• Mijmerweer

    Mijmerweer

    Lezen doe je in stilte. Het is een ideale bezigheid voor mensen die de eenzaamheid verkiezen. Het cliché luidt overigens dat je bij het lezen nooit alleen bent: je bent immers in gesprek met de schrijver. Het fijnste is om op een mooie zomerdag buiten te lezen. Onder de parasol of – beter nog – onder een boom, als je die in je tuin hebt staan. Het is iets om je op te verheugen: de badwaterwarmte van de atmosfeer, een zacht zomerbriesje dat af en toe een beetje koelte aanwaait, de dromerigheid van zo’n zomerdag die zich vermengt met woorden.

    Enthousiast installeer ik mij op zo’n dag in een oude tuinstoel met het zorgvuldig uitgekozen boek en dan weet ik opeens weer hoe het werkelijk is. Buren krijgen bezoek waarbij er om het hardst moet worden gepraat en gelachen. Het zwembadje wordt opgepompt en de lucht even daarna gevuld met uitzinnig kindergekrijs. Het springkussen is een standaard bron van onrust. De opdringerige geur van de barbecue kringelt algauw mijn neusgaten binnen. Het gezinsleven is meer dan ooit een kermis.
    Al die tijd probeer ik me te concentreren op mijn roman. Er komt niets terecht van het gesprek met de schrijver: flarden geleuter komen tussen zijn goed geplaatste woorden terecht. Ik zou willen dat er geluidswallen om mijn tuin stonden in plaats van houten schuttingen.

    Dan besluit ik er iets van te zeggen, weer later toch maar niet. Het is per slot niet altijd zomer. Hoewel, met de zomers van tegenwoordig? De dag daarop is het weer raak. Urenlang. Ik krop mijn woede op. Val ik hén soms lastig? Mijn verbeelding wordt nu alleen nog maar aangewakkerd door de buren en neemt steeds onfrissere vormen aan. Het begint met de tuinslang om de overlast weg te vegen met dikke waterstralen. De meurende barbecue te blussen.
    Maar natuurlijk ga ik op een gegeven moment gewoon naar binnen. Het is er koel. De boeken uit mijn boekenkast staren me onbewogen en verstandig aan. Er gaat een enorme rust van uit. Voordat ik mij ongestoord in mijn boek verdiep, denk ik nog even aan Maarten ’t Hart, die het meest van de maand november houdt. Dan kun je ongestoord lezen. Buiten valt druilerige regen of hangt een kille mist waarin niemand zich waagt. Ook dat is mijmerweer.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers en dichters uit het verleden.

     

  • Zomerlezen – Novelle als vakantievoer

     

     

     

    Wereldverzamelaar

    De Brit Richard Burton (1821 – 1890) leefde in een eeuw waarin reizen nog avontuurlijk was. Hij was officier, diplomaat, schrijver, vertaler, spion en ontdekkingsreiziger. Hij bereisde India, het Midden-Oosten en Oost-Afrika. Anders dan veel van zijn koloniale landgenoten stelde hij zich open voor andere culturen en godsdiensten. Hij mengde zich anoniem met de lokale bevolking en was permanent op zoek naar nieuwe inzichten. Burton vertaalde onder meer Duizend-en-een-nacht en de Kamasutra. De Duits-Bulgaarse schrijver Ilja Trojanow (1965) schreef over zijn grote held De wereldverzamelaar, waarvoor hij in zijn voetspoor reisde.
    Het is een van de redenen waarom het zo’n geloofwaardig boek is, ondanks de ongelooflijke avonturen die erin worden beschreven. Daarbij beschikt Trojanow over een groot inlevingsvermogen en een enorme verbeeldingskracht. Burtons reizen naar onder meer Mekka en de bronnen van de Nijl lezen als een jongensboek. Het bevat levende personages tegen zinderende decors. Door de verschillende vertelperspectieven en de prachtige, kleurrijke stijl is het boek ook een grote literaire prestatie. Het zijn reizen die je zelf nooit had durven maken. Vooral de tocht door het Afrikaanse oerwoud is huiveringwekkend vanwege de verschrikkelijke ontberingen. Dankzij Trojanow kun je deze net zo intens vanuit je veilige stoel meemaken. Naast oog voor sfeer heeft Trojanow ook aandacht voor persoonlijke tragiek. De wereldverzamelaar is niet alleen een roman die de geest verruimt en je dagen achtereen geboeid houdt, het is er een die ook ontroert.

