• Manon Lescaut: tussen kunst en kitsch

    Manon Lescaut: tussen kunst en kitsch

    De roman Manon Lescaut uit 1731 is geschreven door Abbé Prévost (1697-1763) en diende als basis voor de beroemde opera van de Italiaanse componist Giacomo Puccini (1858-1924). Dat is allemaal bekend, maar niet helemaal correct. De titel van de roman luidt namelijk: Het verhaal van chevalier Des Grieux en Manon Lescait en de auteur heet voluit Antoine François (Abbé) Prévost d’Exiles. Toen zijn boek uitkwam, werd het meteen verboden vanwege het schandalige gedrag van de hoofdpersonen wat ongetwijfeld heeft bijgedragen aan het onmiddellijke succes. Het is een klassieke raamvertelling: de fictieve markies de Renoncourt heeft het verhaal ‘volkomen exact en waarheidsgetrouw’ opgeschreven zoals de chevalier hem dat verteld heeft. We krijgen daarmee ook de visie van de chevalier op de gebeurtenissen en ook zijn kijk op Manon Lescaut. Zij heeft nauwelijks een eigen stem, behalve in de dialogen met de chevalier. Voor de achttiende eeuw is dat niet vreemd, maar heden ten dage doet dat nogal gemankeerd aan.

    Abbé Prévost

    Abbé Prévost is in 1726 tot priester gewijd, maar het leven als monnik bevalt hem niet en hij gaat naar Engeland. Als huisleraar geeft hij Franse les, maar een leerlinge wordt verliefd op hem waarop hij wordt weggestuurd en de dochter uitgehuwelijkt wordt. Hij wil van zijn pen gaan leven en gaat naar Nederland omdat daar geen gebrek aan uitgevers is. In december 1730 sluit hij een contract met Étienne Néaulme (1701-1753) voor de romanreeks Mémoires d’un homme de qualité. Het zevende deel houdt met deze romanreeks slechts losjes verband: L’Histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut waarin de auteur misschien wel zijn liefde voor de Haagse courtisane Lenki Eckhardt heeft verwerkt. Prévost ondertekent zoveel contracten (en incasseert zoveel voorschotten), dat hij niet alle manuscripten op tijd kan inleveren. Op 17 januari 1733 wordt hij in Den Haag failliet verklaard, waarop hij opnieuw naar Engeland vlucht. Daar overspeelt hij zijn hand: in 1733 vervalst hij een schuldbekentenis, een misdrijf waarop hoge straffen staan. Eerloos en geruïneerd keert hij terug naar Frankrijk, waar de paus hem zijn afvalligheid van het katholieke geloof vergeeft: hij mag intreden in een Normandische abdij en wordt later aalmoezenier in Parijs. Publiceren is in die functies blijkbaar geen bezwaar: hij specialiseert zich in romanachtige geschiedenisboeken, biografieën, reisverhalen en vertalingen uit het Engels voor hij op 66-jarige leeftijd overlijdt.

    Het verhaal van Manon Lescaut

    Waar draait het om in de roman over Manon Lescaut? Het is, volgens het voorbericht van markies de Renancour, ter leringe ende vermaak: ‘Het is aangename lectuur en bevat bovendien maar weinig gebeurtenissen die niet tot lering kunnen strekken; ik sticht mijn lezers terwijl ik ze vermaak, en bewijs ze daarmee volgens mij een grote dienst.’

    In het eerste deel van het verhaal ontmoet de chevalier Manon Lescaut in een herberg, voordat zij – tegen haar zin – naar een klooster gestuurd wordt. Hij ontfermt zich over haar en ze gaan in Parijs samenwonen, maar hij kan haar niet onderhouden en ‘(…) in plaats van me boos te maken over de bedragen die zij soms over de balk smeet stond ik [de chevalier] direct klaar om haar alles te geven waarvan ik dacht dat het haar zou kunnen gerieven.’ Om aan geld te komen lijkt het erop dat Manon haar toegewijde geliefde bedriegt met een rijke, oudere man. Of wil ze hem enkel een flinke som geld afhandig maken waarmee ze comfortabel met de chevalier kan leven? Er volgen vele verwikkelingen: de chevalier is ‘ (…) geboren voor kortstondige vreugde en langdurig verdriet. Bevrijdde Vrouwe Fortuna me uit de ene afgrond, dan stortte ze me onmiddellijk weer in de andere.’

    Het tweede deel van het verhaal begint ermee dat een jonge edelman verliefd wordt op Manon Lescaut. Ze wil ‘(…) zijn geschenken aannemen en hem dan uitlachen.’ Hij biedt haar inderdaad een huis aan en een royaal jaargeld. Maar hij is wel zo slim dat ze eerst moet komen voordat hij haar het geld geeft. Ze belooft aan de chevalier meteen terug te komen zodra ze het geld in handen heeft. In plaats daarvan stuurt ze een mooi meisje met een briefje van haar: ze blijft liever een tijdje bij haar rijke minnaar om hem zo nog meer geld afhandig te kunnen maken. De chevalier stuurt het meisje terug en twijfelt aan de bedoelingen van Manon Lescaut: hij heeft niets meer dan liefde en trouw te bieden terwijl zij misschien op zijn armoe neerkijkt en met zijn argeloosheid spot.

    Wat interessanter is dan de vele verwikkelingen in het verhaal is de historische achtergrond in het tweede deel: begin 1720 worden meer dan honderd vrouwen uit een gevangenis in Parijs verscheept naar Louisiana, de Franse kolonie aan de Golf van Mexico. Ze zijn beschuldigd van prostitutie, maar de meesten zijn op grond van valse beschuldigingen opgepakt. De overtocht vindt plaats onder erbarmelijke omstandigheden: de vrouwen zitten aan elkaar geketend in een krap scheepsruim, met te weinig eten en drinken, waardoor meer dan de helft van hen de oversteek niet overleeft. Degenen die het wel overleven, moeten in Nouvel Orléans (het huidige New Orleans) een nieuw bestaan zien op te bouwen. Dit lot ondergaat ook Manon Lescaut in de roman. De chevalier reist echter met haar mee en raakt in een duel verwikkeld met een neef van de Gouverneur. Ze vluchten en Manon Lescaut overlijdt in de wildernis. Het slot van het verhaal wordt afgeraffeld: de chevalier keert terug naar Frankrijk.

