• Verhalen over dood, magie en geesten

    Verhalen over dood, magie en geesten

    De aanslag op Salman Rushdie in 2022 noodzaakte hem eerst helder te krijgen wat die daad voor hem betekende. Hij deed er verslag van in Mes. Dat boek moest er komen voor hij weer ruimte voelde voor nieuwe fictie. Die is er nu in de vorm van vijf verhalen in de bundel De levensavond. Ze gaan over verschillende aspecten rond de dood: het sterven, verlies, de geest van doden en verdwijningen. In enkele gevallen gaan ze zelfs over wraaknemingen door de overledenen.

    Het eerste verhaal waarin dat gebeurt is ‘De muzikante van Kahani’. Het heeft de lengte van een novelle met als hoofdpersonages de Indiase sitar- en pianospeelster Chandni en haar ouders Raheem en Meena Contractor.

    Business

    Raheem is hoogleraar wiskunde. Hij raakte in een depressie toen hij het bewijs had gevonden voor de Laatste Stelling van Fermat maar net voor hij dat kon publiceren verslagen werd ‘door een Engelse wetenschapper die beroemd werd en overladen met lof en prijzen, terwijl Raheem Contractor anoniem bleef’ (een verwijzing naar Andrew Wiles, die in 1994 het bewijs leverde).
    Zoals ook in ander werk gebruikt Rushdie hier een historisch feit om op basis daarvan over te stappen naar magisch realisme door dat feit in te bedden in een verhaal over andere werkelijkheden of droomwerelden.
    Raheem verlaat in zijn depressie zijn gezin en raakt bevriend met een sekteleider Shankar die er vooral op uit is een vermogen op te bouwen en seksorgies te organiseren (‘Meditatie was big business geworden’). Tot hij na drie invallen door de belastingdienst wordt ontmaskerd en vlucht met één van zijn drieënnegentig Ferrari-wagens.

    Muziek

    Ondertussen viert dochter Chandni triomfen als (concert)musicus. Daarin wordt ze tegengewerkt door de puissant rijke familie Ferdaus waarbinnen ze trouwt met een playboy. Ze wordt totaal door de familie ingepalmd; haar taak is te zorgen voor een stamhouder. Ze bevalt voortijdig van een dood kind en verlaat de familie om terug te keren naar haar ouders. Het Ferdaus-imperium gaat daarna ten onder omdat Chandni haar muziek weer oppakt en door de magie daarvan alle bedrijven van de familie ten gronde richt.

    Overigens zijn de uitweidingen over gedrag en leefwijze van het Ferdaus-imperium en de sekte van Shankar nogal clichématig. Menigeen zal het beeld dat hij er al van had gemakkelijk herkennen. Rushdie voegt daar geen nieuwe inzichten aan toe. Wel lardeert hij de beschrijvingen met erg veel humor.

    Arthur

    In het daaropvolgende verhaal ‘Ontijdig’ verbindt Rushdie opnieuw een historisch feit met een geesteswereld, al wordt dat pas gaandeweg duidelijk. En opnieuw is het een verhaal van wraak. De openingszin stuurt de lezer al meteen die kant op: ‘Toen Eredoctor S.M. Arthur wakker werd in zijn verduisterde slaapkamer in het College was hij dood’. (Later zal blijken dat nog van meer mythes sprake is: de letter M in de voornaam staat voor Merlijn en er volgen diverse verwijzingen naar de Arthursagen).
    Als geest kwelt deze Arthur zijn baas, Lord Emmemm. Hij neemt wraak voor wat deze hem heeft aangedaan door hem te beletten na de publicatie van zijn eerste boek zijn werk verder nog openlijk uit te oefenen. En dan blijkt Rushdie hier een magisch-realistische versie geeft van de lotgevallen van de kraker van de Enigma-code in de Tweede Wereldoorlog, Alan Turing. Die publiceerde, net als Arthur in ‘Ontijdig’, een belangrijk werk (over de Turingtest), maar mocht daarna alleen in het geheim bij het instituut blijven werken; hij werd vanwege zijn homofilie chemisch gecastreerd.

    Veranda’s

    Van de drie andere verhalen in De levensavond is het eerste van amper twintig pagina’s, ‘In het zuiden’, het meest innemende. Ook dit begint omineus met de zin ‘De dag dat Junior viel…’
    Junior is de buurman van een man die dezelfde naam heeft. Om de twee, die in leeftijd maar zeventien dagen verschillen, uit elkaar te houden wordt de andere Senior genoemd. Ze zijn het voortdurend met elkaar oneens, bijvoorbeeld over de vraag of het in het zuiden (vandaar de titel) van India beter wonen is dan elders. Ze kunnen echter ook niet zonder elkaar.
    De val uit de eerste zin is Junior fataal en laat Senior alleen achter: ‘De dood en het leven waren niets anders dan belendende veranda’s. Senior stond op de ene zoals hij altijd had gedaan en op de andere, hun traditie van vele jaren voortzettend, stond Junior, zijn schaduw, hem tegen te spreken’.

    Manuscripten

    De laatste twee verhalen in De levensavond zijn minder toegankelijk. In ‘Oklahoma’ heeft dat te maken met de ingewikkelde structuur en de talloze literaire verwijzingen.
    De verteller introduceert een manuscript van een zekere Mamouli Ajeeb uit India dat de dag voor hij stierf bij de uitgever werd bezorgd. Hij noemde het ‘een narratief dat onwaar is en dus waar, zoals dat gaat met fictie’. Hoofdpersoon in dat manuscript is op zijn beurt weer een personage, oom K, dat geobsedeerd is door verdwijningen en de dood. Er volgen er een aantal waarvan hij een lijst heeft aangelegd. Maar ook oom K. zelf verdwijnt met achterlating van zijn kleren op het strand. Het is onduidelijk of het een verdwijntruc is of dat hij echt is verdronken.
    Daarna wordt bij Ajeeb een pakje bezorgd van oom K met weer twee nieuwe manuscripten, deze keer naar aanleiding van een schilderij van Jeroen Bosch. Om die raadselachtige teksten te kunnen verklaren bezoekt hij tante K. die Ajeeb er echter vervolgens van beschuldigt dat hij het handschrift van oom K heeft vervalst…. Volgt u het nog?

    De titel ‘Oklahoma’ verwijst naar de belangrijkste vraag die oom K zich stelde: waarom voltooide Kafka zijn roman Amerika niet (Kafka brak die af op het punt waarop hoofdpersoon Karl Rossmann onderweg was naar Oklahoma).

    Meningsverschillen

    Ook het laatste stuk, ‘De oude man op de piazza’ laat zich niet gemakkelijk ontsleutelen. De oude man zit elke dag voor zijn café aan de piazza te luisteren naar de discussies op het plein. Aan de andere kant zit een vrouw die de belichaming van de taal is. Het gekibbel op het plein kent tijden waarop alleen ‘ja’ mag worden gezegd en later weer alleen ‘nee’. Het verhaal lijkt een parabel – zo komt het over met de gedachten aan de toenemende polarisering in onze tijd – over de teloorgang van de democratie, die juist gebaat is bij discussies en meningsverschillen waarbij naar elkaar wordt geluisterd.

    De levensavond

    De levensavond

    Salman Rushdie

    Translation by: Karina van Santen en Martine Vosmaer

    Uitgever: Uitgeverij Pluim (2025)

    ISBN 9789493420465

    256 pagina’s

    Prijs: € 24,99

    Buy with Libris
  • Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Meteen in de eerste paar zinnen en op de eerste pagina’s van de debuutroman van de Amerikaanse interdisciplinair kunstenaar en schrijver Anne de Marcken wordt veel maar tegelijk ook weinig informatie gegeven. We lezen dat de ik-persoon de linkerarm is kwijtgeraakt. En dat ene Janice 2 hem heeft opgeraapt en meegenomen naar het hotel. De ik leeft in een nieuw bestaan, dat van een ‘ondode’ in een postapocalyptische wereld.

    Ene Mitchem, die zijn penis afbrak, zegt dat de ik-figuur rouwt. Om de arm én het leven. Mitchem blijkt een prediker te zijn, die vertelt dat ‘alleen de ondoden werkelijk de betekenis van het leven kunnen begrijpen’. Geen enkele hotelgast herinnert zich zijn/haar naam. De naam wordt ook, in tegenstelling tot de arm, niet gemist. De ik – die gaandeweg het verhaal een vrouw blijkt te zijn – vindt een overhemd dat zich makkelijk laat dichtknopen. Het is rood, van het bloed (?) van een man die de ik doodde en waarvan ze een been opat. Misschien om dichter bij diens of haar eigen pijn te komen, die te internaliseren?

