• Ambitieus, maar als Grote Nederlandse Roman niet overtuigend

    Ambitieus, maar als Grote Nederlandse Roman niet overtuigend

    Met maatschappelijke discussies over VOC-mentaliteit, immigratie, moslimterrorisme, zwarte piet, seksuele intimidatie en de academische preoccupatie met gender en postkolonialisme is het identiteitsdenken helemaal terug. In romans wordt opnieuw gezocht naar ouderwetse concepten als volksaard en tijdgeest. Zo zou Ons soort mensen van Julia Zeh de Duitse volksaard typeren, De jaren van Annie Ernaux de Franse tijdgeest vangen en volgens de flaptekst zou De lange adem van Martijn Knol een Grote Nederlandse Roman zijn. 

    De term Grote Nederlandse Roman is afgeleid van The Great American Novel. De negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver John William DeForest muntte het begrip in een essay waarin hij zich afvroeg welke schrijver als eerste een roman zou schrijven die de Amerikaanse ziel wist te vangen. De Duitse filosofen Herder en Fichte hadden bedacht dat een volk net als een individu bepaalde onderscheidende eigenschappen bezat: de volksaard die zich volgens de tijdgeest op een bepaalde manier ontwikkelde. En zoals een mens zichzelf moet leren kennen om het geluk te kunnen vinden, zo moest een volk dat ook. 

    De Grote Nederlandse Roman

    Met de Max Havelaar schreef Multatuli dé Grote Nederlandse roman waarmee hij het Nederlandse volk confronteerde met diens gedragingen in Nederlands Indië en met zijn volksaard. De bekende Droogstoppel kreeg de ongebruikelijke voornaam Batavus mee: de Bataaf maar dan deftig gelatiniseerd. Hij stond voor de zelfingenomen kooplieden en machthebbers die zich op waarheidsliefde en godvrezendheid lieten voorstaan, maar in werkelijkheid egoïstische graaiers waren. Beter was het om als zijn arme, idealistische maar fatsoenlijke tegenpool Max Havelaar in het leven te staan. 

    Het etiket The Great American Novel wordt inmiddels op zulke uiteenlopende Amerikaanse romans geplakt dat men zich kan afvragen wat het precies betekent. De populariteit, mate van canonisering en ambitie van een roman lijken in ieder geval minstens zo belangrijk als de vraag of de roman de volksaard en tijdgeest weet te vangen. 

    De lange adem van Martijn Knol heeft twee hoofdpersonen: Robbert, oud-commando maar inmiddels beveiliger voor een groot warenhuis en Roman, een reclameman. Robbert is een jaar of dertig, serieus en wil verantwoordelijkheid voor anderen dragen: er zijn voor zijn vrienden, zijn vriendin en ‘het systeem’ beschermen -desnoods met geweld, wat hem voor sommige vrouwen spannend-gevaarlijk maakt. Na een leven als commando wil hij nu huisje, boompje, beestje. 

    Verantwoordelijkheid versus hedonisme

    Reclameman Roman is wat ouder dan Robbert. Hij is geestig, charismatisch en een levensgenieter. Hij leeft alleen voor zichzelf en houdt zich niet aan conventies of andere regeltjes. Na het faillissement van zijn succesvolle reclamebureau dreigt – o gruwel – de verveling toe te slaan en besluit hij een nieuwe poging te wagen. Wanneer het succes hem begint te vervelen, richt hij een politieke partij op om Nederlanders te doordringen van hun morele plicht te genieten van de consumptiemaatschappij zonder zich te laten afleiden door zeurende politici. Verantwoordelijkheidsbesef versus hedonisme wat eindigt in een klinkende overwinning voor lang leve zichzelf en zijn plezier.

    Hoewel de hoofdpersonen wat dat betreft enigszins clichématig en schematisch zijn, overtuigen ze toch in al hun oppervlakkigheid. Ook andere personages zoals Laura, de bitcherige carrièrevrouw die zich aan niemand wat gelegen laat liggen is ééndimensionaal, maar wordt wel goed neergezet. Dat komt vooral doordat Knol een goede monologue intérieur schrijft. De dialogen echter schieten regelmatig uit de bocht waarbij vooral de auteur zichtbaar wordt in plaats van het personage. Dit zorgt voor ongeloofwaardige passages en flauwiteiten. Zo reageert Laura op Robberts kinderwens met zinnen als: ‘Maar helaas, geen soelaas: zoals je weet vind ik de procreatie een stuk minder pregnant dan jij’.