    Het nachleben van Manon Lescaut

    Het verhaal van Manon Lescaut is bewerkt tot één of meer balletten, toneelstukken, televisieseries, speelfilms en opera’s. Het beroemdst is de opera van Puccini die van Manon Lescaut een tragische heldin maakt met wie het publiek kan meeleven. Ze is daarmee de eerste van de nog beroemdere vrouwen uit Puccini’s latere opera’s: Mimì (La Bohème, 1896), Floria Tosca (Tosca, 1900) en Cio-Cio-San (Madama Butterfly, 1904). In Puccini’s opera valt de chevalier op het eind – wanneer Manon Lescaut is gestorven – gek van verdriet in zwijm op haar dode lichaam.

    In Nederland zijn we inmiddels aan de derde vertaling toe van de roman. Martin de Haan werd voorafgegaan door J.A. Sandfort en Daan de Jong. In zijn inleiding wijst De Haan op ‘(…) de overdreven weergave van de gebeurtenissen zelf, die de personages even onwaarschijnlijk maakt als figuren uit een opera.’ Daarom zijn de gebeurtenissen in dit boek – ondanks alle goede bedoelingen – vooral kitsch en worden ze pas kunst in de opera van Puccini. Naar een opera ga je immers voor de muziek en is het verhaal maar bijzaak.

     

     

  • Het mysterie van de eerste sekse

    Het mysterie van de eerste sekse

    In de door Maartje Laterveer samengestelde essaybundel Wolf uit 2019 beantwoorden dertien vrouwen de vraag ‘Wat maakt de vrouw?’ In Sfinx, het logische vervolg op Wolf, buigen dertien mannen (schrijvers, journalisten, redacteurs, historici en essayisten) zich daarom in even zoveel essays over het verschijnsel ‘man’. Volgens Simone de Beauvoir in De tweede sekse (1949) wordt een vrouw niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt. Wat betekent dat dan voor de ‘eerste sekse, wordt die wel als man geboren, en zo ja, wat betekent dat dan? Het staat vooraf uiteraard buiten kijf dat ‘de man, net als ‘de vrouw’ niet bestaat. Toch is Sfinx een interessante bundel omdat de auteurs zich vanuit allerlei invalshoeken ‘eerlijk en diepgaand’ gebogen hebben over het fenomeen “man”.

    Achterstand van 1-0

    De rol van de man is in de afgelopen decennia veranderd, mede door de emancipatie van de vrouw, betoogt Laterveer in haar inleiding. Van oudsher is mannelijkheid verbonden met ‘dominantie, leiderschap, voetbal en onafhankelijkheid’, terreinen waar vrouwen steeds zichtbaarder zijn geworden. En om in voetbaltermen te spreken staan mannen volgens Laterveer inmiddels zelfs met 1-0 achter; waar meisjes namelijk het mooiste meisje van de klas zouden moeten zijn, moeten ‘jongens het mooiste meisje van de klas veroveren’. De wat mysterieus aandoende titel Sfinx wordt uitgelegd middels een kat die op het omslag prijkt, verwijzend naar een diersoort die relatief veel aandacht zou opeisen. In de Griekse mythologie stond een sfinx daarnaast bekend als half vrouw, half adelaar en in de Egyptische als half man, half leeuw. Mannen krijgen, net als vrouwen, ‘etiketten opgeplakt die helemaal niets met hun werkelijke identiteit te maken hoeven te hebben, en die hen in beginsel net zo onvrij maken als vrouwen.’ Vrijheid blijkt voor mannen dus evenmin een vanzelfsprekendheid te zijn als voor vrouwen. 

    Macht

    In Sfinx houdt Casper Thomas zich in het essay waar de bundel mee begint bezig met een zoektocht naar het succes van leiders als Trump, Poetin, Modi en Bolsonaro. Hij ziet een opkomst van een antiliberale politiek die gedreven wordt door ‘mannelijke dominantie en stoffige rolpatronen.’ In zo’n klimaat van macht en overheersing moest wel een beweging als MeToo ontstaan, volgens Hans Hogenkamp omdat ‘de man vindt dat de vrouw de macht heeft omdat zij hem kan weigeren, maar in de ogen van de vrouw de man de macht [heeft] omdat hij haar kan dwingen.’ Op humoristische wijze schetst Hogenkamp de verwarring waar mannen onder gebukt gaan als het gaat om die machtsverhoudingen. Rutger Lemm constateert dat hij als vader anders op zijn kind reageert dan zijn vriendin en vraagt zich af waar zijn egocentrisme en luiheid vandaan komen. Hij komt tot de conclusie dat ‘er altijd wel een vrouw is die dat mogelijk maakt.’ En over patriarchaat gesproken: ook Thomas Heerma van Voss en Lotfi El Hamidi zien daarmee een duidelijke relatie. De eerste vraagt zich af in hoeverre het feit dat hij als man geboren is doorslaggevend is geweest voor wie hij geworden is, de tweede legt uit dat wanneer mannen tot God bidden om hen een zoon te schenken, is dat niet alleen vanwege status of het doorgeven van een familienaam, maar ook ‘omdat ze zelf weten in welke niet te benijden positie vrouwen in de samenleving terechtkomen.’ Een pijnlijke constatering.

