• Ojee vakantie 

    Ojee vakantie 

    ‘Ik houd niet van vakantie, ik vind het maar een lastig concept.’, liet Mensje van Keulen onlangs in Volkskrant magazine weten. Je bent er ook niet zo goed in, het stopzetten der dingen. De week voor de vakantie is het alsof je na stevig door tuffen, opeens moet remmen, maar niet weet waar de rem zit. Je racet dus lekker door. In gedachten, want je bent een relaxt persoon, rek je de dagen een beetje op en lijkt het of je alles af krijgt. Dan is het opeens de laatste dag voor de vakantie. Piepend (oh nee!) en gierend (loslaten loslaten!) kom je tot stilstand. Losse eindjes vallen in je schoot, boekenstapels kukelen om. Je trekt nog even door, telt je prioriteiten, schuift wat zaken terzijde, zegt een afspraak af, werkt een nachtje door tot alles klaar is. Pas dan mag de tent van zolder, kun je freewheelend de vakantie in.

    Terwijl je mails beantwoordt, even doorklikt op zoek naar een badpak, naarstig naar je bril zoekt (en niet vond), hunker je naar stilte, naar troost. Dus ga je boeken kopen, het bedrag voor een badpak is goed voor twee boeken. Elk boek is een verleiding. Zie je een boek van Maryse Condé dan proef je de sfeer van het tweedelige Segou. Condé kun je niet laten liggen als je Segou hebt gelezen. Antonío Lobo Antunes kun je ook niet laten liggen (kun je überhaupt wel wat laten liggen). Lees hoe Paardenschaduw op zee begint:
    ‘Haar hele leven lang, voor haar ziekte en tijdens haar ziekte, vertelde mijn moeder ons keer op keer
    “Luister”
    dat mijn oma als kind met mijn overgrootmoeder op bezoek ging bij dames die op oude etages in het oude deel van Lissabon woonden, in eeuwige schemering gehulde kamers en gangen waar het zilverwerk en porselein haar volgden en mijn oma, tien of elf toen, dacht :wat moet het hier somber zijn om drie uur ’s middags.”‘  Zo schrijft Lobo Antunes
     zonder punten of hoofdletters.

    Je kocht het manifest Geef nooit op van Bernadine Evaristo omdat je al zo lang iets van haar wilde lezen. Levensmuren van Nina Burton vond je in Utrecht, valt voor de mooie uitgave, begint te lezen om niet meer te stoppen. Hoe kun je zo over insecten schrijven als Burton doet? Je gaat anders denken over muggen, mieren, hommels, eekhoorns, het is geweldig. Je vergeet alles, er ontstaat een verstilde sfeer. Als er nu een mug dichtbij zoemt, sla je hem niet weg, denkt aan de ontelbare (miljoenen?) slagen die de vleugeltjes maken, hoor de indringend hoge zoemtoon. Als laatste was je bij antiquariaat Aleph in Utrecht. Daar was Joan Didion, Paul Léautaud. Je kreeg Voetsporen van Richard Holmes van degene waarmee je enthousiast over het opzetten van een podcast had gesproken. In Een tafel bij het raam van Mirthe van Doornik was je al begonnen, net als in de biografie van Andreas Burnier. Er ligt een wereld aan verhalen voor je. ‘Lezen is niet beschikbaar zijn, is je terugtrekken’, schrijft Alan Bennett in de zeer vermakelijke novelle De ongewone lezer. Ach, laat die vakantie nu maar beginnen, stapel het eendje maar vol en hup, naar de Ardennen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem (en tot 4 september met vakantie).

     

     

     

  • Bewegen om de wereld te kunnen begrijpen 

    Bewegen om de wereld te kunnen begrijpen 

    Er gaat een zekere dreiging uit van de titel van de roman Tot het water stijgt (En attendant la montée des eaux) van Maryse Condé uit 2010, dat dit jaar in Nederlandse vertaling verscheen. De vertaling van Martine Woudt is prachtig, het boek meeslepend. Er is veel rampspoed maar – tot het water stijgt en de Caraïbische eilanden verslonden worden – ook een sprankje hoop. Maryse Condé is één van de grote stemmen van de huidige Franstalige literatuur. Haar oeuvre is zeer omvangrijk, verscheiden en volstrekt eigen: zij schrijft, zoals ze het zelf in een interview onder woorden bracht, in het ‘Maryse Condees’.