    Daarnaast komt er een heel scala aan personages (familie, partners, vrienden en vriendinnen, collega’s, werknemers, kiezers) voorbij die niet tot nauwelijks gestalte krijgen. Evenmin wordt hun relatie met de hoofdpersonen geëxpliciteerd. Zo is er een paragraaf waarin een zekere Clothilde een dodelijke hoeveelheid slaappillen slikt en dan aan boord stapt van een vliegtuig. Tientallen pagina’s later pakt Roman een bord uit de kast van tante Clothilde zodat de oplettende lezer alsnog die paragraaf -enigszins – kan plaatsen. 

    Fictieve lezers

    De opbouw van de roman is zeer fragmentarisch. In 99 hoofdstukken worden in genummerde paragrafen van soms één regel en soms meerdere pagina’s flitsen getoond uit het verleden en de toekomst van de hoofdpersonen zonder dat de tijd ooit gespecificeerd wordt en enkel de seizoenen eruit af te leiden zijn. Die flitsen hebben iets met de hoofdpersoon te maken. Het kunnen dus andere mensen zijn, maar ook moppen, juridische casussen of reclamespotjes  en – de wat gedateerde kunstgreep van – postmodernistisch commentaar van fictieve lezers die over de roman in discussie gaan. 

    Deze opbouw stelt de lezer behoorlijk op de proef. De eerste tientallen pagina’s staat de lezer voortdurend voor raadsels: wie is er nu aan het woord, wat wordt er nu verteld, wanneer is dit? Naarmate de roman vordert, wordt steeds duidelijker waar, wanneer en bij wie de puzzelstukjes horen. Zo krijgen de twee hoofdpersonen langzaam steeds meer gestalte, overigens zonder dat je voor grote verrassingen komt te staan. 

    Dat is de grootste makke van De lange adem: terwijl de aanvankelijke bevreemding van de lezer geleidelijk afneemt, bevredigt het eindresultaat niet helemaal. Alsof je een puzzel van tweeduizend stukjes maakt en er langzaam een vrij saai plaatje tevoorschijn komt van twee mannen. Twee mannen zonder vermogen tot zelfreflectie die telkens weer tegen dezelfde muur aanlopen. Twee mannen die eigenlijk het tegenovergestelde belichamen van de introspectie en ontwikkeling waar  eerder genoemde Herder en Fichte in geloofden.

    Ambitie is niet voldoende

    De caleidoscopische opbouw getuigt van ambitie en is geschikt om vele aspecten van Nederland te tonen. Er komen uiteenlopende mensen aan het woord die overtuigen als zeer Nederlands, zij banjeren in Nederlandse steden en landschappen rond en ondernemen tal van lullige Nederlandse activiteiten zoals lasergamen, barbecueën en volkstuinieren. In dat opzicht voldoet de roman aan het criterium van Herder die stelde dat de waarde van een cultuuruiting bepaald wordt door de mate waarin het volk zichzelf erin herkent. 

    Toch overtuigt de roman niet echt, ook niet als Grote Nederlandse Roman. Knol is een goede character builder, maar hij lijdt aan hetzelfde euvel als zijn personages: veel interessants heeft hij niet te vertellen. Het maatschappelijk engagement van Max Havelaar ontbreekt, net als interessante of originele ideeën over de Nederlandse volksaard of tijdgeest. Het is dan ook te betwijfelen of deze roman een plek in de canon zal verwerven.

     

     

  • De ambitie herkennen van wat een Grote Nederlandse Roman zou willen

    Martijn Knol werkte zes jaar aan zijn nieuwe roman De lange adem. Na de novelle Elders uit 2014  is dit zijn vierde roman. ‘In stilte’ werkte hij eraan, zoals de auteursbio op de binnenflap vermeldt. Wie hem op internet zoekt, komt behalve zijn eigen website en blog niet veel tegen. Wat er over Martijn Knol te vinden is, gaat waarschijnlijk over een naamgenoot, wat nog wel eens voor verwarring zorgt. 

    ‘Er is een andere Martijn Knol die aan wielrennen doet. Een tijdje geleden kwam iemand naar me toe en vroeg of ik tips voor hem had. “Ja,” zei ik, “gewoon doortrappen.”’ Zijn plek buiten het centrum van de aandacht bevalt hem wel.

