een man’ in vier genummerde coupletten: 1 Het is moeilijk goed te doen. Dat is / de wijsheid die hij bedoelt. / (…) / Kijk, hij is getrouwd, dan zie je alles met andere ogen. / Liefde maakt blind / Het huwelijk maakt scheel.

    Een editie om hardop uit voor te dragen om vrouw en vriend te behagen. En dan bekoort vooral Ik heb de tuinman ontmoet van Nafiss Nia (1968). Waarbij de ’tuinman’ uit ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck, komt. En van Laurinne Verweijen (1981) – die nog geen bundel heeft gepubliceerd en er met vijf gedichten in staat, onder meer deze: “Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ die uit acht  afdelingen bestaat: 2 Het is met je vingers teruglopen langs het hek / van de dierentuin. Voor het eerst / in een andere stad, / toetreden tot een taal die je nooit / met elkaar gesproken hebt. – zou binnenkort wel eens een bundel van kunnen verschijnen.