• Filosofische en empatische avonturen roman

    Filosofische en empatische avonturen roman

    Recensie door Fred Lens

    Jean-Baptiste Andrea (1971) is een recent literair fenomeen. Hij begon in 2017 met romans te schrijven en elk boek dat er van hem verscheen werd gelauwerd en bekroond. Zijn vierde roman, Waak over haar uit 2023 werd bekroond met de prestigieuze Prix Goncourt. Dat Andrea eigenlijk copywriter en regisseur is, voelt de lezer ook in het instant verfilmbare Duivels en heiligen, een jongensboek voor alle leeftijden, met alle ingrediënten die een jongensziel kunnen beroeren. Hij voert de lezer naar stations, luchthavens, de maan en een  luguber bergklooster.

    Het is ontroerend hoe het hoofdpersonage, Joe (van Joseph) als oudere man terugblikt op zijn Oliver Twist-achtige ervaring in een colditzklooster, maar ook op de pianolessen van zijn veeleisende privéleraar en gewezen virtuoos Rothenberg.

    Einde van een jeugd

    ‘Je moet niet proberen te spelen zoals ik, maar zoals jezelf’, of: ‘Eindelijk beginnen je handen te beven’ en ‘In muziek (van Beethoven) is ritme het belangrijkst’ zijn enkele van Rothenbergs instructies. Dat ritme ontdekt Joe ook bij zijn vriendje Henri in ‘Sympathy for the Devil’.  En jaren later feliciteert Thelonious Monk in New York Joe met zijn pianospel. Maar muziek verzacht niet alles. ‘Een musicus is in staat de zachtste muziek te spelen nadat hij zijn vrouw en kinderen heeft geslagen’ aldus Eerwaarde Sénac over zijn vader, die hem verbood de piano in het weeshuis aan te raken.

    Joe’s beide ouders en zijn ‘onverdraagbare’ zusje stierven op 2 mei 1969 om 18.14 uur in een vliegtuigcrash. Hij is dan bijna 16 en noemt dat het uur waarop zijn jeugd eindigde en een ongeneeslijke ziekte van ‘wees zijn’ hem trof. ‘Wees ben je voor altijd’. En inderdaad, de moeder van zijn beste vriend Henri laat hem zelfs niet meer binnen. ‘Een wees is ongeneesbaar’. Ook onder de wezen zelf, ‘De grote natie van de Vereenzaamden’ bestaat een hiërarchie. De belangrijkste zijn de wezen van zeer rijke gezinnen die een geprivilegieerde opvang krijgen. Alle andere wezen gaan naar afgelegen locaties waar ze niemand storen. Zo belandt Joe in ‘De Grens’, een gewezen priorij in de Pyreneeën, gescheiden door een honderd meter hoge flank van Spanje. Daar beleeft hij ‘jaren van zwarte regen’, en merkt dat ‘Alle wezen’ bevende handen hebben en ondervindt hij dat ‘De beste manier om te overleven, is te verdwijnen’.

    Geen duivels en heiligen

    Neen, dit is geen aanklacht tegen door katholieke religieuzen bestuurde internaten. Het blijft een avonturenroman waarin de psychische en fysieke terreur gelukkig nooit voor blijvend letsel zorgt. Het sadisme van surveillant ‘Kikker’ die de kleine bedplassers met een ‘pismantel’  terroriseert en de perfide sancties van eerwaarde Senac vormen slechts het decor van een jongensboek met gewaagde ontsnappingspogingen. 

    De sadisten zijn toch het resultaat van ‘monsters die monsters maken’, geen duivels dus. En bij de jongens geen heiligen, maar haantjesgedrag, verraad, ‘Ieder voor zich’. Tegelijk beschermen ze de epileptische Momo en zijn ezelknuffel. Momo op zijn beurt waakt bij Joe wanneer hij dagenlang hoge koorts heeft. En het broederschap het Nest (La Vigie) met Vos, Edison en Sinatra doen voor de 9-jarige Alzix alsof ze voor Russische raketten op wacht staan. Alzix neemt dan weer de schuld op zich voor de verdwenen encyclopediebladzijde en pleit zo Joe vrij.

    Spannende pageturner

    Joe moet Rose, de dochter van meneer De Graaf, mecenas van het weeshuis, pianoles geven. Zij is een verwend kind en ze kunnen elkaar amper luchten of zien. ‘Haat voedt zich net zoals het gebed met stilte’. Maar geleidelijk krijgen ze gevoelens voor elkaar en besluiten samen uit te breken, zij uit haar burgerbestaan, hij uit het weeshuis. Joe’s gevaarlijke ontsnappingspoging langs zeer hoge en loshangende dakgoten mislukt echter. Hij wordt verraden en als straf voor twee maanden in afzondering opgesloten. Elk contact met Rose is dan verbroken, maar Joe zal heel zijn leven proberen haar terug te vinden. Dank zij de turnleraar Rachid en de klusjesman Etienne, maar vooral dankzij hun intense fysieke training slagen de leden van het Nest erin om op een ongemeen spannende manier uit het weeshuis te ontsnappen. Duivels en heiligen is een spannende pageturner, romantisch, humoristisch, en filosofisch.



  • Oogst week 19 – 2024

    Alle omhelzingen

    Duitsers komen weliswaar uit het land van de dichters en denkers, maar hun zuiderburen kunnen er ook wat van. Dit jaar zou de Oostenrijkse dichteres Friederike Mayröcker 100 jaar zijn geworden. Dat redde ze helaas net niet, omdat ze in 2021 stierf. Nauwelijks een eeuw oud, maar haar nalatenschap geldt voor de eeuwigheid.

    Dit jaar verscheen de Nederlandse versie van Von den Umarmungen op de markt, vertaald door Martinus Nijhoff-Vertaalprijswinnaar Ton Naaijkens. Hij schreef ook het nawoord van Mayröckers dichtbundel: Alle omhelzingen.

    Geheel in lijn met de lijfelijke titel ervaart Mayröcker schrijven als een fysiek proces. Ze verkeert tijdens deze activiteit in een roes waar ze nooit uit raakt. Abnormaal vindt ze deze bijna hallucinante trance. En de Duitstalige literatuur mag haar dankbaar zijn voor deze abnormale neiging tot extase: ze geldt als grootheid van de Oostenrijkse letterkunde.

    Alle omhelzingen
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: m10boeken

    Duivels en heiligen

    Jean-Baptiste Andréa schrijft behalve fictie ook filmscenario’s. Zijn literaire debuut Mijn koningin leverde hem direct 12 prijzen op, maar de grootste won hij dit jaar: de Prix Goncourt, de heilige graal in Frankrijk. Met Des diables en des saints, door Martine Woudt vertaald in Duivels en heiligen, vestigt Andréa zich definitief tussen de grote namen van de francofone literatuur.

    Duivels en heiligen gaat over de geïsoleerde eenling. Het boek vertelt over een nare jeugd, waarin onbedorvenheid van een jong mens keihard wordt afgestraft door de harde buitenwereld. Vanuit een keur aan registers sleept Andréa de lezer door het verhaal heen en laat hem geen moment los: zwaar op de hand, dichterlijk, laconiek, raadselachtig… maar altijd subtiel en verleidelijk.

    Hoe cliché een moeilijke jeugd ook klinkt: niet wát een schrijver vertelt, doet ertoe, maar de vertelwijze. Filmschrijver Andréa begrijpt dit. Alles is al eens verteld, niet elke manier is toegepast…

    Duivels en heiligen
    Auteur: Jean-Baptiste Andréa
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Cassandra

    Op 24 maart 2007 verdween Cassandra van Schaijk spoorloos, om op 14 april diezelfde lente dood te worden gevonden in de Noorderplassen. Ze was nog geen achttien jaar oud. Behalve misdaadjournalist Peter R. de Vries proberen andere schrijvers koortsachtig dit mysterie te ontrafelen. Onder hen Niña Weijers.