    ‘Ik ben gecharmeerd van schrijvers van wie je helemaal niets weet, zoals Salinger of Elena Ferrante. Het enige wat je kunt doen is hun boeken lezen. Dat vind ik wel mooi. Deze tijd vraagt misschien ook wel om een beetje persoonlijke terughoudendheid en het boek het boek te laten zijn.’

    Zoeken naar betekenis

    Maar wie hem zoekt voor een boekpresentatie of literair programma, weet hem wel te vinden, vertelt Knol. Het is dan ook niet zo dat hij niet graag over zijn boeken praat. De enige hapering tijdens het interview komt door een slechte Skypeverbinding aan het begin. Zodra het euvel verholpen is, gaat het gesprek moeiteloos verder. De rijkdom van zijn roman biedt genoeg stof om over te praten. In De lange adem volgen we Robbert, een beveiliger in een warenhuis. In talloze hoofdstukken, scènes en fragmenten komen we meer te weten over hem, zijn collega’s, geliefden en zijn grote kinderwens. Knol schetst hem als een rauwdouwer, iemand die er niet voor terugdeinst om als het nodig is een tik uit te delen, maar tilt hem moeiteloos uit boven het archetypische door ook zijn binnenwereld met zijn kinderwens te beschrijven.

    De andere hoofdfiguur is Roman, een vlotte reclameman die ambities in de politiek krijgt en de Partij voor de Toekomst. Net als Robbert wordt Roman omringd door vele bijfiguren onder wie zijn vrouw en collega’s op zijn reclamebureau die ruim aandacht krijgen. Het maakt van De lange adem een volle en meerstemmige roman waarin figuren uit verschillende lagen van de bevolking elkaars levens kruisen. ‘Als het waar is dat mensen zich tegenwoordig steeds vaker opsluiten in hun eigen gelijk, wat gebeurt er dan als je ze in een roman tot contact dwingt?,’ vroeg Martijn Knol zich af bij het schrijven.

    De lange adem gaat over hoe we betekenis geven aan ons leven. Voor Roman is dat gein, reclamecampagnes maken en rijk worden. Later zoekt hij het in de politiek. Robbert zoekt betekenis in goed burgerschap een gezin, zijn werk en vaderlandsliefde. Als je al die personages volgt, dan krijg je begrip voor al die standpunten. Ik heb willen laten zien dat het ene streven niet meer waard is dan het andere.’

    Luchtgaten naar de buitenwereld

    De meerstemmigheid van De lange adem zit hem niet alleen in de hoofd- en bijfiguren van de twee verhaallijnen. Knol heeft ook stukjes ingelast met moppen en commentaar van fictieve lezers. Ze verwoorden reacties op het gelezene en gaan gesprekken met elkaar aan over bijvoorbeeld de noodzaak van een bepaalde scène in het boek of de mogelijke bedoeling van de schrijver.

    ‘Met deze stemmen kon ik de roman verrijken met andere standpunten en ook twijfel en kritiek toelaten. Op deze manier wilde ik de roman al tijdens het lezen als het ware openwerken naar de samenleving. Soms is het heel leuk om een helemaal gesloten alternatieve wereld te creëren in een roman. Maar in De lange adem zijn de samenleving en democratie belangrijke thema’s en daarom wilde ik luchtgaten maken naar de buitenwereld.’

    Op geheel toevallige wijze kwam de buitenwereld in de roman terecht. Afgelopen voorjaar richtte Henk Krol, nadat hij 50PLUS had verlaten, de Partij voor de Toekomst op, dezelfde naam die Knol had bedacht voor de politieke partij van zijn personage Roman.

    ‘De essentie van politiek campagne voeren is kiezers beloften doen. Die liggen natuurlijk in de toekomst, dus ik dacht: een politicus verkoopt toekomst. Ik vond het zelf wel grappig, die naam. Het is zo over the top.’

    Roman ontpopt zich in De lange adem tot een politicus van populistische snit, wat tot geweldige passages leidt waarin hij zijn ideeën uiteenzet.

    ‘Dat populisme en opportunisme en het gebruiken van de politiek voor je eigen belangen wilde ik graag in mijn roman verwerken, maar tijdens het schrijven kwam het toch wel wat genuanceerder te liggen. Roman heeft weliswaar nare en rare trekken, maar het begon me op te vallen dat hij de politiek onderzocht om te proberen echt iets te betekenen. Er zit een soort ambivalentie in, want wij herkennen de populistische stromingen, maar tegelijkertijd zit er voor hem op psychologisch niveau een soort authentiek verlangen in om de leegte die hij voelt met betekenis te vullen.’

