• Voelen met verstand

    Voelen met verstand

    De psychologe en schrijfster Marte Kaan werd door de filosofen Coen Simon en Frank de Meester gevraagd om nieuw licht te werpen op de redelijkheid aan de hand van een fragment uit Liefhebben, een kunst, een kunde van Erich Fromm. Hoe lastig ook, Kaan probeert het vooral praktisch te houden. Het resultaat is een lichtvoetig maar beslist niet zweverig verhaal.

    In turbulente tijden met korte lontjes, reaguurders, online haters en verhit activisme en anti-activisme lijkt de oproep ‘Wees toch eens redelijk’ best wel… redelijk, eigenlijk. ‘Maar biedt de rede wel soelaas als behalve God ook feiten en objectiviteit in diskrediet zijn geraakt, en particuliere gevoelens bovendien verdacht zijn?’ vragen Simon en De Meester.

    Toiletverfrisser
    Marte Kaan vervat haar antwoord in een essay, waarin ze eigen ervaringen inzet om duidelijk te maken dat het bereiken van ‘redelijkheid’ volgens het recept van Erich Fromm een lange en moeilijke weg is. Echte redelijkheid is volgens Fromm heel wat meer dan rationalisme. Zelfaanvaarding en ootmoed zijn onmisbaar om ons op een redelijke manier tot de wereld en vooral de mensen om ons heen te kunnen verhouden. Echte redelijkheid is niet een kwestie van het loslaten van de ratio op alles en iedereen, inclusief onze eigen gevoelens. Het is meer een kwestie van het verbinden van wat woelt in de onderbuik met het denken in ons hoofd. Het compleet doorvoelen van gedachten en het compleet accepteren en doordenken van gevoelens. Best wel boeddhistisch-achtig inderdaad. Gelukkig weet Kaan de valkuil van narcistisch mindfulness-guruïsme te vermijden. Ze bestrijdt het zelfs, onder meer door te verwijzen naar Selling spirituality, waarin Jeremy Carrette uitlegt dat spiritualiteit heden ten dage is verworden tot een commerciële symboliek die geld opbrengt in alle hoeken van de consumptiemaatschappij, van de meditatie-industrie tot en met ‘Zen’ toiletverfrisser. Dat wil ook weer niet zeggen dat ze alle boeddhistische wijsheden overboord zet. Ze vertrekt vanuit haar eigen ervaringen als psycholoog in de verslavingszorg, haar ervaring als therapeut in leertherapie, als partner in een relatiecrisis, als toegewijd  partydrugsgebruiker en als deelneemster aan een 10-daagse Vipassana-zitmeditatie. Niet omdat daarin het ultieme antwoord schuilt, maar omdat ze bij elkaar opgeteld een beeld bieden van de hobbels op de weg naar de bedoelde redelijkheid (wat ook weer niet lijkt samen te vallen met verlichting of loutering). Ook alternatieve debat- en opinievormingstechnieken als ‘deep democracy’ worden aangestipt.

    Onbehagen en onderbuik
    Aan de hand van Erich Fromm en met behulp van Martha Nussbaum (die in Oplevingen van het denken stelt dat emoties onderdelen zijn van het redeneren zelf), komt Kaan tot een interessante herschrijving van redelijkheid: ‘voelen wat redelijk is, zonder te stoppen met denken.’ En – maakt zij met voorbeelden duidelijk – dat is heel iets anders dan instinctief handelen (gestuurd door reclame, de opinie-industrie of sociale media) en dat al rationaliserend rechtvaardigen.

    Onderbuik biedt geen pasklaar recept voor redelijkheid, wél concrete, weldenkende en relativerende woorden in aangebrande tijden. En er zijn interessante dwarsverbanden met Bas Heijne’s eerdere essay in dezelfde reeks, over Onbehagen.


