• Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Het lezen van een bundel van Martijn den Ouden is altijd een avontuur. Je wordt als lezer heen en weer geschud alsof je in een achtbaan zit. Den Ouden experimenteert graag met vorm en inhoud in zijn gedichten, heeft maling aan gevestigde opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn en schept een geheel eigen universum naar zijn wil, waar alles mogelijk is en wetmatigheden niet bestaan. Hij zet daarbij de logica naar zijn hand, spreekt zichzelf tegen, schept verwarring en gaat vrolijk zijn eigen gang. De gedichten stralen brutaliteit en lef uit en wekken de indruk dat ze met veel plezier geschreven zijn. Dat gold voor zijn voorlaatste bundel Ruimtedagen, maar zeker ook voor de nieuwe bundel Visioenen.

    Deze bundel is één lang gedicht, dat de lezer het best in één keer uitleest om de draad niet kwijt te raken. Alsof het een scenario van een toneelstuk is, wordt het verhaal verteld door meerdere stemmen, die aangeduid worden door hun naam boven de tekst. Alleen de ik-figuur, de belangrijkste rol, wordt niet speciaal aangegeven. Soms is ‘de dichter’ aan het woord, die een innerlijke monoloog houdt, maar het wordt niet duidelijk of dat dezelfde is als het lyrisch ik. Beurtelings spreken Jimi Hendrix, God, de dichter, een landschap en diverse andere kleine rollen. Er is zelfs een echte rei, een klassiek koor, dat als in een Griekse tragedie interrumpeert, waarschuwt, commentaar levert of alleen maar als echo fungeert.

    Vreselijke dromen

    De dichter wordt bezocht door vreselijke dromen. Jimi Hendrix, die na een ongeluk ‘de spreekbuis van God’ is geworden, komt hem vertellen dat deze dromen waarschuwingen zijn: ‘het wordt tijd dat jij je visioenen serieus neemt/ je bent een profeet/ dat je weet’. De dichter verzet zich hiertegen: ‘wanneer is het een visioen/ wanneer is het een onschuldige droom’. Jimi leert hem dat hij op vlinders moet letten: ‘de verschijning van een vlinder is altijd een visioen’. Er dwarrelen dan ook op verschillende bladzijden voldoende vlinders rond. De dichter moet, zeer tegen zijn zin, een profeet worden die de mensen moet waarschuwen voor een naderende catastrofe. Dit doet denken aan de profeet Jona uit het Oude Testament, die de opdracht krijgt van God om de inwoners van Nineve te waarschuwen wegens hun slechte gedrag. Ze moeten hun levensstijl beteren, anders zal de stad verwoest worden. Jona weigert om God te gehoorzamen en vlucht weg met een schip, de andere kant op. Net als Jona wil de dichter de opdracht niet aanvaarden: in een droom gaat hij naar de haven om weg te varen. Maar het schip dat aanmeert is niet voor hem bestemd:

    op het dek staat een man
    die schittert in een rood gewaad

    in de flanken radslagen
    mannen en vrouwen
    in hysterisch gekleurde kostuums
    met zwartgeschilderde
    gezichten

    koor
    dus het is feest

    Bijbelse citaten

    De bundel wemelt van Bijbelse verwijzingen en letterlijke citaten. De religieuze symboliek is niet zo vreemd als je bedenkt dat Den Ouden de zoon van een predikant is. Zijn taalgebruik is doorspekt met plechtige en archaïsche uitdrukkingen die contrasteren met de gewone spreektaal: zinsneden als ‘mij is groot onrecht aangedaan’ worden gecombineerd met ‘er geen sjoege van hebben’. Er wordt niet alleen geciteerd uit de Bijbel: het gedicht ‘engelen schilderen met oorverdovend gekrijs de lucht in de kleur van bunkers’ is geschreven met deels woorden en regels uit de poëzie van Campert in opdracht voor een bijdrage aan een nummer van De Revisor. Maar ook andere dichters zijn ruimschoots vertegenwoordigd in veel intertekstuele verwijzingen. Er zijn dichtregels opgenomen die doen denken aan het werk van andere dichters, zoals Hugo Claus en Willem Hussem. Ze wekken niet de indruk dat ze noodzakelijk zijn, maar ze komen mooi in het gedicht van pas. Het kan bedoeld zijn als eerbetoon aan de betreffende dichters, maar het zou ook een grap van Den Ouden kunnen zijn om de lezer bij de les te houden.