    Dode kraai

    De ik vindt vervolgens een dode kraai en heeft daar in haar lichaam, onder de ribben, ruimte voor uitgesneden. Gewikkeld in het rode overhemd zit hij daar. Of is het slechts het gevoel daarvan, in de borst, dat kan worden omschreven als een kraai? De kraai zou dan kunnen staan voor de stem van de natuur in ons, als geweten. Natuur op de manier zoals de 18de-eeuwse Duitse filosoof Herder het verwoordde: als innerlijke kracht. De ik voelt hoe de kraai ‘daarbinnen een besluit neemt’, dingen voorziet. Zo heeft hij het over een hoed en even later gáát het ook over een hoed. Of over een taart, en even later worden er bessen geplukt.
    De ik stelt zich voor hoe de kraai naar beneden zou kijken en ziet wat zij ziet: ‘een ongeregelde groep guerilla-activisten’ die haar omsingelt en insluit in een net. Als was ze zelf een vogel. Ze gaan richting een open plek waar ze op de grond wordt neergelegd, een menigte haar omsingelt en op een gegeven moment ruimte maakt voor iemand in een overall. Ze wordt los gemaakt uit het net en ziet enkele hoge kruisen rondom de open plek staan. Aan de meeste hangt een onthoofd lichaam. De ik wordt ook onthoofd. Ze wordt ondersteboven opgehangen, zoals de apostel Paulus.
    Dan verschijnt een oude vrouw uit het bos die haar naar beneden haalt. Maar wat is ze nog, met één arm, geen hoofd en een holte onder het hart waarin de kraai zit? Ze verdwijnt in het water. Symbool voor zowel leven als dood.

    Verdriet

    Het gaat in dit boek niet om leven of dood, niet om iets of niets, echt of onecht, wel of geen arm. Het draait allemaal om verdriet. Dat honger eigenlijk verdriet is, of vraatzuchtige hoop. ‘Een luchtspiegeling. Die altijd wijkt. De zwarte zwerm achter mijn tanden.’ Verdriet is een tijdmachine, zoals een andere hotelgast, Marguerite, er een op het dak bouwt. Wanneer die in brand wordt gestoken ‘huilt ze alsof huilen zingen is’. Op het dak ‘duurt het eeuwig en dan is het voorbij’.

    Het boek wordt regelmatig vergeleken met Max Porters Verdriet is een ding met veren (2016). De kraaien in beide boeken verschillen echter wezenlijk van elkaar. Om te beginnen omhelst hij bij Porter ter kennismaking de ik-figuur, overal veren achterlatend. ‘IN JE REET, IN JE EIKEL, IN JE BEK.’ Maar niet in de hartstreek. Bij Porter is de kraai omgekeerd ‘een mythe om je in te hullen. Om je in te verhullen’. De kraai kijkt ook niet naar beneden, niet vooruit maar achteruit en zegt: ‘ACUUT TRAUMA-GEÏNDUCEERD COMA.’ De kraai fungeert hier als een psychiater en een huisvriend, wat wezenlijk anders is dan bij De Marcken die bovendien dieper reikt.

    Nouveau roman 2.0

    De formele overeenkomst is dat beide boeken uit veel witte tussenruimtes en korte, soms uiterst korte passages bestaan. Inhoudelijk is Porter minder hermetisch. Je zou het boek van De Marcken een nouveau roman 2.0 kunnen noemen, à la Janice 2. In zo’n roman is gebroken met tradities qua taal en vorm en wordt daarmee geëxperimenteerd. Er is geen verhaal of intrige, laat staan een plot, maar wel is er sprake van veel vervreemdingseffecten. Het gegeven van de kraai, waar De Marcken kortom een mooi en diepgaand spel mee speelt, is ook door andere schrijvers opgepakt. Soms al even metafysisch en minder experimenteel in het verhaal Zwartwaterkoorts in de gelijknamige verhalenbundel van Rascha Peper (2009).

    Als de roman van De Marcken dan toch ergens mee kan worden vergeleken, dan is het met een film als The Tree of Life van Terrence Malick. Vooral een begrip als ‘genade’ dat beiden bezigen als het postapocalyptische slot van deze film, doet denken aan de beschrijvingen van De Marcken. Je ziet er mensen als zombies, zoals de ik-figuur in het boek zichzelf ook beschrijft: ‘als de zombies uit een B-film – schijnbaar gedachteloos, toegevend aan een onhoorbare roep’, hoewel Malick zeker niet onder B-filmers kan worden geschaard.

    Dit kleine boek is een grootse debuutroman, mooi vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die al eerder gezamenlijk Gezelschap van Samuel Beckett vertaalden. Nog zo’n naam die dit boek oproept.

  • Literaire vertolking van het triviale

    Literaire vertolking van het triviale

    De roman Poel van de Ierse Claire-Louise Bennett, is geen verhaal met een kop, middenstuk en staart. Toch sleurt de auteur de lezer haar gedachtewereld binnen en houdt hem vast dankzij onder andere haar oog voor detail. Pond, Bennetts debuut, verscheen in 2015 en kwam op de shortlist van de Dylan Thomas Prize terecht. Acht jaar later is Poel verschenen bij Koppernik in een uitstekend lezende vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer.

    Bennett beschrijft een zelfverkozen periode, een soort niemandsland, tussen twee liefdes in. De ene liaison is verbroken, want stond in een slecht gesternte, de volgende dient zich aan met een pril aftasten. In deze periode onderzoekt ze haar eenzaamheid, ze woont alleen in een cottage in the middle of nowhere en beschrijft haar allenigheid. Tragiek loert om de hoek, maar haar zelfspot is komisch en hilarisch, waardoor het nooit zwaar wordt.

    De titel verwijst naar een poel op het terrein bij de cottage. Ze ergert zich aan het lullige stukje vochtig triplex er vlak naast waar het woord poel op staat gekrabbeld, om vervolgens in te gaan op de vraag of het wel of niet erg is als kinderen erin vallen.

    Oog voor detail

    De naamloze vertelster leren we kennen via haar eindeloze gedachtestroom die associatief ingaat op de triviale details uit haar dagelijks leven. – ‘Soms is een banaan bij de koffie lekker. (…) Haverkoeken erbij kunnen ook lekker zijn, het grove soort. (…) Peren mengen niet goed.’

    Ze schrijft over de post van de buren, die vochtig wordt in de brievenbus. ‘(…) ze lijken geen van allen even vaak in de brievenbus te kijken als ik wat nogal ongebruikelijk is als je in aanmerking neemt dat ze allemaal vrij geregeld best interessante dingen lijken te krijgen.’ Soms haalt ze de brieven van de buren uit de bus, droogt ze op de radiator, waar ze rustig een week kunnen blijven liggen, of ze vergeet ze helemaal.

    De knoppen van haar oude fornuis zijn gespleten en gebroken. Bennett wijdt er een heel hoofdstuk aan, wat prachtig proza oplevert. ‘Ik ben al een hele tijd bij de laatste knop aangeland, een paar maanden denk ik zo en pas de laatste tijd ben ik gaan inzien dat dit bedrieglijk triviale defect in feite niet iets kleins is.’ Ze denkt aan de laatste vrouw op aarde, die nog duizend lucifers heeft die staan voor de duizend dagen dat ze nog leeft. En ze schrijft de fabrikant in Zuid-Afrika een aandoenlijke brief, alsof hij god is. Uiteindelijk kan ze met een tang de knoppen van haar fornuis toch nog gebruiken.
    Haar vulpennen en de kleur inkt waarmee ze schrijft zijn voer voor overpeinzing. Ze schrijft met verschillende vulpennen, die allemaal een andere kleur inkt hebben, iedere kleur heeft een eigen functie. Groen stond voor haar geheimen, tot ze begreep dat daar een stigma aankleefde. Maar het was geen reden om niet meer met groen te schrijven, juist als het stigma ongeluk betekende, tartte ze liever het lot.

    Diepgang in de lichtheid

    Maar ze meandert evenzogoed langs diepgevoelde gevoelens om tot zelfinzicht te komen. ‘Inderdaad hoe verheffend het vanbinnen ook voelt, alcohol versterkt niet bepaald het charmantste aspect van je publieke arsenaal – dus, ter verheldering tijdens deze levendige en gewiekste drinkgelagen worden niet louter zelfvertrouwen en vrolijkheid nagestreefd, maar ook het stimuleren van een verfijndere techniek.’

    Of ze houdt zich bezig met natuurverschijnselen, zoals de maan. Als ze uit de supermarkt komt, staat deze recht voor haar ‘wanneer de automatische deuren wegschuiven. De hemel is nog niet zwart dus de maan heeft een soevereiniteit die ze niet vaak bezit.’ Ze praat tegen de maan, vindt dat hij een babyface heeft, waarop de maan zijn ogen devoot neerslaat. Althans, dat gevoel heeft ze. Het is een manier om te personifiëren, wat Bennett graag doet, dingen tot leven brengen.