    Waar is de oerman gebleven

    Passages als bovenstaande zetten de lezer aan het denken. In vrijwel ieder essay zijn ook min of meer humoristische overwegingen te vinden, bijvoorbeeld het advies van Mohammed Benzakour aan ‘identiteitsworstelaars’ om een hengel aan te schaffen, of verhelderende uiteenzettingen, zoals het door Martin de Haan zeer genuanceerd uitgelegde standpunt van Michel Houellebecq over vrouwen en mannen, of verontrustende zaken zoals de cijfers die Nathan Vos schetst over het aantal zelfdodingen onder mannen. Maxim Februari schrijft een heel persoonlijk stuk waarin hij uiteenzet dat zijn manbeeld ooit ontleend was aan maatschappelijke structuren, dat mannen (en vrouwen) niet geboren worden maar gemaakt (zoals De Beauvoir indertijd ook al betoogde), maar dat hij tot de ontdekking is gekomen dat mannelijkheid in wezen ‘iets puur statistisch’ is. Peter Giesen relativeert de rol van de oerman als heroïsche jager; de ‘prehistorische rolverdeling was volgens hedendaagse archeologen lang niet zo stereotiep als vaak wordt aangenomen.’ Tjeerd Posthuma en Maurits de Bruijn maken de lezer er vooral van bewust dat mannen kwetsbare wezens kunnen zijn, dat er ook van hen misbruik kan worden gemaakt en dat kleedkamers het toneel van afwijzing kunnen zijn. Met het laatste essay, van Jan van Mersbergen, heeft Laterveer voor een prachtig en evenwichtig einde van haar bundel gekozen. Vanwege een nogal moeizame relatie met zijn ex besluit Van Mersbergen dat hij het niet meer wil hebben over mannelijk en vrouwelijk. Het gaat volgens hem om ‘evenwicht, verantwoordelijkheid, doen en zorgen’. Dat zorgen is niet typisch vrouwelijk, dat is volgens hem gewoon een werkwoord en egoïsme is niet typisch mannelijk, het is onzijdig.

    Genuanceerd en persoonlijk

    Laterveer heeft een bundel samengesteld waarin door de auteurs op genuanceerde en vaak ook persoonlijke wijze wordt nagedacht over de complexiteit van mannelijkheid. Er komen thema’s naar voren als vriendschap, macht, verantwoordelijkheid, kwetsbaarheid en schaamte die door mannen weliswaar anders worden beleefd dan door vrouwen, maar die voor beide seksen relevant blijken te zijn. Sfinx is een veelzijdige bundeling van essays die stuk voor stuk stof tot nadenken geven, maar waarin het verschijnsel ‘man’ gelukkig ook nog voldoende mysterie overhoudt.

     

  • Inzicht in het oeuvre van Houellebecq aan de hand van Schopenhauer en Martin de Haan 

    Inzicht in het oeuvre van Houellebecq aan de hand van Schopenhauer en Martin de Haan 

    Michel Houellebecq, een groot bewonderaar van Arthur Schopenhauer (1788 – 1860), schreef ooit enkele essays over het filosofische werk De wereld als wil en voorstelling (1818). Zijn Nederlandse vertaler Martin de Haan heeft deze vertaald en voorzien van een interessante inleiding waarbij hij de link legt tussen Schopenhauer en het oeuvre van Houellebecq. De tekst van de schrijver bestaat uit citaten uit De wereld als wil en voorstelling en zijn interpretatie daarvan. Houellebecq’s essays kunnen we beschouwen als essays in hun meest letterlijke zin: pogingen, probeersels om een ingewikkelde denker te doorgronden. Ze maken de lezer in elk geval nieuwsgierig naar Schopenhauer. Door de inleiding van De Haan worden bovendien de overeenkomsten met Houellebecq’s oeuvre duidelijker. Vooral de verwijzingen naar zijn roman De mogelijkheid van een eiland maakt Houellebecq’s analyse van Schopenhauer inzichtelijk. De essays dateren dan ook van kort voor het schrijven van die roman.

    Lijden
    De wereld en het leven daarop zijn onaangenaam en elke poging daar wat aan te doen is per definitie vruchteloos; ‘elk genot, hoe heerlijk het ook mag lijken, is immers maar relatief, verkregen te midden van grote zorgen en voorbestemd tot een snel einde’. De mens, het dier, ja zelfs het ding kan niets anders doen dan lijden. Dat is op het eerste oog zo’n beetje het overkoepelende thema van het werk van Houellebecq. Dat wordt immers bevolkt door cynische buitenstaanders die de amechtige pogingen van hun medemens om er (in onze hedendaagse consumptiemaatschappij) nog iets van te maken zien mislukken – hun eigen pogingen incluis. Ook zij lopen gedwee mee in de kudde mensen zonder ook maar iets te kunnen veranderen aan hun doel- en zinloze bestaan.

    Daarin kan men Arthur Schopenhauer herkennen. Deze schreef immers ook dat de mens verwikkeld is in een strijd tegen pijn (voortgebracht door gebrek en ontbering) en verveling (dat op haar beurt zekerheid en overvloed als oorzaak kent): ‘Het lot is wreed en de mensen zijn erbarmelijk.’ De wereld is niet geordend, er is geen idee, geen reden, geen doel, geen God die zal zorgen voor eenheid. We worden allemaal slechts geregeerd door de wil en onze begeertes.

    Berusting?
    Wie een object weet te beschouwen en zich daarin volledig kan ‘verliezen’, kan daar slechts aan ontsnappen. De alledaagse manier van kijken moet men laten varen ‘en niet meer het “waar” het “wanneer”, het “waarom” en het “waartoe” van de dingen, maar enkel het “wat”’ beschouwen. Een kunstenaar kan bijvoorbeeld alleen maar tot een wezenlijke schepping komen als hij de wereld op die manier beschouwt, van elk willen en elke begeerte bevrijd. Alleen op die manier kun je berusten in het feit dat het leven lijden is. Houellebecq werpt tegen: kun je werkelijk een zodanige buitenstaander zijn voor wie slechts het ‘wat’ er nog toe doet? Is de mens, en dus ook de kunstenaar, er tragisch genoeg niet toch veroordeeld tot het zijn van een onderdeel in een collectief?

