• Feminisme avant la lettre?

    Feminisme avant la lettre?

    Jente Posthuma studeerde Frans en Literatuurwetenschap en werkte als journalist voor onder andere De Groene Amsterdammer, NRC Next en De Volkskrant. Haar boek Waar ik liever niet aan denk uit 2020 kreeg lovende recensies. Posthuma kreeg de vraag om oude heksenverhalen uit Overijsselsche sagen uit 1914 te hertalen in modern Nederlands. Het werden er drie, nu gebundeld in dit boek, aangevuld met een essay waarin ze probeert verbindingen te leggen tussen hedendaags feminisme en de heksenvervolgingen in de Middeleeuwen en later.

    Wat is dat toch met heksen? Op het moment dat deze recensie geschreven wordt, legt Susan Smit, ook schrijver en zelfverklaard heks, bloemen op de Dam voor de slachtoffers van de heksenvervolging. Er wordt gepleit voor een nationaal monument. Twee dagen later verschijnt een artikel in de Volkskrant waarin staat dat heksenvervolgingen in Europa zeker aan 16.000 mensen het leven kostten. Het artikel bevat een tijdlijn, een kaart van Europa en een opsomming van de plaatsen in Nederland waar de meeste heksen werden geëxecuteerd. Schiedam, dat begin dit jaar een heksenmonument oprichtte, spant de kroon in Nederland, in Europa is Duitsland kampioen heksenverbranding.

    Stereotype

    Historici hangen twee verschillende theorieën aan over de vervolging van heksen. Een deel stelt dat heksen vaak werden aangewezen als zondebok voor onverklaarbare natuurverschijnselen, anderen beweren dat de kerk heksen verbrandde om ongelovigen te overtuigen, vooral op plekken waar de katholieke kerk botste met de protestantse. Heeft het met de tijdgeest te maken dat we onafhankelijke en sterke vrouwen eren?

    Hoe dan ook, Posthuma beweert in haar boek dat heksen het stereotype waren van zelfstandige vrouwen, of vrouwen die te lelijk, te oud, te knap, te verleidelijk waren. Ze schrijft ‘[…] Vrouwen die lazen. Vrouwen die niet wilden trouwen. Kinderloze vrouwen. Vrouwen die hard praatten. Vrouwen die genoten van seks. Vrouwen die erg aanwezig waren. Vrouwen die zich vaak terugtrokken. Vrouwen die zelden de mis bijwoonden. Vrouwen die altijd de mis bijwoonden. Vrouwen met een bleke huid. Vrouwen met een donkere huid. Vrouwen met veel moedervlekken. Vrouwen die hun intuïtie gebruikten. Vrouwen met een karakter.’ Oftewel: vrouwen voor wie mannen bang waren of die ze niet aan konden. Slimme, onafhankelijke, sterke vrouwen: mannen in de Middeleeuwen gruwden daarvan. Posthuma vindt dat heksen aan een vorm van herwaardering toe zijn. Het waren juist niet de vrouwen die de slechterik waren.

    Drie oude sagen

    De drie sagen die Posthuma in dit boek een moderne versie gaf, zijn ruim inwisselbaar voor allerlei andere verhalen over heksen, kobolden, witte wieven en wat je nog meer hebt. Waarom ze juist voor deze drie koos, is niet helder. Ze lijken willekeurig gekozen. Wat Posthuma ermee doet is ze een modern tintje geven. Heksen zijn vooral slachtoffer in de oude verhalen. Posthuma geeft ze een aantal kenmerken waardoor ze meer voor zichzelf opkomen dan in de oorspronkelijke versies. Mannen zijn de boosdoeners in de drie verhalen en zijn in deze bewerkingen uiteindelijk de onderliggende partij.

    Posthuma brengt een soort doorlopende lijn aan in de verhalen die oorspronkelijk los van elkaar staan. Ze laat daarmee als het ware een vorm van solidariteit ontstaan tussen de als heks aangemerkte vrouwen. En die solidariteit zou je weer kunnen zien als een pre-moderne versie van wat we nu feminisme noemen. De vrouwen worden gerehabiliteerd en dat is mooi, maar de draai die Posthuma eraan geeft, heeft weinig te maken met de oorspronkelijk moralistische lessen die de oude sagen aan de Middeleeuwer mee wilde geven. Van dat moralisme blijft in deze versies weinig over. Posthuma’s prettig leesbare taal sluit daar niet bij aan. Het wordt vaak gemaakt grappig. De verhalen zijn gemakkelijk en leuk om te lezen, en daarmee is er dan ook bijna alles over gezegd. De anekdotische waarde overstijgt niet de boodschap, mocht die er in zitten.

    Essay

    Het essay dat in dit boekje is opgenomen heet ‘Trut’, waarmee Posthuma verwijst naar een columnist en enkele deskundigen en wetenschappers met een mening over de berichten en theorieën die over heksen en heksenvervolgingen de ronde doen. Later nuanceert ze deze benaming overigens weer. ‘Wie ben ik om Elma Drayer een trut te noemen?’ In het essay probeert ze de lading die ze in de verhalen voorzichtig aanbrengt wat door te trekken: vrouwen moeten meer voor zichzelf opkomen, zijn nu nog te vaak slachtoffer en daar kunnen ze en moeten ze zelf wat aan doen: kom op voor jezelf! Ze windt zich, zeer terecht, op over hoe vrouwen sinds mensenheugenis zijn neergezet. Er worden verbindingen gelegd met emancipatie, feminisme en masculiene overheersing, maar wat ze nu eigenlijk wil zeggen over hoe het allemaal wel moet en hoe we daar een rol in kunnen en moeten spelen, is totaal niet duidelijk. Is dat wellicht de achtergrond van de hedendaagse heksenverering of heksenwaardering? Moet de moderne vrouw meer heks zijn? En wat dan met de man?

    In dit essay speelt Posthuma’s vader een rol, wellicht om er wat meer inhoud aan te geven. Hij probeert haar duidelijk te maken dat ze niet boos moet zijn. Over zichzelf zegt hij: ’Boosheid is misschien niet mijn meest voor de hand liggende emotie’, waarop zijn dochter zegt: ‘Wat goed.’ ‘Ja,’ antwoordt hij, ‘maar het is niet zo dat ik me nu ineens bevrijd voel, hoor.’
    Een essay heeft een doel nodig: wat wil ik als schrijver bereiken en duidelijk maken? Dat doel ontbreekt hier.

