• ‘We hebben gedaan wat we konden’

    ‘We hebben gedaan wat we konden’

    Voor zijn nieuwste boek neemt Alexandre Seurat u mee naar Frankrijk. Nee, niet naar dat alleraardigste huisje in de Provence waar u afgelopen zomer zo hebt genoten van het uitzicht op de lavendelvelden, maar naar dat andere Frankrijk: de banlieues en oude industriegebieden, waar werkloosheid, armoede en huiselijk geweld welig tieren en het Front National van de uitzichtloosheid profiteert om electorale successen te boeken. De roman is gebaseerd op werkelijke feiten, zoals het gruwelijke levensverhaal van Marina Sabatier, een meisje dat op haar achtste overleed aan de gevolgen van mishandeling. De affaire riep veel verontwaardiging op over het falen van de jeugdbescherming.

    Het boek opent meteen snoeihard, met een opsporingsbericht voor Diana, zoals het meisje in het boek heet (‘de naam van een prinses, maar dan wel een prinses die levend was verbrand’). De voormalige onderwijzeres van het kind beseft onmiddellijk dat het ‘te laat’ is. Zij herinnert zich van Diana vooral ‘de hartverscheurende manier om te doen alsof er niets aan de hand was, terwijl ze overal pijn had’.

    Vervolgens wordt het verhaal gereconstrueerd dat tot de gruwelijke feiten leidde. Seurat begint met de ongewenste zwangerschap en de relatiebreuk van Diana’s moeder, die een poos overwoog om haar kind af te staan. Zonder schmieren of goedkoop sentiment waagt Seurat zich bijna op neutrale toon aan een aartsmoeilijk onderwerp. Daarvoor gebruikt hij een beproefde literaire techniek: hij laat telkens andere personages aan het woord (familieleden, onderwijzers, artsen enzovoort) om zijn onderwerp te belichten. Overigens is het wel jammer dat de schrijver daar niet van profiteert om wat meer variatie in zijn vaak nogal vlakke stijl te brengen.

    Opvallend is dat het slachtoffer niet aan het woord komt, en de daders in feite ook maar amper. Het woord wordt meestal gevoerd door waarnemers die elk een stukje onthullen van de schrijnende waarheid. Natuurlijk gingen er soms wel verklikkerslichtjes branden, maar Diana’s ouders trokken een rookgordijn op en konden steeds een plausibele verklaring verzinnen voor de verwondingen van hun kind: ‘En de dramatische herhalingen van het schoolhoofd: We zijn hier voor Diana, stuitten op een muur van suikerzoete beleefdheid, gesausd met schaamteloze ontkenning’. Als de grond hun te heet onder de voeten werd, verhuisden ze en begon alles weer van voren af aan.

    Dit boek is dus ook een aanklacht tegen de Franse jeugdzorg en sociale bescherming, die hun werk niet hadden gedaan. Er werden rapporten opgesteld, radertjes kwamen in beweging, soms lieten die weer andere wieltjes draaien, maar uiteindelijk liep de mechaniek van de machine altijd vast en werd Diana nooit weggehaald uit haar gezin om haar in veiligheid te brengen. Voor elke hulpverlener die zijn nek uitstak, was er wel een ander die de feiten minimaliseerde, de verantwoordelijkheid van zich afschoof of een afwachtende houding aannam.

    Seurat is uiteraard niet de eerste auteur die de onderbuik van Frankrijk als onderwerp gebruikt. In 2014 verscheen bijvoorbeeld Weg met Eddy Bellegueule, een autobiografisch boek waarin Édouard Louis zijn jeugd in een door armoede, werkloosheid en alcoholisme geteisterd gezin beschreef. Misschien komt het omdat Louis dat milieu echt heeft gekend, maar zijn boek komt meer doorleefd over dan de roman van Seurat. Die laatste kan zijn verhaal weliswaar vrij overtuigend brengen, maar komt niet zo dicht bij zijn onderwerp als Louis. Uiteindelijk blijft hij immers net zoals de meeste personages in zijn boek een observator die op afstand toekijkt. Het onhandige kind is een boek dat indruk maakt als aanklacht tegen kindermishandeling en een falend systeem, maar niet echt uitblinkt in literair opzicht.