    Er zijn vrienden en mannen, maar vanuit haar beschrijvende denkwereld lijkt ze nauwelijks met ze in contact te zijn, behalve in beschonken toestand. Ze heeft het gevoel ‘dat de omgang met de man in kwestie over het geheel genomen beduidend beter verliep wanneer ik wat alcohol had ingenomen.’

    De rake observaties vanuit een licht lethargische staat maken het boek zo goed, en haar associatieve geest is boeiend en nooit saai, daarbij is haar taalgebruik in lange heldere zinnen weergaloos. Dat ze zich richt op de details van het kleine leven om zich heen door de dingen vaak treffend te personifiëren, schept herkenning. Het kan niet anders dan dat triviale zaken beschreven met de pen van Claire-Louise Bennett ineens literatuur worden.

     

  • Kunst overwint geweld

    Kunst overwint geweld

    Toen Salman Rushdie door zijn aantekeningen voor een nieuwe roman na Victoriestad bladerde, merkte hij dat hij er niet mee verder kon: ‘Tot ik de aanslag had behandeld, zou ik niet in staat zijn iets anders te schrijven (…) Schrijven zou mijn manier zijn om bezit te nemen van wat er was gebeurd, de controle erover te nemen, het me toe te eigenen, te weigeren louter een slachtoffer te zijn. Ik zou geweld beantwoorden met kunst’. Die behandeling van de aanslag heeft geresulteerd in Mes. Gedachten na een poging tot moord.
    De aanslag op Rushdie vond plaats op 12 augustus 2022 om 10:45 uur in het amfitheater van Chautauqua in de staat New York waar hij een lezing zou geven. Rushdie liep vijftien messteken op die hem op het randje van de dood brachten en waardoor hij blijvend een gehandicapte linkerhand heeft en zijn rechteroog is kwijtgeraakt. De dader van de aanslag was een fundamentalistische moslim die Rushdie in zijn boek slechts als ‘de A.’ aanduidt (‘Aanvaller, would-be-Assassino, Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had’).

    Mes bestaat uit twee delen. In het eerste, ‘De engel des doods’, blikt Rushdie vooral feitelijk terug op de aanslag, zijn tijd in het ziekenhuis en zijn revalidatie. ‘De engel des levens’ is het tweede deel waarin de auteur tracht de aanslag mentaal te verwerken en zijn (schrijvers)leven opnieuw in te richten. Als een rode draad loopt door beide delen de aanwezigheid van zijn vrouw, de dichteres en fotografe Eliza Griffiths, die je als een derde ‘engel’ zou kunnen zien. In Rushdies eigen woorden: ‘(…) het verhaal dat ik hier wil vertellen, is dat het een verhaal is waarin haat – het mes als metafoor voor haat – wordt beantwoord, en uiteindelijk overwonnen, door liefde’.

    ‘Foreshadowing’

    Dit verslag van een aanslag en de verwerking ervan kent – hoe kan het ook anders bij iemand als Rushdie – tal van reflecties op literatuur en kunst. Zo staat hij op de avond voor de aanslag voor zijn hotel naar de maan te kijken die spiegelt in het meer. Die doet hem onder andere denken aan het beroemde beeld van een ruimteschip dat op het rechteroog van de maan botst in de stomme film Le voyage dans la lune van Georges Méliès’. Het is een voorbeeld (Rushdie noemt er later meer) van foreshadowing van het verlies van zijn eigen rechteroog bij de aanslag van de dag erna.

    Op een gegeven moment neemt Rushdie zich voor de aanslagpleger te ontmoeten om die met de gevolgen van zijn daad (het uitgestoken oog, maar ook het overleven van het slachtoffer en dus de mislukking van wat ‘de A.’ beoogde) te confronteren, maar daar ziet hij op advies van Eliza van af. Het wordt, als we inmiddels in het tweede deel van Mes zijn beland, een fictieve ontmoeting met ‘de A.’ waarin Rushdie probeert te achterhalen wat hem gedreven kan hebben. Er volgen vier sessies van een vraag- en antwoordspel waarin Rushdie zijn eigen vermoedens ontvouwt en zijn fantasie moet aanspreken om geloofwaardige antwoorden van ‘de A.’ te bedenken.

    Afgewezen

    Het is twijfelachtig of Rushdie erin geslaagd is een helder beeld van de aanslagpleger te bereiken. De ondervrager gaat op zoek naar de werkelijke voedingsbodem van de would-be-moordenaar. Hoe kon hij zo haatdragend worden dat hij ervan overtuigd was dat hij de schrijver van een boek (De duivelsverzen) dat hij niet eens had gelezen, moest vermoorden? ‘Jij bent een boze jongen’ zegt ondervrager Rushdie: ‘Zes miljard vijanden, nul vrienden, nog minder geliefden. Woedend. Zoveel wrok. Ik vraag me alleen af wie je eigenlijk wilde vermoorden. Een meisje dat je afwees? Een jongen op de sportschool of aan de Israëlische grens? Je moeder misschien? (…) Wiens gezicht zag je voor me toen je me stak?’
    Het is een psychologie die Rushdie ontleent aan schrijfster Jodi Picoult. Zij vertelt in haar roman De tweede dochter dat eenlingen er niet voor kiezen eenzaam te zijn, maar voortdurend zijn teleurgesteld in hun pogingen om in harmonie met de wereld te leven.

    Leert de lezer daardoor ‘de A.’ echt kennen? Diens drijfveren zien we natuurlijk zoals Rushdie ze zich probeert voor te stellen. Veel overtuigender is de les die Rushdie voor zichzelf trekt over zijn schrijverschap na deze hypothetische ontmoeting: ‘Kunst is geen luxe. Ze is de essentie van onze menselijkheid en vraagt geen speciale bescherming, afgezien van het recht om te bestaan. Ze accepteert discussie, kritiek, zelfs afwijzing. Maar ze accepteert geen geweld. En uiteindelijk overleeft ze degenen die haar onderdrukken’.

    Rushdie hoefde nadat hij dat inzicht had verwoord zijn aanvaller niet meer in levende lijve te ontmoeten. De tragedie is mede door het schrijven van Mes tot een ‘afsluiting’ gekomen. Maar ook realiseert hij zich de grootste schade: ‘Ik ben een vreemde vogel geworden, niet zozeer beroemd om mijn boeken als wel om de incidenten in mijn leven’.

     

     

  • Een stad als een verhaal

    Een stad als een verhaal

    ‘Woorden zijn de enige overwinnaars,’ luiden de laatste woorden van Pampa Kampana, de 247-jarige protagoniste van Victoriestad, de nieuwste roman van Salman Rushdie. Eindelijk is Pampa Kampana oud geworden en mag ze sterven.
    Victoriestad is een mythe van een mythe, of een mythe bovenop een mythe, zoals gecreëerd door Rushdie, opgeschreven door Pampa Kampana en selectief herverteld door de naamloze alwetende verteller. Dit is niet de eerste roman waarin Rushdie vrijelijk jongleert met geschiedenis en bestaande verhalen en personen, wel misschien een van de boeken in zijn rijke oeuvre met de meest opengewerkte constructie. Wat we lezen, waarschuwt zijn verteller keer op keer, is niet te vertrouwen, alleen te geloven.

    Mythe én geschiedenis

    Het verhaal van Pampa Kampana is gelijk aan de opkomst en ondergang van Vijyanagara, de hoofdstad van een Zuid-Indiaans rijk dat werkelijk heeft bestaan. Vijyanagara stond van halverwege de veertiende tot halverwege de zestiende eeuw op de grens tussen de huidige deelstaten Karnataka en Andhra Pradesh. De ruïnes van de stad zijn door Unesco erkend werelderfgoed en dragen nu de naam Hampi. De ‘victoriestad’, een letterlijke vertaling van Vijyanagara, ontstaat in Rushdie’s versie door de magische kracht van Pampa Kampana. Als haar grote liefde, de Portugese paardenhandelaar Domingo Nunes, over de naam struikelt en er Bisnaga van maakt, aarzelt zij niet de stad zo te hernoemen. Zo krijgt de mythische stad krijgt een naam, die berust op een verspreking: een even ludieke als veelzeggende ingreep van Rushdie.