    De dichter vlucht een bar in en treft daar het gedicht/de vrouw/de god aan, naast wie hij plaats
    neemt. Zij vertelt hem dat er weer een pandemie aankomt. Over een vaccin is zij niet enthousiast, want ‘het is juist de bedoeling dat er mensen doodgaan/ vanwege de overbevolking’. De dichter moet deze boodschap overbrengen en de mensen waarschuwen, maar hij heeft daar geen zin in. Dan laat het gedicht/de vrouw/de god een dreigend staaltje zien van haar goddelijke macht:

    de vrouw
    de god
    dit gedicht

    beweert dat ze de zon
    in haar hond kan laten verdwijnen

    hoewel zij misschien wel
    de mooiste vrouw op aarde is
    maakt ze zich volkomen belachelijk
    met haar uitspraak

    we lachen om wat ze beweert

    de zon in haar hond

    het is een kleine hond
    daar past geen zon in

    om zeven voor vijf
    staat ze op het plein
    en propt
    met grof geweld
    de zon in haar hond

    terstond is het nacht
    de hond gloeit

    straalt licht
    uit de bek
    wanneer hij blaft

    koor

    jullie zijn gewaarschuwd

    Het is de opmaat voor een wereldslachting. De vlinders en de zee, die eerst zo veelvuldig en uitbundig werden bezongen en die symbool stonden voor visioenen en zuiverheid, worden vervangen door bloedige geraamtes, vreemde beesten uit de zee, schroeiend vlees, brandende trommels. ‘nog even een bokje doodslaan/ om de wangen te sieren met / bloed’. De wereld wordt een pandemonium dat zijn weerga niet kent, als op ‘Het laatste oordeel’ van Jeroen Bosch. Er is geen ontkomen aan: het laatste gedicht in de bundel luidt:

    met de fiets naar de Lada
    met de Lada naar de toendra
    van de toendra naar de zee

    koor
    zo zuiver is de zee

    het water ingelopen
    om van het gedonder af te zijn

    en te worden gered
    door een boot vol vluchtelingen

    Wrange humor

    De humor van Den Ouden is vaak wrang, zoals in de laatste strofe van bovenstaand gedicht. Hij houdt ervan om op die manier tegen heilige huisjes aan te trappen. Maar soms lijkt hij alleen maar om zich heen te trappen uit baldadigheid, uit branie, en wordt zijn humor flauw en melig. Zoals wanneer de dichter aan het gedicht/ de vrouw/ de god vraagt of Thierry de profeet niet kan worden. Hij krijgt als antwoord: ‘Thierry is – sorry dat ik het zeg – niet goed bij zijn hoofd/ hij begrijpt de boodschap niet of is mentaal te gemankeerd om/ die goed over te brengen’. Den Ouden wekt de indruk dat het hier om Thierry Baudet gaat, maar zonder diens naam voluit te noemen.

    Sommige gedichten zijn hoogdravend, andere weer in alledaagse taal. Een aantal ervan lijkt buiten de bundel te staan, omdat ze weinig toevoegen aan het geheel, maar net zoals in een toneelstuk als ‘terzijdes’ beschouwd kunnen worden. Ook kunnen ze een intermezzo zijn in de lange tekst, waarna de aandacht weer gericht wordt op de hoofdzaak. Maar er zit vaart in de bundel die boordevol zit met vindingrijke, originele, verrassende beeldspraak, die zijn komisch effect niet mist. Jongehondenpoëzie kortom: enthousiast, meeslepend en plezierig.