    Daarmee schaart ze zich bewust niet bij de andere grote figuren van de Francophonie en claimt niet een politiek geëngageerde schrijver te zijn. Toch behandelt ze nogal splijtende onderwerpen zoals slavernijgeschiedenis, racisme, vluchtelingenproblematiek en heeft daar een geprononceerde mening over. Haar zienswijze wil ze echter niet op dogma’s baseren, maar veeleer op haar overtuiging dat de mens door zijn ontmoetingen en uitwisselingen met de ander gevormd wordt. Ook begrippen als ‘afkomst’ of ‘huidskleur’ kennen geen eenduidige definitie, maar fluctueren in tijd en plaats, permanent onderworpen aan wisselende invloeden en tegenstrijdigheden, waardoor niet voor eeuwig alles vaststaat. Reizen maakt deze blootstelling mogelijk en is dan ook voor Condé – maar ook voor haar personages –  van fundamenteel belang: je moet bewegen om de wereld te kunnen begrijpen. En dat is precies wat ook zij gedaan heeft.

    Slachtoffers en onderdrukkers in beide kampen

    Geboren in Pointe-à-Pitre op het kleine eiland Guadeloupe in een welgesteld ‘zo wit mogelijk’ zwart gezin, als laatste in een rij van acht kinderen groeit Maryse Condé op in ‘gecontroleerde vrijheid’, overladen met klassieke Franse literatuur. Er werd niet gemengd, maar kleur speelde geen rol, zegt ze over die tijd. Dat kleur er kennelijk wel toe deed, ontdekte ze pas veel later, wanneer ze in Frankrijk aan een prestigieuze school studeert. Voor de één is zwart zijn een identiteit die trots verdedigd en verheerlijkt moet worden (zoals voor de Martinikaanse dichter Aimé Césaire), anderen verzetten zich tegen het idee van een gemeenschappelijke zwarte identiteit: de Martinikaanse psychiater en denker Frantz Fanon stelde dat gekoloniseerde zwarte mensen een Europese, witte uitvinding zijn, een vloek waarvan zij zich met geweld moeten bevrijden.

    Condé realiseert zich dat in haar opvoeding nou net de gemeenschappelijke factor van alle gekoloniseerde volkeren weggelaten werd, namelijk Afrika. Ze vertrekt er naartoe en verblijft er twaalf jaar. In die jaren vormt ze zich een genuanceerd beeld van de derde wereld, dat ze in haar boeken steeds opnieuw bespreekt. Koloniale mogendheden mogen dan wel vertrokken zijn, hun schadelijke invloed is gebleven. Maar hebzucht, collaboratie, expansiedrang beperkt zich niet tot één kamp en is mens eigen. Intellectuele en morele misère bij de Afrikaanse leiders leidde tot militaire staatsgrepen, waaruit dictatoriale regimes voortkwamen die de gewone man zeiden te bevrijden terwijl ze juist hem in grote ellende stortten. De migranten die vandaag de dag Europa blijven bestormen zijn er het bewijs van dat deze situatie nog steeds voortduurt, zegt Condé. 

    Grande dame van de Caraïbische literatuur

    Condé is een productieve schrijfster – misschien wel te productief, zei ze met zelfspot– die meer erkenning had willen krijgen. Grote literaire prijzen, zoals de Prix Goncourt zijn aan haar voorbij gegaan, van haar eigen geboorteland Guadeloupe kreeg ze naar eigen zeggen geen waardering. Toch heeft ze in 2010 voor Tot het water stijgt, haar op dat moment twintigste roman, de Grand prix du roman métis gekregen. Deze in dat jaar ingestelde prijs beloont  sindsdien jaarlijks de Franstalige roman die waarden als  rassenvermenging, humanisme en diversiteit bespreekt.

    Maar de hoogste literaire onderscheiding kreeg ze met de alternatieve Nobelprijs in 2018, toen de reguliere uitreiking wegens interne problemen niet plaatsvond. Ergens zit ook hier iets wrangs in. Condé ziet het als haar taak van zwarte schrijver om respect en liefde voor het anders zijn over te brengen op haar lezers en om naar verbindingen te zoeken. Ze is een begenadigd verteller, die mooie frases, clichés en geromantiseerde beelden uit de weg gaat, maar de brute realiteit nuanceert door poëtische beschrijvingen, empathie voor de ‘loser’, ironie en een vleugje magisch realistisme. Deze ingrediënten maken haar verhaal toegankelijk en acceptabel voor de lezer die geboeid raakt en aan het denken wordt gezet. 