    Grote Nederlandse Roman

    Op de achterflap wordt De lange adem een ‘hilarische, wilde, dwarse, ernstige Grote Nederlandse Roman’ genoemd. Waar het de vorm van deze roman betreft, vormde het essay The Great Dutch Novel van Daniël Rovers een van de beginpunten voor Martijn Knol. Het essay stelt de vraag of er naar analogie van de Great American Novel iets vergelijkbaars in Nederland mogelijk is. Je zou dan een roman moeten schrijven waarin meerdere sociale groepen een plek krijgen en waarin je nadenkt over de samenleving vanaf een afstand en van dichtbij via je empathie. 

    De lange adem is een Grote Nederlandse Roman omdat ik de ambitie herken van wat een Grote Roman zou willen doen, namelijk het maken van een verhaal waarin meerdere perspectieven en stemmen samenkomen. En door de veelheid aan stemmen wordt zoiets al gauw een wat volumineuzer boek.’

    De Great American Novel ontstond in de negentiende eeuw, en misschien kunnen we vanaf dat moment ook zulke romans in Nederland vinden. 

    ‘Misschien zijn Multatuli’s Ideeën wel het begin van de traditie. In dat boek zitten zo veel verschillende stemmen. Voor een Grote Nederlandse Roman is een politiek bewustzijn nodig. Sinds de millenniumwisseling is de emancipatie pas echt een inhaalslag aan het maken. En dan bedoel ik vrouwenemancipatie, homo-emancipatie, emancipatie van mensen van kleur. Eindelijk beginnen al die perspectieven hun ruimte te krijgen dus het is heel logisch dat de roman daar ook wat mee gaat doen. Ik denk dat er een hele mooie canon van dit soort romans gaat komen.’

    Ruimte bieden

    Een andere inspiratiebron voor deze roman is het werk van Jeroen Mettes geweest. 

    ‘Bij hem zie je ook zo mooi dat hij door zijn inhoud anders te structureren probeert om iets anders te zeggen. Een andere vorm levert een andere inhoud op. Door het fragmentarische van bijvoorbeeld zijn lange prozagedicht N30, dat tegelijk wel degelijk een ordening kent, zie je dat het voor hem gewerkt heeft om iets anders te vertellen. Je ziet dat ook bij andere schrijvers zoals Tonnus Oosterhoff, of Ali Smith in haar laatste vier romans waarin ze de Brexit volgt. Dat kun je geen klassiek gestructureerde romans noemen en zo slaagt zij erin de werkelijkheid naar binnen te halen. Zij schept ruimte voor meerdere perspectieven en dat heb ik ook geprobeerd in mijn roman te doen. Als je je zoals veel klassieke romans doen, op één personage richt krijg je een soort partijdigheid. In De lange adem heb ik daarom ruimte gegeven aan heel veel personages.’

    Het geven van ruimte is ook op een andere manier belangrijk voor het schrijverschap van Martijn Knol. Begin dit jaar sprak hij Jannie Regnerus die hij kent uit de tijd dat ze ook bij uitgeverij Wereldbibliotheek publiceerde. Ze vroeg hem hoe het met zijn boek ging. Hij vertelde dat het na enige vertraging nu zou verschijnen. Logisch dat het goed kwam, vond ze, want hij had de beste redacteur van de wereld. 

    ‘Dat is mijn uitgever, Koen van Gulik. Ik ging daarover nadenken en ik begrijp waarom ze het zegt. Wat heel goed aan hem is, is dat hij me het gevoel geeft dat ik precies het boek moet maken dat ik wil. Hij geeft me als schrijver alle ruimte. Dat is wat ik zelf probeer als schrijver, ruimte geven aan de lezer, door andere perspectieven aan te bieden of alternatieve gebeurtenissen. De ruimte die ik aan de lezer wil bieden begint met de ruimte die ik krijg als schrijver.’

    Nu De lange adem in de winkel ligt, is Knol blij dat het schrijven klaar is. 