     

  • Een vader rouwt

    Een vader rouwt

     

    Een zoon krijgt meningitis en sterft binnen enkele dagen. De vader is radeloos.

    Dat is het onderwerp van deze novelle, die verrassend genoeg de overleden zoon als ik-figuur heeft. Het is het relaas van een rouwproces, beschreven vanuit het gezichtspunt van de zoon, wat het geheel meer afstand geeft, en hier en daar zelfs humor. Door deze afstand is het geen larmoyant boek geworden.

    De vader (en de moeder ook, maar het is duidelijk dat de vader hier de protagonist is) doorloopt alle stadia van rouw: opnieuw beleven van de laatste dagen, spijt over gemiste kansen, vreugde over kleine momenten van geluk in die laatste tijd, eindeloos foto’s maken van het met paarse vlekken bespikkelde lijk, twijfel over de onontkoombaarheid van het gebeurde, twijfels over de levensdrift, of doodsdrift, van zijn zoon, zoeken in agenda, dagboek en losse briefjes naar aanwijzingen die op de naderende dood zouden kunnen wijzen. Vervolgens het regelen van de uitvaart, al die praktische beslissingen, die hij niet wil nemen, omdat hij niet wil dat zijn zoon dood is. De troostrijke gesprekken met vrienden, het zich vastklampen aan allerlei toevalligheden, die de schijn kunnen wekken dat het allemaal zo heeft moeten gebeuren, en ten slotte het uitstrooien van een deel van de as boven IJsland.

    Vreemd genoeg is de stijl die van een detective, en als lezer verwacht je ieder moment een absurde of onverwachte ‘ontknoping’, die niet komt, want het boek is echt alleen maar de beschrijving van de rouw van de vader. Een rouw die, getuige het dankwoord aan het eind, is gebaseerd op de werkelijke rouw van de schrijver om zijn overleden zoon.

    De novelle is vlot en, zoals gezegd, heel boeiend geschreven. Daarom is het contrast met de inhoud erg groot. Weliswaar is het verdriet, de twijfel en het obsessieve steun zoeken bij mensen en dingen heel invoelbaar beschreven. Maar toch wordt het eentonig, hoe triest ook. Ook de boodschap aan het eind, dat er uiteindellijk toch te leven valt met zo’n groot verdriet, doet daar niets aan af.

    Samenvattend: een goed geschreven novelle, waarvan de beperking ligt in het te lang doorgaan op een thema dat al na een kwart van het boek uitgeput lijkt.

    De vertaling is opvallend levendig, met aangenaam eigentijdse dialogen.

     

     

  • De goede terrorist bestaat

    De goede terrorist bestaat

    De meeste mensen zullen Albert Camus nog van de middelbare school kennen. Van de roman De pest of De vreemdeling, die in 1942 verscheen, en uiting gaf aan de weerzin om altijd maar in de pas te moeten lopen met de heersende normen en waarden. De hoofdpersoon van L’étranger, Meursault, schiet ‘zo maar’ een medemens dood. Zinloos geweld avant la lettre. En de daad wordt door de schrijver niet eens psychologisch, ‘uit zijn moeilijke jeugd’ verklaard, laat staan veroordeeld. Interessant was ook De mythe van Sisyphus, zijn eveneens in 1942 uitgekomen studie naar de zin van zelfmoord voor de moderne mens voor wie god al lang dood is en voor wie het nochtans absurd wil toeschijnen zich geplaatst te weten in een tot in de eeuwigheid zwijgend universum, terwijl hijzelf onvermijdelijk op de dood afstevent. In 1957 werd Camus de Nobelprijs Literatuur toegekend en scheidden hem nog maar drie jaar van het fatale auto-ongeluk dat reeds op zesenveertig- jarige leeftijd een einde aan zijn leven maakte.

    In de Tweede Wereldoorlog zat Camus bij het Franse verzet en kwam in contact met communisten. Aanvankelijk vond hij het communisme maar zo zo, maar al gauw veranderde dat in grondige afkeer en het werd tijd van die weerzin in boekvorm te getuigen. Na vier jaar voorbereidende studie was er in 1951: l’Homme révolté, of wel De mens in opstand. Een lang uitgewerkt essay. Camus zelf beschouwde het als zijn belangrijkste boek. Het werd al snel in het Nederlands vertaald, echter niet in zijn geheel. De eerste integrale vertaling verscheen in 2004. En nu, in 2010, is daarvan een goedkopere herdruk op de markt.