    Alles wat eenmaal ontstaat, verdwijnt weer: zoals Bisnaga, kent ook het lange leven van Pampa Kampana meerdere cycli. Na de dood van Domingo Nunes volgt haar tweede roodharige Portugees, en als ook hij overleden is, nog een Venetiaan. Zij hebben een voor hun tijd gebruikelijk kort leven. Alleen Pampa Kampana leeft voort als de jonge vrouw die ze eens was, want de goden zijn aan haar kant en beschermen haar tegen ouder worden. Althans, tot het onvermijdelijke gebeurt en ook zij een grijsaard wordt, nadat ze haar zicht en daarmee haar magische krachten kwijt is geraakt.

    Liefde, samen met het verzet van Pampa Kampana tegen de naargeestige, door mannen en hun onvermogen overheerste samenleving, mag naast het onwrikbare vertrouwen in de kracht van het vertellen, gerust het hoofdmotief van het boek genoemd worden. Rushdie rekt het verhaal wijd en breed op, maar vaart en spanning zitten er eigenlijk alleen in het eerste deel. Die slordige honderd pagina’s zijn een weergaloze vertelling die alle natuurwetten teistert, overeenkomstig het ontembare karakter van Pampa Kampana. Daarna neemt het tempo af en volgen er passages die, hoewel nog steeds aardig, het niveau van het begin bij verre niet halen. Of dat daadwerkelijk de bedoeling van Rushdie is geweest, valt te betwijfelen, al is het idee dat hij met Victoriestad de kracht van de jeugd bezingt, misschien niet heel ver gezocht.

    Ingehaald door werkelijkheid

    Met de kennis van nu doet de blindheid van Pampa Kampana onheilspellend aan. In augustus vorig jaar, een paar weken nadat hij de drukproeven van Victoriestad had gecontroleerd, werd Rushdie net voor het begin van een openbare lezing aangevallen door een jonge moslim. Binnen een halve minuut stak hij de schrijver twintig keer met een mes. Ook in zijn rechteroog. Dat Rushdie de aanval overleefde, lag aan een gelukkig toeval. Zoals hij aan David Remnick van The New Yorker vertelt in het eerste interview dat hij vier maanden na de aanslag gaf, werd hij gered door een duim. Na dertig seconden kwamen omstanders in beweging en lukte het iemand zijn vinger op de bloedende slagader van Rushdie te leggen, terwijl ze wachtten op de helikopter die hem naar het ziekenhuis zou brengen.

    ‘Ik heb altijd gedacht is dat mijn boeken interessanter zijn dan mijn leven. Helaas lijkt de wereld anders te denken,’ zegt Rushdie tegen Remnick. De hetze tegen zijn persoon, met als culminatie de fatwa die op hem werd uitgeroepen na de publicatie van de roman Satansverzen, heeft zijn gevoel voor ironie niet kunnen aantasten. Hoewel hij zijn oog voorgoed kwijt is, blijvend moe is en niet weet of hij ooit nog een boek zal schrijven, is hij net zo strijdbaar als altijd.

    Dat wordt ook duidelijk in Victoriestad. De roman leest even goed als een bespiegeling op de huidige tijd: er zitten talrijke verwijzingen in naar de groeiende intolerantie in het India van premier Modi, een hindoenationalist, die de Indiase geschiedenis graag presenteert als één grote strijd tussen hindoes en anderen. De werkelijkheid is veel ingewikkelder en rommeliger, zoals overal. Ook in het hindoeïstische deel van India zijn er talloze voorbeelden van culturele invloeden en overnames van gebruiken, net zo goed van moslims en sikhs als van christenen, in werkelijkheid en in de roman.

    Als een van Bisnaga’s koningen, de eigengereide Krishnadevaraya, zich toont in een kostuum van noordelijke moslim-heersers, steken zijn toekomstige vrouw en schoonmoeder hun afschuw niet onder stoelen of banken. Een Zuid-Indiase koning hoort een bloot bovenlijf te hebben, laten ze hem weten. Op de achtergrond wrijft Pampa Kampana in haar handen van plezier: zij is de belichaming van tolerantie en culturele versmelting. En van vrouwenrechten. Trouwen doet ze alleen uit strategische overwegingen. Ze trouwt drie keer met drie koningen, waarvan de eerste twee, de broers Hukka en Bukka, geënt zijn op historische figuren: de eerste twee koningen van het Vijyanagara-rijk.

    Tijdelijkheid

    Rond haar tweehonderdste, tijdens de afwezigheid van Krishnadevaraya, haar derde en laatste echtgenoot, lukt het Pampa Kampana eindelijk haar ideale Bisnaga te creëren, met scholen voor meisjes, rijkdom, goederen uit alle windrichtingen en, vooral, ‘talen, die tot extatische hoogte werden verheven door de grote dichters die huizen om in te wonen en podia om op te spreken hadden gekregen.’ Die wensdroom van iedere literatuurbeminnende geest is helaas net zo kortstondig als al het andere in het leven – in het leven van gewone stervelingen althans – en als al het moois met een onverklaarbare droogte verdwijnt, is ook het leven van Pampa Kampana over.

    Victoriestad, misschien wel de laatste roman van Salman Rushdie, zit bol van plezier, het soort plezier waarvan Rushdie in het interview met David Remnick zegt dat het wat hem betreft best het uiteindelijke doel van alle kunst zou kunnen zijn. Hij laat zijn Pampa Kampana gelijk in het begin van het boek constateren dat als het leven te veel wordt, het tijd is dat de verbeelding het overneemt van de herinnering. Ondanks de oneffen kwaliteit van de hoofdstukken is Victoriestad een lust om te lezen, was het alleen al om de vele grappen en verwijzingen naar andere verhalen en personages uit alle tijden, tot en met – een spoiler – The Pirates of the Caribbean.

     

     

  • Oogst week 6 – 2023

    Victoriestad

    Salman Rushdie heeft juist deze week voor het eerst weer van zich laten horen sinds de aanslag op zijn leven augustus vorig jaar in een interview in de New Yorker. Veel over de aanslag en de aanslagpleger, een beetje over zijn nieuwste boek Victoriestad, dat voor de aanslag al geschreven was. Eigenlijk stond er een grote boektour gepland voor deze winter. Maar daar zal niks van komen. Zijn lichamelijke conditie is niet zo best. Hij is blind aan zijn rechteroog, zijn vingertoppen zijn gevoelloos. De grote vraag in het interview is of hij nog weer zal kunnen schrijven. Maar eerst is daar Victoriestad, een episch verhaal over een vrouw die een mythisch rijk tot leven ademt om er vervolgens in de loop der eeuwen door vernietigd te worden.

    In de nasleep van een veldslag tussen twee vergeten koninkrijken in het veertiende-eeuwse Zuid-India heeft een negenjarig meisje een goddelijke ontmoeting. Nadat haar moeder gedood is, wordt het negenjarige meisje Pampa Kampana een medium voor de godin die door de mond van het meisje begint te spreken. De godin verleent Pampa Kampana krachten die het begrip van het meisje te boven gaan en vertelt haar dat ze een rol zal spelen in de opkomst van een grote stad genaamd Bisnaga – letterlijk ‘victoriestad’ – het wereldwonder.

     

    Victoriestad
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Pluim

    Een mens valt uit Duitsland

    De in 1908 in Berlijn geboren Kurt Lehmann vluchtte in 1934 naar Nederland. Daar verscheen bij Querido, in die tijd uitgever van emigrantenliteratuur, zijn boek Ein Mensch fällt aus Deutschland. Dat het boek hier werd uitgegeven had hij te danken aan Menno ter Braak, die bleef aandringen toen Querido het manuscript in eerste instantie had afgewezen. Lehmann schreef het boek  onder het pseudoniem Konrad Merz, waardoor de Duitsers ook lang niet wisten dat hij de auteur was. Merz verklaarde de titel als volgt: ‘Mijn vader is voor Duitsland gevallen [hij kwam om in de Eerste Wereldoorlog], zijn zoon is uit Duitsland gevallen.’

    Menno Ter Braak recenseerde het boek in 1936 in Het Vaderland en vergeleek Merz daarin met Heinrich Heine om hun beider vermogen om culturen met elkaar te verbinden. Het met Berlijnse humor geschreven Ein Mensch fällt aus Deutschland was volgens hem geschreven op de grens van twee landen: ‘Dat is ook de reden waarom men deze lotgevallen van een Duitser, die naar Nederland moet vluchten, beschouwen kan als een werk van Europese betekenis’.
    Er kwamen al snel Nederlandse vertalingen, maar de bekendste daarvan is de latere Een mens valt uit Duitsland van Lore Coutinho uit 1979. Van deze is nu een herdruk verschenen.