    ‘In de weken na verschijnen heb ik het boek wel twee of drie keer per dag opgepakt om me ervan te verzekeren dat het er is. Ik ben ook heel gelukkig met het boek als object: hoe het in de hand ligt en openvalt, en het mooie omslag van Christoph Noordzij. Dat effect duurde bij deze roman opvallend lang.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    De lange adem / Martijn Knol / 480 pagina’s / Wereldbibliotheek (2020)

     

    Foto: ©Francesca Lucarotti

     

  • De lezer een voyeur

    De lezer een voyeur

    Het motto waarmee de novelle Elders opent ‘Pleased to meet you. Hope you guess my name.’ – overgenomen uit het controversiële rocknummer Sympathy for the Devil van The Rolling Stones – is meteen al goed voor een koude rilling. Alsof de schrijver op voorhand een waarschuwing wil afgeven, een ‘bezint eer ge begint’.’ IJzersterke actie van Martijn Knol (1973): het verhaal nog niet begonnen, de toon al gezet.

    Een gezinnetje – vader, moeder, twee zoons – viert een weekje vakantie in de Italiaanse Alpen. Nazomers familiegeluk. Alhoewel? Ze blijken niet alleen te zijn. Op het terras is ongezien een mysterieuze figuur neergestreken, de verteller van het verhaal. Van een afstandje volgt hij nauwlettend de gezinsleden. Verdacht hoeveel hij van hen weet. Zelfs in hun gedachten, gevoelens en toekomst kan hij kijken. Wie is deze sinistere – met haviksogen, waakhondoren en oververhit brein uitgeruste – gedaante die zich in toenemende mate aan hen opdringt? Is hij een bekende of wellicht een zinnebeeld? Welke boodschap komt hij brengen?

    Knol – die al drie romans op zijn naam heeft staan en van wiens pen we ook op Tirade.nu volop kunnen genieten – speelt in Elders een gedurfd literair spel met lezer en personages. Het verhaal wordt verteld in de tweede persoon enkelvoud. Een tricky perspectief dat in de regel gekunsteld aandoet en nogal steriele teksten oplevert. Zo níet bij Knol, die er een spannende draai aan weet te geven door de verteller rechtstreeks – en zeer nadrukkelijk – tot één van zijn personages te laten spreken, de jongste van de twee zoons. Het is deze pakweg tienjarige jongen die de ‘je-/jij’ vertolkt. Doordat de verteller ook nog eens alwetend is (zoveel meer weet dan de personages), krijgt het geheel een ongewoon intiem en manipulatief karakter. De lezer wordt gedwongen dichtbij te komen, beschamend dichtbij: ‘Ik ben hier niet uit vrije wil. Ik ben hier omdat jouw moeder wil dat ik hier ben. […] Je moeder verlangt naar een ander leven. Maar de waarheid is dat ze ook in dat andere leven naar een ander leven zou verlangen. […] Je moeder houdt ervan om af en toe tegen de grond getrapt te worden. Jij wilt vernederd worden om te voelen dat je leeft, is de strekking van wat je vader soms naar haar schreeuwt. En helemaal onwaar lijkt me dat niet.’

    Ook Knols compositie is onalledaags en getuigt van lef. Geen hoofdstukken, geen titels. Wél 130 opzichzelfstaande blokken tekst die in grootte sterk variëren – er zijn zelfs blokjes van één enkele zin: ‘Als je moeder met haar vriendinnen over je vader praat, heeft ze het over Meneer Bouwhuis.’ Waar Knol de jongens aanhoudend met een frisbee laat werpen, laat hij de lezer springen van blok naar blok. Je vliegt heen en weer tussen gisteren, vandaag, morgen. Én tussen fantasie en werkelijkheid. Maakt een uitdagende hink-stap-sprong door tijd en ruimte. Meermaals land je ook in een tijdloze dimensie – Knols ‘filosofische brein’ – om je daar al dolend  af te vragen of de sprongen die je eerder maakte op waarheid berustten of enkel werden gedacht, wie weet zelfs geprojecteerd. Knol laat het ‘bouwen’ volledig aan jou. Daagt je uit de mogelijkheden te onderzoeken.

    Is de toon in aanvang nog ingehouden en hartelijk, wordt deze allengs destructiever, obsessiever. Met het oplopen van de spanning weet de verteller zich steeds minder binnen te houden. De jongen wordt niet langer keurig aangesproken maar bestookt met – nee meer nog belaagd door – wraakzuchtige demonen. Er is geen houden meer aan. Onthulling volgt op onthulling: ‘Ik vervuil jullie gezin, puur door mijn bestaan. Ik ben de rot in jullie fundamenten. De roofvogelschaduw die over het open veld naar een kluitje dwergkonijnen scheert.’ Heldere taal. Hier spreekt duidelijk een getormenteerde ziel die een belangrijke boodschap heeft. Maar is het wel wraak, een gefrustreerd verlangen? Of handelt hij uit medelijden? Is het een persoonlijk offer dat hij komt brengen?