    Als echte misdaadjournaliste, niet met botte bijl maar met prettige pen, dook Weijers in deze nooit opgeloste zaak. Inmiddels is haar boek Cassandra bekroond met de E. du Perronprijs, die de Universiteit Tilburg elke twee jaar uitreikt.

    Niña Weijers kon deze zaak die nooit officieel werd gesloten, maar niet loslaten. Ze zag hoe een onafgemaakt verhaal de levens van alle betrokkenen ontwricht. Bijna twintig jaar later blijft Cassandra’s noodlot onopgehelderd. Femicide? Wie zal het zeggen. Ieder slachtoffer verdient hoe dan ook een eerbetoon als dit.

    Cassandra
    Auteur: Niña Weijers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 9 -2024

    Mijn moeder lacht

    De Belgische regisseur Chantal Akerman (1950 – 2015) begon al op jonge leeftijd met films maken, en is vooral bekend van de film die zij op 25-jarige leeftijd maakte en die wordt beschouwd als een van de eerste en grootste voorbeelden van de feministische film: Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Brussel uit 1975. De film werd in 2022 door het Britse Film Institute uitgeroepen tot ‘beste film aller tijden’.

    Daarvóór had zij al diverse films op haar naam staan waaronder Hotel Monterey (1972) en Je, Tu, Il, Elle (1974), maar ook daarna heeft zij nog tal van films gemaakt. Akerman was en bleef een inspiratie voor een hele generatie regisseurs.

    Akerman kwam uit een Joods-Pools gezin. Haar moeder met wie zij een hechte band had, was een overlevende van Auschwitz. Haar grootouders stierven daar. De band met haar moeder en de oorlogsgeschiedenis van haar familie zijn terugkerende thema’s in haar werk.

    Akerman schreef Mijn moeder lacht toen ze haar moeder verzorgde toen die in 2013 op sterven lag. Mijn moeder lacht gaat over haar jeugd, de ontsnapping van haar moeder uit Auschwitz, haar liefde voor haar vriendin C. en de angst voor de tijd na het overlijden van haar moeder.
    Niña Weijers schreef het voorwoord bij Mijn moeder lacht.

    In het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel is vanaf half maart t/m half juli 2024 een expositie over het werk van Chantal Akerman te zien.

    Meer informatie over Chantal Akerman is terug te vinden op de website van de Chantal Akerman Foundation.

    Mijn moeder lacht
    Auteur: Chantal Akerman
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Starfighter

    Binnenkort verschijnt er bij uitgeverij Palmslag het boek Starfighter van Jan Kloeze.
    Op de flaptekst is te lezen: ‘Aanvankelijk is Job een dromerige jongen die in de jaren tachtig opgroeit met een onverdraagzame vader en een behoeftige moeder. Hij is bereid ver te gaan om zijn ouders het hoofd te bieden; hij kruipt in de grond, brengt een offer, strijdt letterlijk tegen het leger, dreigt bij partnerruil zijn vaders plaats in te nemen en schaart zich aan de kant van het zwarte schaap in de familie. Steeds echter blijft hij met lege handen achter.

    Jaren later kenmerkt zijn volwassen leven zich door voorzichtigheid. Hij durft niet meer voluit te leven. Gedwongen door zijn vrouw treedt hij toe tot een therapiegroep aan de Waal. Daar wordt hij als het ware wakker geschud. Hij verandert in een handelende man die na het overlijden van een vriendin besluit tot een radicale actie. Dat zet een reeks gebeurtenissen in gang, alsnog leidend tot de confrontatie met zijn verleden.’

    Jan Kloeze (1959) studeerde met Starfighter af aan de ‘Schrijversvakschool’ Amsterdam.

    Starfighter
    Auteur: Jan Kloeze
    Uitgeverij: Uitgeverij Palmslag (2024)

    Onze vreemden

    Onze vreemden is een verhalenbundel van de Amerikaanse Lydia Davis. Daarin treffen de mensen elkaar kortstondig, op allerhande plaatsen en in allerlei situaties. Davis observeert en constateert. Ze schrijft over toevalligheden en over gewone dagelijkse zaken.

    Davis (1947) schrijft (ultra) korte verhalen, romans en essays. Met haar The Collected Stories (in het Nederlands in twee delen verschenen als Bezoek aan haar man en Varianten van ongemak), brak ze internationaal door. In 2013 ontving ze voor haar oeuvre de Man Booker International Prize.

    Davis is ook vertaler. Ze vertaalde o.a. werk van Proust, Foucault en Flaubert al dan niet met haar eerste echtgenoot Paul Auster. Ook selecteerde en vertaalde ze korte verhalen van ‘onze’ korteverhalenschrijver A.L. Snijders die in 2016 in de bundel getiteld Grasses and Trees verschenen.

    Haar verhalen zijn heel kort, 1 tot 3 pagina’s, soms zelfs alleen een paar zinnen, zoals op pagina 14 het verhaal ‘Een klein beetje’ over Agnes Varda:

    ‘Agnes Varda, de Franse filmregisseur,
    zei tijdens een interview
    dat ze het leuk vond om een beetje te naaien
    een beetje te koken, een beetje te tuinieren, een beetje voor de
    baby te zorgen,
    maar alleen een klein beetje.’

     

     

    Onze vreemden
    Auteur: Lydia Davis
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact (2023)
  • Oogst week 37 – 2023

    De kolonel slaapt niet

    Emilienne Malfatto (1989) betekent letterlijk: ‘Uit duizenden’ en ‘slecht gedaan’. Toch excelleert zij tot nu toe voortdurend. Zowel haar journaalfoto’s als schrijfwerk wordt alom geprezen. Als oorlogscorrespondent in onder andere Irak schreef zij voor The Washington Post en The New York Times. Haar debuutroman Que sur toi se lamente le Tigre leverde haar Le Prix Goncourt Premier op: de beste debuutroman van Frankrijk. Ook haar tweede roman – Le colonel ne dort pas – verdiende een Franse prijs: die van de beste tweede roman. Benefatto!

    De kolonel slaapt niet, vertaald door Martine Woudt, gaat over een woeste oorlog die legercommandanten de slaap ontneemt. De vertelling focust zich op drie mannen: een kolonel, een generaal en een ordonnans. Vanuit haar ervaring in oorlogsgebied zet Malfatto haar karakters en decor geloofwaardig neer. Zo wakker als de hoofdpersonen zijn uit gewetenswroeging, zo alert registreert Malfatto onrecht. Dit doet zij met impressionistische toets: een stilistisch contrast met de wreedheden, begaan door het slapeloze drietal. Lezen dus, maar liever niet vlak voor het slapengaan…

     

    De kolonel slaapt niet
    Auteur: Émilienne Malfatto
    Uitgeverij: Cossee

    Nu we er toch zijn

    Alles uit Deventer ademt literatuur. Dit geldt ook voor Erwin Hurenkamp (1993). En nu we daar toch zijn: Hurenkamps debuutbundel luidt Nu we er toch zijn. Op Hard//Hoofd valt te lezen dat hij een vrij letterlijke broodschrijver is: hij werkt in Amsterdam bij een Franse bakkerij. Editio’s Debutantenschrijfwedstrijd heeft hij in 2021 gewonnen, hetgeen hem er vast toe inspireert door te gaan.

    Zelf heeft hij echter niks met inspiratie: ‘Voor mij ontstaat een tekst meer vanuit een spelletje, vanuit het oeverloos combineren van woorden, beelden en ideeën.’ Toch lijkt Nu we er toch zijn hoger in te zetten dan een simpel spelletje. Verwijzingen naar de Bijbel én kritiek op haar – Genesis, Agnus Dei, Koolstof, Kyrie en Credo – lijken maar op één ding te anticiperen: een kleine bundel over de grote geschiedenis. Het is afwachten hoe biologie, geloofskritiek, natuurkunde, scheikunde én poëzie een coherent geheel vormen.