     

     

  • Jaloers op de kraai

    Jaloers op de kraai

    Donald Niedekker is dichter en schrijver. Hij publiceerde met fotograaf Harold Naaijer een aantal reisboeken. Hierna publiceerde hij een lange lijst aan romans, novellen en dichtbundels. Zijn romandebuut is Hier ben ik uit 2002. Met zijn laatste roman, Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost (2022), won hij de F. Bordewijk-prijs en stond hij op de shortlist van de Boekenbon Literatuurprijs. Het boek is ook genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2023.

    Voor en tijdens het schrijven aan die laatste roman schrijft hij Kraai, een novelle. Het lijkt een soort dagboek, zich afspelend in voorjaar en herfst, met allerlei poëtische en filosofische observaties over de natuur in zijn woonomgeving in de kop van Noord-Holland, en dan met name over de kraai.

    Op sommige momenten is deze novelle bijna een prozagedicht. Niedekker geeft prachtige beschrijvingen van zijn waarnemingen in zijn omgeving: roodborstjes, koeien, gras, wolken. Alles komt bij hem binnen. Vooral kraaien. ‘Kraai, waar ben je?’ luidt de eerste regel. De ik-figuur (laten we aannemen dat het de schrijver is) spreekt de kraai rechtstreeks aan. Hij roemt zijn gekras, de conversaties die de kraaien onderling voeren, de rust en kalmte die ze uitstralen.

    Zijn vrienden de kraaien

    Hij beschouwt de kraai als de inspiratiebron om te schrijven. ‘Als ik met jou praat is het alsof ik met de nacht praat, die opent naar een ander licht, die uitzicht biedt op een vergeten kust.’ De kraai verleidt hem om het schrijven op te pakken en ermee door te gaan. Niet alleen met deze novelle, ook met de roman waaraan hij bezig is en die hem soms tot radeloosheid en wanhoop brengt. Maar telkens zijn daar weer zijn vrienden de kraaien die hem allerlei inzichten aanreiken. Ze zijn de wake-up call, de kraaien zeggen hem door te zetten met schrijven, en leren hem observeren. Ze zijn de schildwachten, omroepers, boodschappers.

    Vroeg in de morgen, als de schrijver zijn tai chi- en andere gezondheidsoefeningen doet en als hij allerlei poëzie reciteert om in het ritme van het schrijven te komen, roepen de kraaien door hun gedrag en hun conversatie van alles bij hem op. ‘Je roept een gat in de tijd.’ En: ‘Kraaienochtenden geven stevigheid aan het begin van de dag. Houvast.’ Behalve Nederlandse reciteert de schrijver ook Chinese en Japanse poëzie.

    Het kraaigekras versterkt voor hem de verstilling van de ochtend. Het reciteren van poëzie beschouwt de schrijver als vingeroefeningen. Het lijken rituelen, net zoals zijn tai chi-oefeningen: een soort ‘ambachtelijke bedding’. Al deze rituelen ervaart hij als meditatie die hem in de juiste stemming brengt om te schrijven. ‘Onderhand is schrijven voor mij ademen geworden.’

    Afgunst

    Niedekker vergelijkt de kraaien met zijn eigen soortgenoten, de mensen. De kraai is in zijn ogen eerlijk, heeft geen verborgen agenda. De vanzelfsprekendheid van het bestaan van een kraai vervult hem soms met afgunst. Die jaloezie op de kraai wordt mooi beschreven. ‘Doen, zijn en doel’, zo kijkt hij naar die zwarte vogels. De kraaien lijken zo onbekommerd direct te leven, zonder tussenkomst van gedachten over wat hoort, wat moet, wat niet mag en wat niet hoort. ‘Ons gedrag [als mens] valt zelden samen met onze intenties.’

    En daarbij gaat het hem niet zozeer om te leven als een vrije vogel of iets dergelijks; hij geeft aan dat de kraai meer is dan een vogel, hij is een symbool en dan niet voor de dood of voor rouw, maar voor eerlijkheid, ongecompliceerdheid en ook voor een bepaalde mate van intelligentie. De natuurobservaties zijn uitgebreid, helder en prachtig, poëtisch en filosofisch. De schrijver ziet alles: mieren die door een roodborstje worden gegeten, koeien in wier ogen hij verdrinkt, luchten, onweer, de voortschrijdende zomer met zijn hitte en zijn buien. Alles komt voorbij. Ook daarin schuilt de rust die de schrijver nodig heeft om te schrijven. Het toont zijn verbondenheid met de aarde en de natuur.

    Onzekerheid

    Zoals gezegd heeft Niedekker aan Kraai gewerkt tijdens het schrijven van Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost. Hij vermeldt dat ook in deze novelle. ‘Een boek is af, aan een ander moet, wil ik beginnen, maar ik vind de juiste ingang niet…’ Hij deelt zijn onzekerheden rondom het schrijven, het vinden van de juiste woorden, het buitensluiten van de wereld die de actualiteit aan hem opdringt. Hij wil in zijn eigen wereld of liever in die van de kraai zijn en blijven. Hij wil niet gebonden zijn aan de wetten van de ruimte. Maar ‘De inkt kruipt waar hij niet gaan kan’. En dan hoort hij weer het gekras van zijn kraai. ‘Je bent ook in mij, als een gedicht, een haiku, als een grondtoon of middelpunt waarin ik me kan terugtrekken en tegelijk met al het zijnde verbonden weet. Een punt dat alle punten insluit. Jij bent mijn houvast.’ De kraai als beschermer van zijn denken, zijn schrijven, zijn wereld.

  • Zoektocht naar een Rus

    Zoektocht naar een Rus

    Roy Jacobsen (Oslo, 1954) schrijft romans, korte verhalen en kinderboeken en wordt gezien als een van de belangrijkste auteurs van Noorwegen. Ogen van de Rigel is het derde deel van een trilogie. De vorige delen zijn: De onzichtbaren en Witte zee. Alle drie de boeken spelen zich (gedeeltelijk) af op het kleine eiland Barrøy, een fictief, bewoond eiland waar de bewoners het harde dagelijkse leven aan den lijve ondervinden. Jacobsen baseert zich op de dagelijkse realiteit van de Noorse eilandbewoners. De drie delen zijn los van elkaar te lezen.