    De mogelijkheid van een eiland
    Als gezegd verwijst De Haan onder andere naar De mogelijkheid van een eiland om de link tussen Houellebecq en Schopenhauer concreter te maken. In die roman laat een komiek (Daniël) zich opnemen in een sekte die het eeuwige leven mogelijk maakt doordat de leden zich kunnen laten klonen. De latere nazaat van Daniël, Daniël25, leeft in een compound in een wereld die verder woest en ledig is. Er is slechts nog contact met anderen via een soort intercom, en verder is iedereen op zichzelf en bezig met het willoos aanschouwen van de wereld. Komt dat misschien in de buurt van de ascese waarin slechts het ‘wat’ nog telt? Uiteindelijk verlaat echter ook Daniël25 zijn compound op zoek naar liefde. Die tocht zal vol lijden zitten maar kennelijk heeft hij dat liever dan een Schopenhaueriaans bestaan in zijn compound zonder lijden. Ook het gelijknamige gedicht van Houellebecq – ooit gezongen door Carla Bruni– suggereert dat niet alles in de wereld lijden is.

    Schopenhauriaan-af
    Dat is een signaal dat Houellebecq, ondanks zijn op z’n best als negatief te kenschetsen wereldbeeld, geen absoluut cynisch of zelfs nihilistische schrijver is. Dat zorgt meteen voor een aardige twist aan de inleiding van De Haan en de stukken van Houellebecq: de lezer leert een filosoof kennen door de ogen van een bewonderaar die die bewondering eigenlijk (deels) al heeft afgeschud.

    Ergens gelooft hij immers toch nog in de in de mens en is hij ervan overtuigd dat ‘de aard van mens de wereld kan veranderen’. Dat is, volgens De Haan, iets wat Schopenhauer nooit zou hebben gezegd. De Haan karakteriseert Houellebecq dan ook als ‘schoperhaueriaan af’. De schrijver bevestigt dat zelfs in twee afzonderlijke interviews die zijn vertaler citeert. Al met al is het boek een zeer interessante en ook nuttige uitleg van het oeuvre van Houellebecq en diens interpretatie van Schopenhauer. Maar wie geïnteresseerd is in het oeuvre van Houellebecq, leest toch beter eerst de romans zelf en beschouwt het ‘wat’ van zijn oeuvre en niet het ‘waarom’ of ‘waartoe’.

     

  • Oogst week 35 – 2018

    Zeemansgraf voor een kort verhaal

    We beginnen dit nieuwe boekenseizoen met een debuut met een intrigerende titel, Zeemansgraf voor een kort verhaal geschreven door Dorothée Albers (1966). Albers studeerde Franse Taal- en Letterkunde en Communicatiewetenschap en is o.a schrijfcoach.

    ‘Zeemansgraf voor een kort verhaal vertelt het verhaal van drie generaties musici. Saxofonist Jurre wordt als pasgeboren baby weggehaald bij zijn moeder Jet, een concertpianiste, waardoor ze elkaar nooit ontmoeten. En wanneer Jurre ontdekt dat hij geadopteerd is, houdt hij dit voor zichzelf. Ook zijn dochter Fine komt dat niet te weten.

    Hoewel deze drie generaties gescheiden zijn door het leven, zijn zij verbonden door hun muzikale talent, waarvoor zij alles overhebben, maar die ook een zware last op hun leven legt.’

    Zeemansgraf voor een kort verhaal
    Auteur: Dorothée Albers
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    In aanwezigheid van Schopenhauer

    Michel Houellebecq is al jaren zeer gefascineerd door de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788 – 1860).
    In In aanwezigheid van Schopenhauer geeft hij aan waarom.

    … ‘Dat is meer in het algemeen het doel van dit boek: aan de hand van een aantal van mijn favoriete passages wil ik laten zien waarom Schopenhauers intellectuele houding in mijn ogen een voorbeeld blijft voor elke filosoof in spe; en ook waarom je, zelfs als je het aan het eind van de rit met hem oneens blijkt, niet anders dan grote dankbaarheid jegens hem kunt voelen. Waarom, om nogmaals met Nietzsche te spreken, “het feit dat zo iemand heeft geschreven, werkelijk het plezier om op deze aarde te leven heeft vergroot”.’

    Martin de Haan is de vaste vertaler van de boeken van Houellebecq. Van hem verscheen in 2015 Aan de rand van de wereld. Michel Houellebecq. Portret in dertig korte stukken. Hij schreef een uitgebreid voorwoord in In aanwezigheid van Schopenhauer.

    In aanwezigheid van Schopenhauer
    Auteur: Michel Houellebecq
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Hoe wij kijken

    De BBC-reeks Civilisations is een remake van de bekende serie Civilisation uit 1969. Het oorspronkelijke Civilisation kwam voort uit de visie van kunstkenner en presentator Kenneth Clark. Clark besteedde vooral aandacht aan de tijd vanaf de Middeleeuwen.

    De nieuwe serie biedt een blik op kunst en cultuur in zes continenten, van oertijd tot nu. De verschillende afleveringen worden gepresenteerd door Simon Schama, Mary Beard en David Olusoga. Aan de hand van kunstenaars en objecten uit verschillende culturen staan zijn stil bij het ontstaan en de ontwikkeling van de menselijke creativiteit, en hoe beschavingen elkaar daarbij beïnvloedden.

    In het verlengde van die serie zijn afgelopen juli en augustus bij uitgeverij Athenaeum de boeken Met gelovige ogen van Mary Beard en Verering van de vooruitgang van David Olusoga verschenen.

    Beard is een Britse classica, o.a. hoogleraar aan de Universiteit van Cambridge en auteur over de Oudheid in The Times Literary Supplement. Zij weet die periode voor een breed publiek toegankelijk te maken. In Hoe wij kijken onderzoekt zij ‘hoe de menselijke gestalte werd vormgegeven in een aantal van de vroegste kunstuitingen ter wereld – van de gigantische stenen hoofden van de Olmec in Midden-Amerika tot het terracottaleger van de eerste keizer van China. Ze legt uit hoe een uit de oudheid afkomstige weergave van het menselijk lichaam de manier waarop mensen in het Westen hun eigen cultuur en die van anderen zien beïnvloedt, en soms vervormt. In het tweede deel
    van het boek staat deze vraag centraal: wat is de functie van de beeldende
    kunst in de religie? Met andere woorden: hoe kijken we naar
    mensen en naar goden?’