     

     

  • Een poging de schepping te herscheppen

    Een poging de schepping te herscheppen

    In de vierde bundel van Martijn den Ouden, Ruimtedagen, gaat het over de schepping. Dat is aan een predikantenzoon wel toe te vertrouwen. Bijzonder is evenwel dat de schepping nog moet worden voltrokken. Het motto is ontleend aan Openbaringen, het laatste Bijbelboek. Daarin wordt geprofeteerd over de toekomst. Dit is dus wat de lezer ongeveer kan verwachten. Er is geen maagdelijk begin, alles is er al:

    ‘dit is het begin
     het begin is niet woest
     of leeg

     het begin is een onvoorstelbaar
     zware doos
     van onbepaalde afmetingen
     waarin alles besloten ligt’

    Je denkt hierbij aan het heelal, maar het blijkt om een soort doos van Pandora te gaan. In het motto is sprake van een vrouw: ‘En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw; bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.’ (Openbaringen 12:1). In Ruimtedagen is de vrouw genaamd Marna, en er is ook ‘de lezer’. Tussen hen vinden een aantal dialogen plaats over de schepping, waarbij ze meteen al van mening verschillen:

    ‘dit is geen begin

     een weiland
     vol overwoekerde kuilen en keien
     waarin beesten hun poten breken

     en aria’s zingen

     Marna
     toch is het een begin

     het valt nog onder de hoofdregel’

    Alles op losse schroeven

    Aan welke hoofdregel de discussie moet voldoen blijkt daarna: ‘alles moet zich in de ruimte bevinden’. De definitie van ruimte staat in een noot onderaan de bladzijde. Vervolgens wordt er door de lezer een paar keer aan de definitie getornd, die zich daarmee een onbetrouwbare gesprekspartner toont. Hij wordt omschreven als ‘alwetend, almachtig […] een konijnenpootje aan een snoer om de hals’. Dat konijnenpootje, talisman en geluksbrenger, zit Marna dwars: het konijnenpootje hoort in de ruimte. Ze zijn het erover eens dat er ‘geen autoriteit [is] waaraan we verantwoording moeten afleggen / behalve aan onszelf’. Later blijkt de lezer het pootje toch weer te dragen, anders ‘voel ik me zo naakt’.

    Door alles steeds op losse schroeven te zetten wordt niet alleen de discussie, maar ook het leesproces ontregeld. De dichter speelt overduidelijk een spel. Dat blijkt ook uit de vorm. Aan het begin van de bundel geeft Den Ouden in een kort gedicht een opsomming van elementen die zich in de ruimte bevinden. Deze vormen vervolgens de bouwstenen van de volgende gedichten, die de schepping beschrijven. Het scheppingsproces komt hierdoor aan de oppervlakte, wat op zich een aardige vondst is, maar tevens gekunsteld overkomt.

    Centraal in de discussie tussen Marna en de lezer staat een veulentje ‘met natte bruine ogen’, symbool voor hoop en onschuld, waar het slecht mee gaat: ‘het veulentje breekt zijn poten / en zingt een aria’. In het volgende gedicht rilt het van angst en koorts: ‘de lezer is genoodzaakt een roofdier / tot de ruimte toe te laten’. Terwijl de lezer onverschillig of zelfs cynisch is, toont Marna erbarmen: ‘waarom ligt er een veulen te creperen in het weiland’, ‘ik heb liever dat het aria’s zingt’. 

    Twaalf scheppingsdagen

    De schepping vindt niet plaats in zeven, maar in twaalf dagen (ruimtedagen). Twaalf is net als zeven een heilig getal. De bundel wemelt van Bijbelse symboliek en metaforen, die in een heel ander licht worden gesteld. De werkelijkheid is aards en rauw. Zo barst in de brandende braamstruik ‘een luidruchtige discussie los/ over wie wanneer het vuilnis naar buiten brengt’. Daarnaast zijn er ook verwijzingen naar andere religieuze en filosofische bronnen. De theepot die opduikt bijvoorbeeld, die verwijst naar Bertrand Russells theepotfilosofie over de bewijsbaarheid van God: ook de nietige theepot zou in het heelal onzichtbaar zijn. 