    Nu we er toch zijn
    Auteur: Erwin Hurenkamp
    Uitgeverij: Querido

    Lessen van King

    In vijf jaar tijd wordt Martin Luther King hét gezicht van de Amerikaanse Civil Rights Movement. Tussen 1963 en ’68 (het jaar waarin hij vermoord wordt) brengt de dominee een raciale verbroedering teweeg van wereldse proporties. Zestig jaar na zijn gedroomde speech blijkt echter dat we nog een wereld te winnen hebben. Lessen van King, coproductie van Peter Sierksma, Johan Fretz en Harcourt Klinefelter, vat Kings koninklijke nalatenschap samen. Het driekoppige doorgeefluik bevestigt in elk geval deze les van de predikant: ‘You can kill the dreamer, not the dream.’

    Harcourt Klinefelter, Kings persvoorlichter én sinds 1972 wonend in Nederland, heeft het icoon van dichtbij meegemaakt. Naar het credo ‘what would Martin do?’ zet hij zich onder meer in voor Black Lives Matter en Extinction Rebellion. Hij kiest de thema’s waarover amerikanist en journalist Peter Sierksma zich buigt: De lessen van King. Enerzijds is het natuurlijk prachtig dat Martin Luther King tot op heden miljoenen mensen weet te inspireren. Anderzijds blijft het onverteerbaar dat zijn oproep tot geweldloos verzet nog altijd actueel is. Onrecht, het verdwijnt niet zomaar.

    Lessen van King
    Auteur: Peter Sierksma, Johan Fretz, Harcourt Klinefelter
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Listen en lagen van een Afrikaanse dynastie

    Listen en lagen van een Afrikaanse dynastie

    De diepst verborgen herinnering van de mens van Mohamed Mbougar Sarr uit 2021 gaat over de zoektocht naar de in 1938 verschenen debuutroman van de Senegalese schrijver T.C. Elimane. De titel daarvan is ‘Het labyrint der onmenselijkheid’. In het begin vertelt Sarr – eveneens Senegalees – hoe zijn hoofdpersoon het vergeten boek op het spoor komt en het er met een collega-schrijver over heeft. Ze zijn er beiden diep van onder de indruk en naar aanleiding ervan bespreken ze de ‘aangename, soms vernederende ambiguïteiten van onze positie als Afrikaanse (of van origine Afrikaanse) schrijvers in de Franse literaire wereld’. Ze realiseren zich hoe ‘we onze pijlen [richtten] op onze voorgangers, de vorige generaties Afrikaanse auteurs, die we verantwoordelijk hielden voor het onheil dat ons trof: het gevoel dat we niet in staat waren of het recht niet hadden (dat kwam op hetzelfde neer) te vertellen wat onze afkomst was (…) en dat sommigen van onze voorgangers zich hadden overgegeven aan gedienstig, van negerfolklore doorspekt exotisme’.
    De schok die ze ervoeren was de radicaal andere zienswijze die het boek van T.C. Elimane bood.

    Elimane heeft nooit bestaan. Zijn ‘Het labyrint der onmenselijkheid’ evenmin. Maar het boek dat de schok teweeg bracht wel degelijk. Sarr baseerde zijn roman op De onvermijdelijkheid van geweld waarmee de Malinese schrijver Yambo Ouologuem (1940 – 2017) in 1968 in Frankrijk debuteerde en de verwikkelingen rond dat boek in de jaren na de verschijning ervan. De roman geeft inderdaad een schokkend beeld van de Afrikaanse geschiedenis, die wemelt van geweld en machtsmisbruik. Bovendien was Ouologuem één van die auteurs ‘in de Franse literaire wereld’ die wars was van het ‘gedienstig, van negerfolklore doorspekt exotisme’.

    Eenling tussen de haaien

    Toen De onvermijdelijkheid van geweld in 1968 in het Frans verscheen werd het lovend ontvangen, culminerend in de toekenning van de Prix Renaudot. Maar binnen een paar jaar werd de auteur beschuldigd van plagiaat. Schrijver Graham Greene trof in de roman passages aan uit zijn It’s a Battlefield en spande een proces aan dat hij won. Hij was de enige niet die met een dergelijke beschuldiging kwam. Voor Ouologuem was de kwestie aanleiding om zich vanuit Parijs, waar hij woonde, terug te trekken in zijn geboorteland. Hij wilde niets meer met het westen te maken hebben al verschenen nog wel twee mindere romans van zijn hand onder pseudoniem.
    In het Nawoord bij de nu verschenen eerste Nederlandse vertaling van De onvermijdelijkheid van geweldschrijft de Leidse docent Afrikaanse literatuur Vamba Sherif: ‘Zijn latere zwijgen onderstreept de pijn en de radeloosheid waarmee hij tot aan zijn dood in 2017 te maken moet hebben gehad. Hij was een eenling, geworpen in een zee van haaien die hem niet waardeerden voor wat hij was: een groot schrijver. Zwijgen en zich terugtrekken was voor hem daarom de enige optie’.

    Harde hand

    De onvermijdelijkheid van geweld is niet geschikt voor tere zielen. Ouologuem beschrijft een geschiedenis van het fictieve Nakem – misschien het best te vergelijken met Mali – dat gekoloniseerd werd door de Fransen (‘de Flençèssi’). De roman bestrijkt in hoofdzaak de koloniale periode, maar die wordt in het eerste hoofdstuk voorafgegaan door een kort overzicht van de mythische oorsprong van het Rijk vanaf 1202 toen de dynastie van de Saïfs begon. Eind 19de eeuw veranderde alles: ‘Het rijk werd tot vrede gebracht en opgesplitst in verschillende geografische zones, die de Europeanen onder elkaar verdeelden. Blij onthaalden de Afrikanen, gered van de slavernij, de witte man, die, hoopten ze, hun de wreedheid van de even machtige als vervaarlijk georganiseerde Saïf zou doen vergeten’.
    De bedoelde telg van de Saïf-dynastie is Saïf ben Isaac El Héït die, ‘vervuld van ongenoegen, met geurige mond en eloquente tong de energie van het fanatieke volk probeerde te mobiliseren tegen de indringer’. Dat deed deze Saïf met harde hand door gruwelijke moordpartijen, seksuele uitspattingen en geraffineerde manipulatie van de Flençèssi. Zijn wij gewend slavenhandel en vernedering te zien als een uitwas van het kolonialisme, Ouologuem laat zien dat de excessen onder eigen heersers van Afrikaanse stammen al veel eerder aan de orde van de dag waren en na de komst van de ‘witte mannen’ gewoon doorgingen, maar op een doortraptere manier: ‘Deze koloniserende mogendheden kwamen al te laat, want de kolonialist die hier, samen met de adellijke aristocratie, sinds lang gevestigd was, was niemand minder dan de Saïf, en de Europese veroveraar speelde hem – zonder het te weten! – in de kaart’.

    Liefdesverhaal

    Ouologuem beschrijft niet alleen de wreedheid van Saïf, maar ook de naïviteit van het Westen, dat Afrika graag wil zien door een romantische bril. Een fraaie illustratie daarvan biedt de komst van een Duitse etnoloog, Fritz Shrobenius en zijn gezin, naar Nakem. Toen Saïf ervan hoorde dat deze man erop uit was bewijzen, zoals maskers, te verzamelen om zijn idee te onderbouwen dat het Afrikaanse leven pure kunst was, werd hij (Shrobenius) door Saïf compleet in de watten gelegd. Én bedrogen. De etnoloog wilde ‘een Afrikaanse wereld (…) laten herleven die met de werkelijke geen enkele overeenkomst meer had’. Die kon hij krijgen van Saïf. Deze liet in allerijl honderden kilo’s maskers vervaardigen en begraven in het drasland om ze vervolgens door Shrobenius te laten ‘ontdekken’. Die sleet ze voor goudgeld aan verzamelaars. ‘Die maskers, drie jaar oud, droegen het gewicht van vier eeuwen beschaving, werd er gezegd’.

    Bijzonder treffend laat Ouologuem een vertederende kennismaking van de twee geliefden Kassoumi en Tambira fel contrasteren met de wreedheden die hij debiteert om die des te meer te laten uitkomen. Het verhaal van het jonge stel doet erg denken aan het verloop van de romance tussen Saïdjah en Adinda in Max Havelaar. Ook dat verhaal versterkt de wreedheid van de uitbuiting. In De onvermijdelijkheid van geweldeindigt het allemaal nog gruwelijker.