    Wereldverzamelaar
    Auteur: Ilija Trojanow
    Uitgeverij: De Geus (2008)

    Het meten van de wereld

    Deze roman van Daniel Kehlmann (1975) speelt ook eind negentiende eeuw en gaat over twee wetenschappers die volhardend en fanatiek hetzelfde doel nastreven. Twee grote genieën: Alexander von Humboldt en Carl Friedrich Gauss. Beiden willen de wereld opmeten. De eerste door met zijn meetapparatuur naar onbekende streken te trekken, de laatste zonder zijn geboorteplaats te verlaten, aan de hand van wiskundige formules. Von Humboldt is de avonturier, Gauss heeft een hekel aan reizen. Beiden laten zich leiden door de sterren. Kehlmann schrijft de pogingen van zijn beroemde landgenoten luchtig en met humor op. Met oog voor sprekende details weet hij het verleden tot leven te wekken. Door zijn hoofdpersonages om en om te beschrijven houdt Kehlmann het verhaal boeiend en accentueert hij het onderlinge contrast. De personages zijn geen kille wetenschappers, maar mensen van vlees en bloed.
    De gedreven Von Humboldt weet letterlijk van geen ophouden en neemt de meest krankzinnige risico’s. Tot afgrijzen van zijn verstandige reisgezel, de Fransman Bonpland, een onvergetelijk personage. Met zijn grenzeloos gedrag zet Von Humboldt hun gezondheid meer dan eens op het spel. Gauss worstelt zijn hele leven met de liefde. De roman laat niet alleen hun bevlogenheid, maar ook hun eenzaamheid zien en roept vragen op over mislukking en succes. Tenslotte komt de vraag of al dat reizen wel ergens goed voor is.

    Het meten van de wereld
    Auteur: Daniel Kehlmann
    Uitgeverij: Rainbow (2006)

    Lipari

    Dat een ideaal reisboek niet dik hoeft te zijn, bewijst deze novelle waarmee Robbert Welagen (1981) debuteerde. Je moet gewoon wat trager lezen. Er hoeft ook niet per se vreselijk veel in te gebeuren. Welagen geeft je alle ruimte om te fantaseren. Zijn boeken zijn dromerig en raadselachtig. Het verleden speelt er een belangrijke rol in. In Lipari ontmoet hoofdpersoon Robbert op dit Italiaanse eiland een opzienbarend echtpaar: ‘Ik was gefascineerd door Gerard en Chaphine’. Het leven leek hen niet aan te raken.’ Hij observeert hen en probeert achter hun geheim te komen. De novelle speelt zich af op een verlaten plek:

    ‘Hotel Cavazzoni was een voormalig landhuis met slechts zeven kamers, opgetrokken in Palladiaanse stijl. Aan de zeezijde van het hotel lag een groot verhoogd terras met een balustrade eromheen. Aan de achterkant bevond zich het zwembad in de weelderige hoteltuin. Daar kwam vrijwel niemand.’

    Met eenvoudige zinnen roept Welagen een sterke sfeer op. Uiteraard die van Italië, waardoor je vanzelf in vakantiestemming komt. Lipari is verkrijgbaar in een uitgave met een andere mooie novelle, Philippes middagen, waarin de hoofdpersoon in de zomer gewoon thuis blijft. Welagen heeft net weer een nieuw boek uit, ‘Antoinette’, 112 pagina’s ‘dik’. Ik denk dat ik dit deze vakantie maar eens ga lezen.

    Lipari
    Auteur: Robbert Welagen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
  • Lees in je eigen tuin

    Er zijn twee soorten lezers. De reguliere lezer, die elk verloren kwartier gebruikt om een paar bladzijden te lezen. Standaard een stapeltje boeken naast het bed. Mensen die de dag met een boek beginnen zoals anderen met een sigaret. En de vakantielezer, die zelden of nooit lezen en plotseling een korte periode van geletterdheid doormaken. De laatste categorie leest vooral thrillers of andere ‘light reads’. Lezen doe je namelijk wel om te ontspannen. In het vliegtuig of op het strand. De e-reader is dankzij deze groep lezers geen totale mislukking geworden. Je wilt toch geen grote stapel boeken meesjouwen in je bagage? Het is alsof je met stenen verzwaard op reis gaat. Ik begrijp het dan ook niet, dat vakantielezen. Ik moet dan aan Harry Mulisch denken. Die zei: ‘als ik reis dan ben ik bezig met reizen en met niets anders.’