    Variaties op de thema’s geweld en verplaatsing

    De hoofdpersoon van Tot het water stijgt is verloskundig arts Babakar, van oorsprong Malinees, die het door burgeroorlogen en stamconflicten geteisterde Afrikaanse continent achter zich heeft gelaten en na veel rondzwervingen op Guadeloupe is gestrand. De roman begint op het moment dat hij tijdens een stormachtige nacht bij een bevalling geroepen wordt. De moeder blijkt zojuist overleden te zijn en Babakar besluit ter plekke zich de baby toe te eigenen. In Anaïs, zoals hij de pasgeborene zal noemen, ziet hij in een flits de kans om zijn leven, tot dan alleen getekend door verlies van dierbaren en buitensluiting, betekenis te geven. De enige constante in zijn leven tot dan is zijn overleden moeder Thecla, die hem in zijn dromen komt toespreken. Door haar blauwe ogen werd ze voor heks aangezien, een macht die ze ook na haar dood over Babakar behoudt. Hij is een milde, nuchtere man: ‘…ik was geen man met idealen. In mijn ogen bestond er geen overtuiging, geloof of ideologie die het waard was om voor te sterven.’ Door deze houding wordt hij echter een buitenstaander, een status die enerzijds afstand en wijsheid kan bieden, anderzijds een soort naïeve Candide van hem maakt, op zoek naar de beste van alle mogelijke werelden.  

    Samen met de Haïtiaan Movar, en de Palestijn Fouad (die een Libanees restaurant runt) gaan deze drie ‘ontroostbare weduwnaars’, zoals Thecla ze spottend bestempelt, op zoek naar een plek waar ze horen, ‘Wat sommige sterke geesten ook zeggen, je hebt het nodig om een land te hebben.’ De drie ontwortelden vinden elkaar op Haïti, het eiland waar de doden naast de levenden blijven leven, al zijn ze slechts voor een zieneres-medium waarneembaar. Maar naast allerlei natuurgeweld– aardbevingen, overstromingen, wervelstormen… –  heeft corruptie, haat voor buitenlanders, blind geweld en verlies van elk moreel houvast ook hier alles ontwricht. In zijn onstilbare honger naar macht heeft de mens door zijn beestachtige misdaden die hij op zijn soortgenoten begaat ‘geweld’ en ‘vluchten’ tot eeuwige thema’s gemaakt.

    Moins c’est plus/ Less is more

    Maryse Condé laat Babakar onbevangen en meelevend naar de wereld (om hem heen) kijken en wijze observaties maken, ‘Onderdrukten worden onderdrukkers, zodra ze dat kunnen, en die laatsten worden vaak slachtoffers.’ Dan weer vraagt hij zich af, ‘Gaan paradijzen niet altijd verloren door de fout van mensen?’ Babakar verwoordt Condé’s verzoenend, ruimhartig perspectief, al was het alleen al door zijn beroep van verloskundig arts, personificatie van hoop en nieuw begin.

    Toch worden deze waardevolle lessen vertroebeld door de grote drukte die in de roman heerst. Veel, te veel  personages – hoofdpersonen en talloze bijrollen – worden gedetailleerd opgevoerd met allemaal een eigen, tumultueus parcours. De aandacht versplintert, het overzicht raakt kwijt. De verhalen tuimelen over elkaar heen, raken verstrengeld en ergens ontbreekt een bindmiddel dat het epos tot een betekenisvol geheel zou maken, waardoor de wijsheid ook bij de lezer zou kunnen nagloeien.

     

  • Oogst week 19 – 2021

    Schuilen in stijl

    David Leavitt (1961), schrijver van romans en korte verhalen en enkele non-fictie boeken, tevens docent creatief schrijven aan de Universiteit van Florida, schetst in zijn nieuwe roman Schuilen in stijl met levendige pen een komisch beeld van de tijd direct na de Trump-verkiezing en van verlangens naar macht, liefde en vrijheid.

    Het is 2016. Een groep vrienden zit in de tuin van een luxueus huis bijeen en wacht op de scones die uit de keuken moeten komen. Donald Trump is pas verkozen als president. Gastvrouw Eva, bekend om haar royale ontvangsten en liefde voor het decoreren van haar huis, vraagt de gasten wie aan Siri durft te vragen hoe Trump vermoord kan worden. Want de politieke ontwikkelingen brengen onrust en de veiligheid en vrijheid uit het milieu van ‘welgestelde progressieve New Yorkers’ worden bedreigd. Tijdens een reis naar Italië haalt Eva haar man Bruce over om een vervallen appartement in Venetië te kopen, waarmee ze onbewust aan aantal gebeurtenissen in gang zet waarover ze geen controle meer heeft. Met de Italiaanse mogelijkheid om aan de Amerikaanse politieke sfeer te ontsnappen stapt Bruce uit zijn comfort-zone, recht in allerlei onaangename ontwikkelingen. En dan volgt er ook nog een totaal onverwachte liefdesaffaire.