    Hoe wij kijken
    Auteur: Mary Beard
    Uitgeverij: Athenaeum

    Eerste ontmoetingen

    David Olusoga is dus een van de andere presentatoren van de hierboven genoemde serie Civilisations.

    ‘De van oorsprong Nigeriaanse historicus David Olusoga reist de wereld rond om de geschiedenissen die volken met elkaar verbinden aan elkaar te knopen. We lezen wat er met de kunst gebeurde tijdens het tijdperk van de ontdekkingsreizen, toen beschavingen elkaar voor het eerst ontmoetten. Natuurlijk was dat een periode van veroveringen en vernietiging, maar het was ook een tijd van wederzijdse nieuwsgierigheid, wereldhandel en de uitruil van ideeën.
    Met de industriële revolutie in de negentiende eeuw veranderde de kijk van de kunstenaar op de wereld: de nieuwe fabrieken, de urbanisatie en de onderwerping door Europa van andere volken lieten hun sporen na in de kunst.’

    Eerste ontmoetingen
    Auteur: David Olusoga
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Vier genomineerde vertalers Dr. Elly Jaffé-prijs vertellen over hun werk

    Vier genomineerde vertalers Dr. Elly Jaffé-prijs vertellen over hun werk

    Dit jaar wordt er voor het eerst met een shortlist gewerkt voor de uiteindelijke winnaar van de driejaarlijkse Dr. Elly Jaffé Prijs wanneer ook het Elly Jaffé stipendium bekend wordt gemaakt. De shortlist werd op 20 maart j.l. vrijgegeven. Vertalers Anneke Alderlieste, Kiki Coumans, Martin de Haan en Liesbeth van Nes zijn de genomineerden voor de beste literaire vertaling uit het Frans. Al is niet iedereen blij met de shortlist. Anneke Alderlieste (1943) heeft zo haar bedenkingen hierover. ‘De prijs is tot nu toe altijd, hupsakee, aan één winnaar toegekend. Die kon dan bij de uitreiking een prachtig doorwrocht dankwoord uitspreken. Ik heb mevrouw Jaffé nog gekend, volgens mij wilde zij dat zo. Persoonlijk verheug ik me er niet op dat we straks allemaal in spanning zitten af te wachten wie de winnaar wordt.’

    Lees meer op de site van de Auteursbond waar de genomineerden vertellen hoe ze soms jarenlang puzzelen aan vertalingen om ze in alle opzichten recht te doen aan het Franstalige origineel. Met eindeloos geduld zoeken naar Nederlandse zinnen die de juiste beelden, klanken en gevoelens van een boek oproepen. Maar alles met liefde voor de taal en het verhaal.

    De prijsuitreiking vindt plaats op 31 mei 2018 in Vondel CS in Amsterdam. De winnaar ontvangt € 40.000 euro. Ook is er een Stipendium van € 7.000,- te vergeven als aanmoediging voor beginnende vertalers. De drie genomineerden voor het Stipendium 2018 zijn Carlijn Brouwer, Gertrud Maes en Eva Wissenburg. De jury 2018 bestaat uit Philip Freriks, Rudi Wester, Wineke de Boer en Eric Metz.

    De Dr. Elly Jaffé Prijs werd in 2001 ingesteld op initiatief van mevrouw Elly Jaffé (1920-2003). Zij gaf les, maakte vertalingen en was jarenlang literair criticus van Franse literatuur voor het weekblad De Groene Amsterdammer.

    Eerdere prijswinnaars waren Hans van Pinxteren (2001), Marianne Kaas (2003), Rokus Hofstede (2005), Jeanne Holierhoek (2007), Mirjam de Veth (2009), Jan H. Mysjkin (2012) en Hannie Vermeer-Pardoen (2015).

     

     

  • Martin de Haan wint Filter Vertaalprijs 2018

    Gisteren werd op Wereldboekendag door de jury van de Filter Vertaalprijs in samenwerking met Het Literatuurhuis Utrecht bekend gemaakt dat van de vijf genomineerden Martin de Haan voor de nieuwe vertaling van Choderlos de Laclos, Riskante relaties (Arbeiderspers) de prijs gewonnen heeft.

    Les Liaisons dangereuses is een omvangrijk werk en werd de afgelopen vijftig jaar al driemaal eerder vertaald. Volgens de jury is met de vertaling van Martin de Haan pas ten volle van het boek te genieten.

    Martin de Haan (1966) is essayist en vertaler van (voornamelijk) Franse literatuur. Hij is onder meer vaste vertaler van Milan Kundera en Michel Houellebecq. In samenwerking met vertaler Rokus Hofstede vertaalde Martin de Haan werk van o.a. Régis Jauffret en Marcel Proust. Als essayist publiceerde hij een boek over Michel Houellebecq, Aan de rand van de wereld, en tal van beschouwingen in dagbladen en tijdschriften.

     

    De Filter Vertaalprijs wordt jaarlijks beschikbaar gesteld voor de meest bijzondere vertaling uit het voorgaande jaar. Het prijzengeld bedraagt € 10.000 en werd dit jaar bijeengebracht door de uitgeverijen Atlas Contact, Boom, De Bezige Bij, Lebowski, Singel Uitgeverijen, Vantilt, Van Oorschot, Wereldbibliotheek en enkele anonieme begunstigers die hiermee willen bijdragen aan een hogere waardering voor vertaalprestaties.

    Overige genomineerden waren:
    Kiki Coumans voor Het raam gaat open als een sinaasappel van Guillaume Apollinaire (Uitgeverij Vleugels)
    Piet Gerbrandy en Casper de Jonge voor Poëtica van Aristoteles (Historische Uitgeverij)
    Lisa Thunnissen voor De cowboykampioen van Aura Xilonen (Uitgeverij Wereldbibliotheek)
    Han van der Vegt voor Omeros van Derek Walcott (Bananafish)

    De jury bestond dit jaar uit Jacqueline Bel (voorzitter), Erik van den Berg, Harm-Jan van Dam, Vicky Francken, Robbert-Jan Henkes (winnaar van de prijs in 2017) en Eva Wissenburg (secretaris).