    Gelijk had hij, reizen is een ervaring op zich. Je moet dan om je heen kijken en niet in een boek of op een scherm. Zelfs op treintrajecten die ik al mijn hele leven afleg, kijk ik graag naar buiten. De werkelijkheid is altijd anders.
    Ik kende ooit iemand die zowel hartstochtelijk lezer als reiziger was. Als hij op reis ging, nam hij een tas vol boeken mee. Acht tot tien dikke pillen. Hij bleef vaak lang weg, en begaf zich in verre, exotische streken. Landen waarvan menigeen droomt er ooit geweest te zijn, zelfs in deze tijden waarin mensen makkelijk het vliegtuig instappen. Hij las in bussen, boten, vliegtuigen en treinen, terwijl het landschap aan hem voorbij trok. Uitgelezen boeken liet hij achter in hotelkamers, zodat zijn ballast steeds lichter werd. Ze hoefden dan thuis de boekenkast niet meer in, in een huis dat al uitpuilde van de boeken. Want hij kocht en las ze het hele jaar door. Mooie literatuur. Klassieke meesterwerken. Thuisgekomen vertelde hij enthousiast waarover ze gingen. Zo weet ik dit.

    Waarom ga je dan op reis? vroeg ik me af. Lees ze in je eigen tuin. Reis in je hoofd en bespaar je een hoop geld. Wat je weer aan boeken kunt besteden. Overtollige boeken vinden een gretige ontvangst bij de kringloopwinkel. Of die kennis inmiddels een e-reader heeft aangeschaft, weet ik niet. Maar ongetwijfeld bevindt hij zich deze zomer weer in een of ander fantastisch land. Al lezende.

     


    Mathijs van den Berg volgt literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers en dichters uit het verleden.

     

  • Luisterrijk benoemen van het raadsel

    Luisterrijk benoemen van het raadsel

    Een nieuwe bundel van Anneke Brassinga is op voorhand een belevenis. Vijf jaar na Het wederkerige (2014), een tijdspanne waarin ze twee essaybundels publiceerde – Grondstoffen, (2015) en Hapschaar, (2018) – verscheen haar elfde dichtbundel, Verborgen tuinen. Wat een sfeervolle en raadselachtige titel is. Tuinen zijn werelden op zich vol zintuiglijke sensaties en hier gaat het ook nog eens om verborgen tuinen: een mooi beeld waarin de fascinatie van de dichter voor de natuur is vervat en haar voorkeur voor het raadselachtige. De vraag die Brassinga zich voortdurend stelt is hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. ‘Verborgen tuinen’ zijn ook de gedichten zelf, vanwege hun enigmatische karakter en bijna natuurlijke schoonheid.

    Reeks en haiku’s

    De bundel opent nogal onconventioneel met een reeks foto’s die Brassinga in Berlijn maakte en die ze becommentarieert met haiku’s. Dit levert mooie observaties en mijmeringen op met een symbolische lading. Bijvoorbeeld bij een foto van een met een naakte vrouw beschilderde schutting: ‘Mensen – door muren, / vanachter schuttingen – zij / herrijzen blijvend’. Door de gedichten worden het ook voor de lezer sterke ervaringen. Brassinga heeft oog voor het alledaagse en ziet in het lelijke het schone. Een reeks die vanwege de zintuiglijkheid goed aansluit bij de rest van de bundel.

    Composities en muziek

    Behalve over kijken gaat het in Brassinga’s poëzie ook over luisteren, over muziek. De kleuren van de bomen in het openingsgedicht van het tweede deel ‘De geheime tuin’ worden beschreven als geluiden: ‘Nog tweedgroen, discreet lispelend, staan ze pal achter Ting-Jie, / Miss Gingko, die rijk en sierlijk boven het gepeupel uit /gouden fanfare zou zijn als kleur klinken kon’. Taal die door de alliteraties ook zelf zingt. Later in de bundel zijn er rechtstreekse verwijzingen naar componisten als Bruckner en Rachmaninov, waarbij de muziek weer in verband wordt gebracht met de natuur. Cultuur en natuur blijken dan op gespannen voet met elkaar te staan:

    ‘Een olifant ontwaakt in het hiernamaals van ivoren toetsen –
    slagtanden getemd maar welk ondier wil ooit leren
    musiceren? En ook van nature fijnzinnig trillende rimboebomen
    zijn omgehakt, als lijk, met hoogglans gelakt, diep in hun pit
    tegen elke dressuur gekant’.