    Aspisadder

    Saïf is een ongelooflijk sluwe man die zijn gezag weet te handhaven door list en bedrog en door de Fransen het gevoel te geven dat hij het beste met hen voor heeft. Daar komen nogal wat moorden aan te pas waarbij hij steeds schone handen weet te houden. Hij heeft zo zijn personeel om de vuile klusjes op te laten knappen. Die maken daarbij vaak gebruik van gif van de aspisadder dat op allerlei geniepige manieren wordt ingezet zonder dat op de daders maar enige verdenking valt.
    Hoezeer de machtsverhouding tussen Saïf en de Fransen (ook de koloniale bestuurders sterven soms op raadselachtige wijze) een balanceeract is blijkt in het slothoofdstuk waarin de Franse deken Henry met Saïf aan een schaakbord zit waar zich tussen de twee een spannende dialoog ontwikkelt waarin Henry zijn opponent Saïf in verlegenheid brengt door hem op een subtiele manier te laten merken dat hij alles weet van aspisaddergif….

    Wat goed dat Uitgeverij Jurgen Maas Nederland 55 jaar na de eerste verschijning alsnog met deze roman kennis laat maken. Wie Sarr al las dringt er nog dieper mee door in diens De diepst verborgen herinnering van de mens.

     

     

  • Tussen kitsch en kunst

    Tussen kitsch en kunst

    Het verhaal van Het laatste kind is snel verteld. Een moeder neemt afscheid van haar jongste zoon die op kamers gaat. Hoe laat je je kind los en wat betekent het vertrek van het laatste kind voor je eigen leven? Deze worsteling wordt door Philippe Besson zeer gedetailleerd beschreven. Zo gedetailleerd, dat zijn proza soms naar kitsch neigt. Toch boeit Het laatste kind, ondanks het wat larmoyante slot.

    Philippe Besson (Frankrijk, 1967) is een literair multi-talent. Naast romans schrijft hij ook voor theater en film. Een aantal van zijn boeken is in het Nederlands vertaald, zoals zijn veelgeprezen debuut uit 2001 Bij afwezigheid van mannen, en het autobiografische Lieg met mij dat in 2020 bij De Bezige Bij verscheen. Het zijn kleine romans van nog geen tweehonderd bladzijden. Ook Het laatste kind kent een ruime bladspiegel en veel wit tussen de hoofdstukken. Besson heeft het opgedragen aan zijn moeder. Wellicht dacht hij bij het schrijven aan de dag dat hij zelf het ouderlijk huis verliet. Het verrassende is dat in deze roman niet het perspectief wordt gekozen van de vertrekkende zoon Théo, maar dat van de moeder die achterblijft.

    Stereotype man

    Hoofdpersoon is dus moeder Anne-Marie. Ze is getrouwd met Patrick, heeft drie kinderen. De twee andere kinderen komen niet of nauwelijks aan bod en echtgenoot Patrick is de stereotype man die het niet kan hebben als zijn vrouw autorijdt met hem als bijzit. Anne-Marie past zich aan ‘zodat hij geen maagzweer ontwikkelt’. Daarnaast is hij nauwelijks een serieuze gesprekspartner voor zijn vrouw. Théo zelf is een wat ondoorgrondelijke jongen. Hij schermt zijn leven af voor de blikken van zijn moeder. Een enkele keer kiest Besson voor Théo’s perspectief, als hij bijvoorbeeld naar zijn moeder kijkt die helpt bij het tillen en dragen van zijn spullen. ‘Ze doet zich stoerder voor dan ze is (…). Ze moet geen hernia oplopen (…).’

    Zoals moeders kunnen

    Met de verhuizing van haar zoon wordt Anne-Marie geconfronteerd met de tijd die voorbij is en met haar angsten voor een toekomst die op dat moment leeg en kleurloos lijkt, zonder de dagelijkse zorg voor haar zoon. Ze stelt dan ook het daadwerkelijke afscheid geraffineerd uit, zoals moeders dat kunnen, door voor te stellen na de verhuizing gedrieën nog iets te gaan eten. De ‘Amerikaanse diner’ wordt uitgebreid beschreven, en dat Anne-Marie ‘het altijd leuk heeft gevonden om met haar kinderen in een restaurant te lunchen, waarschijnlijk omdat het zelden gebeurde’. Dit wordt nog verder uitgelegd, waardoor de vaart helemaal uit het verhaal verdwijnt: ‘Ze hadden nooit echt tijd en ze hadden niet echt de middelen. En bovendien kan Anne-Marie uitstekend koken: waarom zou je geld over de balk smijten om minder lekker te eten dan thuis.’ Et cetera.

    Terwijl de scène zo goed begon met de opstelling aan tafel, wie zit naast wie, vader alleen of zoon alleen tegenover de andere twee? Krampachtig wordt naar een gezellig gespreksonderwerp gezocht. Ze komen uit bij vakanties die voorbij zijn, zo’n onderwerp waar ook niet iedereen zin in heeft, tot het gesprek gaat over hoe de ouders elkaar hebben ontmoet.

    ‘Théo verwacht meer van zijn toekomstige liefdes en van de beslissende ontmoeting al weet hij niet veel van hartstocht en emoties.’ Het zijn deze zinnen die verraden dat Besson misschien toch liever dat verhaal van Théo had willen vertellen, dan verder gaan met de besognes van de moeder. Zijn liefdesleven blijft onbesproken. Dat zorgt ervoor dat het verhaal gefocust blijft op afscheid nemen en hoe onafwendbaar de terugkeer is naar het lege huis. Het verhaal gaat niet over de coming out van een stille zoon.

    Buurvrouw

    In de auto terug naar huis denkt Anne-Marie aan haar relatie met haar zoon, heeft ze spijt van de dingen die ze niet heeft gedaan: samen naar de film of zich verdiepen in zijn muzieksmaak (Ed Sheeran wordt genoemd). Eenmaal thuis zoekt ze haar buurvrouw op om uit te huilen. Françoise maakt thee voor haar en voor zichzelf Nescafé, serveert een boterkoekje. Het zijn dit soort truttige details die de gewoonheid van deze levens kenschetsten. Anne-Marie vindt weinig troost bij Françoise. In tegenstelling tot de gescheiden buurvrouw blijft zij niet alleen achter. Het wordt haar fijntjes onder de neus gewreven.

    ‘Françoise zal nu aan het woord blijven. En Anne-Marie zal alleen een beetje knikken. De een weet dat de ander zich er niet van kan weerhouden te blijven malen, het is sterker dan zij. (…) Ze praat in de woonkamer die schommelt, (…) terwijl Anne-Marie haar een verstarde glimlach toewerpt.’ Dit zijn mooie momenten in het boek, dan weet Besson in enkele zinnen het contrast tussen twee levens neer te zetten. Dan vergeef je hem zinnen als ‘De een is de vergaarbak van de ontmoediging en de angst van de ander, en aanvaardt dat.’

    Cliffhanger

    ‘Zo was het drama op gang gekomen’ is de cliffhanger voordat het eerste hoofdstuk aanvangt. Aan het einde blijkt dit zinnetje toch meer effectbejag te zijn geweest, dan dat er een daadwerkelijk drama heeft plaatsgevonden. Toegegeven het slothoofdstuk wil er nog wel een spannend schepje bovenop doen, maar het is een toevoeging aan het verhaal die onnodig blijkt. Anne-Maries gedachtestroom over het leven, over haar zoon, over dat werkelijk alles haar is ontglipt en dat de persoonlijke vrijheid die Théo’s vertrek met zich meebrengt haar weinig bevalt, is voor de lezer invoelbaar en daardoor prachtig genoeg.