    Ogen van de Rigel speelt zich af in 1946, vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog waarin Noorwegen zwaar heeft geleden onder de nazidictatuur. Hoofdpersoon is Ingrid Marie Barrøy. In deel twee van de trilogie heeft ze kennis gemaakt met Alexander, een Rus die op het eiland aanspoelde nadat het Duitse schip de Rigel, waarop hij als krijgsgevangene werd vervoerd, voor de kust van het eiland verging. Ingrid heeft hem verzorgd en beschermd tegen de Duitsers en de collaborateurs.

    Ze heeft een dochter van tien maanden, Kaja, die steeds meer gaat lijken op Alexander, die inmiddels van het eiland vertrokken is omdat hij terug wilde naar Rusland. Het is een gevaarlijke tocht en Ingrid weet niet of hij het heeft overleefd. Ze besluit hem achterna te gaan, samen met Kaja.
    Wat volgt is een beschrijving van deze reis dwars door Noorwegen, grotendeels te voet, waarbij Ingrid dezelfde route probeert te volgen als Alexander. Onderweg ontmoet ze veel mensen die ze allemaal naar hem vraagt. Sommigen weten niets, anderen willen niets zeggen of geven vage antwoorden. Iedereen reageert op de ogen van Kaja die sprekend op die van Alexander lijken. De halsstarrige Ingrid vervolgt haar tocht, want ze is er heilig van overtuigd dat Alexander nog leeft en op haar wacht.

    Wantrouwen

    De reden waarom veel mensen afwijzend zijn op de vragen van Ingrid heeft alles te maken met de manier waarop veel Noren gecollaboreerd hebben met de Duitsers tijdens de oorlog. Met andere woorden: wie kun je nog vertrouwen? Ingrid merkt wel dat ze met een aantal mensen te maken krijgt die in de oorlog een dubieuze rol hebben gespeeld.
    Op een gegeven moment komt ze terecht bij vader en dochter Hermann en Mariann. Na veel duwen en trekken willen zij wel iets over Alexander vertellen, hoewel er dan nog steeds raadsels overblijven. Dat stimuleert Ingrid om door te gaan met haar zoektocht. Uiteindelijk arriveert ze bij een oudere man, Henrik, die vertelt dat Alexander een poos bij hem op de boerderij heeft verbleven. Hij vertelt ook dat Alexander een vriendin en een kind heeft in Rusland.

    Na nog een aantal ontmoetingen en treinreizen door Noorwegen om informatie te verzamelen gaat ze ten langen leste onverrichterzake terug naar Barrøy. Daar komt Mariann haar opzoeken en Ingrid hoort van haar dat ook zij met Alexander heeft geslapen in de tijd dat hij bij haar en haar vader in huis was. Daarmee eindigt deze roman, nogal abrupt. In het nawoord wordt nog verteld dat Alexander in Rusland als landverrader werd beschouwd en dat hij naar een werkkamp in Siberië is overgebracht, waarna elk spoor van hem doodloopt.

    Vaag

    De roman geeft prachtige beschrijvingen van de natuur waar Ingrid doorheen loopt; het lijkt Jacobsen soms meer om die beschrijvingen te gaan dan om zijn personage. Hij kent het land met zijn afwisselende landschappen goed en kan dat mooi weergeven. De verhaallijn is wel heel erg dun: de drijfveer van Ingrid om Alexander te zoeken. Is ze nou zo koppig of zo eenzaam, of is ze geestesziek, dat ze de Rus achterna gaat? Wat wil ze nu eigenlijk te weten komen? Dat hij alleen van haar houdt? Dat hij bij haar wil zijn? Waarom is hij dan weggegaan? En waarom gaat ze terug naar Barrøy? Baalt ze ervan dat Alexander een ander heeft/had? Is ze teleurgesteld, boos, verdrietig, wat? Door alles wat Ingrid meemaakt merk je wel dat er iets met haar is, maar niet wat. Ze blijft een uitermate vaag personage, van wie je de drijfveren niet kunt achterhalen.

    In een schetsboek houdt Ingrid bij wie ze onderweg ontmoet en ze maakt wat aantekeningen en schetsen van de natuur. Dat ze dat doet wordt steeds weer genoemd, maar wat daar de functie van is blijft ook ongewis. In een verhaal wil je je graag inleven in en meeleven met de hoofdpersonages. In Ogen van de Rigel krijg je daar de kans niet voor. De roman geeft te weinig antwoorden op de vragen die zowel Ingrid als de lezer zich stellen, waardoor het lezen ervan erg onbevredigend is. Het boek lijkt veel op een streekroman zoals we die in een stereotype voor ogen hebben. Er wordt heel veel beschreven, maar weinig essentieels verteld. Wellicht dat Jacobsen daarom zo beroemd is in Noorwegen: hij is lyrisch over het land.

     

     

  • Dobbermannen

    Dobbermannen

    Hanz Mirck schrijft al ruim dertig jaar poëzie en proza, is stadsdichter geweest van Zutphen en Apeldoorn, schrijft actualiteitsgedichten en is docent creatief schrijven aan de Schrijversvakschool, en Nederlands in het voortgezet onderwijs. Hij publiceerde eerder o.a. Wegsleepregeling van kracht, Met andere ogen en veel actualiteitsgedichten voor de VPRO.

    Sirius is zijn tiende boek. Het bestaat uit, zoals hij het zelf noemt, honderd fabels. De vraag die gesteld kan worden: is het een bundel met poëzie, is het proza, zijn het prozagedichten? Maar uiteindelijk is het niet zo belangrijk om daar antwoord op te geven. Mooi is dat inhoud en vorm fijn en in balans op elkaar inspelen.

    Mirck was door de omgang met vluchtelingenkinderen op zijn school geraakt door de verhalen die hij hoorde en die hij ze liet vertellen in de klas. Hij was op zoek naar een metafoor om vanuit het perspectief van de vluchteling te kunnen schrijven. Hoe is het om de taal niet te spreken, altijd in de underdogpositie te zijn, afhankelijk te zijn, gedomesticeerd te worden?  Als gedachte-experiment verplaatste hij zich in zijn hond, die dingen voelt die een mens niet kan begrijpen, zoals iemand uit een andere cultuur ons niet altijd kan volgen. En wederzijds.
    Sirius is de helderste ster aan de nachtelijke sterrenhemel van het sterrenbeeld Grote Hond en staat bekend als de Hondsster. 