    Nieuw Licht is een reeks filosofische pamfletten van uitgeverij Ambo/Anthos. Coen Simon en Frank Meester leggen relevante vragen uit ‘klassieke’ teksten van onder meer De Beauvoir, Huizinga, Bourdieu, Rousseau en Aristoteles voor aan ‘de scherpste hedendaagse denkers’. Het leverde essays op over onder meer migratie (van Femke Halsema) onbehagen (Bas Heijne) feminisme (Ewald Engelen) en opvoeden (Daan Rovers). Meer teksten zitten in de pijplijn. Iedere publicatie gaat gepaard met een debat in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam en de Der Aa-kerk te Groningen. Een Nieuw Licht Facebook-pagina bevat alle informatie.

     

     

  • Red de democratie!

    Red de democratie!

    Billy Tucker was een 19-jarige leerling aan een business college in Massachusetts toen hij tot zijn eigen verbazing ontdekte dat hij als voorstander van de doodstraf een overtuigend pleidooi ertégen wist te houden. Dat was het resultaat van de manier waarop zijn lerares de leerlingen had weten te boeien met de discussietechniek van Socrates. Door, zoals dat fameuze Griekse voorbeeld, aanhoudend kritische vragen te stellen over hun eigen opvattingen hadden Billy en zijn klasgenoten geleerd dat je respect kon opbrengen voor andermans mening. Daarmee bereikte je meer dan met alsmaar hameren op je eigen gelijk.

    Het lijkt geen sensationeel voorval; we kunnen het ons goed voorstellen dat het zo werkt. Toch geeft de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum deze getuigenis van de de jonge Tucker een prominente plaats in haar boek Niet voor de winst. Voorbeelden als Tucker zullen er steeds minder zijn, waarschuwt ze. Er groeit een generatie scholieren op die, de leraar nabauwend, alleen nog maar wordt klaargestoomd voor een leven waarvan het succes wordt afgemeten aan het economische rendement. Er is geen plaats meer voor spel, creativiteit, verbeelding en logica. Dat zal er voor zorgen dat studenten minder ‘mens’ zullen worden. Uiteindelijk zal dat ook de vorming van democratisch gezinde burgers in de weg staan.

    Nussbaum zet hoog in. De eerste zinnen van het boek schetsen een pessimistisch beeld:

    We bevinden ons midden in een crisis van enorme omvang, die zwaarwichtige gevolgen kan hebben voor de hele wereld. Nee, ik heb het niet over de economische wereldcrisis die begon in 2008 (…) Nee, ik heb het over een crisis die grotendeels onopgemerkt voortwoekert, net als bij kanker; een crisis die op lange termijn veel schadelijker kan zijn voor de toekomst van het democratisch zelfbestuur: een wereldwijde crisis in het onderwijs.’

    Het zijn alarmerende woorden: crisis, enorme omvang, zwaarwichtige gevolgen, voortwoekeren, kanker. Niet voor de winst is duidelijk geen optimistisch boek. Toch is het ook inspirerend. In kort bestek weet het duidelijk te maken wat het belang is van aandacht voor de geesteswetenschappen in het onderwijs.

    We kennen het ook in Nederland: nu het economisch slecht gaat wordt zonder pardon gesneden in de ‘linkse hobby’s’. Studenten moeten vooral snel afstuderen en dan het liefst in disciplines die het land economisch vooruit helpen zodra ze de arbeidsmarkt opstromen om hun investeringen in klinkende munt om te zetten.
    Nussbaum bespreekt ons land overigens niet. Ze geeft vooral een inkijk in ontwikkelingen in Amerika, waar ze momenteel woont en doceert, en in India, waar ze jarenlang onderwijs gaf en een fervente aanhanger was van de onderwijstheorieën van Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore (met afstand de in haar boek meest geciteerde schrijver). Ze weet dat dat een beperking inhoudt, maar ze is tevens zo eerlijk om geen grote uitspraken te doen over landen die ze niet uit eigen ervaring kent.