     

  • Oogst week 28 – 2021

    Tot de dood ons scheidt

    De Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver is ook in Nederland al lang geen onbekende meer. Vooral haar We moeten het even over Kevin hebben werd een bestseller. Daarin liet ze een moeder reflecteren op levensvragen naar aanleiding van door haar 16-jarige zoon gepleegde moorden. Zojuist is van Shriver Tot de dood ons scheidt verschenen. Het echtpaar Cyril en Kay, dat de martelgang heeft meegemaakt van een (schoon)vader die aan Alzheimer is overleden, neemt zich voor om zelf op tijd, als Kay tachtig wordt, uit het leven te stappen. Cyril, die arts is begint erover: ‘Ik heb genoeg geriatrische patiënten zien komen en gaan om vrij overtuigend te kunnen stellen dat heel weinig mensen de “kwaliteit van leven” die we tegenwoordig zo vanzelfsprekende vinden na hun tachtigste nog behouden (…) Het is een mooi rond getal. Dus ik stel me zo voor dat tachtig de grens is’. Hoe dichter die leeftijd nadert, hoe meer vraagtekens het echtpaar bij die keuze stelt. Wat voor mogelijkheden gaat de geneeskunde bieden? Wanneer is leven voltooid? Wat is ‘kwaliteit van leven’?

    Tot de dood ons scheidt
    Auteur: Lionel Shriver
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia is de derde roman van de Georgische schrijver Dato Turashvili die in het Nederlands werd vertaald. Deze nieuwste heeft als plaats van handeling Amsterdam. Zijn grootvader Melenti is daar kort na de Tweede Wereldoorlog vanuit een Russisch strafkamp naar toegevlucht, maar wat hij daar precies heeft uitgevoerd is nooit bekend geworden. Turashvili probeert het te achterhalen. Eén van de thema’s die in de roman aan bod komen is de beruchte opstand van de Georgiërs op Texel (ook wel ‘de Russenoorlog’ genoemd) in 1945. Was zijn grootvader daarbij betrokken? Had hij daar zijn verbanning naar het strafkamp van Stalin te danken?

    Het dubbelleven van Melenti Maschoelia
    Auteur: Dato Turashvili
    Uitgeverij: Cossee

    Het laatste kind

    Het laatste kind in de roman Het laatste kind van Philippe Besson is jongste zoon Théo. De roman doet verslag van de gevoelens die moeder Anne-Marie bestormen als ze hem mee helpt verhuizen. Ze beseft dat haar leven er vanaf nu anders uit zal zien. Als Théo voor de laatste keer voor het ontbijt naar beneden komt lezen we: ‘Ze kijkt naar hem terwijl hij op zijn plekje gaat zitten: zijn haar is ongekamd en zijn gezicht is nog slaperig, hij draagt alleen een onderbroek en een vormeloos T-shirt en loopt op blote voeten over de tegelvloer. Niet op z’n voordeligst, en toch met een schoonheid die haar blijft verbluffen en met trots vervullen. En meteen denkt ze, terwijl ze zichzelf had bezworen dat niet te doen, terwijl ze tegen zichzelf had herhaald: nee vooral niet aan denken, ja, nu denkt ze, op gevaar af dat het pijn doet, op gevaar af dat ze een hik, een snik niet kan onderdrukken: het is de laatste keer dat hij zo verschijnt, het is de laatste ochtend’.

    Het laatste kind
    Auteur: Philippe Besson
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Bewegen om de wereld te kunnen begrijpen 

    Bewegen om de wereld te kunnen begrijpen 

    Er gaat een zekere dreiging uit van de titel van de roman Tot het water stijgt (En attendant la montée des eaux) van Maryse Condé uit 2010, dat dit jaar in Nederlandse vertaling verscheen. De vertaling van Martine Woudt is prachtig, het boek meeslepend. Er is veel rampspoed maar – tot het water stijgt en de Caraïbische eilanden verslonden worden – ook een sprankje hoop. Maryse Condé is één van de grote stemmen van de huidige Franstalige literatuur. Haar oeuvre is zeer omvangrijk, verscheiden en volstrekt eigen: zij schrijft, zoals ze het zelf in een interview onder woorden bracht, in het ‘Maryse Condees’.

    Daarmee schaart ze zich bewust niet bij de andere grote figuren van de Francophonie en claimt niet een politiek geëngageerde schrijver te zijn. Toch behandelt ze nogal splijtende onderwerpen zoals slavernijgeschiedenis, racisme, vluchtelingenproblematiek en heeft daar een geprononceerde mening over. Haar zienswijze wil ze echter niet op dogma’s baseren, maar veeleer op haar overtuiging dat de mens door zijn ontmoetingen en uitwisselingen met de ander gevormd wordt. Ook begrippen als ‘afkomst’ of ‘huidskleur’ kennen geen eenduidige definitie, maar fluctueren in tijd en plaats, permanent onderworpen aan wisselende invloeden en tegenstrijdigheden, waardoor niet voor eeuwig alles vaststaat. Reizen maakt deze blootstelling mogelijk en is dan ook voor Condé – maar ook voor haar personages –  van fundamenteel belang: je moet bewegen om de wereld te kunnen begrijpen. En dat is precies wat ook zij gedaan heeft.

    Slachtoffers en onderdrukkers in beide kampen

    Geboren in Pointe-à-Pitre op het kleine eiland Guadeloupe in een welgesteld ‘zo wit mogelijk’ zwart gezin, als laatste in een rij van acht kinderen groeit Maryse Condé op in ‘gecontroleerde vrijheid’, overladen met klassieke Franse literatuur. Er werd niet gemengd, maar kleur speelde geen rol, zegt ze over die tijd. Dat kleur er kennelijk wel toe deed, ontdekte ze pas veel later, wanneer ze in Frankrijk aan een prestigieuze school studeert. Voor de één is zwart zijn een identiteit die trots verdedigd en verheerlijkt moet worden (zoals voor de Martinikaanse dichter Aimé Césaire), anderen verzetten zich tegen het idee van een gemeenschappelijke zwarte identiteit: de Martinikaanse psychiater en denker Frantz Fanon stelde dat gekoloniseerde zwarte mensen een Europese, witte uitvinding zijn, een vloek waarvan zij zich met geweld moeten bevrijden.

    Condé realiseert zich dat in haar opvoeding nou net de gemeenschappelijke factor van alle gekoloniseerde volkeren weggelaten werd, namelijk Afrika. Ze vertrekt er naartoe en verblijft er twaalf jaar. In die jaren vormt ze zich een genuanceerd beeld van de derde wereld, dat ze in haar boeken steeds opnieuw bespreekt. Koloniale mogendheden mogen dan wel vertrokken zijn, hun schadelijke invloed is gebleven. Maar hebzucht, collaboratie, expansiedrang beperkt zich niet tot één kamp en is mens eigen. Intellectuele en morele misère bij de Afrikaanse leiders leidde tot militaire staatsgrepen, waaruit dictatoriale regimes voortkwamen die de gewone man zeiden te bevrijden terwijl ze juist hem in grote ellende stortten. De migranten die vandaag de dag Europa blijven bestormen zijn er het bewijs van dat deze situatie nog steeds voortduurt, zegt Condé. 

    Grande dame van de Caraïbische literatuur

    Condé is een productieve schrijfster – misschien wel te productief, zei ze met zelfspot– die meer erkenning had willen krijgen. Grote literaire prijzen, zoals de Prix Goncourt zijn aan haar voorbij gegaan, van haar eigen geboorteland Guadeloupe kreeg ze naar eigen zeggen geen waardering. Toch heeft ze in 2010 voor Tot het water stijgt, haar op dat moment twintigste roman, de Grand prix du roman métis gekregen. Deze in dat jaar ingestelde prijs beloont  sindsdien jaarlijks de Franstalige roman die waarden als  rassenvermenging, humanisme en diversiteit bespreekt.