    Mengvorm van perspectieven

    Sirius bestaat uit drie delen: De hel, Eden, De hemel. Honden, vluchtelingen: het perspectief van waaruit de fabels worden verteld is de ene keer een hond, de andere keer een vluchteling of het is helemaal niet duidelijk wie er vertelt, of het is een mengvorm van beide perspectieven. Heel sterk gedaan. Parallellen tussen een hond en een vluchteling zetten je als lezer aan het denken: gaan wij zo om met, denken wij zo over de hond/de vluchteling?

    De hel beschrijft vooral door welke ellende zwerfhonden en vluchtelingen moeten gaan voordat ze in een ‘veilige’ wereld belanden, hoe ze zich moeten aanpassen, hoe ongelijkwaardig en honds ze behandeld worden, hoe weinig ze waard zijn. ‘Alle beesten zijn gelijk, maar sommigen hebben meer gelijk dan anderen,’ parafraseert Mirck George Orwell.  

    Eden beschrijft de aanpassing en gewenning. Hoe een vluchteling een straatverkoper wordt, hoe een hond een rol kan spelen als waakhond of als speurhond. ‘Ik mocht binnenkomen als ik niet gevaarlijk was en omdat ik binnen mocht komen was ik niet meer gevaarlijk.’ In dit deel staat ook centraal wat iemand die afhankelijk is van anderen als het over leven en dood gaat, over bestaan of niet bestaan zich moet laten aanleunen. Het gaat over macht en bevestiging van die macht; je likt de hand die je voedt, terwijl die hand jou zoekt om de dank te aanvaarden.

    Brandweerman

    Het derde deel, De hemel, wordt opgehangen aan het verhaal van de Malinese asielzoeker die in Parijs een kind van een balustrade redt en bekend werd als de Spiderman van het 18e Arrondissement. Als dank mocht hij brandweerman worden. Hier staat de Hondsster op zijn felst aan het firmament. Maar ook dan is er een schaduwzijde: als je een held bent, kun je je doorgaans van alles pretenderen en dat is hier niet de bedoeling, je moet wel je plek kennen. ‘Gedomesticeerd, ingeburgerd, zindelijk gemaakt, afgericht, aangelijnd, ontwormd, ingeënt, ingeschreven, opgeleid, kortgehouden – alles heb ik over me heen laten komen. Het was de prijs om te mogen thuiskomen. Mijn aanpassingsvermogen wordt gezien als een voorwaarde, niet als een prestatie. Gehoorzaamheid is belangrijk. Hoe kan ik anders een betrouwbare brandweerman worden?’

    Humor

    Sirius geeft een nogal bijtend commentaar op het asielzoekers-/vluchtelingenvraagstuk, hoe wij als het rijke westen omgaan met in veel ogen tweederangs mensen die hun geluk bij ons komen zoeken. De metafoor van honden snijdt hout. Als je nadenkt over hoe jij met je hond omgaat, raakt dat veel aan hoe we omgaan met vluchtelingen. Helaas weer erg actueel. Kijk naar de zwerftochten van nieuw aangekomen asielzoekers in Nederland die slapen in de openlucht, van hot naar haar worden gesleept, geen perspectief hebben. Handje op blijven houden en afhankelijk zijn van de autoriteiten. Pas als je als zwarte de Voice of Holland wint, of als sporter een transfer maakt naar een nog grotere club, kun je wat betekenen, schrijft Mirck. Maar ook dan is het tien keer meer je best doen dan een ander en vooral dankbaar zijn. Sirius is bijtend, maar ook humoristisch. De metafoor van de hond pakt goed uit. Gedragingen van honden en mensen naast elkaar zetten plaatst veel in perspectief, maakt het luchtiger, waardoor de boodschap nog harder binnenkomt.

    Sirius is een mooie, actuele uitgave en prachtig vormgegeven. Naast de tekst staan er in het boek eenvoudige wit-op-zwarttekeningen van honden in al dan niet menselijke poses in het boek, ter illustratie van een aantal centrale onderwerpen. Bovendien sluit de “zwartheid” ervan prachtig aan bij de kleur die vaak aan vluchtelingen wordt gegeven, wat in het boek geregeld terugkomt, bijvoorbeeld in de fabel Zwartjestentoonstelling. Zwart is ook de kleur die bij het onderwerp past: donker, uitzichtloos.

    Naast de honderd fabels bestaat het boek ook uit een voorwoord van Ingmar Heytze, en een nawoord, verantwoording en dankwoord van Hanz Mirck zelf. Plus informatie over de auteur. Dat alles is wat teveel van het goede. Sirius heeft dat niet nodig want de tekst spreekt voor zich en is sterk genoeg. 

     

  • De wereld is groter dan onze blik weet te vangen

    De wereld is groter dan onze blik weet te vangen

    De in Zweden wonende schrijver Sander Kollaard won in 2020 de Libris Literatuurprijs voor zijn roman Uit het leven van een hond. Geboren in 1961 debuteerde hij vrij laat met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012), waarna nog een verhalenbundel en een roman verschenen. Kollaard schrijft geen spectaculair grote verhalen of romans in ruime gebaren en ronkende taal. Hij schetst in een fijnzinnige stijl de beweegredenen van mensen, soms van dieren en voegt daar subtiele humor aan toe. Inhoud en vorm vallen uitermate goed samen. Ook in De kleuren van Anna is dat het geval. Wat begon als een “blind boekje” (serie jubileumuitgaven van uitgeverij Van Oorschot ter viering van het 75-jarig bestaan), met als titel Rood, is uitgegroeid tot een prachtig verhaal over Anna, over de kleuren, over de wereld waarin we leven, ja, over wat niet?

    Het raamwerk van dit boek: vier hoofdstukken gekoppeld aan de kleuren rood, geel, blauw en groen, waarin Kollaard allerlei voorbeelden geeft van feiten en gebeurtenissen waarin deze kleuren een rol spelen of waar ze symbool voor staan. Hij koppelt dit aan diverse actuele gebeurtenissen waarin de zorg om het milieu, de coronacrisis en het vluchtelingenprobleem steeds terugkomen. Hij verwijst naar de Metamorfosen van Ovidius: corona zorgt voor een verandering van de aarde, van de verhouding tussen mensen. De manier waarop de mensheid met het milieu omgaat draagt daar ook een steentje aan bij. Kollaard is kritisch, maar zachtmoedig. Hij weet de oplossingen ook niet.

