• Leestips voor de decembermaand – Martin Lok

    Tips uit een jaar lezen

    Alhoewel er heden ten dage ook prachtige boeken worden geschreven is er weinig zo jammer als ongelezen klassiekers. Vandaar dat ik daar graag op teruggrijp. Ook in het afgelopen jaar. Soms las ik ze in vertaling en soms in de oorspronkelijke taal. Terugblikkend zijn het steeds de klassiekers die ik het hoogst waardeerde. Stuk voor stuk echte aanraders!

    Het oudste boek dat ik afgelopen jaar las dateert uit 1850: David Copperfield van Charles Dickens. Een boek zoals ze tegenwoordig niet veel meer geschreven worden, over een coming of age die hopelijk ook niet meer van deze tijd is. Een onwaarschijnlijke geschiedenis die desalniettemin niet ver van de realiteit van 1850 af lag: het boek is deels autobiografisch.

    indexTien jaar later schreef Victor Hugo De lachende man (1860). Een onwaarschijnlijk mooie liefdesgeschiedenis, avonturenroman en dramatische aanklacht ineen. Victor Hugo betovert je met zijn wonderlijke figuren wier levenspaden hij op onnavolgbare wijze verzint en vervlecht. Het levensverhaal van de hoofdpersoon Gwynplaine – de lachende man – ontstijgt iedere verbeelding en is juist daardoor zo aangrijpend en reëel. Zijn liefde voor Dea een godsgeschenk en toevalligheid ineen. Een liefde die uiteindelijk even innig als ongrijpbaar blijkt.

    indexNog een Frans meesterwerk: De Thibaults (deel 1) van Roger Martin du Gard verscheen in 1922. Een prachtig boek over twee broers, hun vader en verdere familie en vrienden. Geweldig traag, in de goede zin van het woord. Het boek slurpt je op en dompelt je onder in la Douce France van de eeuwwisseling 100 jaar geleden en boeit van voor tot achter. Het boek heeft eigenlijk maar één nadeel: je moet nog tot 2015 wachten voor deel 2 gelezen kan worden.

    indexIk verliet overigens in literair opzicht het oude continent een paar keer. Bijvoorbeeld om The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald te lezen (1925). Ik had de film nog niet gezien en het boek niet gelezen. Inmiddels het boek gelezen. Ik heb volop genoten van deze literaire parel van de roaring twenties. Compact geschreven en vol schitterende observaties: ‘In his blue gardens men and girls came and went like moths among the whisperings and the champagne and the stars.’

    indexHet boek dat het verst terugging in de tijd was Augustus (1972) van John William. Een prachtig boek over Octavius Caesar, beter bekend als Augustus en de eerste keizer van het Romeinse rijk. Hij komt tot leven in talrijke verzonnen brieven, dagboekfragmenten, memoires en andere teksten.

    indexBoeken over de Eerste Wereldoorlog konden dit jaar niet ontbreken. Ik las er verschillende, maar de meeste indruk maakte de Regeneration trilogy van Pat Barker (verschenen vanaf 1991 – 1995). Barker beschrijft de Eerste Wereldoorlog met een verrassende aanvliegroute, variërend van de psychische aandoeningen die het gevolg waren van deze loopgravenoorlog, tot de rol van de vrouw in de oorlog of de positie van homoseksuelen.

    9200000011849702Het jongste boek dat ik las, was Donna Tartt’s The Goldfinch (2013) en ik was overdonderd. Tart schreef een geweldig boek over noodlot, verlies en alle donkere zijdes van het leven. En dat alles vermengd met kunst en schoonheid, het mooiste belichaamd in Het Puttertje, dat prachtige kleinood van Fabritius in het Mauritshuis en misschien wel de eerste hoofdpersoon van het boek.

    Martin Lok

  • Een anatomie van verlies

    Een anatomie van verlies

    Het gaat alleen maar over Salinger’. Dat zijn de woorden waarmee Joanna Rakoff Mijn jaar met Salinger afsluit. Maar niets is minder waar. Meer dan Salinger staat Rakoff zelf centraal in deze coming of age roman. Haar jaar met Salinger toont vooral haar eigen ontwikkeling van schoolmeisje tot jonge vrouw.

    Rakoff begint haar jaar met Salinger met een garderobe bestaande uit ruitjesrokken en instappers. Volgens haar moeder in New York anno de jaren negentig dé sleutels tot succes voor een pas afgestudeerde jonge dame die het wil maken. En succes is wat Rakoff najaagt. Ze heeft er na haar studie zelfs haar universiteitsvriendje voor verlaten en is naar New York getrokken om als schrijver door te breken.