     

     

  • En toen was het oorlog

    Zo fiets je op je vrije zaterdagmiddag nog door de ruisende velden van de Vendée, en zo sta je tot je enkels in de modder van de loopgraven met een ransel die niet te tillen is. Vóór je bevindt zich de vijand, achter je sluiten de rijen zich met gendarmes die geen desertie dulden en naast je kruipen de ratten. Dit is het verhaal van Anthime, een eenvoudige boekhouder in een schoenenfabriek, die in dienst moet en van de ene op de andere dag terecht komt in een wereld waarin de enige zekerheid de onzekerheid van je bestaan is. Met 14, zijn nieuwste novelle, laat Jean Echenoz zien hoe zoiets groots als een oorlog in feite al snel heel alledaags wordt. Dit is de Eerste Wereldoorlog door de ogen van de gewone Fransman.

    Alleen al de manier waarop de oorlog voor Anthime en zijn vrienden begint lijkt terloops. Iedereen hield wel min of meer rekening met zoiets als de mobilisatie, maar ‘dat het op een zaterdag zou gebeuren’ had Anthime nooit verwacht. Overbluft door de gebeurtenissen laten Anthime, drie van zijn vrienden die hij kent uit het café en de arrogante onderdirecteur van de schoenenfabriek, Charles, zich meesleuren door wat er van ze wordt verwacht. Tijd voor veel heftige gevoelens is er bij hun vertrek niet, al vraagt Anthime zich wel af of hij Blanche ooit terug zal zien. Hoewel zij een relatie heeft met Charles lijkt ze toch een bijzondere belangstelling voor Anthime aan de dag te leggen, maar de oproep zet alles in de wacht. Leven in oorlogsjaren draait om wachten, zo komt heel sterk naar voren in 14: niet alleen voor de soldaten, die soms dagen aaneengesloten marcheren zonder precies te weten waarheen, maar evenzeer voor hen die achterblijven. Ze wachten op hun mannen, hun zonen, broers en neven, die soms terugkeren als onherkenbaar verminkte schimmen, maar nog veel vaker helemaal niet terugkomen. De willekeur regeert, net als de onmacht.

    En het is precies deze afwachtende en schouderophalende houding van de personages, die 14 tot zo’n treffende novelle maakt. Echenoz schept mensen van vlees en bloed: wat zou iemand als jij of ik doen als de oorlog komt? Dat Echenoz bedreven is in het tekenen van prachtige portretten heeft hij ook eerder laten zien in zijn ‘biofictionele’ trilogie, waarin hij componist Maurice Ravel (Ravel), wetenschapper Nikola Tesla (Flitsen) en hardloper Emil Zatopek (Hardlopen) onder de loep neemt. Maar waar het in die trilogie ging om bekende figuren, is het hier juist het portret van de nobody die bewondering oproept. We weten eigenlijk vrij weinig van de hoofdpersonages – ze zijn zo onbeduidend, zo normáál, dat er simpelweg weinig meer te vertellen valt – en toch is dat afdoende.

    Bovendien staat tegenover deze summiere informatie over de hoofdpersonages een uiterst gedetailleerde manier van vertellen. Met een voelbaar genoegen doet Echenoz de stinkende, lawaaiige en oogverblindende oorlog uit de doeken. Exemplarisch is de beschrijving die hij geeft van de bepakking van een soldaat, waar hij zo’n drie pagina’s voor uittrekt:

    Daarna aten ze, sliepen ze, vertrokken weer onder klaroengeschal na zich te hebben uitgerust met geweer, weitas en veldfles dwars over de borst, patroontas aan de koppelriem en allereerst de ransel weer op de rug, model 1893 bijgenaamd ‘ruitenaas’, waarvan de infrastructuur een houten raamwerk met een omhulsel van dik linnen was, van wagongroen tot mahoniebruin. (…) De ransel woog aanvankelijk, leeg, maar zeshonderd gram. (…) Het geheel van dat bouwwerk kwam dan minstens rond de vijfendertig kilo te liggen, bij droog weer. Voordat het dus begon te regenen.’

    In deze laatste zin schuilen de ironie en droge humor die zo typisch zijn voor Echenoz. Hij laat zich niet meeslepen door het drama van de oorlog, maar observeert en relativeert. Natúúrlijk is de oorlog een traumatische ervaring, maar weet je wat ook vervelend is? Dat dat nieuwe helmkapje zo oncomfortabel zit en steeds afglijdt, en zelfs zoveel hoofdpijn veroorzaakt dat de soldaten het maar ‘beginnen te gebruiken voor culinaire doeleinden, om een ei te bakken of als extra soepbord.’

    Ook wanneer Anthime gewond raakt door een granaatscherf (voor een zeer beeldende beschrijving van een afgerukte rechterarm bladert u naar pagina 80) vervalt de schrijver niet in emotionele bewoordingen:

    ‘Vijf uur later werd Anthime in het veldhospitaal door iedereen gefeliciteerd. Ze lieten allemaal blijken hoe jaloers ze waren op die goeie kwetsuur, een van de beste die je je kon voorstellen – die weliswaar ernstig was en je blijvend invalide maakte, maar in wezen niet ernstiger dan allerlei andere, en waar iedereen naar hunkerde omdat het er zo een was die je voorgoed bij het front vandaan kon houden.’

    Anthime is nauwelijks opgelucht dat hij de ‘stinkende opera’ van de loopgraven kan verlaten en lijkt er vrijwel niet bij stil te staan dat een verloren arm hem het leven redt. In plaats van blij te zijn met de mogelijkheden die zijn verwonding hem biedt – zoals een leven met Blanche, nu Charles niet meer in beeld is – wordt Anthime volledig in beslag genomen door zijn verloren rechterarm en de fantoompijn. Hoe moet dat nu met veters strikken?

    En zo blijkt dat de oorlog geen helden creëert, geen grootse verhalen oplevert en niet gaat over nationale trots. De oorlog is niets dan willekeurigheid, is terug te brengen tot een persoonlijk verlies. Een geamputeerde natie? Een geamputeerde arm, een geamputeerd gezinsleven, dáár gaat het over. En over hoezeer het leven je soms overkomt.