    Anna

    De tweede verhaallijn gaat over Anna. De ik-figuur komt op zijn wandelingen met zijn hond in het Zweedse dorp waar hij woont Anna tegen, even in de zeventig, die ook met haar hond in en rond het dorp wandelt. Er ontstaat een band tussen deze twee heel verschillende personen. Anna vertelt de ik-figuur het verhaal van haar worsteling met een engel, toen ze een jong meisje was. Het was ’s morgens vroeg, ze voerde de kippen, er lag sneeuw. De engel bezorgde haar een heupblessure waardoor ze nog steeds wat moeilijk loopt.

    Het is een verwijzing naar het Bijbelse verhaal van Jacob die met de engel worstelt, zoals er in dit boek veel verwijzingen naar de Bijbel en de Bijbelse taal staan, evenals naar de oude Griekse filosofen. Anna gelooft dat de worsteling werkelijk heeft plaatsgevonden, omdat ze een paar dagen daarvoor ontdekte dat ze zwanger was: ‘Door die ontdekking lag ik open. Alles kwam binnen. (…) En dus staat alles me nog bij.’

    De ik-figuur waardeert Anna’s openheid en kwetsbaarheid. Er ontwikkelt zich een uitwisseling van allerlei standpunten, oordelen en meningen over van alles en nog wat: actualiteiten, de gebeurtenissen in het dorp, de toestand van de wereld, milieuvervuiling, boskap, de coronacrisis. En over de woede in de wereld die zich onder andere uit in de polarisatie rondom de vaccinaties, in Trump en in eerdere tijden in Hitler en Rosa Parks. ‘Wie woedend is, behandelt zijn naasten als prooi. Wie woedend is bevindt zich niet langer in een menselijke staat”.
    En over macht: ‘Zo bezien is macht een vorm van Literatuur. Machthebbers vertellen een verhaal en gebruiken vertrouwde technieken als retoriek, drama, conflict, intrige, loutering en afronding. Net zoals in de literatuur wordt het grondwerk gelegd door suspension of disbelief: het opschorten van ongeloof.’

    Kleur draagt minder oordeel

    Het virus zorgt ook voor verbinding in het dorp. Bewoners zorgen voor elkaar, doen boodschappen voor de buren, koken voor elkaar. Zo komt de ik-figuur steeds vaker bij Anna thuis, eten ze samen en maakt hij kennis met Zilan, een Syrische asielzoekster voor wie Anna zorgt. Dat is de positieve kant, die Kollaard ook erg benadrukt.
    De schrijver stelt veel vragen in dit boek. Wat zit er in het hart van onze rusteloosheid? Wat beweegt ons? Wat zoeken we? Hij probeert antwoorden te vinden in de wereldliteratuur, in de Bijbel, in de filosofie, bij de oude natuurvolkeren.

    De ik-figuur en Anna filosoferen heel wat af tijdens hun wandelingen. Over kleur bijvoorbeeld: ‘Dankzij jou ben ik het gaan zien, Anna, zei ik. Kleur. Als je er eenmaal op let, is er veel kleur in de wereld. Wie de wereld wil begrijpen, zal kleur moeten begrijpen’. En ook: ‘Kleur draagt minder oordeel in zich dan taal.’ Anna relativeert veel van wat de ik-figuur poneert: ‘Dat lijkt me een tikje overdreven, schrijvertje, zei ze, maar ik begrijp je punt.’
    Anna heeft van een professor zijn bibliotheek geërfd en leest deze van A tot Z. Ze vertelt het verhaal van Gregor Samsa uit Die Verwandlung van Kafka als iets wat de professor is overkomen. De ik-figuur corrigeert haar en vertelt dat het een verhaal van Kafka is. Maar Anna is nog niet bij de K. En bovendien: ‘Dat het verhaal feitelijk niet helemaal juist is, maakt niet uit. Het laat zich goed voorstellen dus wat zou het.’

    Activiste

    Anna overlijdt en de ik-figuur mist haar verschrikkelijk. Hij licht Zilan, die even weg is geweest, in over Anna’s dood. Samen zoeken ze naar manieren om deze te boven te komen. De ik-figuur volgt pluisjes wol van Anna’s baret die aan de takken in de bomen zijn blijven haken in de hoop dat ze zijn rouw verlichten en maakt zo heel wat omzwervingen in het bosrijke gebied rondom het dorp. Hij probeert het raadsel van haar routes te ontrafelen.

    Zilan ondertussen vindt een drone in Anna’s schuur. In het geheugen van de camera ontdekt ze een handvol filmpjes van de boskap en van de ravage op een gekapt perceel. Ook ziet ze allerlei middelen die Anna blijkbaar heeft gebruikt om te protesteren tegen de kap van de bossen, inclusief materiaal om brand te stichten. Anna is een milieuactivist geweest die niet schroomde om grove middelen in te zetten. Als eerbetoon aan de activiste Anna stellen Zilan en de ik-figuur een daad. De gevolgen zijn behoorlijk ernstig, zoals ook de kleinkinderen van Anna ontdekken, die het er wel mee eens zijn.

    Kollaard komt ook te schrijven over de krankzinnige verhalen over het coronavirus die de ronde doen en de mensen die allerlei complottheorieën aanhangen. Hij vergelijkt een Amerikaanse verpleegkundige die ervan overtuigd is dat het vaccin je magnetiseert met Franciscus van Assisi die voor de vogels predikt. De ik-figuur ziet op een illustratie dat de vogels om Franciscus heen zitten en lijken te luisteren naar wat hij predikt. Wat de ik-figuur verontrust is dat ze stil zijn. ‘Het was niet het verhaal dat ik verontrustend vond, maar onze aandacht. We zouden onze stilte als een onheilspellende stilte die zelf de aandacht opeist, moeten opeisen, waarin elk credo, elke ideologie verloren gaat.’
    De kleuren van Anna is een roman  die je over veel zaken laat nadenken en die rijk is aan beelden, humor, historie en inzicht.