    Nussbaum begint haar beschouwingen bij het pasgeboren kind. Dat is er in zijn eerste jaren op gericht de wereld voor zijn eigen doeleinden te gebruiken. De opvoeding moet het kind duidelijk maken dat het afhankelijk en kwetsbaar is en dat anderen dat ook zijn. Als het in zijn narcisme blijft hangen zal het haatgevoelens ontwikkelen jegens anderen op wie hij zijn onmacht om de wereld naar zijn hand te zetten kan projecteren. Van wezenlijk belang in die opvoeding zijn de kunst en de literatuur die de verbeelding stimuleren en daarmee het vermogen zich in anderen in te leven en kritisch te zijn.

    De schrijfster geeft een mooi voorbeeld om te illustreren waartoe die inzet kan leiden als ze het succes beschrijft van het Chicago Children’s Choir. Het is een project waarin bijna 3.000 kinderen meedoen, die voor 80% onder de armoedegrens leven. Het bestaat uit tientallen koren op verschillende niveau’s die vooral muziek uit elkaars woonomgeving en cultuur uitvoeren. De kinderen blijken na verloop van tijd veel meer verantwoordelijkheidsgevoel te ontwikkelen en in veel groteren getale te kiezen voor opleidingen in de geesteswetenschappen dan hun leeftijdgenoten die niet meezingen. Het project wordt louter uit particuliere middelen betaald. De overheid steekt er geen cent in.

    De hoofdmoot van Nussbaums betoog gaat echter over het academisch onderwijs. Ooit oogstte Amerika lof voor de plaats van de ‘liberal arts’ in het onderwijs. Daarin was er naast het hoofdvak alle tijd voor literatuur, kunst, geschiedenis, filosofie enzovoort. Maar daar gaat in toenemende mate het mes in. Waar bespaard moet worden sneuvelen die vakkenpakketten het eerst. En daarmee, zo waarschuwt Nussbaum, de ontwikkeling van studenten tot belangrijke deelnemers aan het politieke debat, die zich bewust zijn van de historie en de opvattingen van andere culturen en zich daarin kunnen inleven. Het leidt tot een erosie van de kwaliteit van de democratie. En het is die democratie die voor de rechtvaardigheid in de wereld en de welvaart van onze aarde zo oneindig veel belangrijker is dan puur economisch gewin. Zonder kritische en empatische burgers loopt die gevaar.

    Niet voor de winst is vooral een politiek pamflet met als boodschap ‘Red de democratie’. Maar daarin zit ook een beetje het manco van het boek. Tegen het einde zou je als lezer zo graag zien dat ze althans enige opties gaf voor ingrepen. Maar verder dan de bevestiging van haar eerder beschreven doemscenario komt het niet. Ze merkt nog wel op dat meer geld prima is, maar dat het vooral gaat om krachtige mogelijkheden voor inspirerende leraren. Maar ook dan is de politiek aan zet. Die zal de voorwaarden moeten scheppen waarin het door Nussbaum bepleite onderwijs de ruimte krijgt. Toch kun je je voorstellen dat het voor de beleidsmaker die het boek na instemmende lezing met de edelste bedoelingen op zijn nachtkastje legt, de volgende morgen toch weer business as usual is. Op dat punt mist het boek enigszins wat het zelf zo bepleit: inleving in de rol van de politicus die met de economische crisis wordt geconfronteerd en niet goed weet hoe hij de filosofie van Nussbaum vorm zou kunnen geven in de dagelijkse praktijk. Ook al hangt hij niet de kerk aan die cultuur een linkse hobby vindt. En ook al onderschrijft hij Nussbaums stelling dat de geesteswetenschappen en de kunst in het onderwijs sneuvelen omdat ze geen geld opleveren, terwijl ze alleen maar doen ‘wat veel kostbaarder is dan dat: ze maken de wereld tot een plek waar het leven de moeite waard is.’ Maar misschien vragen we dan teveel van Nussbaum. Gezien de ondertitel van het boek was het er haar niet om te doen de poltitiek bij de hand te nemen.