    Eerst blik je rustig mee. Gaandeweg wordt het blikken een loeren. Voel je je steeds ongemakkelijker worden. Er bekruipt je een gevoel van medeplichtigheid. Meermaals vraag je je af waar je het lef vandaan haalt zo mee te gluren – het familiegeluk te verstoren – om in the end geschokt te moeten constateren dat je níet hebt ingegrepen. Dat je met ingehouden adem en wijdopen ogen bent blijven kijken. Dat de nieuwsgierigheid het won. Ik lezer, een laffe voyeur.

    Hope you don’t guess my name.


    Elders

    Auteur: Martijn Knol
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 79
    Prijs: € 9,95

  • De oogst van week 45

    Door Ingrid van der Graaf

    Wie zijn blog op Tirade.Nu wel eens leest, weet dat Martijn Knol zeer bewegelijk in zijn tekst zit. Je zou kunnen zeggen, van de hak op de tak, alsof hij een zak vol items leegschudt boven een stuk papier en ze vervolgens naar een enigszins, verbandhoudend stukje toeschrijft. dat gaat hem altijd goed af. Hij schreef drie romans, waarvan zijn laatste, Alles kan kapot (2011) gaat over een chaotische familie die in zeven, los van elkaar staande hoofdstukken beschreven worden maar onderling zijn verbonden met elkaar. Nu verschijnt er van Martijn Knol de novelle Elders. Over een doorsnee gezin, vader, moeder en twee jongetjes, dat een nazomerweek doorbrengt in de Italiaanse Alpen. Het fascinerende van deze novelle lijkt me, dat hij geschreven is vanuit een verteller die zich dicht naast dit gezinnetje ophoudt. En niemand weet wie het is. Volgens de uitgever, een sfeervol en duister verhaal. Elders verschijnt deze week bij Wereldbibliotheek. Blz.: 79, Prijs: € 9,90.

     

     
    Arnon-Grunberg-Ich-will-doch-nur-dass-ihr-mich-liebt-25-jaar-schrijverEen overzicht van 25 jaar schrijverschap van Arnon Grunberg is te vinden in Ich will doch nur, dass ihr mich liebt. Hoewel Grunberg 20 jaar geleden debuteerde met Blauwe maandagen (1994) (wie heeft het níet gelezen), blijkt dat zijn eigenlijke debuut, een toneeltekst De dupe van Felix,  in 1989 geschreven werd. Hannelore Grünberg, moeder van Grunberg verzorgde een fotobiografie van zijn baby- en kinderjaren met teksten als: ‘Slaapt weer miserabel’.  Dat zijn moeder gedurende zijn kinderjaren op een stretcher bij hem op de kamer sliep om kinderangsten te verdrijven, wisten we al uit één van zijn voetnoten. Verschillende auteurs verzorgden een bijdrage. Victor van de Reijt beschrijft Grunbergs activiteiten vóór zijn debuut: zijn pogingen zich te vestigen als acteur en toneelschrijver, de oprichting van zijn eigen uitgeverij Kasimir, zijn eerste schreden op literair gebied tot aan de uiteindelijke doorbraak met Blauwe maandagen. Yra van Dijk belicht in een essay de afstand en betrokkenheid in het werk van Grunberg. Ich will doch nur, dass ihr mich liebt is een overzicht van schrijver/persoon Arnon Grunberg. Het boek is prachtig vormgegeven en geïllustreerd – een must voor de liefhebber van Grunberg. Uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar, Blz.: 216, Prijs: € 29,95.

     

    53af6c55844ed4.08563266Emma Donoghue (1969) publiceerde vele romans, historische boeken, verhalenbundels en toneelstukken. Ze wordt vaak in één adem genoemd met literaire schrijfsters die met lesbische fictie doorbraken zoals Jeanette Winterson, Ali Smith en Sarah Waters. Donoghue debuteerde met Geroerd (1994), een klassieker. In 2010 werd haar boek Kamer genomineerd voor de Booker Prize. Haar nieuwe roman Kikkermuziek speelt in1876 in San Francisco. De stad wordt geteisterd door een hittegolf en een pokkenepidemie. Er wordt een jonge vrouw, Jenny doodgeschoten. Haar vriendin, Blanche zet alles op alles om de moordenaar te laten berechten. Als Blanche probeert de feiten boven tafel te krijgen, blijkt het leven van Jenny veel duisterder dan in eerste instantie leek. Kikkermuziek is een historisch verhaal over bohemiens en vrije liefde en over beschadigde kinderen. Verschenen bij Atlas Contact, Blz.: 432, Prijs: € 24,99, vertaling: Manon Smits.