    Hoewel er het afgelopen jaar een ware hoos aan Eerste Wereldoorlogliteratuur verschenen is en Echenoz geenszins pretendeert iets toe te voegen aan de gigantische stapels over het onderwerp, is 14 een novelle die niet ongelezen mag blijven. Het doet pijn, deze oorlog vol dood, verderf en stank, maar wordt op zo’n beheerste en ironische manier beschreven, dat je ervan geniet. Schurend, hilarisch en geenszins alledaags. En – dat moet gezegd – een prachtige vertaling van Martin de Haan.


  • Puzzelstukjes voor de vrede

    Puzzelstukjes voor de vrede

    Was het een arrogante egocentricus? Een verlegen onderzoeker? Een geniale ziener? Was hij zweverig? Naïef? Een ongeleid projectiel? Een moedige wetenschapper?Waarschijnlijk had hij van alles wel wat, maar viel hij niet met één van die karakteriseringen samen: Gregor, de hoofdfiguur van Flitsen van Jean Echonoz, gebaseerd op het leven van Nikola Tesla.

    Het is de derde opeenvolgende roman van de Franse schrijver (1947), waarin hij het leven van een historisch persoon tot uitgangspunt neemt voor een novelle. De drie zijn in Nederland verschenen onder de titels Ravel (2007), Hardlopen (2011) en nu dus Flitsen. Ging het in Ravel om diens aftakeling in zijn laatste levensjaren en in Hardlopen om de vraag hoe het was voor Emile Zatopek een succesvol hardloper te zijn onder een communistisch regime, in Flitsen gaat het opnieuw om iemand die gemeten naar een aantal van zijn prestaties een grootheid is, maar wiens schaduwkanten en omstandigheden diens biografie een heel andere kleur geven.

    Nikola Tesla, Gregor dus in de roman, werd in 1856 geboren in Kroatië in de nacht van 9 op 10 juli. Maar of hij op de 9de of de 10de ter wereld kwam is niet bekend. Volgens Echenoz eiste die nacht een noodweer zo de aandacht op dat niemand eraan dacht het geboorteuur te noteren. De rest van zijn leven zal Gregor bijna maniakaal met tijd, getallen en elektriciteit (onder andere bliksem) bezig zijn. Hij blijkt al snel geniaal. Hij ziet in zijn hoofd te ontdekken apparaten al in werking nog vóór er maar een model van is uitgetekend. Dat maakt ook dat hij moeilijk kan samenwerken met wetenschappers die zijn snelheid van denken niet delen.

    In 1884 komt hij in Amerika in dienst van Edisons bedrijf General Electric. Als Edison tegen problemen oploopt door de beperkte mogelijkheden van gelijkstroom, maakt hij misbruik van het vertrouwen van Gregor, die de oplossing vindt in de toepassing van wisselstroom. Gregor voelt zich bedrogen en stapt over naar de concurrent George Westinghouse, een bedrijf dat in korte tijd rijk wordt door Gregors vindingen. Westinghouse geeft hem alle ruimte voor experimenten, maar raakt financieel in problemen als het op basis van het arbiedscontract gigantische vergoedingen aan hem moet betalen. Het dreigt zo ten onder te gaan aan zijn eigen succes. Gregor ziet op verzoek van Westinghouse echter af van zijn financiële aanspraken, blij als hij is met alle ruimte die hij van zijn baas krijgt. Het is niet de eerste, maar vooral ook niet de laatste keer dat hij een ongelooflijke naïviteit aan de dag legt. Hij blijkt een groot natuurkundige, maar een slecht zakenman. Voor tal van uitvindingen legt hij de rechten zo slecht vast dat later anderen er stinkend rijk van worden en hijzelf armlastig achterblijft.

    Hij snapt de wereld om hem heen niet, zoals in het geval van het in zijn ogen haalbare idee om een energievoorziening op te zetten waar de hele wereld gratis gebruik van kan maken. Wat hij vergeet is dat de geldschieters voor de ontwikkeling van dat idee de uiteindelijke bedoeling hebben om er winst op te maken en niet om iedereen er gratis van te laten profiteren.
    Een ander voorbeeld is zijn uitvinding van een massaal vernietigingswapen dat zo dodelijk is dat het alleen als afschrikking kan dienen. Om de zes machtigste staten ter wereld te dwingen tot vredesakkoorden knipt hij zijn idee letterlijk in zes stukken die hij aan deze zes landen verstuurt. Ze hebben pas wat aan hun eigen puzzelstukje door met de vijf andere staten te overleggen. Maar tot zijn teleurstelling komt er van geen enkel land een reactie.

    En de wereld snapt hem niet: als hij de Amerikaanse marine een hulpmiddel aanbiedt wordt dat als té fantastisch afgedaan. Pas jaren later zal in de marine de radar zijn intree doen, de uitvinding die Gregor destijds had aangeboden.

    Uiteindelijk komt Gregor steeds meer alleen te staan. Jaloezie van anderen ondergraaft zijn leven. Uit smetvrees, maar ook uit angst voor vrouwen is hij al nooit een individuele relatie aangegaan, maar terwijl zijn schulden oplopen verliest hij ook de mensen die hem af en toe nog wel uit de brand wilden helpen. In zijn hoofd gaat er dan ook wat mis. Hij had al eens beweerd contact te kunnen maken met marsmannetjes, maar nu hij zich terugtrekt in een leven met duiven (hij richt op zijn hotelkamertje een kliniek voor die beesten in en raakt op één duif zelfs verliefd), wordt hij door iedereen uitgelachen. In 1943 sterft Gregor in eenzaamheid, na een auto-ongeluk waarin de duiven een rol spelen. Pas na een dag of drie wordt hij gevonden.

    Echenoz blijft in zijn vertelling dicht bij de feiten uit het leven van de historische Nikola Tesla, maar het gaat hem niet om de feiten zelf. De roman (beter: de novelle, want net als de boeken over Ravel en Zatopek beperkt de auteur zich tot ongeveer 150 pagina’s) somt ze slechts op wanneer dat te pas komt, maar Echenoz probeert vooral in ’s mans hoofd en ziel te kijken. Hij is daarbij tevens de voorzichtige commentator met sympathie voor zijn hoofdfiguur: ‘Gregor is onsympathiek, ik weet het, zo onaangenaam dat hij voor ons gevoel misschien wel zijn verdiende loon krijgt, maar toch’.