     

     

     

  • Zoektocht naar het Goede. Over literatuur en politiek

    Door Judith Ploegman
    september 2004

    Martha Nussbaum, Amerikaanse, filosofe en classica, heeft heimwee naar de Aristotelische zoektocht naar het Goede Leven. Die zoektocht is het streven naar het geluk, naar het Eudaimonia. Plato richtte in die tijd zijn pijlen het uitbannen van alle hartstocht en begeerte omdat hij geloofde dat emotionele toestanden een sluier over de redelijkheid wierpen. Voor Aristoteles wijzen de hartstochten juist in de richting van het Goede, het ligt besloten in ons menszijn om te streven naar het Eudaimonia. Door onze verlangens, onze hartstochten, onze woede en onze vreugde serieus te nemen zijn we in staat de richting te bepalen naar het Geluk. Doordat we redelijke wezens zijn, zijn we in staat te reflecteren op het nut van ons handelen en onze passies in dienst te stellen van het hoogste doel. Dat is het Goede Leven.

    Nussbaum stelt dat in liberale democratieën als de onze de vraag naar het Goede Leven van groot belang is. Burgers worden verantwoordelijk gesteld voor en zijn vrij in het kiezen van wat ze goed en nastrevenswaardig vinden. De staat legt slechts de grenzen van betamelijkheid vast bij wet. Om ons leven richting te geven en om goede keuzes te kunnen maken is het belangrijk te bepalen wat ieder voor zich beschouwd als het Goede Leven.

    Ze heeft een ethische theorie ontwikkeld waarin, net als bij Aristoteles, de emoties een belangrijke rol spelen. Emoties zeggen iets over de argumenten die we hebben voor een morele beslissing, ze zijn het product van een overweging. Door te reflecteren op emoties komen we bij onze vooronderstellingen en kunnen we bepalen of deze redelijk zijn. Emoties hebben eveneens een zinnige betrekking op de implicaties van de morele keuzes. Door empathie en voorstellingsvermogen zijn we in staat ons in te leven in de effecten van een bepaalde beslissing in het leven van een ander.

    Wanneer we begrijpen welke positie we innemen en hoe die positie zich verhoudt met onze en andermans opvattingen over het leven, kunnen we bewust kiezen. Zo zijn we in staat om verantwoording te dragen voor ons eigen leven.

    In Aristoteles’ staatsideeën is een grote rol weggelegd voor dichters, schrijvers en theatermakers om precies deze reden: door het prikkelen van het voorstellingsvermogen worden we gedwongen met hart en ziel betrokken te zijn bij de keuzes die we maken. Het publieke debat moest zich afspelen in het theater, mensen moesten aan het denken worden gezet door beelden en metaforen, het verlangen moest gewekt worden, de lokroep van de muzen moest gehoord worden. Op deze manier werd het inzicht in het Goede Leven verfijnd en eigen gemaakt.
    Nussbaum grijpt hierop terug, zij het met meer nuance. Ze ziet literatuur als het middel om ons morele denken te verfijnen. Door het voorstellingsvermogen te prikkelen ontwikkeld het empathisch vermogen zich. Literatuur stelt ons in staat in de huid van een ander kruipen. Literatuur is meeslepend, we worden met hart en ziel betrokken bij het fictieve leven van de hoofdpersoon. Tegelijkertijd is er de afstand die we nodig hebben om te kunnen reflecteren en niet meegesleept te worden in de zuigkracht van onze emoties. Er wordt bovendien niet, zoals in een dialoog, meteen een reactie gevraagd. We hebben genoeg tijd om na te denken over wat het leven van die ander betekent voor onze eigen opvattingen.