    Zo blijft de lezer voortdurend aan het puzzelen met vorm en betekenis. Ruimtedagen moet gelezen worden als een geheel en is chronologisch opgebouwd. Den Ouden heeft de afwisseling gezocht in de vorm. Naast de tien dialogen en de twaalf gedichten over de respectievelijke scheppingsdagen die door de bundel zijn geweven, bevat de bundel nog een aantal prozagedichten en een brief. De gedichten zijn kaal met (ultra)korte regels en bovendien vrij verhalend. Verbanden worden voornamelijk gelegd door herhaling. Den Ouden doet niet aan mooischrijverij. Slechts een enkele keer tref je een paar mooie regels:

    ‘het water is koud
    ondanks het vlammende geweld dat de zon
     erop loslaat
     is het water koud

     kom hier
     KIJK

     bomen groeien uit minachting
    voor de zoogdieren

     vogels kunnen zij velen
     de lucht is wat hen verbindt’

    Eruptie van beelden

    De handelingen zijn absurd. De discussie gaat in de kern over schuld en onschuld. Het veulentje is al genoemd. Er is veel verdorvenheid: ‘er zijn tegenstrijdige regels opgesteld / die een moraal kweken waarbij het geoorloofd / is en zelfs gewaardeerd wordt om geniepige proeven / op dieren uit te voeren’. Ook is er wreedheid tussen mensen onderling: ‘de mensen met de normale oren zijn bezig de kleinorige uit te roeien’. Een parallel met de vervolging van de christenen door de Romeinen. Later duikt ook ene Adolf op met ‘een strakke scheiding en een smal snorretje’. Het gaat hier ineens wel erg van dik hout zaagt men planken.

    Ondertussen heeft de relatie tussen Marna en de lezer een persoonlijke vorm aangenomen. Je voelt het bij de volgende regels al aankomen:

    ‘Marna strekt zich uit

     ze draagt haar badpak
     wit
     met een rode streep
     over de borsten

     rokend is ze op haar mooist
     in haar zwarte brillenglazen
     dansen tien vlammen’

    Maar ook deze relatie loopt slecht af. De bundel eindigt met een eruptie van beelden, vol neologismen en klankrijm. De taal valt letterlijk uit elkaar. Als laatste blijven de woorden ‘ik licht’ achter, een verwijzing naar het licht aan het begin van de schepping wanneer de wereld nog moet worden ingericht. De bundel is terug bij af. Er volgen nog twee gedichten – als we die zo kunnen noemen – die alleen bestaan uit losse letters en punten. Dit komt opnieuw nogal gekunsteld over.

    Ten slotte vraagt je je af wat Den Ouden met de bundel wil zeggen. Dat de wereld niet deugt? Dat ieder zijn eigen werkelijkheid heeft? Dat er geen perfecte schepping mogelijk is? Door de nadruk op de vorm en de vele buitentekstuele verwijzingen is het lezen van Ruimtedagen vooral een intellectuele excercitie: de lezer heeft wat meegemaakt, maar staat tegelijkertijd met lege handen.

     

     

  • Great Dutch Novel

    Great Dutch Novel

    ‘Op het puntje van haar tong ligt een theepot’, is titel en openingsregel van een gedicht van Martijn den Ouden in Tirade. Als je een woord even niet paraat hebt, ligt het vaak op het puntje van je tong. Op dat puntje balanceert een theepot. Drukt de tong zich tegen het gehemelte, vlak achter de voortanden voor de ’th’, en komen de lippen bij elkaar voor de ‘p’, dan rolt de theepot eruit. De geest van een dichter is een wonderlijk iets. Die van Delphine Lecompte het wonderlijkst van al. ‘We verorberen taart en uiteraard drinken we er jenever bij / Algauw liggen onze kleren onder de tafel en roken we een onzichtbare vredespijp.’ Ik zou wel eens in Lecompte’s hoofd willen zitten, om te weten hoe ze haar woorden tot zinnen smeedt. Geïsoleerde zinnen, elkaar uitsluitend. Toch ontstaat uit die ogenschijnlijk willekeurige zinnen een beeld, wordt een – absurdistische – geschiedenis vertelt. Er opent zich iets, alsof ik lang van huis ben geweest, ongewone dingen heb beleeft. 