    Een mens valt uit Duitsland
    Auteur: Konrad Merz
    Uitgeverij: Cossee

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf

    ‘Gisteren avond kreeg ik de mededeling dat mijn dochtertje, Raphaëla, overleden is. Het was haar geboortedag, want ze is op 3 januari 1947 ter wereld gekomen. Ik heb haar de naam gegeven van de schilder der idealen, van de zon en het licht, van de zoetste harmonie. Ze mocht niet lang bij haar moeder blijven, die geestesziek naar een gesticht voor zenuwlijders ging. Ik heb Raphaëla, dochter van mijn dromen, in een kinderkribbe moeten doen. Ze had haar eigen kleedjes niet meer. Ze werd een nummer en ze trok zo op mij, met haar grote, bange oogjes. En nu is ze gegaan, zonder een glimlach, zonder een glimpje liefde, gestorven in een vreemde wereld, verwelkt voor haar ontluiken. “Het is maar een wicht van drie maanden”, zegt men, “troost u dus”. Ik kan geen troost vinden, want met haar ging iets schoons en goeds van mezelf. De nacht heeft dit glimpje licht opgeslorpt, mij nu nog meer alleen latend.’

    Dit schreef Leopold Flam op 4 april 1947 in zijn dagboek. Flam (1912-1995) was een Belgische filosoof met een indrukwekkende bibliografie. Hij was kind van analfabetische joodse ouders en leerde zichzelf vanaf zijn achtste jaar in barre armoede in Antwerpen lezen. Hij overleefde Buchenwald en een werkkamp. Van 1925 tot 1957 schreef hij bijna obsessief brieven en dagboeken die zeer intiem zijn. Een selectie daaruit is door Kristien Hemmerechts en Guido van Wambeke uitgegeven in het lijvige Ik zal alles verdragen, ook mezelf. Ze leveren ook toelichtingen op de tekst.

     

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf
    Auteur: Leopold Flam
    Uitgeverij: De Geus
  • Ode aan Ethiopische vrouwelijke krijgers

    Ode aan Ethiopische vrouwelijke krijgers

    Dat de Ethiopisch-Amerikaanse schrijfster Maaza Mengiste met haar tweede boek ‘The Shadow King’ de shortlist van de Booker Prize 2020 behaalde is een terechte prestatie. Ze heeft tien jaar aan dit boek gewerkt en jarenlang in Italië foto’s verzameld over Ethiopië, een van de weinige niet gekoloniseerde landen in Afrika. ‘De schaduwkoning’ is fictie schrijft Mengiste in het nawoord maar is gebaseerd op ware gebeurtenissen. Het verhaal gaat over de belangrijke geschiedenis van Ethiopië toen de troepen van Mussolini in 1935 het land binnenvielen. Ze geeft de Ethiopische vrouwelijke strijders en soldaten die vochten en stierven voor hun land, een naam en stem om de herinnering aan hen levend te houden. 

    We staan aan de vooravond van de invasie van het Italiaanse leger. Het weesmeisje Hirut is bediende van legerofficier Kidane en zijn intrigerende vrouw Aster. Haar vader liet haar een geweer na, een Wujigra, die Kidane haar afpakt want zijn leger heeft wapens nodig. Dit vergeeft Hirut hem nooit, het zet haar relatie met haar baas en jeugdvriend van haar moeder op scherp. Aster en Hirut gaan in tegen zijn wil dat ze thuisblijven, ze besluiten mee te vechten tegen de Italianen. Hirut en Aster worden de twee dapperste vrouwen in het leger, tot ze gevangengenomen worden door de mannen van Fucelli, de Italiaanse commandant tegen wiens leger ze vechten in hun vallei.    

    Rijke poëtische taal

    De Schaduwkoning is een verhaal waarin je als lezer moet groeien om één te worden met de personages en de rijke poëtische taal. Taal die goed past bij de Afrikaanse achtergrond maar in het Nederlands wel als mooischrijverij wordt afgedaan. Het vertelperspectief is alwetend en dat maakt de stijl tamelijk afstandelijk. Mengiste schrijft vaak in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd wat ook afstand schept, maar ook een sterke manier is om informatie door te geven: ‘Misschien zal er vandaag ook een nieuwe gevangene worden gebracht van de plek waar hij gevonden is, en moet hij stilstaan voor foto’s. Hij zal zoals gewoonlijk weigeren te salueren en te poseren. Hij zal geen woord Italiaans spreken. Hij zal niets anders doen dan staan op een manier die Fucelli tegelijkertijd ergert en amuseert.’

    Het verhaal begint met een proloog in 1974 en eindigt met een epiloog die daar naadloos op aansluit. Daartussen vormen de scènes tussen 1935  tot 1941 een caleidoscoop van korte hoofdstukken vaak vanuit verschillende perspectieven verteld. Het zijn als het ware akten in een opera met tussenspel, koor en foto’s. Het verhaal wordt dan even op een andere manier onder de loep genomen. De foto’s zijn letterlijke beschrijvingen van het beeld dat gefotografeerd is. Dit leidt soms tot herhalingen, wat overigens niet storend is. ‘Met herhaling worden herinneringen herschept,’ zegt Kidane.

    Er komen veel namen voorbij, maar lang niet iedereen krijgt een gezicht. Zo is daar Kidane, de Ethiopische legerleider, zijn soldaten: Aklilu, Seifu en zijn zoon Tariku, Minim. Aan Italiaanse kant worden de personages van Carlo Fucelli, de wrede kampcommandant en zijn fotograaf Ettore Navarra meer uitgediept. Vooral Navarra krijgt een gezicht als belangrijke tegenspeler van Hirut. Even lijkt er sprake te zijn van een liefdesaffaire, en misschien had dat gekund als Hiruts haat voor de vijand niet sterker was. Navarra bewaart de herinnering aan de doden door foto’s te maken. Hirut bewaart veertig jaar lang Ettores herinnering aan zijn ouders, in de vorm van brieven en foto’s, in zijn ijzeren legerkistje.

    Noem je naam

    Het boek is een ode aan de vrouwelijke krijgers in de zeer ongelijke strijd tegen de Italianen met hun moderne leger, wapens en gebruik van mosterdgas. De rol van de vrouwen is niet te veronachtzamen, maar alleen Hirut, Aster en Fifi, de maîtresse van Fucelli en de kokkin, die naamloos blijft, krijgen een gezicht. Wellicht staat het personage van de kokkin voor de vele niet genoemde vrouwen. De kokkin is eerst de bediende van Aster, later wordt ze vertrouwelinge van Fifi, en speelt ze een dappere rol in het verhaal. Wanneer de krijgsgevangenen in de nieuwgebouwde gevangenis van Fucelli hun afschuwelijke dood tegemoet zien, is het de kokkin die hen als laatste toespreekt: ‘Vertel me wie jullie zijn, zegt ze. Vertel het langzaam en herhaal het drie keer, dan zal ik zorgen dat jullie bekend zijn. Ik zal een nagedachtenis van jullie maken die deze val waardig is. Zeg nu je naam. Zeg je naam wanneer je gefotografeerd wordt. Zeg hem als je in de lucht springt en leert vliegen. Laat hen niet vergeten wie ze vermoord hebben.’

    Namen zijn belangrijk zegt Mengiste in een interview, en dan vooral de namen die men bij de geboorte kreeg. Als we ze blijven herhalen wordt hun geschiedenis niet vergeten.

    Aster, de vrouw van Kidane, is een interessant personage, helaas blijven haar achtergrond en beweegredenen onderbelicht. Zij is de grote leidster die de vrouwen aanspoort nooit op te geven. ‘Aster verzamelt de vrouwen om zich heen. Aan de voet van de heuvel maken de mannen zich klaar voor de verrassingsaanval. (…) Zorg dat geen man zich terugtrekt, ren achter hem aan en keer hem met spot en liedjes. Help hem overeind als hij valt, sleep zijn lichaam weg als hij sterft. Gebruik je stem, gebruik je armen en benen, maak van je lichaam een wapen dat de Italianen nooit zullen vergeten. Het zal niet hetzelfde zijn als vechten, herhaalt ze steeds opnieuw, maar het zal je voorbereiden op de frontlinies bij het volgende gevecht.’

    Verdi als metafoor voor keizer Selassi

    En dan is daar Haile Selassi. Geliefde en verguisde Ethiopische keizer die onafgebroken naar een 78-toerenplaat van de opera Aida van Verdi luistert en zich vereenzelvigt met de Ethiopische troepen die Egypte gaan aanvallen. Zo maakt Selassi zich op voor wraak, maar voordat hij kan overgaan tot een aanval vlucht hij naar Engeland en laat zijn volk in de steek. Zonder keizer is de motivatie en strijdlust van de Ethiopische soldaten ver te zoeken. Het is Hirut die op het idee komt om Minim, de man die niets betekent zoals zijn naam zegt, maar die een sterke gelijkenis met Haile Selassie vertoont, te verkleden als de keizer. Als tijdelijke aanvoerder met de twee vrouwelijke wachters Hirut en Aster wordt hij de schaduwkoning die het volk weer moed geeft en tot een overwinning brengt.   