     

     

  • Duitse humor

    Duitse humor

    De Duitse schrijfster Iris Hanika (1962) was journaliste voor onder andere de Frankfurter Allgemeine Zeitung en publiceerde diverse romans, waaronder Das Eigentliche, in het Nederlands uitgebracht onder de titel Het eigenlijke. Het boek werd onder meer onderscheiden met de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Preis der LiteraTour Nord.
    Hoofdpersoon Hans Frambach werkt als archivaris bij het Instituut voor Exploitatie van het Verleden, waar hij documenten uit de nalatenschap van één overlevende van de kampen archiveert. Het Instituut moet enorm zijn want Hans werkt op de zestiende verdieping. We leren alleen de receptioniste en Hans’ directe chef kennen. Met de receptioniste heeft hij een ijzige band, zijn chef overdondert hem. Hij stuurt hem naar Shanghai om daar kisten met spullen van een uit Duitsland geëmigreerde Joodse componist op te halen. De chef is alleen maar bezig zich te laten gelden binnen de wereld van de archieven om budget los te peuteren en een naam te vestigen. Het verleden speelt voor hem niet echt een rol.

    Herdenkingsindustrie

    Het Instituut is opgericht om de Duitser te confronteren met het oorlogsverleden en met het gegeven dat niet alleen herdenkingen daarin belangrijk zijn maar ook het duister zelf. Dat was de grondslag van de stichting: ‘Iedereen wist het. Het was geen geheim en stond niet ter discussie. Het was echt het eigenlijke.’
    Hans is eenzaam en niet gelukkig en lijdt onder een schuldgevoel over de Naziterreur. Hij windt zich op over het feit dat hij zo druk bezig is met die zwarte en zware periode uit de geschiedenis, terwijl de maatschappij er steeds onverschilliger voor wordt. Hij verwijt de Duitsers de doodzonde van ‘acedia’ (luie onverschilligheid) en noemt de Stolpersteine en het grote Holocaustmonument in Berlijn producten van de Herdenkingsindustrie: niet gericht op het eigenlijke maar op vermaak, zoals films over de oorlog. ‘Ons verleden is voor het massapubliek compatibel geworden. Ze hebben het goed laten uitrijpen en alle nuances ervan afgeschuurd.’
    Ook ergert hij zich aan het feit dat de kerken zich het Leed toe-eigenen. Ze vergelijken Auschwitz met Golgotha en suggereren zo dat het lijden een hogere zin had. Hans maakt zich vreselijk driftig over de claim die de kerk legt op de ellende van de oorlog en deze gebruikt om haar eigen gelijk te halen. ‘Wat eigenlijk niet te verdragen is, is de volkomen zinloosheid van dat leed. Elk leed. Het is de zinloosheid, niet het lijden dat niet te verdragen is. Omdat die zinloosheid, de zinloosheid van deze misdaad je algauw tot het inzicht brengt dat überhaupt alles zinloos is.’ laat Hanika hem zeggen.

    Hans heeft een vriendin, Graziela, bij wie hij zijn verhaal, zijn eenzaamheid en zijn zwaarte kwijt kan. ‘De enige mens met wie hij praatte, die met hem praatte, de enige mens, een gouden stapsteen in de grijze zee.’ Ze spreken elkaar bijna dagelijks, meestal telefonisch. Hij hoopt een relatie met haar te beginnen, maar Graziela kiest voor haar minnaar, een getrouwde man. Ze praat veel met Hans om haar geluk en haar twijfels over deze minnaar te delen en schroomt niet om Hans midden in de nacht te bellen als de minnaar het uitmaakt. Graziela heeft veel invloed op Hans, die zich gemakkelijk laat manipuleren. Uiteindelijk neemt hij een beslissing.

    Eigentlichkeit en uneigentlichkeit

    Deze roman van Hanika is geprezen om zijn ironische en lichte benadering van een collectief fout verleden in Duitsland. Als Nederlander missen wij misschien wel het een en ander van die, mogelijk typisch Duitse, ironie. Die is niet altijd te duiden en verwijst mogelijk naar bronnen die we in Nederland minder of niet kennen. In 1965 werd een essay gepubliceerd over humor bij Thomas Mann. De schrijver, Käte Hamburger, stelt daarin dat de humor bij Mann berust op een volgehouden contrastwerking tussen “Eigentlichkeit” en “Uneigentlichkeit”.
    ‘Met Eigentlichkeit bedoelt ze de mythes en illusies over de werkelijkheid die in de loop der tijd bij elkaar zijn geschreven, verteld en gefabuleerd en tot een ideologisch conglomeraat gesmeed waarbinnen mensen functioneren en elkaar zand in de ogen strooien. Humor moet je daarin kunnen zien, je moet het willen zien.’ Dit citaat komt uit de zinvolle en behartenswaardige beschouwing over de humor bij Thomas Mann die Kees ’t Hart in zijn laatste bundel (Victorien, ik hou van je, 2021) heeft opgenomen. Voor de humor in Het eigenlijke gaat dat misschien ook wel op.

    De keuze voor de vertaling van de titel van de roman, Het eigenlijke, had treffender gekund. Mooier, passender, duidelijker zou wellicht Het wezenlijke zijn. Tegenwoordig wordt er eigenlijk in zo goed als elke zin (kijk naar de talkshows) ‘eigenlijk’ gebruikt: dat is onnadenkend en mogelijk een uiting van overdreven onzekerheid of valse bescheidenheid of gewoon communicatieve onhandigheid. In de meeste gevallen is het eigenlijk storend en overbodig. Los daarvan heeft Iris Hanika een bewonderenswaardige roman geschreven die een groot taboe op een andere wijze durft te belichten. 

     

  • Een warrige zoektocht

    Een warrige zoektocht

    Alfred Birney is schrijver van De tolk van Java, de winnaar van de Libris Literatuur Prijs 2017 en van de Henriette Roland Holst-prijs van dat jaar. Voor die tijd was hij een schrijver die maar matig werd gelezen. Na het winnen van de prijzen werden er een aantal boeken op de markt gebracht of heruitgegeven. Eind 2020 verscheen De drie rivieren, een bundeling van drie al wat oudere novellen die eerder los van elkaar en in 2017 eerder gebundeld onder de titel De rivieren zijn uitgegeven

    Ze hebben een gemeenschappelijk thema: de ik, meneer B., gaat op zoek naar zijn afkomst waarbij steeds de vraag speelt hoe hij door anderen wordt gezien: als Indiër, als Indonesiër, als Nederlander, als blanke en vooral: hoe ziet hij zichzelf en hoe is hij geworden wat en wie hij is.
    Uit De tolk van Java weten we dat Birney een beroerde jeugd en opvoeding heeft gehad met een zeer gewelddadige vader, een onmachtige moeder en pleeggezinnen. Ook in de drie novellen komen deze thema’s bovendrijven. Als titel hebben ze de naam van drie rivieren. 