    Heeft zo’n essay van zestig jaar geleden nog enige actualiteitswaarde? En wat is de inzet van Camus geweest? Wat dat laatste betreft: hij wilde de knuppel in het communistische hoenderhok van Sartre en zijn discipelen smijten. Er moest afgerekend worden met dat intellectuele gedweep met die dictatuur. Het essay werd ten slotte een deconfiture van alle revoluties tot dusver, en haar makers. Niet zonder ironie schrijft hij in zijn inleiding: ‘De wonderlijke geschiedenis die hier ter sprake wordt gebracht, is de geschiedenis van de Europese hoogmoed’. En een paar bladzijden daarvoor stond al: ‘Op de dag dat de misdaad pronkt met de veren van de onschuld, wordt door een merkwaardige omkering, die kenmerkend is voor onze tijd, de onschuld gesommeerd zich te rechtvaardigen. Dit essay zou die vreemde uitdaging willen aannemen en onderzoeken.’

    Camus voorvoelde dat het hem vriendschappen zou gaan kosten. ‘Laten we elkaar maar een hand geven. Want over een paar dagen zullen er niet veel mensen meer zijn die nog bereid zijn dat te doen’, sprak Camus enige dagen voor dat het boek het levenslicht zou zien tegen zijn vriend en biograaf Jean-Claude Brisville. Tegenover de revolutie van velen plaatst hij de opstand van de enkeling. Die laatste vernedert niemand. ‘De vrijheid die hij opeist, eist hij voor iedereen; de vrijheid die hij afwijst [te weten de vrijheid om de grenzen van ander te overtreden, A.H.], verbiedt hij aan iedereen.’ De uiterste vrijheid, de vrijheid om te doden, valt niet te verenigen met de redenen van de opstand. Dat laatste is immers: zich te weer stellen tegen de staat van zijn bestaan. In beginsel is de opstand gericht tegen de eigen dood. Daarom zou de opstand zichzelf ontrouw (‘onlogisch’ schrijft Camus!) worden als zij tot het doden van een ander zou overgaan. In die pervertering zal de bezonnen opstandige niet meegaan. ‘De opstand is geen eis tot totale vrijheid. Integendeel, de opstand stelt de totale vrijheid aan de kaak.’ Dus geen Nietzscheaanse Übermensch bij Camus, geen Ivan Karamazov voor wie alles geoorloofd was.

    Camus begint zijn essay bij het begin en toont geen haast zijn zaak uiteen te zetten. In die uiteenzetting blijken wel de sporen van zijn tijd: het draagt het DNA van het existentialisme in zich. Camus mag dan niet een volbloed existentialist à la Jean Paul Sartre zijn geweest, maar van de existentialistische premisse dat existentie voorafgaat aan essentie (het zijn in deze wereld) en dat mensen zich eerst in hun daden zouden verwerkelijken, is dit essay niet gevrijwaard. Het ligt er gelukkig niet te dik bovenop, maar het ligt intussen wel ten grondslag aan het feit dat Camus op zoek moest gaan naar het trait-d’union waarmee het gat te dichten viel tussen het er-zijn, en het (er per definitie mee wringende) bewustzijn van het betreffende individu. Want een mens viel in existentialistische opvatting nooit met zichzelf samen, zoals een ding of eenvoudig dier. De existentialistische ‘oplossing’ bestond erin dat de mens moest ‘transcenderen’, dat wil zeggen zich optimaliseren, om zo te ontsnappen aan wat hij is, en daardoor te zijn wat hij wordt. Tja. Camus komt in ieder geval uit bij ‘opstand’. ‘De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.’ Hij ervaart zijn leven als absurdistisch, zo hij tenminste niet de laffe keuze maakt voor kunstmatige zingeving, te weten religie. (‘De mens’ is bij Camus atheïstisch.) Die absurde ervaring is eigenlijk een soort waterscheiding: het kan de mens nihilistisch maken en dus onverschillig voor het lot van zichzelf en anderen, of het kan de mens louterend in zijn opstand maken. ‘Ik schreeuw dat ik nergens in geloof en dat alles absurd is, maar ik kan niet twijfelen aan mijn schreeuw en moet minstens in mijn eigen protest geloven. De eerste en enige zekerheid die me zo wordt gegeven, binnen de ervaring van het absurde, is de opstand. (…). [De opstand] wil de situatie veranderen. Maar veranderen betekent handelen, en handelen zal morgen doden betekenen, terwijl hij niet weet of moord gerechtvaardigd is. De opstand leidt juist tot de handelingen die men hem vraagt te rechtvaardigen. Hij moet zijn beweegredenen dus wel aan zichzelf ontlenen. Hij moet bereid zijn zichzelf te onderzoeken om te leren hoe hij zich moet gedragen’. Het ‘ik denk, dus ik ben” wordt hier dus ingeruild voor ‘ik kom in opstand, dus ik ben.’ De mens in opstand zou op meest authentieke wijze vormgeven aan zijn als a priori als absurdistisch ervaren bestaan, veronderstelt Camus. Opstand is het in beginsel a-politieke vertrekpunt van de mens. Vanaf daar staan hem diverse ideologische verlokkingen te wachten om zijn opstandigheid te botvieren.