     

    Schuilen in stijl
    Auteur: Leavitt David
    Uitgeverij: De Harmonie

    DODE MEISJES

    Door de coronacrisis is het geweld tegen vrouwen en meisjes wereldwijd toegenomen, meldden de Verenigde Naties vorig jaar. Volgens het online magazine One World sterft in Nederland elke tien dagen een vrouw door huiselijk geweld, waarmee we het slechter doen dan de zogenaamde macholanden. En De Groene Amsterdammer berichtte in maart jongstleden dat vrouwen in de politiek hatelijke en agressieve tweets ontvangen over hun stem, lichaam, religie of huidskleur. Misogynie en frustraties van (meestal) mannen komen steeds vaker naar buiten. Femicide (of feminicide) is een woord dat wereldwijd ingeburgerd begint te raken. Ook de Argentijnse schrijfster en intellectueel Selva Almada (1973) gebruikt het in haar boek Dode meisjes. Het verscheen in 2014, het jaar waarin in Argentinië tientallen vrouwen werden vermoord. Die lijst heeft Almada opgenomen in haar boek dat nu in een Nederlandse vertaling is uitgebracht door Uitgeverij Vleugels. Centraal staan drie ongestraft gebleven vrouwenmoorden uit de jaren tachtig die plaatsvonden in het Argentijnse binnenland. Op realistische en tegelijkertijd poëtische wijze combineert Almada de onderzochte feiten van de moorden en het dagelijks geweld tegen vrouwen met persoonlijke teksten en verhalende fragmenten.

    DODE MEISJES
    Auteur: Almada, S.

    Tot het water stijgt

    Op Guadeloupe wordt de Malinese arts Babakar geroepen bij een overledene en een pasgeboren baby. De bij de bevalling overleden vrouw  was een Haïtiaanse vluchtelinge. Wie moet er nu voor het kind zorgen? Babakar besluit haar mee te nemen, want ‘zijn kind, waar hij tevergeefs naar had gezocht, werd hem hiermee teruggegeven,’ zo weet hij zeker. De ook bij het overlijden geroepen directeur van de gemeenteschool ziet dat anders. ”We zijn hier niet… in Darfur!’ protesteerde de ander beledigd, alsof de kwestie zijn eer aantastte. ‘We zijn op Guadeloupe. Zo gaan de dingen hier niet! Guadeloupe is net zoiets als Frankrijk. We hebben wetten. Je adopteert een kind niet zomaar. Je doet een aanvraag, je wordt op een lijst gezet, je wacht op je beurt.”
    Babakar vindt dat het kind, dat hij Anaïs heeft genoemd, recht heeft op echte familie en gaat samen met goede vriend Movar naar hen op zoek in het door politieke chaos overheerste Haïti. Onderweg ontmoeten ze de Libanese kok Fouad. Afrika, de Antillen en Haïti komen samen in de onverbrekelijke vriendschap die de drie mannen sluiten.
    Schrijfster, hoogleraar en pleitbezorger van het Panafrikanisme Maryse Condé (1937) won in 2018 na een publiekspeiling de alternatieve Nobelprijs voor Literatuur, die dat jaar door interne problemen niet werd uitgereikt. Ze heeft tientallen boeken op haar naam staan.

    Tot het water stijgt
    Auteur: Maryse Condé
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando
  • Maryse Condé geeft zwarte identiteit een menselijk gezicht

    Dit jaar werd de Nobelprijs voor Literatuur niet uitgereikt. Als alternatief werd een respectabele prijs in het leven geroepen: the New Academy Prize for Literature (Alternatieve Nobelprijs voor Literatuur). Deze prijs werd toegekend aan de Afro-Caribische Maryse Condé, geboren op Guadeloupe in 1937. Condé is een weldaad voor de Cariben én de rest van de wereld. Zij beantwoordt als geen ander uit de archipel aan de eisen die aan hedendaagse auteurs gesteld kunnen worden: ze schept personages met wie lezers zich wereldwijd  kunnen identificeren om hun menselijk handelen, denken en voelen. Die personages zijn grillig, ontembaar en overschrijden steevast etnische grenzen. Condé rukt zich in haar literatuur los van voorgebakken groepsidentiteit. Zij weet overtuigend de veelzijdigheid van ervaringen en van nieuwe  identificatiemogelijkheden onder woorden te brengen. Het gelauwerde werk van Maryse Condé vormt zodoende een scherpe kritiek op voormalige en hedendaagse zwarte-identiteitsbewegingen.