    Het verhaal staat bol van symboliek en stijlfiguren, zo zijn licht en schaduw veel terugkomende beelden. Of de aanwezige dreiging van de zwarte vogels als de legers zich opmaken om aan te vallen. En het geweer van Hirut, de Wujigra, die door het hele verhaal de rol speelt van verbinding met Hiruts verloren jeugd. De Opera van Verdi is een metafoor voor het leven van Haile Selassie. En de spiegeling van Hirut en Ettore is een stijlmiddel. Beide zijn gevangen in hun tijd, Hirut als vrouw en soldate. Ettore, als zoon van een Joodse vader, wiens ware gezicht hij nooit gezien heeft. 

    Mengiste schuwt gewelddadige scènes niet. Indringende beschrijvingen van moord en doodslag, verkrachting en wrede oorlogsvoering worden afgewisseld met prachtige natuurbeschrijvingen en intieme momenten tussen de personages. Toch raakt de taal lang niet altijd en blijf de lezer op afstand. Het zal voor de vertalers Karina van Santen en Martine Vosmaer geen gemakkelijke taak zijn geweest deze roman te vertalen, wat zij overigens uitstekend gedaan hebben. Al zullen Abbessijnse krijgers anno 1935 geen T-shirts gedragen hebben, de vertaling van hemd of hes was misschien beter geweest.

     

     

  • Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Het jaar 2016 wordt wel gezien als het jaar waarin fake news volwassen werd: het Brexit-referendum werd gewonnen door ‘Leave’ met aantoonbare leugens en de Amerikaanse presidentsverkiezingen werden gewonnen door iemand die ook niet bekend staat om zijn voorliefde voor feiten. In Quichot thematiseert Rushdie in feite de periode van post-truth waar we ons thans meer dan drie jaar in bevinden. Het hedendaagse Amerika is daarvan het decor. In dit verhaal over twee ‘Indiaas-Amerikaanse mannen, de ene echt en de andere fictief, allebei lang geleden geboren in wat toen Bombay heette, in naburige appartementen, die allebei echt bestonden’, gaat Rushdie (die je de derde man zou kunnen noemen, zij het dan Brits-Amerikaans) in op de vervaging tussen fictie en werkelijkheid.

    De roman gaat over Sam DuChamp, een weinig succesvol auteur die een boek aan het schrijven is over de queeste van een oudere heer die zichzelf Quichot noemt, verslaafd is aan televisie kijken en verliefd wordt op de eveneens Indiase Salma R, een voormalig actrice en nu talkshowhost.

    Wat is echt?

    DuChamp laat Quichot met zijn wagen door Amerika rijden, op zoek naar zijn heilige graal: een ontmoeting met Salma R. Zoals het een goede queeste betaamt maken Quichot en later ook zijn imaginaire zoon Sancho van alles mee. Zo worden de Indiase mannen abusievelijk (fake news!) voor islamterroristen aangezien en raken ze verzeild in een dorp dat getroffen wordt door een tamelijk absurde plaag.

    Sancho heeft als eerste de dubbele laag van het boek door: ‘Het lijkt net, op die momenten dat ik me een vreemde voel, alsof er iemand onder schuine streep achter schuine streep boven de oude man zit. Iemand – ja – die hem maakt zoals hij mij heeft gemaakt.’ Maar ook een familielid van DuChamp, een niveau hoger in het verhaal maar evengoed fictief, heeft vergelijkbare gedachten: ‘Misschien was het menselijk leven werkelijk fictief, in zoverre dat degenen die het leefden niet begrepen dat het niet echt was.’ Zodoende is de lezer getuige van het wordingsproces van de queeste van Quichot, opgetekend door DuChamp. Daardoor vloeien die twee werelden ook steeds meer in elkaar over: ‘Nu zijn Quichot en ik niet langer twee verschillende werelden, de een geschapen, de ander scheppend (…) Nu ben ik deel van hem, net zoals hij deel van mij is.’

    Op een zeker moment zijn de hoofdstukken niet meer netjes verdeeld tussen het ‘Quichot-universum’ en dat van DuChamp. Gebeurtenissen van de één hebben bovendien ook plotseling hun weerslag op de ander. De ene werkelijkheid wordt de andere en dat is buitengewoon verwarrend voor de personages.

    Te expliciet

    Quichot overtuigt uiteindelijk niet helemaal omdat Rushdie geen moment onbenut laat de lezer bij de hand te nemen. Hij laat DuChamp pagina’s lang reflecteren over wat hij Quichot nu weer zal laten doen. De verwarring van de personages dringt nooit echt door tot de lezer. Was het hem niet juist daar om te doen? Is de vervlechting tussen nep en echt nieuws niet soms juist subtiel? De uitleg over de vraag op welke plekken fictie en werkelijkheid door elkaar heen lopen is met andere woorden wel erg expliciet.
    Actueel is het boek wel: het zijn buitengewoon verwarrende tijden. Nepnieuws is aan de orde van dag en zelfs politieke instituten verzinnen alternative facts, zodat het zicht op de, voor hen mogelijk negatieve, werkelijkheid troebel wordt. De schrijver laat met het eveneens verzonnen Quichot zien dat dit onwenselijk is. Zoals de aantasting van het milieu onze aarde verschroeit, zullen leugens en verdraaiingen dat met onze wereld doen.

     

  • Kijkje in de keuken van DBC Pierre 

    Kijkje in de keuken van DBC Pierre 

    Naar verluidt belanden er jaarlijks meer dan achthonderd manuscripten op de bureaus van Nederlandse uitgevers. Die, ook al willen de uitgevers je dat wel laten geloven, lang niet allemaal gelezen worden. Wie zijn of haar werk gepubliceerd wil zien, heeft meer aan een goed netwerk dan aan een stevige envelop. Je hoort weleens zeggen dat er in Nederland meer geschreven wordt dan gelezen. Dat er wel een miljoen mensen zijn die een boek zouden willen publiceren.
    Ook dat is een markt. Er zijn bureaus, magazines en websites die de schrijver in spe vooruit willen helpen. En er zijn gevestigde schrijvers die niet te beroerd zijn om de amateurs van adviezen te voorzien. Op websites, zoals Stephen King dat doet. Of in boeken die als schrijfhulp worden gepresenteerd.

    DBC Pierre (1961), die we vooral kennen als de auteur van Vernon God Little (2003), ontpopt zich op geheel eigen wijze als schrijfadviseur. In zijn nieuwste boek, met een titel die direct al een advies is: Laat ze maar denken dat je als schrijver geboren bent, geeft hij op een bijzondere manier een kijkje in zijn keuken. De ondertitel luidt: Een atypische schrijfgids, en atypisch is die zeker. Zo barstensvol ironie dat je niet zelden het gevoel hebt dat je voor de gek gehouden worden. Zie hem daar zitten: verwoed tikkend op zijn toetsenbord, voor zich uit murmelend: ‘Ik zal al die nepschrijvers eens een poepje laten ruiken.’

    Doolhof
    Dat gevoel bekruipt je tijdens hoofdstukken waarin hij je een doolhof instuurt waaruit geen uitweg mogelijk lijkt. Als hij het heeft over ‘de krakende kloof tussen conceptueel ideaal en existentiële chaos: waar geweld vermomd is als vrijheid, autocratie als democratie, verlangen als behoefte, verwijt als onschuld.’ Mooie zinnen, daar niet van. Maar ze bieden de lezer, de potentiële schrijver, weinig praktische handvatten.
    Toch staan ze er wel degelijk in, de concrete adviezen. Zoals deze: trek je er niks van aan als je redacteur zegt dat je rekening moet houden met de markt. ‘De markt gedraagt zich als een school angstige sardientjes, zenuwpezende flitsen in de vorm van uitgevers die uitgevers volgen, agenten die agenten volgen die uitgevers volgen die uitgevers volgen (…). Laat ze hun gang maar gaan. Als de school op een dag achter jou aan zwemt zal hij vol hese stemmen zijn die zeggen dat ze altijd al geweten hebben dat jij de nieuwste hit was.’ Waarna DBP Pierre het belangrijkste advies geeft dat een beginnend schrijver kan krijgen: ‘De enige manier om te schrijven is je best doen.’

    Drugs
    Heel onorthodox is ook de manier waarop DBC Pierre aankijkt tegen het gebruik van alcohol en drugs. Vermakelijk is de manier waarop hij één voor één verschillende opwekkende middelen behandelt. Om af te sluiten met de meest verslavende van allemaal: het schrijven zelf.