    Wil de literatuur dat middel zijn tot verfijning van de moraal, dan moeten we reflectieve vragen stellen. We moeten onze eigen positie betrekken en vergelijken met de positie van de personages in het boek. Welke emoties spelen een rol? Welke emoties worden opgeroepen bij de lezer? Wie heeft mijn sympathie, wie staat me tegen? Waarom is dat zo? Welke redenen heeft een personage om bepaalde keuzes te maken?  Had ik dezelfde keuzes gemaakt in zijn of haar plaats? Wat is het centrale thema? Welke waarden worden er vertegenwoordigd? Welke waarde hecht ik aan die waarden? Vragen van dit soort leiden tot inzicht in onze eigen morele overtuigingen.

    Ieder mens maakt morele beslissingen en bepaalt wat hij van meer of minder waarde vindt in het leven. Publieke personen als rechters en politici nemen echter beslissingen van heel ander kaliber, beslissingen met een niet te miskennen impact. Het is een kunst om je te blijven realiseren dat je beslissingen neemt over personen, dat het je niet in de koude kleren gaat zitten wanneer je beslissingen anders uitpakken dan je had verwacht. Onder druk van verantwoordelijkheid bestaat het risico dat emoties niet langer serieus genomen worden en er een verharding ontstaat. Nussbaums pleidooi voor de zoektocht naar het Goede Leven is dan ook met nadruk gericht op deze mensen.

    We hebben democratieën ontworpen omdat we de vrijheid van het individu hoog aanslaan. Omdat we vinden dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan. Omdat we met z’n allen de verantwoordelijkheid willen dragen voor een goed leven met gelijke kansen voor iedereen die zich binnen de grenzen van onze samenleving bevindt. Als publieke personen zich niet meer in kunnen leven in de mensen waar het over gaat, dan is dat strijdig met de fundamentele waarden van de democratie. Juist voor hen is het belangrijk om stevige morele grondvesten te hebben in het leven en te weten waar ze naar streven.

    Gezien de huidige politieke ontwikkelingen in Nederland is de vraag naar waar we voor staan hoogst actueel. Neem minister Donner. Wat ligt er ten grondslag aan de reden dat hij een extra wet in wil voeren die er voor zorgt dat kwetsende opmerkingen ingeperkt worden? Maakt hij zich zorgen om mogelijke gevolgen en is het een manier om rust te creëren en excessen in te perken?  Heeft hij misschien de overtuiging dat we met de huidige wet onrecht toelaten? Zijn er grondige overtuigingen die hem tot dit voorstel doen besluiten of is het de angst voor het onbekende? Hoe ver kun je gaan om de veiligheid te garanderen zonder de vrijheid te verliezen?
    Of Minister Zalm, is hij in staat zich in te leven in een situatie waarin het bijna onmogelijk lijkt te eindjes aan elkaar te knopen? Kent hij de klemmende druk van het gebrek aan geld? Waar wordt het inperken van overheidsvoorzieningen strijdig met menswaardigheid en gelijkheid? Met welke overtuiging komt hij tot dergelijke beslissingen?
    En Minister Verdonk, wat is er door haar heen gegaan toen bleek dat  Somalië onveilig was en er onder haar hoede mensen terug zijn gestuurd die nu wellicht niet meer leven? Wat is haar opvatting van een ‘schrijnende situatie’? Wat gelooft ze over het opvangen van mensen in noodsituaties?
    En waar heeft minister President Balkenende het over als hij over een waarden en normendebat spreekt? Waar staat hij zelf voor en wat is de reden dat hij denkt dat de samenleving baat heeft bij zo’n debat?

    Er is maar een manier om antwoord te krijgen op deze vragen en dat is door ze te gaan stellen. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Martha Nussbaum geeft ons de middelen in handen voor een interessant experiment. Ik ga bij politici langs om ze aan het woord te laten over de morele moeilijkheden waar ze tegen aan lopen. Een onbevooroordeeld interview, een open gesprek. Dat interview publiceer ik op Literair Nederland. Aan de hand van de antwoorden stellen we dan een literair advies op.

     

    Martha Nussbaum, Wat Liefde Weet, Boom 2002
    Martha Nussbaum, Cultivating Humanity, a classical defense of reform in liberal Education, Harvard University Press 1998