     

    Nuancering

    Vanaf haar eerste roman Hérémakhonon (1976) heeft Condé systematisch ingehakt op het ongenuanceerde verheerlijken van de zwarte etniciteit. In het verlengde ligt het geselen van het evenzo ongenuanceerd aanscherpen van wrok tegen alles wat westers en blank is. Zij ondermijnt krachtig de etnisch gekleurde ‘zwarte eenheid’ die is gebaseerd op een ellendig verleden en op verbittering. De Afro-Caribische banden met Afrika worden door Condé scherp geproblematiseerd in haar eerste roman en in de roman Une saison à Rihata  (1981). ‘Ik heb me vergist, vergist van voorouders. Ik heb mijn heil daar gezocht waar het niet te vinden was,’ concludeert de hoofdpersoon in Hérémakhonon: een eenheid op etnische basis is een illusie. Van de ellende in je verleden is niet het geluk in je toekomst te maken.

    In Moi, Tituba, sorcière (1986) worden aspecten van de westerse, in het bijzonder joodse beschaving, in een alleszins gunstig licht geplaatst en tegenover gerechtvaardigde kritiek op weer andere aspecten. Enerzijds worden mensenrechten door dik en dun verdedigd, anderzijds is er intolerantie en discriminatie.  Condé’s bestseller, de dubbeldikke roman Ségou (1984/1985), onderspoelt het door literaire en wetenschappelijke stereotyperingen dichtgegroeide beeld van de slavernij. Zij realiseert dit door in detail de invloed van het Arabische expansionisme en van de Afrikaanse collaboratie bij de slavenhandel – plundering, verkrachting, verkoop, terreur, opstanden en wat dies meer zij – te beschrijven. Zodoende vervreemdt Condé haar lezers van het vertrouwde en maakt ze vertrouwd met het vreemde.

     

    Vergissing

    In Traversée de la mangrove, uit 1989, wordt het Afro-Caribische nationalistische denken en het gebrek aan tolerantie en inlevingsvermogen onder de scherp geslepen loep gelegd en verschroeid. Of, zoals dat in de Nederlandse vertaling Tocht door de mangrove (1991) heet:  ‘Net als jullie was ik er heel lang van overtuigd dat je nationalistisch moest eten, nationalistisch moest drinken en nationalistisch moest naaien! Ik verdeelde de wereld in twee kampen: wij en de klootzakken! Nu heb ik ontdekt dat dat een vergissing is. Een vergissing!’  De hoofdpersoon Francis Sancher – met een praktisch onontwarbare Europese, Latijns-Amerikaanse en Caribische achtergrond – bezit ‘meer menselijkheid en geestelijke rijkdom dan al onze creoolse praatjesmakers bij elkaar.’

    Condé verliest vanzelfsprekend de rampzalige processen in het verleden en heden niet uit het oog: de middle passage, de slavernij, de contractarbeid, de martelingen onder de handen van koloniale overheersers en wat al niet meer. Ze begaat echter niet de fout alle blanken uit het verleden schuldig te verklaren en die van het heden en de toekomst op de koop toe.

    Wat van evenredig groot, zo niet van groter belang is, begaat zij niet de fout om alle AfroCaribische mensen uit het verleden tot willoze slachtoffers of zondeloze martelaars van een systeem te maken en daarmee die van het heden en de toekomst over een kam te scheren. Bij Condé zijn intriges, haat, begrip, liefde, lafheid, vooroordelen, veroordelingen, moed, afgunst en al het ander aan menselijke eigenschappen geen selectief etnisch gebonden grootheden maar aspecten van complexe mensen en hun complexe samenlevingsvormen.

     

    Het valse leven

    De complexiteit van het menselijk handelen heeft Condé evenzo meeslepend in beeld gebracht in La vie scélérate (1987), waarvan onder de titel Het valse leven (1993) een Nederlandse vertaling is verschenen. Deze roman is een koestering van de Cariben en zijn mensen door de acceptatie  van alle mogelijke eigenaardigheden, extremiteiten en groteske aangelegenheden – als vanzelfsprekend opnieuw ongeacht de etnische achtergrond. Het valse leven heeft een indrukwekkende reikwijdte en diepgang door de beschrijving van vier generaties, hun sociale mobiliteit, hun geografische spreiding, hun zeer uiteenlopende en veelvuldig tegenstrijdige aspiraties, hun onderlinge relaties en hun banden met derden, en een schier eindeloze reeks aan dikwijls zeer weerbarstige menselijke kenmerken.