    Zoals veel andere jonge vrouwen hoopt ze haar schrijverscarrière een kick-start te geven door bij een literair agentschap te gaan werken. En dat lukt: ze wordt snel aangenomen bij het Agentschap, een niet nader omschreven maar gerenommeerd agentschap dat de zakelijke belangen van vooral dode auteurs blijkt te regelen. En van een paar levende auteurs, waaronder J.D. Salinger, Jerry voor de intimi van het Agentschap. Salinger is de onbetwiste ster van het Agentschap, alhoewel hij sinds 1965 niets nieuws meer heeft gepubliceerd. Zijn belangen worden behartigd door de bazin van Rakoff, een wat chagrijnig doorrookte agent, die niet meer van deze tijd lijkt. Zoals overigens ook het agentschap zelf dat nogal Dickensiaans blijkt te zijn. Zo wordt alle correspondentie nog met typemachines afgehandeld en wordt de komst van de eerste computer door enkele vooruitstrevende collega’s gevierd als overwinning op het verleden.

    Rakoff vindt in het begin moeizaam haar weg bij het Agentschap, maar ontpopt zich uiteindelijk tot veelbelovende assistente, die haar baas schijnbaar moeiteloos vervangt als deze voor langere tijd is uitgeschakeld. En dat alles tegen de achtergrond van een groeiend contact met Salinger. In het begin is dat contact nog non-existent; Rakoff wordt niet geacht enig woord met hem te wisselen als hij belt, maar hem direct door te schakelen naar haar bazin. Maar langzamerhand krijgt ze contact met de gevierde schrijver, ook al blijft dat beperkt tot vriendelijkheden aan de telefoon en zijn interesse voor haar schrijversambities.

    Naast de directe contacten met Salinger ontstaat ook op een ander vlak een band met Salinger: Rakovv begint zich steeds meer met hem te vereenzelvigen. Dat is het gevolg van haar taak om zijn fanmail te beantwoorden. Eerst doet ze dat nog met de standaardafwijzingen, van het kaliber ‘dank u voor uw brief, maar de heer Salinger gaat niet op fanmail in’. Maar gaandeweg probeert ze in Salingers geest te antwoorden en worden haar brieven inhoudelijker.

    Toch is het vreemd dat Rakoff meent dat ze zich goed in Salinger kan inleven. Zo uitvoering zijn haar gesprekken met hem nou ook weer niet. En ze heeft nog nooit iets van hem gelezen, ook al stonden veel van zijn werken bij haar ouders in de kast. Er was iets dat haar ervan weerhield zijn boeken te lezen. Ze meende dat zijn werk aanstellerig en nostalgisch was, vol wonderkinderen die door New York slenterden. Een mening die ze later, toen ze in korte tijd het oeuvre van Salinger las, zou bijstellen. Uiteindelijk viel ze als een blok voor hem, in literaire zin dan welteverstaan: ‘Salinger leek in niets op wat ik gedacht had. In niets. Salinger was wreed. Wreed en grappig en nauwgezet. Ik hield van hem. Ik hield van alles.’

    Mijn jaar met Salinger biedt veel voor hen die geïnteresseerd zijn in het reilen en zeilen van een literair agentschap. Of in de ontwikkeling van een schoolmeisje tot zelfbewuste vrouw. Of voor de fans van Salinger. Het is vlot geschreven, vol leuke anekdotes en inkijkjes in de sterallures van een gevierde auteur én zijn hofhouding op het Agentschap. Hier en daar bevat het ook een uitglijder, vooral als Rakoff haar eigen leven en belevenissen op de voorgrond plaatst, vol kritiek op haar ouders en relatie. Het zijn onnodige passages die de titel van het boek geweld aan doen. Maar het zij haar vergeven, want er staan ook ontroerende passages in het boek, die het jaar dat ze beschrijft toch echt tot haar jaar met Salinger maken. Bijvoorbeeld als haar man haar dertien jaar later vertelt dat Salinger is overleden. Het emotioneert haar zeer, tot tranen toe. Het is het moment waarop Rakoff Salinger het dichtst nadert. Ze realiseert zich dat met het verscheiden van Salinger de wereld in rouw is, en zij met de wereld. ‘Om er nooit meer bovenop te komen,’ wat ook op en top des Salingers is. Want Salingers verhalen zijn – zo betoogt Rakoff  ‘stuk voor stuk anatomieën van verlies, elke vierkante centimeter, van begin tot eind.’ Wat uiteindelijk ook geldt voor Rakoffs boek. Ook dat is een anatomie van verlies. Van onschuldige idealen, vriendschappen en een inspirerend schrijver.

     

     

  • Het ongelukkige huwelijk tussen spierkracht en geest

    Het ongelukkige huwelijk tussen spierkracht en geest

    Voor velen zal het een nieuwe zo niet bespottelijke gedachte zijn: de ambitie om ‘op de Spelen van de toekomst spierkracht en geest te verenigen’. Maar ongerustheid is niet nodig. Het idee is niet van nu en reeds zestig jaar geleden door het Internationaal Olympisch Comité ten grave gedragen. Na ruim een halve eeuw touwtrekken en klungelige pogingen om van de Olympische Spelen een ‘samenspel van lichaam en geest’ te maken.