    Maar de hoogste literaire onderscheiding kreeg ze met de alternatieve Nobelprijs in 2018, toen de reguliere uitreiking wegens interne problemen niet plaatsvond. Ergens zit ook hier iets wrangs in. Condé ziet het als haar taak van zwarte schrijver om respect en liefde voor het anders zijn over te brengen op haar lezers en om naar verbindingen te zoeken. Ze is een begenadigd verteller, die mooie frases, clichés en geromantiseerde beelden uit de weg gaat, maar de brute realiteit nuanceert door poëtische beschrijvingen, empathie voor de ‘loser’, ironie en een vleugje magisch realistisme. Deze ingrediënten maken haar verhaal toegankelijk en acceptabel voor de lezer die geboeid raakt en aan het denken wordt gezet. 

    Variaties op de thema’s geweld en verplaatsing

    De hoofdpersoon van Tot het water stijgt is verloskundig arts Babakar, van oorsprong Malinees, die het door burgeroorlogen en stamconflicten geteisterde Afrikaanse continent achter zich heeft gelaten en na veel rondzwervingen op Guadeloupe is gestrand. De roman begint op het moment dat hij tijdens een stormachtige nacht bij een bevalling geroepen wordt. De moeder blijkt zojuist overleden te zijn en Babakar besluit ter plekke zich de baby toe te eigenen. In Anaïs, zoals hij de pasgeborene zal noemen, ziet hij in een flits de kans om zijn leven, tot dan alleen getekend door verlies van dierbaren en buitensluiting, betekenis te geven. De enige constante in zijn leven tot dan is zijn overleden moeder Thecla, die hem in zijn dromen komt toespreken. Door haar blauwe ogen werd ze voor heks aangezien, een macht die ze ook na haar dood over Babakar behoudt. Hij is een milde, nuchtere man: ‘…ik was geen man met idealen. In mijn ogen bestond er geen overtuiging, geloof of ideologie die het waard was om voor te sterven.’ Door deze houding wordt hij echter een buitenstaander, een status die enerzijds afstand en wijsheid kan bieden, anderzijds een soort naïeve Candide van hem maakt, op zoek naar de beste van alle mogelijke werelden.  

    Samen met de Haïtiaan Movar, en de Palestijn Fouad (die een Libanees restaurant runt) gaan deze drie ‘ontroostbare weduwnaars’, zoals Thecla ze spottend bestempelt, op zoek naar een plek waar ze horen, ‘Wat sommige sterke geesten ook zeggen, je hebt het nodig om een land te hebben.’ De drie ontwortelden vinden elkaar op Haïti, het eiland waar de doden naast de levenden blijven leven, al zijn ze slechts voor een zieneres-medium waarneembaar. Maar naast allerlei natuurgeweld– aardbevingen, overstromingen, wervelstormen… –  heeft corruptie, haat voor buitenlanders, blind geweld en verlies van elk moreel houvast ook hier alles ontwricht. In zijn onstilbare honger naar macht heeft de mens door zijn beestachtige misdaden die hij op zijn soortgenoten begaat ‘geweld’ en ‘vluchten’ tot eeuwige thema’s gemaakt.

    Moins c’est plus/ Less is more

    Maryse Condé laat Babakar onbevangen en meelevend naar de wereld (om hem heen) kijken en wijze observaties maken, ‘Onderdrukten worden onderdrukkers, zodra ze dat kunnen, en die laatsten worden vaak slachtoffers.’ Dan weer vraagt hij zich af, ‘Gaan paradijzen niet altijd verloren door de fout van mensen?’ Babakar verwoordt Condé’s verzoenend, ruimhartig perspectief, al was het alleen al door zijn beroep van verloskundig arts, personificatie van hoop en nieuw begin.

    Toch worden deze waardevolle lessen vertroebeld door de grote drukte die in de roman heerst. Veel, te veel  personages – hoofdpersonen en talloze bijrollen – worden gedetailleerd opgevoerd met allemaal een eigen, tumultueus parcours. De aandacht versplintert, het overzicht raakt kwijt. De verhalen tuimelen over elkaar heen, raken verstrengeld en ergens ontbreekt een bindmiddel dat het epos tot een betekenisvol geheel zou maken, waardoor de wijsheid ook bij de lezer zou kunnen nagloeien.

     

  • Oogst week 19 – 2021

    Schuilen in stijl

    David Leavitt (1961), schrijver van romans en korte verhalen en enkele non-fictie boeken, tevens docent creatief schrijven aan de Universiteit van Florida, schetst in zijn nieuwe roman Schuilen in stijl met levendige pen een komisch beeld van de tijd direct na de Trump-verkiezing en van verlangens naar macht, liefde en vrijheid.

    Het is 2016. Een groep vrienden zit in de tuin van een luxueus huis bijeen en wacht op de scones die uit de keuken moeten komen. Donald Trump is pas verkozen als president. Gastvrouw Eva, bekend om haar royale ontvangsten en liefde voor het decoreren van haar huis, vraagt de gasten wie aan Siri durft te vragen hoe Trump vermoord kan worden. Want de politieke ontwikkelingen brengen onrust en de veiligheid en vrijheid uit het milieu van ‘welgestelde progressieve New Yorkers’ worden bedreigd. Tijdens een reis naar Italië haalt Eva haar man Bruce over om een vervallen appartement in Venetië te kopen, waarmee ze onbewust aan aantal gebeurtenissen in gang zet waarover ze geen controle meer heeft. Met de Italiaanse mogelijkheid om aan de Amerikaanse politieke sfeer te ontsnappen stapt Bruce uit zijn comfort-zone, recht in allerlei onaangename ontwikkelingen. En dan volgt er ook nog een totaal onverwachte liefdesaffaire.

     

    Schuilen in stijl
    Auteur: Leavitt David
    Uitgeverij: De Harmonie

    DODE MEISJES

    Door de coronacrisis is het geweld tegen vrouwen en meisjes wereldwijd toegenomen, meldden de Verenigde Naties vorig jaar. Volgens het online magazine One World sterft in Nederland elke tien dagen een vrouw door huiselijk geweld, waarmee we het slechter doen dan de zogenaamde macholanden. En De Groene Amsterdammer berichtte in maart jongstleden dat vrouwen in de politiek hatelijke en agressieve tweets ontvangen over hun stem, lichaam, religie of huidskleur. Misogynie en frustraties van (meestal) mannen komen steeds vaker naar buiten. Femicide (of feminicide) is een woord dat wereldwijd ingeburgerd begint te raken. Ook de Argentijnse schrijfster en intellectueel Selva Almada (1973) gebruikt het in haar boek Dode meisjes. Het verscheen in 2014, het jaar waarin in Argentinië tientallen vrouwen werden vermoord. Die lijst heeft Almada opgenomen in haar boek dat nu in een Nederlandse vertaling is uitgebracht door Uitgeverij Vleugels. Centraal staan drie ongestraft gebleven vrouwenmoorden uit de jaren tachtig die plaatsvonden in het Argentijnse binnenland. Op realistische en tegelijkertijd poëtische wijze combineert Almada de onderzochte feiten van de moorden en het dagelijks geweld tegen vrouwen met persoonlijke teksten en verhalende fragmenten.

    DODE MEISJES
    Auteur: Almada, S.

    Tot het water stijgt

    Op Guadeloupe wordt de Malinese arts Babakar geroepen bij een overledene en een pasgeboren baby. De bij de bevalling overleden vrouw  was een Haïtiaanse vluchtelinge. Wie moet er nu voor het kind zorgen? Babakar besluit haar mee te nemen, want ‘zijn kind, waar hij tevergeefs naar had gezocht, werd hem hiermee teruggegeven,’ zo weet hij zeker. De ook bij het overlijden geroepen directeur van de gemeenteschool ziet dat anders. ”We zijn hier niet… in Darfur!’ protesteerde de ander beledigd, alsof de kwestie zijn eer aantastte. ‘We zijn op Guadeloupe. Zo gaan de dingen hier niet! Guadeloupe is net zoiets als Frankrijk. We hebben wetten. Je adopteert een kind niet zomaar. Je doet een aanvraag, je wordt op een lijst gezet, je wacht op je beurt.”
    Babakar vindt dat het kind, dat hij Anaïs heeft genoemd, recht heeft op echte familie en gaat samen met goede vriend Movar naar hen op zoek in het door politieke chaos overheerste Haïti. Onderweg ontmoeten ze de Libanese kok Fouad. Afrika, de Antillen en Haïti komen samen in de onverbrekelijke vriendschap die de drie mannen sluiten.
    Schrijfster, hoogleraar en pleitbezorger van het Panafrikanisme Maryse Condé (1937) won in 2018 na een publiekspeiling de alternatieve Nobelprijs voor Literatuur, die dat jaar door interne problemen niet werd uitgereikt. Ze heeft tientallen boeken op haar naam staan.