    Een van de meest aansprekende hoofdstukken is die waarin de schrijver fictie en de waarheid tegenover elkaar zet. Waarin hij vertelt hoe huiverig hij is om echte gebeurtenissen in zijn fictiewerk op te nemen. Hij geeft voorbeelden van gebeurtenissen uit de werkelijkheid die een willekeurige luisteraar of lezer als fictie zou bestempelen. Eenvoudige voorbeelden, over iemand wiens motor was gestolen en die, toen hij na allerlei omzwervingen terugkwam, in een veel betere conditie was dan daarvoor. ‘Het is een ironie van de moderne tijd dat de ware realiteit vaak te onwaarschijnlijk is om in fictie te verwerken.’ Toen hij feiten verzamelde voor zijn debuutroman, over een schietpartij op een middelbare school in de VS, schrok hij zo van de waarheden achter wapencriminaliteit en doodstraf in de VS, dat hij ze niet durfde te gebruiken.

    Het vergt enig doorzettingsvermogen om uit het driehonderd pagina’s tellende boek de tips en adviezen te destilleren waar een beginnend fictieschrijver echt iets aan heeft. Ze staan er wel in. Maar eigenlijk is het lezen van Laat ze maar denken dat je als schrijver geboren bent leuker als je je niet focust op schrijftips en je je in plaats daarvan laat meesleuren in die lawineachtige, ironische schrijfstijl van DBC Pierre. Dan krijg je in ieder geval een fraaie inkijk in de manier waarop híj schrijft, een succesvol auteur die in meer dan 43 landen wordt gelezen.

     

     

  • Subtiele stijl in verhalen over ontluistering

    Subtiele stijl in verhalen over ontluistering

    De Zuid-Afrikaanse schrijver S.J. Naudé brak een internationale carrière als advocaat af om een masterstudie creatief schrijven aan de universiteit van Stellenbosch te gaan volgen. Een van de resultaten van die keuze is de verhalenbundel Het vogelalfabet, waarvoor hij de South African Literary Award kreeg.

    De zeven verhalen in deze verzameling kennen thema’s als zelfverzaking, moeizame (familie)relaties en de Zuid-Afrikaanse expat cultuur die de schrijver uit eigen ervaringen in New York en Londen kent. Op het verhaal ‘Moeders kwartet’ na, hebben de verhalen onnadrukkelijke eindes, waaruit desillusie spreekt. Onder meer desillusie over de toekomst en over de wreedheid van ziektes, maar ook naar aanleiding van de moeizaamheid van het aangaan van relaties en het zoeken naar identiteit. Het slot van het genoemde ‘Moeders kwartet’ wekt de suggestie van komende gewelddadigheid en werpt daarmee een ander licht dan de overige verhalen op de ontluistering die leven is. Maar ook hier is de behandeling van de genoemde thema’s subtiel.

    Naast de eenheid in thematiek kent deze bundeling vooral ook een eenheid in stijl. Het vogelalfabet staat vol met passages als: ‘Hij is alleen hierbinnen. Het licht is fel en hij heeft honger. Hij zit naar de hammen te kijken. Ze vertrekken zonder te eten.’ (77) Of: ‘Joschka’s moeder belt om te zeggen dat ze langskomt. Joschka verstijft als zijn zus hem dat vertelt. Er daalt een spanning neer over het huis. Het duurt een uur voordat ze komt opdagen; ze komt van ergens bij de Tsjechische grens. Een buurvrouw brengt haar.’ (85) De stijl in Het vogelalfabet is sober, met veel korte mededelende zinnetjes na elkaar geplaatst, maar kent af en toe ook geheimzinnige passages als: ‘Schaduwen van oude bewegingen beginnen het geheugen van het lichaam te ontrafelen.’ (127) Een rug wordt omschreven als ‘een massief blok’ dat ‘ uiteenbrokkelt in een mozaïek van spieren.’ (131) Naudé biedt in zijn stijl een mix van eenvoudige woordkeus, met hier en daar een ambitieuze zin. Het is met name deze subtiliteit in verwoording die ervoor zorgt dat deze verhalen aanspreken.

    Hiernaast biedt de verzameling een tijdsbeeld van het Zuid-Afrika van na de Apartheid. Onder meer hiv (wijd verspreid in het land) en corruptie van de nieuwe overheid spelen er een rol in. Het raciale thema is niet onbelangrijk, maar is niet alles overheersend in deze verhalen. Naudé stamt uit een geslacht van blanke Afrikaners. Het blank zijn in een zwarte maatschappij wordt echter niet heel nadrukkelijk gethematiseerd. De blanke personages zoeken vooral hun heil in verre buitenlanden, om uiteindelijk wel weer terug te keren naar Zuid-Afrika, maar zonder hoop dat hun terugkeer hen nieuwe levensvreugde of zingeving zal schenken.

    De bundel werd uit het Afrikaans vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die echter ook gebruik maakten van de afwijkende Engelse versie die Naudé van zijn verhalen maakte. Het moet voor de vertaalsters interessant zijn geweest om met een schrijver uit een verwant taalgebied te maken te hebben die de vertaling op zijn merites kan beoordelen.

    Het zijn geen vrolijke verhalen, humor en lichtheid ontbreken. De hopeloosheid van een onrechtvaardig bestaan waarin mensen op weg zijn naar een onprettig einde, zonder veel respijt, dat drukt deze verzameling uit, die vooral om zijn stijl een aanrader is.

     

  • Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Je zal toch per ongeluk in een afgelegen hotel belanden, waar internet en een netwerk voor je mobiele telefoon ontbreken. Een ware nachtmerrie voor de moderne mens. Het overkomt Ariel Panek, de hoofdpersoon in DBC Pierre’s nieuwe roman Ontbijt met de Borgias. Hij raakt in het hotel aan de kust verzeild nadat zijn vlucht van Boston naar Amsterdam, vanwege dikke mist, in Londen is gestrand. Dezelfde dikke mist die het hotel omgordt als een nekkraag de hals van een automobilist die een whiplash heeft overgehouden aan een kettingbotsing.

    U stoort zich wellicht aan de potsierlijke beeldspraak in de vorige zin, maar dan bent u tenminste voorbereid. In Ontbijt met de Borgias zaait DBC Pierre groteske beeldspraken zoals een zwartepiet snoepgoed strooit in een kindercrèche. ‘Het hotel rook vaag naar lavendel op dode kool.’ Die geur is met enige moeite misschien nog voor te stellen. Misschien lukt het u ook nog bij het volgende beeld: ‘Een man als een broeierige valk onder de capuchon van zijn houtje-touwtjesjas.’ Maar voor ‘haar ogen fonkelden als gelei uit kraters van groen, omhoog speurend in een rookpluim’ zult u toch diep moeten gaan.

    ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ dichtte Martinus Nijhoff ooit en de lezer die deze roman ter hand neemt, doet er goed aan die aansporing ter harte te nemen. Neem de potsierlijkheid van zijn taal voor lief en grijp de uitgestoken hand van DBC Pierre. Laat u door hem leiden, door de mist en door de krochten van een gedateerd hotel waar vreemde kostgangers op u loeren. Als u het leesavontuur overleeft, wordt uiteindelijk wel duidelijk waarom de schrijver zich van die bijzondere taal heeft bediend. Of niet natuurlijk. Maar dan heeft u in ieder geval een spannende roman gelezen.

    Pierre heeft zijn boek geschreven voor de Hammer List, een literaire serie die horrorfilmproducent Hammer uitgeeft. Is het ook een griezelverhaal geworden? Nee. De roman bevat veel ingrediënten van enge films: de afgelegen locatie, verbroken verbindingen, mist, een naïeve hoofdpersoon en een aantal opmerkelijke typetjes. Je ziet Humphrey Bogart in Key Largo of Nicole Kidman in The Others. Het zijn elementen waarmee DBC Pierre zeker spanning weet op te roepen. Maar griezelen doe je niet, nagelbijten is er niet bij.

    Twee spanningsbogen bouwt Pierre in zijn roman. De eerste concentreert zich rondom de vraag of Ariel contact zal krijgen met zijn liefje Zeva. Die wacht in Amsterdam op hem en wordt met de minuut radelozer omdat hij niet opduikt. Hij probeert op allerlei manieren contact met haar te krijgen, maar zonder succes. Hoewel Zeva via de telefoon van een andere hotelgast wel sms’jes krijgt, tekstberichtjes die er de schijn van hebben dat Ariel de afzender is. De tweede intrige in de roman speelt zich in het hotel af. Er logeert een merkwaardige familie. Al snel vraagt de lezer zich af wat die zonderlingen daar te zoeken hebben. Maar echt intrigerend is de vraag of Ariel uit het web weet te blijven dat die familie om hem heen spint. Waarvan de kleverigste draad de beschuldiging is dat Ariel zich vergrepen heeft aan een minderjarig meisje dat halfnaakt op zijn kamer is aangetroffen. En wat doen die bloedsporen daar?