    Het was niemand minder dan Pierre de Frédy, Baron de Coubertin, geestelijk vader van de moderne Olympische Spelen, die zich voor deze verbinding van sport en kunst inzette. Niet de eerste de beste, zou je zeggen. Dat hij deze verbinding toch niet succesvol wist te maken is volgens Adri Altink niet zo verbazingwekkend: ‘Coubertin had echtelieden aan elkaar gekoppeld die hun huwelijk nauwelijks consumeerden, of, wat nog erger is, die nauwelijks in elkaar geïnteresseerd waren.’ Zo bezien was het huwelijk tussen sport en kunst niet louter ongelukkig, maar kansloos.

    Altink komt tot deze conclusie in De Muzen op het schavot. Nederlanders op de Olympische kunstwedstrijden. Over de opkomst en neergang van de Olympische kunstwedstrijden vanuit Nederlands oogpunt; als chronologisch verhaal, gelardeerd met anekdotes en hier en daar wat verdwaalde juicy details. ‘Omdat het een geschiedenis was die beschreven moest worden.’

    Ruim de helft van het boek is gewijd aan die chronologie. Altijd een lastige keuze om tot een pakkend verhaal te komen, omdat zo het grotere plaatje snel verdrinkt in de vele details. Wat niet betekent dat die eerste helft niet lezenswaardig is. Altink schetst daar de achtergronden van de wens van Baron de Coubertin om spierkracht en geest te verenigen hoe hij dit bevocht en de kunstwedstrijden uiteindelijk zevenmaal georganiseerd zouden worden: in Stockholm (1912), Antwerpen (1920), Parijs (1924), Amsterdam (1928), Los Angeles (1932), Berlijn (1936) en London (1948).

    Nederlandse kunstenaars streden vanaf 1924 mee. Met enkele mooie maar vrijwel onbekende overwinningen. Bijvoorbeeld van schilder Johan van Hell (Patineurs, brons, 1924), architect Jan Wils (Olympisch Stadion, goud, 1928), schilder Isaac Israels (Cavalier Rouge, goud, 1928).
    De selectieprocedures voor de Nederlandse inzendingen komen uitgebreid aan bod en zullen hier en daar de wenkbrauwen doen fronsen. Zo won Jan Wils zijn goud tijdens een ’thuiswedstrijd’ met een internationale jury die bijna voor de helft uit Nederlanders bestond. En werd in 1936 naar Berlijn onder andere werk van twee Nederlandse beeldhouwers ingezonden die zelf in de selectiecommissie zaten (Hendrik van den Eijnde en Tjipke Visser).

    Het zijn anekdotes die Altink meer had mogen uitdiepen, te meer daar de gebrekkige kwaliteit van de ingezonden kunst van de eerste tot de zevende Olympische kunstkrachtmeting juist ter discussie had gestaan. Net als overigens het gegeven dat de meedingende kunstenaars over het algemeen professionals waren, iets dat veel Olympiërs een doorn in het oog was maar blijkbaar niet leidde tot een hoger kwaliteitsniveau (wat je bij professionele kunstenaars wel zou verwachten). Wederom iets dat een diepgaander analyse verdient dan Altink in zijn boek biedt.

    Hij maakt daar overigens in het tiende hoofdstuk (‘Terugblik op touwtrekken’) wel een begin mee. Het is qua analyse het meest interessante hoofdstuk van het boek, maar bestrijkt helaas slechts tien pagina’s. Altink komt daardoor niet verder dan het licht aanstippen van het grotere plaatje. Zo geeft hij aan wat mogelijke redenen zijn voor het feit dat gerenommeerde kunstenaars vrijwel niet meestreden om Olympisch eremetaal. Door kort in te gaan op tegengestelde bewegingen in de maatschappij die de verbintenis tussen sport en kunst eigenlijk bij voorbaat kansloos maakte: de wens van Baron de Coubertin om met klassieke kunst zijn Olympische gedachte een culturele impuls te geven en de wens van de avant-garde in de kunst (zoals Picasso, Kandinsky en Munch), die zich juist bewust losmaakte van die klassieke kunst.

    Hoe het ook zij, Altink zet met De muzen op het schavot terecht een onbekend maar interessant deel van de Olympische geschiedenis in de schijnwerpers. Zijn boek is hier een prima introductie voor. Maar het eindwerk over de Olympische kunstwedstrijden is hiermee nog niet geschreven. Daarvoor is een kritischer terugblik en analyse op het getrouwtrek rondom de kunstwedstrijden nodig. Ook dat verdient geschreven te worden.