    Vergankelijkheid

    Brassinga benadrukt vaak het eeuwige en cyclische karakter van de natuur: ‘Het lijkt of ik u ken uit een vorig leven; / was het Tiergarten, toen we allemaal gekapt werden/ voor brandhout in die oorlogswinter,/ of Boeddha’s hertenpark?’ Maar hoe zit het dan met de mens? ‘Als iets geboren is, geleefd heeft/hoe kan het dan/ ooit nog ontsnappen aan de wereld/ en de hemel eromheen (..)?’ schrijft ze in ‘De geheime tuin’, een in memoriam waarvan er trouwens meerdere in de bundel voorkomen. Tegelijkertijd wordt de sterfelijkheid en nietigheid van de mens sterk ervaren. De tegenstelling tussen dood en terugkeer, vergankelijkheid en eeuwigheid, komt in de hele bundel terug.

    Bespiegelingen

    Waar de mens zich van de natuur onderscheidt is de verbeeldingskracht: ‘ (…) omdat de schepper / heeft vergeten de natuur lofprijzing in te geven / zitten wij ermee: hiertoe op aarde te zijn – als onnatuur / geschapen zijn voor de kunst.’ De mens is een schepper, hoewel dat scheppingsproces niet te beschrijven valt: ‘Scheppen hult zich in roes / van klaarte; geen mens die het navertellen kan.’ Het mooie is dat Brassinga’s poëzie geen antwoorden geeft. De dichter bespiegelt, bevraagt, twijfelt hardop. De lezer kan hier vervolgens zelf zijn of haar gedachten over laten gaan.

    Door de melancholieke toon lijkt de poëzie aan de zware kant. ‘Wie kon weten dat een toekomst eerder sterft dan wij?’, vraagt de dichter zich bijvoorbeeld af in ‘Nostalgie’. Er is soms zelfs een romantische flirt met de dood. ‘Daarom, Heer, geef mij een gat in de grond’. Maar er is ook lichtheid en humor. ‘In een dorre woestijn kan een appelboomgaard heilig zijn – maar hier? Met maaltijdsnacks en volop/drinkyoghurt in de aanbieding, én een hulplijn/voor seksueel misbruikte voetballers van gevorderde leeftijd?’ Die tegenstelling tussen ernst en lichtvoetigheid zit ook in de vorm.

    Experimentele vormen
    De gedichten bevatten vaak archaïsche of ronduit onbegrijpelijke taal (‘verkorven’, ‘geprotuberanst’), statige neologismen (‘parelschommelende’, ‘geestvonkatoom’) en ingedikte regels vol inversies, waardoor de gedichten soms moeilijk te volgen zijn. Maar Brassinga gebruikt ook de dialoogvorm, klanknabootsingen, (‘oewaaah-argh’, het geluid van een ‘brullustige zeeleeuw’), of dialect (in het zeer geestige ‘Dûh Jögd’, over de jeugd van tegenwoordig).

    Naast de soms onnavolgbare taal, vormen ook de vele literaire verwijzingen en citaten een uitdaging. Het is een sport op zich deze te plaatsen, waarvan de verwijzingen naar Brassinga’s grote held Leopold nog de makkelijkste zijn – zeker het overbekende ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, die natuurlijk vanwege de bomen niet mocht ontbreken. Aan het eind van de bundel staat een hele rij namen van dichters die in de bundel zijn terug te vinden, zoals Mallarmé, Gorter en Nijhoff. Dus lezer, op zoek!

    Vertaalde gedichten

    Net als in haar vorige bundels heeft Brassinga enkele vertalingen opgenomen: gedichten van Walt Whitman en van de moderne Tiroler dichter Oswald Egger die vanwege hun thematiek  – de relatie tussen mens en natuur – en natuurlyriek naadloos aansluiten op Brassinga’s eigen poëzie. De bundel sluit af met een ‘gedichtenduet’ met dichter-vertaler Piet Gerbrandy, door Brassinga in gang gezet naar aanleiding van Gerbrandy’s vertaling van Boëthius’ Troost in Filosofie. Gedichten die een behoorlijke kennis van de context en veel inlevingsvermogen vragen.