    Camus behandelt achtereenvolgens de metafysische opstand (met veel aandacht voor de opstandige dichters en schrijvers, o.a. Nietzsche en het nihilisme), de historische opstand (Franse revolutie van 1789 en de nasleep ervan met de ‘godsmoordenaars’ en de ‘koningsmoordenaars’ en het ‘individuele terrorisme’). Keer op keer gaat het fout, en Camus laat zien waarom: de opstandige mens laat zich door een heilsleer meeslepen en overlaadt zijn opstand met een systematiek die over de grenzen van de ander heenwalst uit naam van de fel begeerde gerechtigheid. Camus’ opstand is die van de enkeling en staat geen veralgemenisering, systematisering of ideologisering toe. Hij trekt de parallel tussen godsdienst met zijn absolute verering van een god, en de (na de Franse revolutie daarvoor in de plaats gekomen) almacht van de onfeilbaar geachte Rede, die uit naam van de zogenaamde redelijkheid een even grote terreur ‘rechtvaardigde’. En passant laat hij ook zien hoe het Surrealisme belandde in dezelfde valkuil van systematisering en dus verstarring en corrumpering van de oorspronkelijk als puur individueel beleefde ontregeling van het bestaan.

    Camus leert het belang van mens te blijven en geen god te willen worden. Wat niet impliceert dat hij een softie is! Want er is een uitzonderingsmoment in de westerse geschiedenis van de revolutie. En daarin doet Camus’ oogappel zijn intrede: de Russische terrorist Kaljajev. Deze beleeft omstreeks 1905 zijn finest hour en hij (en zijn clubje gelijkgezinden) krijgt als enige gratie van Camus. Hij lijft ze in bij de voorbeeldige opstandigen. Nadat Kaljajev een moord had begaan, laat hij zich op waardige wijze berechten. Hij krijgt de galg. Voorafgaand aan de voltrekking van de doodstraf schreef Kaljajev in zijn cel: ‘vanaf het moment dat ik achter de tralies terecht ben gekomen, heb ik geen enkel moment het verlangen gevoeld om op wat voor manier dan ook in leven te blijven. (…) Ik beschouw mijn dood als een hoogste vorm van protest tegen een wereld van tranen en bloed.’ Camus is vol lof over deze man. Herhaaldelijk schuift hij hem naar voren en tegen het einde van het essay als hij tot een afronding komt, merkt Camus nog eens op: ‘Trouw aan zijn oorsprong laat de opstandige met het offer zien dat zijn werkelijke vrijheid niet in de moord, maar in zijn eigen dood ligt.’ Hij en zijn clubje worden door Camus dan ook zonder ironie de ‘fijngevoelige moordenaars’ genoemd.