    We krijgen het Caribische samenleven voorgeschoteld in een speurtocht van Coco naar de geschiedenis van haar familie. Coco, geboren in 1960, behoort tot de jongste generatie van deze familie. Die speurtocht gaat met meer of minder bereidwillige hulp van familieleden terug tot aan haar in 1948 overleden overgrootvader Albert Louis. Albert zwoer ooit als jongen van twaalf, dat hij niet zou leven en sterven op de suikerrietplantages zoals zijn vader. Het oudste, tastbare levensteken dat Coco van Albert aantreft, is een door hem ondertekend contract  van ‘dinsdag 14 maart 1904’ om twee jaar mee te werken aan het graven van het Panamakanaal. Met de ontberingen van Albert,zijn  overlevingsstrategieën, idealen, teleurstellingen en succesvolle ondernemingen wordt de roman op de rails gezet en begint een meeslepende tocht door de twintigste eeuw en naar uiteenlopende delen van de Cariben, elders in de Nieuwe Wereld en in Europa.

    Vooral door haar grootvader Jacob, een van Alberts zonen met een niet minder intrigerende levensloop dan zijn vader, besluit Coco uiteindelijk dat verleden op schrift te stellen, feitelijk dus de roman.
    ‘Het zou het verhaal worden van heel gewone mensen, die een heel gewoon leven leidden, maar ondertussen wel bloed aan hun handen hadden. (…) Dat verhaal moest ik vertellen, het zou mijn eigen monument voor onze doden worden. Een heel ander boek dan de ambitieuze boeken waarvan mijn moeder had gedroomd, Zwarte revolutionaire bewegingen en meer van dat soort dingen. Een boek zonder grote beulen of roemrijke martelaars. Maar dat toch zijn gewicht aan mensenlevens in de schaal zou leggen. Het verhaal van mijn familie.’ Het verhaal van families zoals er talloos vele zijn, wereldwijd.

     

    Mangrove

    Met het te boek stellen van de geschiedenis van haar familie wordt door Coco geen enkele poging ondernomen om het heden tot Afrikaanse ‘roots’ te herleiden. De geschiedenis van de Caribische mensen heeft meer overeenkomsten met het onontwarbare wortelstelsel van mangroven. Coco leert dit te accepteren, inclusief de grillige en soms uitgesproken weerzinwekkende vertakkingen in het modderige verleden. Het moet dan ook niemand meer verbazen dat de rol van zowel AfroCaribische mensen als blanken in Het valse leven door Maryse Condé aanzienlijk genuanceerder wordt opgetekend dan we in teksten tegenkomen die door zwart identitair  gedachtegoed zijn gevoed, zoals de historische Négritude, Black Power-beweging en het Rastafarianisme of zoals de hedendaagse roep om safe spaces. om het vertrek van de zwarte Zwarte Piet en het felle dekoloniseringsdebat. Met deze roman geeft Condé aan Coco, haar familie en zodoende eenieder in de Cariben én daarbuiten een stem die onverbloemd en zonder afkeuren verwoordt wat dat verleden behelst aan identificatiepunten. Die zijn zowel in als buiten de eigen regio te vinden, binnen en buiten de eigen etnische groep. Voor een benauwd nationalisme met uitgesproken etnische contouren – van welke ‘kleur’ dan ook – heeft Condé geen enkele plaats ingeruimd. Ze zou erop blijven hameren, steeds weer verrassend uitdagend verpakt. Dit maakt haar werk tot wereldliteratuur en een zegenrijk geschenk voor ieder om tot zich te nemen.

    Met haar oeuvre heeft Condé een overweldigende bijdrage geleverd aan het doorgronden van wie wij als mens zijn. Ze deed dit met overtuigende kracht, met gepaste pretenties en vertrouwd  met onvermijdelijke beperkingen. ‘Er ligt nog zoveel terrein braak,’ zoals Jacob opmerkt, ‘Vol brandnetels, guineagra en manzelsmarie die naar je kuiten klauwen.’
    Het verleden laat zich ook niet voor eens en altijd vastleggen en eenduidig interpreteren. Dat hoeft ook niet en moet ook niet gewild worden. Dit voorkomt het slaafse buigen voor versteende voorstellingen van het verleden en laat meer ruimte voor een creatieve invulling van de toekomst – een toekomst zonder etnische enclaves.