    In het essay Pantha Rei – Alles stroomt over Stephan Enters werk schrijft Sander Kollaard dat literatuur moet uitnodigen tot het verlaten van de eigen ‘vesting’. Een waarachtig en enthousiasmerend essay. Beginnend met de eerste drie zinnen uit een verhaal uit de verhalenbundel Winterhanden, waarin een pannetje water aan de kook wordt gebracht. Kollaard duidt die eerste zinnen als een ‘handreiking’ naar de lezer, een stijlvorm. ‘Stijl, zo begrijpen we, is een vorm van empathie. Het is een middel voor de schrijver om zijn verhaal zo te vertellen dat de lezer het tot bloei kan brengen. Daarom is stijl – niet plot, niet thema of motief, niet inhoud of onderwerp – het kerningrediënt van grote literatuur.’ Drie heldere zinnen die, zo schrijft Kollaard ‘ons door Enter overhandigd [worden] als het doekje waarmee we de beslagen bril van ons solipsisme kunnen wissen, zodat we helder kunnen zien,’.

    Ik las nog nooit een zo oprecht ophemelend stuk van een schrijver over het werk van een literaire tijdgenoot: ‘Pastorale kan denk ik – naar analogie van de The Great American Novel – het beste worden gelezen als een Grote Hollandse Roman: een panoramisch beeld van een hele samenleving.’ En ik weet, Kollaard heeft gelijk! Zelfs als ik het boek niet had gelezen, zou ik hem geloven: Pastorale is The Great Dutch Novel! Wat een vreugde, alsof er een rivier is overgestoken, een andere kant is bereikt.
    Er staan meer overtuigende als even verontrustende stukken in deze Tirade. De loterij van Shirley Jackson (1916-1963), vertaald door Caspar Wijers, een gedwee verhaal over een traditionele loterij in een dorp met driehonderd inwoners, de uitkomst is schrikbaren, het ‘waarom’ houdt je bezig. Twan Zegers’ verhaal Vaderland over een aanslag in Parijs, is geladen met een schuldvraag dat aan het eind afgaat als een geweerschot. Julien Ignacio legt het gedachtegoed van een FvDer vast in Dagboek van een boreaal. Het leest alsof je je ergens aan brandt. En dan het besef dat heel de wereld brandt. Waar halen we het bluswater vandaan?

     

    Overige bijdragen in Tirade Nr. 477 van Hans van Pinxteren, Lizette van Geene, Ineke Riem, Marita Mathijsen, Elfie Tromp, Daan Doesborgh en Sasja Janssen, de (evenwichtig treffende) illustraties zijn van Jeska Verstegen  / Van Oorschot (2019).


     Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

     

     

  •  Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

     Vrolijke gruwelsprookjes voor de volwassen lezer

    Zou het bescheidenheid zijn dat de debutant Martijn den Ouden (1983), die naar eigen zeggen nog nauwelijks poëzie had gelezen voor hij aan het schrijven van zijn debuut begon, koos voor de titel Melktanden? Melktanden zijn geen blijvertjes en minder sterk dan de tanden van een blijvend gebit. De brutaliteit en het lef die van de pagina’s spatten, onderschrijven zo’n hypothese van bescheidenheid allerminst. Iets anders dan: bij jonge dieren is het melkgebit scherper en jonge dieren zijn zich bij lange na nog niet bewust van de kracht van hun beet. Die daardoor vaak harder is. Uit speelsheid wel te verstaan. Dat zou al meer bij deze bundel passen.