    De Lossie 

    De eerste is de rivier de Lossie in Schotland. Meneer B., de ik in de gedaante van een Nederlandse gitarist met een Europees-Aziatische achtergrond, gaat op zoek naar een tak van zijn voorouders (de Birnies) om te achterhalen wat er in die familie gebeurd is, hoe zijn grootvader en zijn vader geworden zijn wie ze waren. Hij ontmoet een geheimzinnige vrouw die hem doet denken aan een personage uit een ballade van Donovan (de Chestnut Lady). Hier beginnen verbeelding en werkelijkheid door elkaar te lopen.
    In deze novelle wordt de geschiedenis van Schotland gekoppeld aan die van de familie, maar het wordt niet duidelijk wat historisch klopt en wat de schrijver erbij fantaseert. Het lijkt erop dat hij erg naar zichzelf toe redeneert over de positieve en negatieve aspecten van zijn potentiële voorgeslacht. Bovendien worden er wel erg veel feiten, data en jaartallen opgesomd.
    Met de geheimzinnige dame uit de stad waar meneer B. verblijft, gaat hij op zoek naar het plaatsje Birnie, waar zijn voorouders mogelijk vandaan zijn gekomen. Onderweg beleeft hij een seksueel avontuurtje met de vrouw, van wie hij in eerste instantie denkt dat ze gek is.      

    De IJssel

    In de tweede novelle verblijft meneer B. in Deventer, aan de rivier de IJssel, waar hij zijn blanke dubbelganger ontmoet, (‘mijn diapositief’, tot vervelens toe steeds weer herhaald) die hem heel, heel erg veel warrige informatie over zijn grootouders vertelt. De dubbelganger blijkt een neef te zijn die op zoek is naar zijn grootmoeder die in Deventer gewoond schijnt te hebben. De ik weet niet wat hij daarmee aan moet. Hij had zelf al een beeld van zijn grootouders opgetrokken en dat wordt nu deels onderuit gehaald door de verhalen van zijn neef. En passant wordt er nog verwezen naar de Chestnut Lady bij wie hij mogelijk een kind verwekt heeft.
    Een warrig geheel, deze novelle. Ook hier is niet duidelijk wat er zich daadwerkelijk heeft afgespeeld in het verleden. Het lijkt erop dat de schrijver zelf ook niet uit zijn verhaal komt. Het eindigt met de twee mannen aan de IJssel waar ze hun gesprek afronden en behoorlijk dronken worden.

    De Brantas

    De derde novelle speelt zich af in Jakarta, aan de rivier de Brantas die er met de haren wordt bijgesleept en verder geen functie vervult. ‘Wonen aan een rivier is in Nederland voor de rijken, in Indonesië voor de armen’, schrijft Birney treffend. Ook hier is hij als meneer B. druk bezig met zijn verleden: we krijgen meer over hemzelf te horen, zijn gewelddadige vader, de depressies en psychoses die de schrijver doormaakte, hoe hij in Nederland eerst werd gediscrimineerd en hoe hij daar uiteindelijk, mede door de muziek, een plaats verwierf. Waar hij het meest tegenaan loopt is het feit dat hij niet weet wat hij is: een ‘blanke Indo’ of een ‘Indonesische blanke’. En op deze bedevaart komt hij er ook niet uit. Hij blijft zich de buitenstaander voelen.

    Het is verbazingwekkend dat deze schrijver zoveel lof krijgt toegezwaaid. Stilistisch is het niet sterk wat hij schrijft. Zijn woordkeus is vaak ongelukkig, de verhalen zijn warrig verteld en zitten vol storende herhalingen. Het egodocument of verondersteld egodocument De drie rivieren overstijgt het niveau van private ideeën en gedachten helaas niet.

     

     

  • De binnenstaander

    De binnenstaander

    Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, Vrij Nederland, HP/De Tijd en vtwonen.  Vluchthaven is haar tweede roman, na Achterland.


    De roman beschrijft het verhaal van Hannah, die naar het geboorteland van haar Indonesische (stief)opa reist om daar diens as uit te strooien. Het is niet alleen een reis om die handeling uit te voeren, maar ook en vooral een reis naar de geschiedenis van haar opa, van die geheimzinnige man die zich niet liet kennen. Opa was de ‘glimlachman’, die zijn geschiedenis voor zich hield. Van zijn negende tot zijn dertiende zat hij in een (Jappen)kamp en maakte daar veel gruwelijks mee. Na een hersenbloeding kwam dat alles steeds weer terug, leefde opa vooral in die tijd. Hij schilderde daar donkere doeken van, maar bleef erover zwijgen.

    Portret van oma

    En dan overlijdt hij. Als enige kleindochter had Hannah een bijzondere band met hem, en met haar oma. Ze trekt veel met haar oma op. Van den Dool schetst een erg liefdevol portret van vooral haar oma. De rol die zij in het leven van opa (haar tweede echtgenoot, na een eerste huwelijk met een gewelddadige man) speelde, de liefde die zij voor hem had, maar ook de ondergeschikte rol die zij zich uit dezelfde liefde had aangeleerd. ‘Was ik me toch niet sluipend gaan gedragen naar de wetenschap dat we geen enkele bloedlijn deelden, alleen dat mooie mensje dat hij vlak voor zijn vijftigste alsnog in zijn armen gekluisterd had?

    Ongeluk om geluk te verdienen

    Op Bali vraagt Hannah zich af: ‘Als hij [opa] had kunnen kiezen, had hij dan niet liever [hier] willen blijven?’ Ze vergelijkt de wereld waar ze op dat moment is met foto’s en films die ze daarover heeft gezien en daardoor valt de werkelijkheid haar tegen. Ze vergelijkt het Veluws huisje waar opa en oma leefden met de hutjes in Indonesië en constateert dat er niets nieuws onder de zon is. Voor verbazing is geen plaats: het is voor haar al bekend. Hannah is op zoek naar haar plaats in de wereld van haar opa en vraagt zich af wat ze zelf achterlaat en wat ze zoekt. En als ze nu niet hier en niet thuis is, waar is ze dan? Ze trekt een parallel met het schrijven aan een afstudeerscriptie over geluk in de literatuur waar ze in het dagelijks leven mee bezig is: ’In verreweg de meeste westerse verhalen is, kortom, een flinke portie ongeluk nodig om geluk te verdienen.’