    Tot het water stijgt
    Auteur: Maryse Condé
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando
  • Tot vrouw gemaakt

    Tot vrouw gemaakt

    Simone de Beauvoir (1908 – 1986) heeft haar novelle De onafscheidelijken nooit willen publiceren. Ze schreef het in 1954 vlak na één van haar beste boeken: De mandarijnen. Daarmee won ze de Prix Goncourt, tegelijkertijd liet ze De onafscheidelijken stilletjes in een la verdwijnen. Nu is het zeventig jaar later door inspanningen van haar aangenomen dochter Sylvie Le Bon de Beauvoir toch verschenen. Postuum. Waardoor je als lezer meteen voor de vraag wordt gesteld of De Beauvoir met deze uitgave gelukkig zou zijn geweest.

    Aantrekkingskracht

    De onafscheidelijken gaat over een intense vriendschap tussen Sylvie Lepage, het alter ego van De Beauvoir, en Andrée Gallard, voor wie Élizabeth ‘Zaza’ Lacoin model stond. Kenners van De Beauvoir herkennen de vriendschap uit Een welopgevoed meisje (1958).  Om het autobiografisch gehalte van De onafscheidelijken te onderstrepen staan Simone en Élizabeth zelf op het omslag afgebeeld en zijn aan het eind enkele brieven van Simone en Zaza opgenomen en een handvol foto’s.

    Ze leren elkaar kennen bij aanvang van een nieuw schooljaar. Allebei negen jaar oud, godvruchtig en hoogbegaafd. Buiten de veilige muren van het schoolgebouw woedt de Eerste Wereldoorlog. Sylvie bewondert dit meisje dat zo zelfverzekerd leerkrachten antwoordt. Andrée heeft een leerachterstand opgelopen door een ongeluk – de brandwonden zijn nog zichtbaar – en ze vraagt Sylvies schriften te leen: een vriendschap begint. We volgen de twee meisjes naar de middelbare school, de eindexamens en de aanvang van het studentenleven aan de Sorbonne. Het is een vriendschap die tegen liefde aanleunt. Sylvie spreekt zich daarover ook uit: ‘U hebt het nooit geweten, maar vanaf de dag waarop ik u leerde kennen, bent u alles voor mij geweest (…). Ik had besloten dat als u zou sterven, ik ook meteen zou sterven.’ Verbouwereerd luistert Andrée naar deze bekentenis. Vriendinnen die elkaar met u aanspreken, het hoort bij een voorbije tijd. Ook dat aan Sylvies liefde voor Andrée verder geen woorden vuil worden gemaakt, hoort wellicht bij een boek uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Is er erotiek, of is de aantrekkingskracht uitsluitend geestelijk? In een hedendaagse roman zou Sylvie met één zo’n zin niet wegkomen.

    Zorg

    Er verschuift in deze vriendschap ook iets. De tomeloze bewondering van Sylvie voor het vrije gedrag van Andrée verandert in zorg als ze steeds meer doorkrijgt dat haar vriendin speelbal is van haar moeder en zich steeds meer conformeert aan de eisen die haar familie, haar sociale achtergrond en religieuze overtuiging stellen. De jongens waarop Andrée verliefd wordt, passen niet in het ideaalplaatje dat vader en moeder Gallard voor ogen hebben. Dat geldt ook voor Pascal, een medestudent waarvoor de filosoof Maurice Merleau-Ponty model stond. Het kan niet anders of deze liefde eindigt dramatisch. Andrée sterft jong. Bij haar graf zegt haar vader: ‘Wij zijn slechts instrumenten in Gods handen geweest.’

    Doorgeven van de rekening

    De onafscheidelijken mist spanning, het is te vlak en te weinig uitgewerkt om echt indruk te kunnen maken. Dan helpt het om meer context bij het verhaal te betrekken. De nawoorden van Sylvie Le Bon de Beauvoir (de overeenkomst met de naam van het hoofdpersonage blijft frappant) en van Bregje Hofstede tillen het boek op een hoger plan. Beide cirkelen om het centrale idee van Simone de Beauvoir: On ne naît pas femme, on le devient. Het leven van haar vriendin is voor De Beauvoir het verdrietige voorbeeld van hoe traditie, geloof en maatschappelijke context beperkend zijn voor vrouwen. De moeder lijkt in de novelle de kwade genius achter het mislukte leven van Andrée, maar ook zij is in haar jeugd geconfronteerd met de verwachtingen die voor haar sekse golden: een goed huwelijk, moederschap, dienstbaar en ondergeschikt zijn. De rekening van haar eigen gefnuikte ambities komt ook bij haar dochter terecht en je hoeft geen profeet te zijn om te raden dat een volgende generatie het risico loopt dezelfde rekening gepresenteerd te krijgen. Le Bon de Beauvoir zegt dan ook met de gloed van activisme dat er voor Simone geen groter schandaal bestond dan dat een individualiseringsproces in de kiem gesmoord wordt, dat is ‘een aanslag op het mens-zijn’. Om vervolgens André Gides oproep ‘Heb lief wat je nooit twee keer zult zien’ te beamen. Van jou bestaat er maar een, je bent onvervangbaar.

    Al is de context er een van vervlogen tijden – wie discussieert er met vrienden nog over het Jansenisme? -, de boodschap van De Beauvoir is opmerkelijk actueel. Zaza werd slachtoffer van de tijd (de eerste helft van de twintigste eeuw) en het milieu waarin zij werd geboren. Met De onafscheidelijken kan De Beauvoir ook nu vrouwen inspireren, maar ook mensen van kleur, LHBTIQ+ of die witte heterojongen uit een arbeidersmilieu. Zo sluit haar visie verrassend genoeg aan bij een recente stroom aan boeken en documentaires die illustreren hoe ongelijkheid tussen mensen ontstaat en blijft bestaan, en hoe lastig die te doorbreken is. De onafscheidelijken mag dan als boek wat mager zijn, het bevestigt wel dat het gedachtegoed van De Beauvoir in deze tijd nog steeds relevant is. Het kan lezers bovendien op het spoor zetten van haar filosofische werk. Of ze daar gelukkig mee zou zijn, is dan geen vraag meer.

     

     

  • Oogst week 42 – 2020

    De kern van de zaak

    Wat doe je als je – figuurlijk, dan – na een ommetje een heel andere man aantreft dan degene die je thuis achterliet? In De kern van de zaak van de Australische auteur Madeleine St John overkomt het Nicola, die onaangenaam wordt verrast als ze weer thuiskomt nadat ze een pakje sigaretten heeft gekocht. Want: waarom wil haar vriend Jonathan haar opeens niet meer zien en werkt hij haar na zes jaar samen hun woning uit? Waarom werkt wat ze hadden ‘gewoon niet’ meer? Vanaf dat moment is het aan Nicola om het ‘leven na Jonathan’ aan te gaan, en aan Jonathan om in te zien wat hij heeft veroorzaakt.

    Madeleine St John schreef De kern van de zaak (The Essence of the Thing) in 1997. De roman werd genomineerd voor de Man Booker Prize en behaalde de shortlist. Deze vertaling is een postume uitgave: St John overleed in 2007.

    De kern van de zaak
    Auteur: Madeleine St John
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De onafscheidelijken

    Simone de Beauvoirs autobiografische roman De onafscheidelijken (Les inséperables) verscheen niet eerder. Autobiografisch, omdat de vriendschap die in dit boek centraal staat overeenkomsten vertoont met de hechte band van De Beauvoir en haar boezemvriendin, Elisabeth ‘Zaza’ Lacoin; dit jaar pas verschenen (zowel het origineel als in vertaling), omdat het boek bij leven van de auteur als ’te intiem’ bestempeld werd. De Beauvoirs dochter, Sylvie Le Bon-de Beauvoir, vond het manuscript in haar moeders archief en schreef het voorwoord.