    indexIn 2012 debuteerde Rebekka Bremmer met de roman Eb die later in dat jaar door Het Parool tot beste Nederlandse roman van 2012 werd uitgeroepen. De evolutie van een huwelijk is haar tweede roman en vertelt het verhaal van Masha die les geeft aan de universiteit. Met haar man Bastiaan en hun twee dochters leidt ze een comfortabel leven. Dan komt de broer van Bastiaan, Frederick met zijn Nieuw-Zeelandse vrouw Shannon en hun baby Deirdre bij hen inwonen. Masha heeft Frederick meer dan twintig jaar niet gezien. Onvermijdelijk raken de levens van de twee gezinnen steeds meer verstrikt in elkaar. De evolutie van een huwelijk, een roman over familiebanden die worden aangehaald en weer verbroken. Bremmer werd geroemd om haar beschrijvende en beeldende stijl. Deze roman maakt zeker nieuwsgierig. Uitgegeven bij Querido, Blz.: 256, Prijs: € 18,99.

  • Recensie door: Sunny Jansen

    Recensie door: Sunny Jansen

    In zijn derde roman Alles kan kapot neemt Martijn Knol zijn lezer in zeven hoofdstukken mee naar even zoveel locaties. Het verhaal begint in 2011 en loopt terug in de tijd, naar 1945, omdat zoals Knol zelf zegt: ‘Iemand leren kennen betekent: terug in de tijd reizen. Hoe langer je je vrienden of geliefden kent, hoe meer je te weten komt over wat hen heeft gevormd of gesloopt.’ ‘Bovendien’, gaat de auteur verder: ‘zo, achterstevoren verteld, weet de lezer wat Serafijn, Jonathan, Kat, Merel en Ambrosius in hun toekomst nog allemaal te wachten staat, al is hij niet bij machte hun lot te keren.’
    De genoemde hoofdpersonen zijn familie, vrienden of geliefden en hun onderlinge relaties staan centraal. Deze opzet van Knol had kunnen werken als de beginscène sterker was geweest. Als lezer ben je alleen bereid om maar liefst 526 pagina’s terug in de tijd te reizen met een legio aan hoofdpersonen als ze je boeien. En dat is na het eerste hoofdstuk (nog) niet het geval. Kortom, zijn intentie was briljant geweest in combinatie met een knallende, nieuwsgierig makende openingsscène en een sterke verhaallijn. Niet met de gedetailleerde incestueuze seks, die vervolgens nonchalant en abrupt over gaat in de problematiek rond het ontkalken van een espresso apparaat. En wat ook mee speelt bij een moeilijke opstart: Knol weet je al meteen zijn openingszin tegen zich in het harnas te jagen: ‘(We komen het boek binnen via het hoofd van Jonathan:)’. Als lezer wil je je met de personages kunnen identificeren, je inleven in hun gevoelens en levens en daar moet dan niet steeds een auteur met ongetwijfeld grappig bedoelde opmerkingen tussen door zitten, zoals het eerste hoofdstuk het geval is.

    Halverwege het boek kijkt Serafijn maar matig geboeid naar een absurdistische film. Tegen het einde van de film realiseert ze zich verbaasd dat ze zich toch afvraagt hoe het afloopt. Iets dergelijks gebeurt ook als je Alles kan kapot leest. Tot op dit punt boeit Alles kan kapot nog niet, maar deze prachtige hoofdstukken over Serafijns ontwikkeling als kunstenaar, maken dat je je eindelijk voor haar begint te interesseren. Werd Serafijn een hoofdstuk eerder door haar broer Jonathan nog als oppervlakkig, ongeïnteresseerd en niet al te snugger geportretteerd, nu leren we haar kennen als een bevlogen, geïnspireerd mens van vlees en bloed. Iedere gebeurtenis in haar leven, hoe klein en onbelangrijk ook, stimuleert Serafijn tot een explosieve, creatieve uiting in diverse kunstvormen. Gedetailleerde beschrijvingen van haar wonderlijke en vaak bizarre creaties worden afgewisseld met flarden van recensies over dat kunstwerk. Geweldige hoofdstukken volgen elkaar op en dat is precies de motivatie die je nodig hebt om het boek tòch uit te lezen.