    Er staat niet wat er staat en herhaaldelijk zet DBC Pierre niet alleen zijn protagonist, maar ook de lezer op het verkeerde been. Dat houd je alert en geeft het verhaal reliëf. De ontknoping is verrassend en verheldert veel, maar lang niet alles. Jammer van die losse eindjes. Blijft over een spannend, vermakelijk en vlot geschreven verhaal, ondanks de potsierlijke beeldspraak.


    Ontbijt met de Borgias

    Auteur: DBC Pierre
    Vertaald door: Karina van Santen en Martine Vosmaer
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 187
    Prijs: € 18,50

  • Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    De Haarlemsche Courant schreef in 1906 over Van oude menschen. De Dingen die voorbijgaan: ‘Couperus’ nieuwe roman is het ‘boek van wroeging’. Zestig jaar geleden heeft Takma den man zijner minnares vermoord, daartoe gedreven door het aansporen der vrouw.  Die misdaad heeft hen saamgebonden voor àltijd, beheerscht hun verder bestaan.’ De families Takma, Dercks en Steyn de Weert zijn verbonden door een groot  geheim.

    In Klimtol werkt een gebeurtenis uit het verleden ook door in het heden.  Het is klimtolspeler Ludo die een geheim meedraagt.
    De roman speelt in het vissersdorpje Paternoster aan de ‘Weskus’ van Zuid-Afrika, in de Karoo, de ‘plaats van weinig water.’ De tijd is de jaren zestig en het heden, net voor de dood van Nelson Mandela.

    Stian is de zoon van een waterfiskaal, een ambtenaar die belast is met het toezicht op irrigatie en waterverbruik. Als zijn vader een John Deere aanschaft, een tractor met ‘dichtbijmekaarwieltjes’, krijgt hij een houten jojo van de dealer: ‘Kijk wat hij voor jou heeft achtergelaten, het is een jojo, kijk, Stian, er zit een touwtje aan /…/’

    De jongen oefent uren met zijn jojo en hij maakt zich truuks eigen. Na zijn diensttijd kiest hij ervoor als ‘roodjasje’ door het leven te gaan. Als officiële vertegenwoordiger van Coca-Cola-jojo’s rijdt hij met zijn Opel van dorp naar dorp om zijn showtjes te geven. ‘ ging zijn jojo.’ De klimtol is een toverding in zijn hand.

    Zijn vader is niet enthousiast over de klimtolspelerij van Ludo:  ‘Maar dat is geen baan,’ ‘Allemaal leuk en aardig, maar wat heeft het voor nut?’ Maar de jongen ‘zag hoe werken vernedert en koos voor spelen.’

    Hij treedt op als Ludo Loeloeraai. Er is een schaamte in hem over zijn speelsheid, zelfs over zijn aangenomen naam die ik speel betekent. Andere entertainers beschouwen hem als een onderkruiper omdat hij voor een Amerikaans bedrijf werkt, ‘de klimtolkampioenschappen zijn één grote reclamecampagne voor de frisdrank met het geheime recept’. Het was de truuk van de Amerikanen: vermom werk als spel.

    Bij een van zijn ‘gigs‘ is er opeens een fotografe: ‘Dan ziet hij haar / …/ Algauw speelt hij alleen voor haar, terwijl zij lachend, aanmoedigend en uitdagend met haar camera voor het podiumpje rondkruipt.’ Zo snel als ze is gekomen, zo snel is ze ook weer verdwenen.

    Ludo rijdt in de nacht een kind aan… ‘Toen is het gebeurd: zijn hele leven kantelde en dat kwam door het achterom kijken – wie heeft me gezien? Ik kan nog wegkomen! Dat heeft alles veranderd. Dat moment.’ Is dat Noodlot of de vloek van de klimtol?

    Het geheim dat hij met zich meedraagt: ‘het geheim van de bloedvlek bij Tweefontein had zich dieper in hem teruggetrokken. Hij moest denken aan het bijgeloof van oude mensen: als je een lange doorn in je voet krijgt en hij breekt af en je peurt hem er niet uit met een naald waarvan je eerst de punt boven een kaarsvlam hebt schoongebrand, dan trekt het hart die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Volgens John Steinbeck moet elke man een plek hebben en Ludo’s plek is voor zijn huisje aan de Weskus. Hij is als de man uit De oude man en de zee van Hemingway: ‘Hij denkt aan zichzelf en het ene dunne boek dat hij steeds weer herleest, het ritme van de zinnen is als zijn jojospel en in de cadans ervan herkent hij het ritme van de klimtol en de zekerheid van een goede worp, en hij is de oude man in het verhaal en hij zal de vis naar de haven brengen, en hij denkt al in dat ritme. Al is de vis bij aankomst kaalgevreten, hij is de oude man en hij brengt hem binnen.’

    Ludo denkt terug ‘aan zijn eerste klimtol en de bruine hand van zijn vader die hem uit zijn broekzak haalde nadat hij hem van de verkoper van de John Deere had gekregen om later aan het zoontje Ludo te geven, en hij weet nog hoe hij zijn hand uitstak en de jojo van zijn vader aannam en hoe die in zijn handpalm lag alsof hij ermee geboren was. Zo, dacht Ludo, is het leven van onverantwoordelijk spelen begonnen, een leven waarin truuk op truuk is gevolgd /…/.’  Het ongeluk komt steeds terug in zijn gedachten. ‘Het bloed zat nog vers aan zijn handen, maar wat hem nog het meest geschokt had dat hij na de moord op het kind (ja, hij weet wat nalatigheid en opzet is en wat het verschil is tussen een ongeluk en een moord) beter speelde dat hij ooit had gespeeld.’

    Met wie kan hij zijn verhaal delen? Hoe moet hij het Noodlot behagen?

    Het jojospelen geeft hem rust. ‘Dat is wat de jojo / … / betekent, hoe je hand er stabiel van wordt en hoe het spel patronen tekent waarin je orde vindt die je beschermt tegen de chaos en de drukte van dingen. Hij weet dat elke truuk een spinnenweb is en binnen het spinnenweb heeft elke draad zijn functie, het is een veilig web en als je het eenmaal onder de knie hebt, ben je tevreden en een poosje gaat het goed met je, dan kun je je truuk oefenen en erin wegkruipen alsof jij de spin bent en het web je hele wereld is.’

    Maar het loeit in zijn hoofd, want het ongeluk draagt hij als een last met zich mee. ‘Het voelt in zijn hoofd alsof een witte haai een school robben binnenzwemt /…/ De haai zwiept rond, hapt links en rechts, slingert schreeuwende robben uit de zee omhoog en naderhand drijven er half opgegeten dieren uit de zee omhoog en zwemt de haai verveeld weg van de donkerrode plas in het water.’

    Het verhaal krijgt een nieuwe wending als hij vanuit Londen bezoek krijgt van een jong meisje dat ook jojo speelt. ‘Ik heet Doris Steyn en in London ben ik Dipping Doris. Ik jojo.’ Zij haalt hem over samen met haar een vintage jojotour in Europa te doen.

    De roman is ook het verhaal van Snaartjie Windvogel, van de dode kreeftinspecteur en van adelborst Eenslie Maree. De diverse verhaallijnen meanderen door het boek en komen uiteindelijk op een knappe manier bij elkaar. Voor allen geldt: ‘We dragen allemaal een last met ons mee, nietwaar?’

    Het boek staat vol met schitterende zinnen en beelden. Mooi is dit:  ‘Zijn vader stond in de keuken, blies zijn koffie koud, goot hem op het schoteltje en slurpte uit het schoteltje terwijl hij over de koffie heen met een knipoog naar Ludo keek.’

    Het gaat over hoe nieuws zich verspreidt in een kleine gemeenschap : ‘In dit dorp valt een verhaal als een lucifer in droog gras en het knettert een pad open alsof er veel wind achter het vuur zit.’

    De zinnen hebben een mooie cadans, veelal zijn ze met elkaar verbonden door ‘en’: ‘Hij loopt tot aan het water en hij heeft geloof en is lichtvoetig.’

    Terug naar Couperus. ‘O, hoe pijn, fyziek pijn deed dat soms, die stekel in het vleesch van haar hart.’ In Klimtol: ‘het hart /trekt/ die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Klimtol is een rijk boek, een boek met diverse hoofdpaadjes en veel kurkentrekkerpaadjes.’
    Een prachtige, sfeervolle roman.