     

    NOOT: Een tiental van Maryse Condé’s romans werd in vertaling uitgegeven bij ‘In de Knipscheer’.
    In november zal er van Condé’s succesvolste boeken Ségou: De aarden wallen (1984) en Ségou: De verkruimelde aarde (1985) een herdruk verschijnen bij ‘In de Knipscheer’.

     


    foto Marijke Schweitz

    dr. Aart G. Broek (1954) is letterkundige en sociaalwetenschapper. Hij werkte langdurig op Curaçao en publiceert over sociaal-culturele, literaire en historische onderwerpen betreffende de Caraïben. Een verzameling van zijn essays zijn bij In de Knipscheer uitgegeven onder de titel Het zilt van de passaten; Caribische literatuur in de twintigste eeuw.

     

     

  • Maryse Condé spreekt vanuit haar hart

    Maryse Condé in New York juni 2002, waar ze spreekt over hoe haar boeken gelezen worden, over haar kindertijd en haar passie voor eerlijkheid.

  • Maryse Condé wint alternatieve Nobelprijs voor Literatuur

    Aan Maryse Condé (Guadeloupe, 1937) werd op vrijdag 12 oktober de eerste en enige alternatieve Nobelprijs voor Literatuur toegekend. De alternatieve Nobelprijs werd in het leven geroepen nadat bleek dat de Nobelprijs voor Literatuur dit jaar voor het eerst sinds 1949 niet zou worden uitgereikt als gevolg van een schandaal in de Zweedse Academie.

    Maryse Condé voelde zich als schoolkind al aangetrokken tot de – vooral – Engelse literatuur. Op zestienjarige leeftijd vertrok ze naar Parijs om Literatuurwetenschappen te gaan studeren waarna ze begon met schrijven. Ze debuteerde in 1976, op 40-jarige leeftijd met de roman, Heremakhonon: wacht op het geluk.

    Volgens de jury van de Nieuwe Academie is Maryse Condé ‘een grootse verhalenverteller’ en voldoet ze aan het criterium dat de winnaar over de verhouding man/vrouw in de wereld heeft geschreven. Ze schrijft haar boeken met ‘respect en precisie’ en verhaalt met humor over de verwoestingen die het kolonialisme heeft aangericht en de chaos van het postkolonialisme.

    In de jaren tachtig brak de schrijfster wereldwijd door met het uit twee delen bestaande epos Ségou; De aarden wallen (1984), gevolgd door Ségou; de verkruimelde aarde (1985). In dit omvangrijke werk beschrijft Condé de geschiedenis van de ondergang van het Bambara Rijk van het (huidige) Mali in de negentiende eeuw. Een geschiedenis van het volk Toeareg gekoppeld aan de tragedie van de individuele mens. Ze schreef tot nu toe meer dan dertig romans en verschillende theaterstukken en essays.

    In Nederland werden haar vertaalde romans uitgegeven bij In de Knipscheer en als Rainbow pocket door Maarten Muntinga.
    Maryse Condé is emeritus hoogleraar aan de Columbia Univerity in New York.

    Overige genomineerden voor de alternatieve Nobelprijs waren de Engelse schrijver Neil Gaiman en de Vietnamees-Canadese schrijfster Kim Thuy Ly Thanh, die publiceert onder de naam Kim Thúy. De Japanse schrijver Haruki Murakami, die ook genomineerd was, bedankte voor de eer.

    De alternatieve Nobelprijs is een initiatief van de Grieks-Zweedse journaliste Alexandra Pascalidou (48) die met de steun van 100 prominente Zweden uit de cultuursector de Nieuwe Academie stichtte. Dat Maryse Condé als enige winnaar van deze prijs de geschiedenis in zal gaan, komt omdat de academie na de officiële uitreiking de prijs weer zal ontbinden.

    Het prijzengeld (1 miljoen kroon, (96.500 euro)) werd bijeengebracht door de verkoop van boeken en donaties.
    De prijsuitreiking zal plaatsvinden op 9 december in Stockholm.

     

    Foto: Wikipedia

     

  • Van nobele wilden tot criminele opportunisten

    Van nobele wilden tot criminele opportunisten

    Midden jaren tachtig vorige eeuw verscheen de tweedelige roman Ségou van Maryse Condé. Een indrukwekkend epos over een Afrikaanse koninklijke familie in het 19e eeuwse Mali dat een avontuurlijk (dus romantisch) beeld geeft van de Toearegs en waarin Timboektoe nog Tombouctou heette.