    Serafijn experimenteert er lustig op los in haar kunstuitingen en Martijn Knol doet hetzelfde in deze roman. Hij creëert daarvoor een prima podium door telkens een andere hoofdpersoon centraal te stellen en ieder personage zijn of haar eigen stem te geven. Bovendien kiest hij, heel knap, voor ieder hoofdstuk een andere schrijfstijl, waardoor het boek steeds een andere sfeer ademt. Zoals al gezegd, mengt de schrijver zich in het begin van het boek steeds in het lopende verhaal met storende regieaanwijzingen. In de hoofdstukken over Serafijns gewelddadige vriendin Kat hanteert Knol een overdadig gebruik van punten. ‘Kitty kon d’r gang gaan…ze kon doen wat ze wou…’ Veel punten, niet al te fraaie zinnen en onlogische overgangen om de gedachtekronkels van de labiele Kat weer te geven. ‘Ze wandelt in de richting van wat kalkrotsen in de verte. De zon brandt op haar wang… alsof ze net een klap op d’r bek heeft gekregen… Ze denkt aan de putten in de bovenbenen van d’r Ma… die deden d’r altijd denken aan de bodem van ’n poffertjespan…’ In het volgende hoofdstuk over Serafijns broer Jonathan analyseert hij met een collega zijn relatie met zijn zus. Pagina’s lang hebben de zinnen dezelfde opbouw en beginnen ze steevast met ‘Hij’. Hij tuit, hij legt, hij let, hij draait en verzin nog maar 50 varianten. Erg vermoeiend en niet erg stimulerend voor de lezer. Ook de dialogen laten de lezer hard werken om bij te blijven.

    ‘”Jezus wat is dat spul zoet.”
    “…”
    “…”
    “Hoe was dat verzorgingstehuis?”’

    Een van de hoofdstukken over Serafijn wordt gekenmerkt door lange zinnen, erg lange zinnen. ‘Op een ochtend – het was winter, het seizoen waarin je eigenlijk alleen tuinkers kon zaaien, lekker, op een onderlaagje van fijne suiker, op beschuit en soms wekenlang de enige tekortkoming aan haar vitaminebehoefte – stond ze in de enorme rechtbank met de natuurstenen vloer met een zak tuinaarde waarvan ze punt had afgeknipt aarde in een smalle bak te schenken die was bedoeld om met haken aan het balkon te hangen en die ze in de herfst bij het oud vuil had weggehaald, toen ze van buiten gelach hoorde.’

    Oef! Mooi? Nee. Relevant voor het verhaal? Ook niet.

    Dan weer wordt de tekst onderbroken door de bijna filosofische gedachten van een kleuter:
    ‘de wolken                  de bomen             zijn lief  Mama’s fietsmachine…’.

    Origineel, al zijn zes pagina’s wel wat lang voor een fietstochtje naar een kinderboerderij.

    Zeven hoofdstukken, zeven schrijfstijlen dus en dat in ieder hoofdstuk iets kapot gaat, is haast vanzelfsprekend als je de titel van het boek in je achterhoofd houdt.

    Al dat geëxperimenteer met leestekens, perspectieven (soms wisselt het perspectief zelfs binnen een zin!) en schrijfstijlen maakt Knols nieuwste werk tot een artistiek, maar rommelig allegaartje. Als lezer merk je dat hij niet alleen veel tijd en energie, maar ook veel creativiteit en vakmanschap in zijn roman heeft gestopt. Alles kan kapot als kunstwerk, waarbij het meer om het componeren lijkt te gaan dan om de inhoud. Alsof Knol al zijn creativiteit in één keer in een explosieve uitbarsting kwijt moest. Deze toch ook originele en knappe compositie kan echter helaas niet verbloemen dat de spanningsboog van het verhaal zeer zwak is. En omdat de clou van het boek al vooraf weg gegeven wordt door de titel, is ook het einde (of liever het begin, we gaan immers terug in de tijd) geen verrassing meer. Dit alles maakt het lezen van deze roman een worsteling. Het naschrift: ‘Het fragment is meer dan het geheel.’ wordt daarmee wel erg waar. Sommige fragmenten zijn briljant, andere volstrekt onleesbaar en dat maakt het geheel het nèt niet.

     

    Alles kan kapot 

    Auteur: Martijn Knol
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 526
    Prijs: € 34,95