    Het stadium van het melkgebit is ook dat van de onschuld, van het vrijblijvend vertoeven aan gene zijde van Goed en Kwaad. En als één ding na lezing van deze bundel wel duidelijk is, is dat de in deze gedichten verhaalde anekdotes zich niet gedragen naar de gangbare opvatting van goed en kwaad. Maar het stadium van onwetendheid lijkt al ruimschoots gepasseerd in deze gedichten. Er ligt dikwijls een nauwelijks verholen verlustiging in een wreed spektakel aan ten grondslag. De touwtjes lijken in handen van iemand die een sadistisch en kwaadaardig genoegen in de fatale afloop schept, in gruwelsprookjes.

    De bundel telt maar liefst 55 gedichten die ongelijk van lengte en over 4 afdelingen verdeeld zijn. Op twee wat liedjesachtige gedichten na, valt de afwezigheid van formele strofen en rijmschema’s op. Titels, hoofdletters en interpunctie zijn nagenoeg buiten de deur gehouden. Maar het poëtische middel van de herhaling op letter-, woord- en regelniveau wordt allerminst geschuwd. Opvallend is verder de hoeveelheid neologismen die dit debuut rijk is: er kan zomaar sprake zijn van ‘bloedgroeten’ ‘ketskoeien’ ‘zwiebeldijen’ of van ‘een bastbrekend bos’ dan wel van ‘een poepsterk wedstrijdpaard’. Een buitenbeentje in de bundel is het langste gedicht (twee en een half pagina) dat slechts uit 1 regel bestaat die maar liefst 85 maal herhaald wordt: ‘ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’. Als een portie strafwerk van de bovenmeester. Ook jongetjes met melktanden moeten weten hoe het hoort.

    Er is bijna geen gedicht waarover niet de dreiging van geweld hangt, als een suspense. Er wordt al dan niet heimelijk gesmacht naar wreedheid, dan wel beschrijven de gedichten op quasi neutrale toon een macaber tafereel waarin, zoveel is zeker, geweld niet lang tevoren heeft plaatsgehad. Weerloze dieren of fabuleuze creaturen hebben het onderspit gedolven, door menselijk toedoen of door veronachtzaming. Soms ook is het slachtoffer een meisje of een kind. De huiveringwekkende, soms grotesk of absurdistisch aandoende verhalen worden op een montere, nonchalante toon opgedist, waardoor er niet alleen kwaadaardige onschuld doorheen sijpelt, maar ook de lach een kans krijgt.

    ‘het diertje is in de brandnetels gevonden

    is het een hoefdier?
    nee,
    hij pist over z’n schoentjes
    zwartgelakte balletschoentjes

    bij Harm deed ie een dansje
    verloor zijn hoed

    doe het hokje maar weer dicht
    straks is ie weg’

    Dit zou je enkel nog in Herenleed van Armando hebben kunnen vernemen.

    Elders is men toeschouwer van een niet nader geduid schouwspel waarbij overduidelijk lijdende voorwerpen betrokken zijn en leest men in het betreffende gedicht bij herhaling de zinnen: ‘wij lachen/ja wij lachen/wij hebben hier veel geld voor neergeteld’.

    De stijl is zelfverzekerd en trefzeker, ook in wat verzwegen wordt. Dat verhoogt de suggestieve lading. Maar deze poëzie is hiermee nog niet afdoende gekenschetst. Tussen droge, vaak niet mis te verstane, beschrijvende regels, kan opeens een onvervalste poëtische regel opduiken als: ‘de zee laat overdag haar honden los in mijn hoofd’ of regels als: ‘in de spiegelogen van het buitenzinnig vee/ schicht kanonvuur naar een traag tranende hemel // later in de lente / tranen zustersogen van netels in heldenhanden’. Het raadselachtig poëtische gedeelte kan soms ook bijkans het gehele gedicht behelzen. Laat ik hiervoor eens een misschien wat minder geslaagd gedicht citeren:

    ‘zonnegoud geschilderde handen
    begraven je tanden
    in braakliggende grond

    het stil gebaar van
    het heeft iets te betekenen
    melktandendokter

    wuift graanrijk over onze lieve aardemoeder

    op jouw leeftijd Laura
    – en je hebt je laten facefucken ?
    is het blijk en bloot dat je met bruidsnagels niet naar tanden graaft
    dertig centimeter kan diep zijn’

    De ongehoorde combinatie van hermetische dichtregels en platte rauwheid werkt verrassend goed. Ze overrompelt de lezer, pakt hem in. Ze maken de anekdote er misschien niet onschuldiger mee, maar benadrukken wel dat de angel van het gedicht in de taal en niet in het verhaal zit. Dat het eigenlijk niet meer is dan een spel met de woorden. Dat het plezier aan de taal het met gemak wint van de verhaalde gruwelijkheden, zegt veel over de poëtische kracht van deze gedichten. Martijn den Ouden draaft er niet mee over de gebaande wegen, maar zet op eigen kracht een zeer gewaagd spoor uit. En hij blijft daarbij verrassend genoeg overeind.

    Een typerend gedicht (maar ieder gedicht uit deze bundel lijkt wel een typerend gedicht, hoewel zeker niet ieder gedicht even sterk is in zijn geheel) is het gedicht op pagina 12.

    ‘bok hok bok
    met bekken dik mos keilgeiten melken
    ketskoeien
    buidelkatten

    bok hok bok
    vijf keer per dag
    gluren in ’t kippenlicht

    wit buigt de brug over het klein knikkerbad
    bok hok bok
    springt het van grafkuilen naar lentebloemen
    bekt in het zalig zuigen van de dingen

    een kom vol vissen draait mee in de pels
    radslag your ass
    sluierdier
    van grafkuil naar lentelicht’

    Wat hierin als regel misschien niet meteen te duiden valt, komt het verstaan van de wrange, suggestieve ondertoon als geheel haast ten goede. Terwijl je het gedicht leest, klopt het. Bij de versregel ‘radslag your ass’ was het me opeens volkomen duidelijk waarom juist Astrid Lampe op de achterflap deze bundel aanprijst.

    Van een lang elegisch getoonzet gedicht uit de laatste afdeling Straten die we overslaan (de afdeling waarin de minste slachtoffers vallen) citeer ik tot slot graag de eerste helft:

    ‘als de wind zo kalm als ze nu is, blijft liggen
    als ze niet meer, dan zo af en toe,
    heel zachtjes kucht, en de bloemen buigen.

    als alle dieren slapen of sluipen.
    als het water een spiegel is.
    als het vuur niets meer dan
    koude handen nog verwarmt.

    als de zon een wit laken is
    aan een boom in een weiland.

    als dit de waarheid is
    en de kinderen met hoofdtooien
    in het lange gras met vossen spelen
    tot het witte laken aan de boom verbleekt
    en het nacht is.

    als het zilver van de nacht
    in het slapend land
    naar de honden roept
    en de honden zich de wonden likken.
    en de regen langs de hemel glijdt,

    juist dan,
    breekt de rand van het dak van het huis waar ik ben grootgebracht.

    beneden veegt een man de stukken bij elkaar.
    met gesloten ogen en gevouwen handen
    prevelt hij voor zich uit:
    men zou het moeten bezweren en als stof zijn zij
    als stof zijn zij in de adem van het beest met de vuren ogen.
    (…)’

    Als het de jury van de C.Buddingh’-prijs, die jaarlijks aan een poëziedebuut wordt toegekend, er om te doen is de eer te gunnen aan de bundel die getuigt van de meeste lef, de sprankelendste en eigenzinnigste stijl, de minste navolging dan kan Martijn den Ouden alvast aan een dankwoord knutselen. Dit is een debuut waarvan je kunt gaan houden en waarvan het verleidelijk is er veel uit te citeren.