    Hun fijngevoeligheid bestond erin op zeker moment een aanslag achterwege te laten toen het beoogde slachtoffer zich niet alléén, maar samen met zijn eega in het rijtuig bevond. ‘Een zo grote wegcijfering van zichzelf, gepaard aan een zo diepe zorg om het leven van anderen, mag ons doen veronderstellen dat die fijngevoelige moordenaars de opstandige lotsbestemming in haar uiterste tegenstrijdigheid hebben beleefd. (…) Via die waarden plaatsen die terroristen, op hetzelfde moment dat ze de menselijke wereld accepteren, zich boven die wereld, en laten ze voor de laatste keer in onze geschiedenis zien dat de ware opstand waarden schept.’ Hiermee laat Camus zien dat het wel degelijk mogelijk is aan de goede kant van de daad te blijven. Vuile handen van de moordenaar kunnen enkel schoongewassen worden in de zelfdoding. Deze vorm van opstand schept waarden omdat hij ‘getuigt van wat er in de mens altijd verdedigd moet worden.’ En dat punt wil Camus keer op keer maken tegenover de communisten die er geen been inzagen om hun vuile handen af te spoelen in het bloed van een ander. In De mens in opstand wordt niet echt over de zin van zelfmoord gedebatteerd. De opstandige mens mag afwijzend tegenover de werkelijkheid staan, maar onttrekt zich er niet aan. In dit essay wordt bij het tussenstation van de zelfmoord dus niet gestopt. Er valt een waarde te scheppen door de werkelijkheid niet te ontvluchten. En die waarde komt in de opstand ten volle tot haar recht.

    De mens in opstand was in de opbouwjaren na de Oorlog en hoogtijdagen van het Existentialisme, dynamiet in de Parijse kringen aan de linker oever van de Seine, met de zwarte coltrui en het abonnement voor het leven op Le Temps Modernes. Zaken als vrijheid, verantwoordelijkheid, authenticiteit, solidariteit deden er ten zeerste toe. Maar voor een afvallige bestond natuurlijk geen genade. Het geeft beslist te denken dat deze begrippen tegenwoordig op een onverschillig schouderophalen worden getrakteerd. Camus’ pleidooi voor matigheid en bezonnenheid zal het in onze tijd beter doen. Niet in het minst omdat ze weinig actie en bedrijvigheid vergen.

    Wat heeft De mens in opstand ons nu nog te zeggen. Voor revolutie en existentialisme loopt men immers niet meer warm, hoewel het aantal fundamentalistische extremisten er tegenwoordig ook niet om liegt. De wijze ‘levensles’ die erin te leren valt is deze: dood de ander niet. Maar mocht je toch de grens van moord ooit overschrijden, wees dan zo genereus om daarna zelfmoord te plegen. Maar los daarvan is de ontmaskering van het revolutionaire doen en laten nog altijd aardig om te lezen. Al is het dus gebouwd op de ietwat naïeve aanname dat van de opstandige mens die in zijn opstand trouw blijft aan het existentiële motief ervan, in het uur U zoveel meer heil te verwachten zou zijn. Hoe verdrijf je met zo’n clubje fijngevoeligen ooit een numerieke meerderheid van kwaadwillenden?

    Het essay mag gelden als een handboek voor de ontwikkeling van het westerse revolutionaire denken. Marx’ denken krijgt vanzelfsprekend veel aandacht en ook wordt duidelijk hoe explosief het Duitse Idealisme van Hegel in nihilistische handen kon worden. Camus laat zelf ook doorschemeren vermoeid te raken door het Duitse Idealisme, dat zich zo onverschillig betoont jegens het leven. Liever is hem de Mediterane bezonkenheid, de matigheid, het kiezen voor het leven in het hier en nu. Hij beschouwde zichzelf niet filosoof genoeg om er het bijbehorende schurftige proza bij te leveren.

    Camus’ stijl is soepel, al is de inhoud abstract. Vlijmscherp schrijft hij over het definitieve moment van de dood, waarin ‘alles wordt voltooid. Om één keer op de wereld te zijn, is het noodzakelijk nooit meer te zijn.’ Enige retoriek is hem echter niet vreemd. Maar die treedt pas tegen het einde aan het licht. In het zicht van de overwinning gaat de tekst wat galmen: ‘Onze broeders ademen onder dezelfde hemel als wij, de gerechtigheid leeft.(…) Op de smartelijke aarde is zij het voortwoekerende onkruid, het bittere voedsel, de sterke zeewind, de oude en de nieuwe dageraad.’
    Voor wie het denken van de mens Camus wil begrijpen, biedt dit boek een leerzaam inkijkje. In 2013 zijn wij honderd jaar voorbij het geboortejaar van de schrijver. Misschien dat dat gevierd kan worden met een ruim gekozen bloemlezing uit zijn dagboeken.