    Als 24 jarige jongeman reist de latere Afrika- journalist Gerbert van der Aa in 1992 met de auto naar Mali om die daar met winst te verkopen. Hij wordt beroofd en ontvoerd door Toearegs en wat voor velen een reden zou zijn om daar nooit meer terug te keren, is voor hem het begin van een levenslange fascinatie voor dit volk. Hij schreef eerder boeken over Libië, Nigeria en Soedan. Terug naar Timboektoe is zijn meest recente reisverslag of beter gezegd, een bundeling reisverslagen waarvan het eerste in 1992 is opgetekend en het laatste in 2013.

    De Toeareg is een volk dat tot de verbeelding spreekt en het enige islamitische volk waarvan de mannen hun gezicht sluieren in plaats van de vrouwen. Ze bestaan uit tientallen stammen en strijden al decennia lang voor een onafhankelijke staat, Azawad. Ze noemen zichzelf Imouharen, ‘vrije mensen’ en kwamen voor het eerst in 1990 en voor het laatst in 2012, in opstand tegen de regering van Mali.
    Dat de Toearegs een blanke huiskleur hebben en zich daarop laten voorstaan, leidt tot veel achterdocht bij de donker gekleurde Afrikanen. Er zou zelfs sprake zijn van een blank complot tegen die laatsten, volgens hen. Dat is onder andere wat Van der Aa optekent tijdens zijn reizen door de Sahara.

    Onderweg naar Timboektoe bezoekt Van der Aa in Ségou zijn vriend Boubacar die hij in 2003 in Algerije heeft leren kennen. Deze vriend wilde ooit illegaal naar Europa reizen maar de boot die hem naar Malta zou brengen verdwaalde en keerde terug naar de Libische kust. Boubacar kan er om lachen dat zijn initiatief op deze wijze tot een einde kwam. Maar, schrijft Van der Aa: ‘In westerse kranten worden jongens als Boubacar afgeschilderd als wanhopige vluchtelingen, maar hij ziet zichzelf in de eerste plaats als avonturier.’

    Als reiziger laat Van der Aa zich niet van de wijs brengen en vormt steeds zijn eigen mening waardoor zijn boek een sterk autonoom karakter heeft. Nadat hij vier dagen in Timboektoe heeft doorgebracht, schrijft hij: ‘Timboektoe had me niet teleurgesteld. De negatieve verhalen vond ik onterecht. Dat de stad betere tijden had gekend, was een feit. Maar die vergane glorie vond ik juist een van de charmes. Als je goed zocht kon je overal de sporen van dat roemruchte verleden vinden.’
    Over de Toearegs doen veel verhalen de ronde. Ze verdienen hun geld met mensen- en goederen smokkel. In de buurt van Mali komt hij een transportondernemer tegen die zegt: ‘Overal waar ze opduiken is trammelant. Je kunt geen afspraken met ze maken. En als het wel lukt om overeenstemming te bereiken, zijn ze altijd ontevreden. Toearegs gedragen zich als kleine kinderen die hun zin niet krijgen.’

    Wat dit boek zo aantrekkelijk maakt is dat Van der Aa geen partij kiest, hij is verslaggever maar bovenal is hij reiziger. Vanaf zijn eerste ontmoeting met de Toearegs en de vele negatieve verhalen over hen later, blijft Van der Aa ze onbevangen tegemoet treden en dat maakt dat ook dit boek iets wegheeft van een avonturenroman. Wat je al vermoedde, geeft hij in het laatste hoofdstuk toe, als hij de moord op drie Nederlandse mannen in 2000 in de woestijn aanhaalt. Deze mannen maakten elk jaar een reis naar een gebied waar het niet helemaal pluis was. ‘Ik herkende in de drie mannen veel van mezelf. Ook ik reisde graag naar gevaarlijke gebieden.’ De gevaarlijke reizen geven hem energie. ‘De tochten door de Sahara vormden een spannende afwisseling voor mijn bestaan in Nederland.’

    Daar tegenover staan de momenten in de woestijn waar de schrijver het ook voor doet. Hij stond met autopech en drie Toearegs namen hem op sleeptouw. Na een uur stopten ze om op een houtvuur eten te koken.’Terwijl Rhissa thee zette, haalde een van zijn passagiers een gitaar uit de vrachtauto. Even later klonk de desert blues van de Toearegs door de woestijn.’ En even daarna legt de schrijver zich in het mulle zand te slapen.

    Al lezende groeit het besef dat elke reis met een ontvoering of erger kan aflopen.  Bewondering dan ook, voor een schrijver die steeds opnieuw en schijnbaar onbevangen de Sahara betreedt en verslag doet van een kant van een verhaal, waar we hier in Europa geen zicht op hebben.