    Bezielde taal

    Maar vooral staan er in deze bundel weer prachtige gedichten, die opvallen door taal en bezieling. Muzikale gedichten van grote schoonheid. Dat je hiervoor niet per se moeilijke woorden, of doorwrochte regels hoeft te gebruiken, laat de dichter evenzo zien, zoals in ‘Restanten, relieken’, met een direct herkenbaar inzicht:

    ‘Hier was het en het is er niet meer toch?
    Met hoe weinig kunnen we volstaan in dezen?
    En is het dan concreet of huist het juist niet

    In aanwijsbare tekens? Dat ene dorre blad
    Is heengewaaid, en de dennenappel die precies
    De plak markeerde – opgegeten? Voortgeschopt?’

    Brassinga bouwt met Verborgen tuinen onverstoorbaar verder aan haar eigen universum en blijft onverminderd verwonderen en intrigeren. Dit zijn tuinen om nog lang in rond te dwalen.

     

  • Poëzie als zoektocht naar een gemeenschappelijke taal

    Poëzie als zoektocht naar een gemeenschappelijke taal

    De bundel Tijd van de aarde van de Russische dichteres Galina Rymboe (1990) kwam tot stand dankzij een crowdfundingsactie en is het zevende deel in de Sporenreeks voor hedendaagse experimentele poëzie van Uitgeverij Perdu. De gedichten werden vertaald door Pieter Boulogne,  universitair docent Russische Letterkunde in Leuven. Het betreft een behoorlijk ambitieuze bundel. Dat blijkt meteen al uit het motto van een halve pagina van de vermaarde theoreticus van het anarchisme Pjotr Kropotkin (1842-1921). Het beschrijft de constante strijd tussen het individu en zijn omgeving die door de voortschrijdende tijd steeds aan verandering onderhevig is. Het individu past zich omwille van de harmonie voortdurend aan.

    Gemeenschappelijke taal

    Rymboes gedichten gaan over de veranderende tijd en ruimte en hoe de mens zich hiertegenover verhoudt. Over dat laatste heeft zij een sterke mening. Tijd van de aarde is behalve een filosofische ook een politieke bundel. Rymboe afficheert zichzelf als feminist en activist. Ze probeert mensen dichter bij elkaar te brengen, door te streven naar een gemeenschappelijke taal en deze terug te brengen tot de essentie.

    Ondanks deze aspiraties valt het niet mee om Rymboes wereldbeeld uit haar complexe en hermetische poëzie te herleiden. Om er een een beetje vat op te krijgen is het raadzaam om eerst het tien bladzijden tellende nawoord van de Russische critica Anna Glazova te lezen. Door de hoogdravende, academische taal en frequente verwijzingen naar filosofen is dit overigens ook beslist geen sinecure.

    Onstuitbare woordenstroom

    Ook de vorm maakt de gedichten moeilijk vatbaar. Het betreft voor het grootste gedeelte titelloze prozagedichten. Alleen de vijf delen hebben titels. De teksten bevatten geen hoofdletters en spaarzame interpunctie. Er is nauwelijks gebruik gemaakt van typografie, behalve een enkele woordgroep die cursief gedrukt staat. Het voordeel van deze dichtvorm (hoewel je eerder kunt spreken van het ontbreken van vorm) is natuurlijk dat het de dichter grote vrijheid geeft. Aan de andere kant wordt die van de lezer er enorm door beperkt. Door het ontbreken van (wit)regels zijn er geen rustpunten waar je je even kunt wijden aan eigen gedachten en mijmeringen. Er is ook geen houvast, waardoor je de draad nog wel eens kwijtraakt. Je kunt je eigenlijk alleen maar overgeven aan de voortdenderende woordenstroom.

    Huidige tijd, nieuwe taal

    Rymboe trekt de lezer in deze gedichten nadrukkelijk naar zich toe. Zij wil overtuigen. Haar toon is heftig en direct: ‘een voetbalveld, getransfigureerd door een ontploffing; op zijn grenzen en bijeenkomst van vrouwen rondom klinkende kegels die de aarde opblazen, een aantal foto’s van de bijeenkomst, erna vertoond in het hoofdgebouw onder het geraas van een traumahelikopter’.

    Rymboe schrijft over het hier en nu van het huidige Rusland, vol industriële ruïnes en verlaten landschappen. Ze probeert deze werkelijkheid in een objectieve, ‘materialistische’ taal te beschrijven. Dat is een probleem omdat taal beladen is, vol oude betekenissen. De werkelijkheid moet worden ‘bevrijd van het teken’ om haar opnieuw te kunnen beschrijven.