    Echenoz serveert ons de geschiedenis op een lichtvoetige, zelfs humoristische manier alsof je met hem op een terrasje zit. Zonder diepzinnige zinnen. Zonder grootsheid van stijl of taal. En toch bereikt hij dat de complexe levensloop van zijn ‘held’ lang blijft hangen.

     

     

  • Essays over literatuur, beeldende kunst en muziek

     

     Het beschouwende proza van Kundera is zonder meer fascinerend. Hij noemt het zelf een ontmoeting van zijn bespiegelingen en zijn herinneringen en ook van zijn oude thema’s en oude (literaire) liefdes.
    Het is voor de geïnteresseerde lezer wel even doorbijten want de auteur veronderstelt een uitgebreide kennis van de Franse literatuur en ook legt hij dikwijls dwarsverbanden met de schilderkunst en de muziek. Een goede encyclopedie biedt in de meeste gevallen uitkomst. Het is in dit verband opvallend dat heel veel onderwerpen die Kundera in zijn essays ter sprake brengt, kort na het verschijnen, op de vrije internetencyclopedie Wikipedia zijn bijgewerkt. Het is alsof de uitgever en zijn medewerkers er een vermoeden van hadden dat sommige schrijvers en vooral ook dichters niet zo erg bekend zouden zijn bij het Nederlandse lezerspubliek. Doordat Martin de Haan met zijn voortreffelijke vertaling de aandacht heeft gevestigd op het werk van Kundera, komt hier wellicht verandering in.

    Kundera houdt er, volgens eigen zeggen, een denkbeeldige eregalerij op na. Als eerste daarin verschijnt de opmerkelijke kunstenaar Francis Bacon die uitspraken doet die aanzetten tot nadenken zoals: ‘Als ik naar de slager ga, verbaas ik mij erover dat ik daar niet hang in plaats van het dier’.
    Zo nu en dan is er wat somberheid in de betogen, bijvoorbeeld wanneer hij zegt nog steeds door te gaan met de zoektocht naar het van zin verstoken toeval dat het leven is. Geestverwanten als Francis Bacon en Samuel Beckett hebben gezegd getuige te zijn van de ondergang van een beschaving. Ook wordt gerefereerd aan het werk van de van oorsprong Roemeense toneelschrijver Eugene Ionesco die in zijn absurdistische stukken voortdurend thema’s als de dood en de zinloosheid van het leven behandelt.
    Heel bijzonder is ook de door Kundera aangehaalde uitspraak van Samuel Beckett: ‘De kunst wordt vaak besmeurd door een theoretische ondoorzichtige woordenbrij waardoor een kunstwerk niet meer in contact word gebracht met de kijker of luisteraar zonder pre- interpretatie’. Een boodschap die sommige recensenten van concerten en tentoonstellingen zich aan zouden moeten trekken.

    Nooit is Kundera scherp kritisch in zijn beschouwingen. Als hij al kritiek uit is deze zeer mild. Zo maakt hij gewag van de grote literaire kwaliteiten van Louis-Ferdinand Céline zonder aandacht te schenken aan zijn antisemitische pamfletten en zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zeer laakbare gedrag. In de volgende hoofdstukken worden steeds kunstenaars ten tonele gevoerd (vooral veel schrijvers) wiens werk door Kundera van commentaar wordt voorzien. Soms lijkt zijn boek op een bundel boekrecensies en op een ander moment heeft het iets van een ‘Dode dichters almanak’ omdat hij soms heel ver terug gaat in het verleden.
    Grote verdienste van Milan Kundera is onder andere dat hij steeds bij zijn lezers belangstelling weet te wekken voor de meest uiteenlopende literaire onderwerpen. Zo vestigt hij de aandacht op het werk van Jacques Anatole François Thibault, beter bekend onder de naam van Anatole France. Nieuwsgierig geworden zullen er onder de lezers van Kundera’s ontmoetingen, velen zijn die zich naar de boekhandel spoeden om zijn werk Les dieux ont soif in een Nederlandse vertaling te bemachtigen.
    Ook interessant, voor vooral de Nederlandse lezers is de briefwisseling met de Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes. Hij hield in 2006 de Huizingalezing aan de universiteit te Leiden. Nog nieuwsgieriger worden we als Kundera vermeldt dat tijdens een door de Frankfurter Algemeine Zeitung in 1999 gehouden enquête, de trilogie, Die Schlafwandler van Hermann Broch, door Fuentes als grootste van deze eeuw wordt aangemerkt.
    De literatuur in de verschillende voormalige Franse gebiedsdelen zoals Martinique komen ter sprake. Het Frans wordt nog steeds op scholen onderwezen maar het alledaagse taalgebruik (la parole immédiate) is het Creools. Patrick Chamoiseau heeft zijn romans verrijkt met Creoolse uitdrukkingen en heeft daarmee de unieke historische en culturele wortels van het Caribische gebied willen benadrukken. Kundera zegt dat hij dat gedaan heeft omdat ze grappig, betoverend en onvervangbaar zijn.

    Een opera van landgenoot Janacek wordt besproken. En daarna komt Theresienstadt ter sprake. Herinneringen worden opgehaald aan een ontmoeting die Kundera had in zijn jonge jaren met een Joods echtpaar dat tijdens hun verblijf in deze ‘vitrine’, waarmee nazi Duitsland zijn misdaden trachtte te verhullen, de herinnering aan Mahler en Schönberg levendig probeerde te houden.

    Tenslotte wordt er nog vrij uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Curzio Malaparte en zijn twee meest bekende romans, Kaputt en De huid. Alweer een aanbeveling.
    Eigenlijk wordt er door Kundera aan ons te veel aangereikt om in één keer te verwerken. Regelmatig zal dit boek moeten worden herlezen. Lees maar goed want er staat veel meer dan er staat.