    De hoofdpersonen, Andrée (Zaza) en Sylvie (Simone), ontmoeten elkaar op een katholieke meisjesschool in de vroege twintigste eeuw en hun levens raken vrijwel meteen verstrengeld. Hun vriendschap lijkt verder te gaan dan vriendschap alleen, en samen verzetten ze zich tegen het benauwende conservatieve milieu waarin ze zijn opgegroeid. Maar hun vriendschap komt tot een plotseling einde.

    De echte Andrée, Zaza, overleed al op 21-jarige leeftijd aan hersenontsteking. Na haar dood werd De Beauvoir een van de invloedrijkste filosofen van de 20e eeuw, mede dankzij haar baanbrekende magnum opus De tweede sekse (1949) – de feministische thema’s die zij daarin aansnijdt, schemeren in zeker opzicht ook door in De onafscheidelijken, dat De Beauvoir verrassend genoeg pas zes jaar na De tweede sekse schreef.

    De onafscheidelijken
    Auteur: Simone de Beauvoir
    Uitgeverij: Cossee

    Zussen

    Juli en September zijn de zussen uit de gelijknamige titel. Er is ze iets vreselijks overkomen, en hun moeder Sheela neemt ze mee naar een verlaten huis in the middle of nowhere in de hoop dat de zussen ervan opknappen. Met het huis is van alles mis – de unheimische indeling ervan doet denken aan Shirley Jacksons geesteskind Hill House (The Haunting of Hill House), en ook dit huis beweegt en kraakt zonder aanwijsbare (lees: menselijke) oorzaak. En dat is pas het begin. Sheela sluit zichzelf op in een van de kamers, en de narratieven van haar en haar dochters splitsen op, toewerkend naar een ontknoping.

    De Britse Daisy Johnson (1990) behaalde met haar eerste roman, Everything Under, een plek op de shortlist van de Man Booker Prize 2018.

    Zussen
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV
  • Oogst week 7

    Vissen voor de keizer

    Didier Decoin (1945) is een Franse (scenario)schrijver die in 1977 de Prix Goncourt won voor zijn boek John l’Enfer.
    Van hem is nu bij Meulenhof Vissen voor de keizer verschenen, waar hij twaalf jaar aan werkte en dat in Frankrijk ontvangen is als een meesterwerk.
    ‘Als de visser Katsuro verdrinkt besluit zijn jonge weduwe, de timide en delicate Miyuki, de lange en gevaarlijke reis in zijn plaats te maken. Ze trekt over ­bergen en door dalen, langs gebieden waar de grond trilt van de aardbevingen en ze ontmoet verschillende kleur­rijke figuren die haar van haar pad dreigen te brengen. Van vele kanten loert het gevaar en Miyuki heeft al haar vindingrijkheid nodig – en een zeker geluk – om de gewichtige taak van haar geliefde echtgenoot te volbrengen.’

    ‘Een prachtig geconstrueerde roman (…) sierlijkheid in overvloed, een festival van smaken en geuren, sensuele macht, poëtisch, episch en het komt veel dichterbij dan veel hedendaagse verhalen.’ L’Express

    Vissen voor de keizer
    Auteur: Didier Decoin
    Uitgeverij: J.M. Meulenhoff

    Kleihuid

    Kleihuid is het debuut van Herien Wensink (1977), theaterredacteur bij De Volkskrant.

    Kleihuid speelt zich af in Vlaanderen in 1918. Een Britse officier en een soldaat delen een kamer tijdens hun revalidatieproces. De een heeft fysiek zware verwondingen, met de ander is ogenschijnlijk niets mis maar hij verzet zich tegen zijn verblijf en weigert over zijn frontervaringen te praten. In eerste instantie wordt hun contact getekend door afkeer, maar gaandeweg ontstaat een wederzijdse fascinatie. In de confronterende nabijheid van de ander moeten ze zich leren verzoenen met de schade die de oorlog geestelijk en lichamelijk heeft aangericht.

    Op haar website heeft Wensink reeds verschenen krantenartikelen uit NRC en Volkskrant opgenomen, die de achtergrond schetsen bij het ontstaan van Kleihuid.
    Herien Wensink studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en Algemene Cultuurwetenschappen in Amsterdam en specialiseerde zich in literatuur uit de Eerste Wereldoorlog.

    Kleihuid
    Auteur: Herien Wensink
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Schaduwkust

    In Schaduwkust staan vier generaties Sijpkens centraal en toont schrijfster Ineke Noordhoff hoe zij als boeren de Waddenzee verdrijven en het kustlandschap naar hun hand zetten. De Westpolder, in 1875 aangelegd, staat model voor de inpolderingen langs de Groningse Waddenzee.

    In het voorwoord schrijft Ineke Noordhoff: ‘Wanneer ik naar de dijk ga om te genieten van de Waddenzee bekruipt me onderweg vaak een ongemakkelijk gevoel. Alsof ik daar niet hoor te zijn. Het landschap straalt in eerste instantie een afhoudendheid uit die ik herken van de mensen die er wonen: Groningers kunnen ook afwachtend en afstandelijk zijn. Veel kustboeren hebben eeuwenlang hun bezit uitgebreid door verder in zee dijken te bouwen en land aan te winnen. Dat heeft de bewoners van de streek in de tijd van mijn overgrootvader welvaart en vooruitgang gebracht. In onze tijd heeft de samenleving andere behoeften. Het aangewonnen land waar onze voorouders trots aan ontleenden, vormt nu een barrière: het scheidt de kustdorpen van de Waddenzee. Wie de kuststreek wil openen, moet geduld hebben.’

    […]

    Ik ontleen er – net als mijn overgrootvader destijds – groot plezier aan om in het slikkige kustland te zijn en er te speuren naar verhalen. Steeds weer stuit ik op de wisselwerking tussen mens en natuur. Toen ik Klaas Sijpkens ontmoette, besefte ik hoe hij voortbouwt op het leven van zijn voorouders terwijl het lijkt alsof hij alles anders doet. Zijn overgrootvader Sijpko was gericht op het bedijken van kwelderland terwijl Klaas nu zijn inkomen haalt uit natuurbeheer op de buitendijkse kwelders en het toerisme daaromheen. Beiden leven ze in het kustlandschap van hetgeen de zee brengt, maar hun leven is totaal anders.’

    Ineke Noordhoff is journalist en hoofdredacteur van tijdschrift Noorderbreedte.

     

     

     

     

     

    Schaduwkust
    Auteur: Ineke Noordhoff
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Kindsoldaat

    Van koninklijke bloede of niet, voor de beoordeling van het nieuwe boek van Oscar van den Boogaard, Kindsoldaat, telt alleen de inhoud. Het boek heeft tot nu toe vooral vanwege de vermeende verwantschap met Prins Bernard veel aandacht gekregen, maar inhoudelijk moet het zich nog bewijzen.

    Het boek heeft de ondertitel ‘De ontrafeling van een familiegeschiedenis’ gekregen en gaat over twee voorname Nederlandse families op de grens met Duitsland. Tegen de achtergrond van oorlogen en grote maatschappelijke veranderingen houden zij vast aan de oude wereldorde. Familiekasteel Metternich heeft een Limburgse en een Pruisische poort. Eind 19de eeuw wordt daar de tweeling Nol en Max geboren, die hun jeugd doorbrengen met het buurmeisje Nora. Wanneer aan het begin van de Eerste Wereldoorlog de achttienjarige broers het kasteel ieder door een andere poort verlaten, komen ze aan weerszijden van de geschiedenis terecht.
    De gevolgen van hun keuzes zullen het lot van de volgende generaties bepalen.

    Kindsoldaat
    Auteur: Oscar van den Boogaard
    Uitgeverij: De Bezige Bij