    Traumahelikopter

    In het eerste en meest omvangrijke deel van de bundel, ‘Een leven in de ruimte’, beschrijft ze de huidige ruimte. Alle taalregisters worden hiervoor opengetrokken. Soms is de taal droog, bijna journalistiek (‘in de republiek van het grijze licht zit terrorisme in de ceremonialiteit van het handelscentrum, in een Nike-pak, in geneeskunde en technologieën’), dan weer poëtisch (‘een staking van karren langs de snelweg en hun groene rook. een signaal van een verwoeste fabriek, en van een nachtboerderij een knarsende gil’). Steeds doemt er een somber en desolaat beeld van de werkelijkheid op. Verder staan haar gedichten bol van de filosofische, in academische taal vervatte mededelingen (‘vereist iedere verandering de aanwezigheid van een bepaalde niet-uitgedrukte overvloed ofwel residu, een of ander niet-relationeel deel objecten dat hen toelaat om nieuwe relaties binnen te stappen’). Het is dan alsof je een filosofisch traktaat leest.

    Vervagende grenzen

    Beelden komen vaak terug, zoals het hierboven geciteerde beeld van de traumahelikopter. Maar ook dat van de ‘camera’ – een belangrijk motief – die net als de dichter de werkelijkheid waarneemt, ‘de tanker boven het water’ die als de tijd voorbijglijdt of de ‘gletsjer’ waarin het verleden ligt gestold. Het gaat ook steeds om dezelfde thematiek, zij het net even iets anders verwoord of belicht.

    Volgens Rymboe is er sprake van een voortdurende overgang tussen verleden en heden, tussen personen en ruimte, zelfs tussen man en vrouw, waarbij de grenzen onduidelijk zijn. Steeds ontstaat er weer een nieuwe werkelijkheid:

    ‘Alsof je een naald bent geworden, deze morgen bent geworden en de gewaarwording openprikt; en opnieuw keert alles terug naar de naad: dat jij mijn moeder of boek bent, jullie zijn tezamen in het zand van het gezicht gedompeld. druppels van camera’s, door anderen uit ons verzameld, uit onze ervaring, dunne schaduwen, die vuur en klei organiseren, verschaffen aanraking tot jou via een onmogelijk moment, het doorgelaten teken in het werkelijke boek’.

    Nieuwe ordening

    Een nieuwe werkelijkheid vraagt om een nieuwe ordening in taal. Dat dit problematisch is, blijkt uit het tweede deel (‘manieren om de materie te organiseren’): ‘de redenen van de materie zijn niet betrokken bij haar organisatieprincipes, het teken heeft niet te maken met wat het doet; en de overblijvende betekenis houdt zichzelf zowat vast aan de delen, zich oprollend in de diepte van een gesloten kamer die aangeschroefd is rondom haar bestaan binnen de soort ‘kamer’’.

    De materie ontwikkelt zich autonoom van het teken. Maar toch hebben we taal nodig om uit te maken wie we zijn en om met elkaar te kunnen communiceren. Dat is de taak die de dichter zich heel idealistisch in deze bundel stelt. Ze gebruikt voor die nieuwe taal, waarvoor de oude moet verdwijnen, het religieuze begrip ‘transfiguratie’: ‘dit is het boek van de teloorgang, binnen de grenzen van het geheugen gestouwd en in de vlakte waarop de scherven van de schepping ontdaan van kenmerken gelegen zijn, weggeblazen worden door de transfiguratiewind’ (uit deel drie ‘fragmenten uit de cyclus ontdaan van kenmerken’).

    Bereikbaarheid

    Je moet er dan wel vanuit gaan dat iedereen deze taal zal begrijpen. Het is echter onvoorstelbaar dat een arbeider aan deze gedichten een touw zal kunnen vastknopen. In de laatste twee delen wordt Rymboes toon iets persoonlijker en daardoor minder verkrampt. In een droom voert de ‘ik’ een conversatie met haar moeder: ‘Hoe doe je dat, na wat er gebeurd is, in dit huis? ze antwoordt: ik weet wat er gebeurd is, maar dat verhindert me niet om bakmeel met water te kneden in mijn huis, om dit huis te behoeden’. Na al die abstracte gedichten is dat een verademing.