    Calvinistische gedachtegang

    Hannah vraagt zich af of dat ook geldt voor haarzelf en voor haar opa. En hoewel opa zich atheïst noemde en ook Hannah niets van het geloof van haar oma wil weten, kun je je niet aan de indruk onttrekken dat we hier te maken hebben met een wel erg calvinistische gedachtegang. Op Bali vindt Hannah alleen maar onoprechtheid. De toeristen die ze daar ontmoet, zijn er alleen maar om gezien te worden door elkaar. Hun wereld is een oppervlakkige; ze zijn niet geïnteresseerd in de echte cultuur en de bewoners van het land. Ze besluit naar Lombok te gaan in de hoop daar een geschikte plek te vinden om de as van haar opa uit te strooien. Maar ook daar vindt ze dezelfde tempels, en hetzelfde niet-thuisgevoel. Ze wil terug naar Nederland. Ze vlucht. 

    Klaplopers

    Van den Dool haalt veel overhoop in deze roman. Ze heeft kritiek op het lege leven van sommige toeristen die elders zoeken wat ze ook thuis hebben, de klaplopers die de hele dag bezig zijn voor zichzelf en anderen te bevestigen dat ze in Indonesië zo thuis zijn en feitelijk alleen maar bezig zijn te drinken, te blowen en te doen wat ze ook thuis doen: op het strand hangen en in een hostel socializen.
    Verder geeft de auteur stevig haar mening over een groot aantal zaken die als een soort essayistische uitstapjes door haar roman zijn verweven: over geluk – zoals eerder genoemd -, over liefde, seks, over hoe je een uitvaarttoespraak moet opschrijven, over toerisme, over rouwen en hoe je dat zou moeten doen, over millennials en generatie Z, over wat we leuk vinden. Waarover niet. Elke keer als er weer een gedachte of een idee benoemd wordt, kun je je als lezer afvragen welke vragen je daar zelf over zou kunnen stellen. De roman lijkt daardoor vaak een verzameling columns.

    Vragen

    Van den Dool schrijft in heel lange, ingewikkeld samengestelde zinnen met veel, echt heel veel metaforen; werkelijk alles wordt met alles vergeleken. Dat is erg vermoeiend en niet altijd even duidelijk. Je krijgt amper tijd om adem te halen. En dan is er nog iets: hoeveel vragen kan een romanschrijver zichzelf stellen? Over alles en iedereen, over elke gedachte, over elk inzicht stelt Van den Dool vragen. Alinea’s vol met vragen. Als lezer word je er gek van.

    Deze roman is als zoektocht naar een onbekende wereld zeker geslaagd te noemen. Van den Dool beschrijft met veel gevoel wat haar hoofdpersoon denkt en doet, waar ze achter komt en hoe je vooral je gevoel moet geloven. Maar een redacteur van de uitgever had Van den Dool moeten beschermen tegen haar (te) lange zinnen, het overdadig gebruik van beeldspraak en vooral tegen het stellen van de vele vragen. Het lijkt nu te veel op mooischrijven en dat is jammer, want het talent van Van den Dool staat zeker niet ter discussie.

     

     

     

  • Een zorgvuldig gebouwd werk

    Een zorgvuldig gebouwd werk

    Jannie Regnerus is een schrijver met een klein, zorgvuldig geschreven en fijn oeuvre, waarvan Het Wolkenpaviljoen de laatste uitgave is. Voorheen verschenen onder meer Het lam, De ent en Nachtschrijver, korte maar grote romans met grote thema’s. En haar verslag van haar verblijf van een jaar in Japan heet niet voor niets Het geluid van vallende sneeuw, waarmee ze al aangeeft waar het haar om gaat: niet om grote gebaren, maar om gevoel en stijl, om esthetiek en schoonheid, om zen. 

    Het wolkenpaviljoen sluit daar naadloos bij aan. Het is een kaal geschreven, bijna minimalistische roman, waarin veel is weggelaten, waardoor je veel kunt invullen en eigenlijk ook weer niet. Er staat geen overbodig woord in, maar om dit boek samen te vatten zijn nogal wat woorden nodig.

    Motto

    Regnerus is behalve schrijver ook beeldend kunstenaar en dat is goed te merken. Het begint al bij het motto, een citaat van de schilder Jan Mankes, die kale landschappen schilderde en van wie de wereld noodgedwongen steeds kleiner werd waardoor hij klein moest schilderen. Dat motto luidt: ‘Je kent de teedere kant van mijn werk … Ik voel de blijdschap om dat teedere het sterkst, als ik aan een vinkennest denk, met spinrag en korstmos op een Mei-ochtend’. Later in het boek wordt verwezen naar de schilderende stratenmaker Willem van Althuis, wiens landschappen ook al uitblinken door soberheid.

    Bouwen in betekenis

    Beide kunstenaars vinden we in de hoofdpersoon van Het wolkenpaviljoen terug. Architect Luut vraagt zich mistroostig af hoe zijn achtjarige dochter Tessel zich na de scheiding van haar ouders in twee huizen thuis kan gaan voelen. Jarenlang heeft Luut zorgvuldig gebouwd aan een huis voor zijn gezinnetje, maar als het huis klaar is, is zijn huwelijk voorbij. Luut verliest zijn vrouw, zijn huis en raakt ook zichzelf kwijt.

    Schuldgevoel ten opzichte van zijn dochter, onzekerheid over zijn rol in huwelijk en scheiding, een zekere mate van dakloosheid omdat hij zich nergens thuis voelt, spelen hem parten. Een architect bouwt, is constructief en een scheiding breekt af, maakt kapot, is destructief. Luut moet voor zichzelf weer een huis vinden waar hij zich thuis kan voelen. Daarover denkende komt hij ook in conflict met de architectuur in Nederland waardoor hij bovenal zichzelf terug dient te vinden. ‘Luut weigert nog langer mee te doen aan het opgejaagde bouwen, de huizen die hij ontwerpt krijgen geen tijd om te wortelen’.

    Toewijding

    De begrippen bouwen en wonen, je ergens thuis voelen, verblijven, verhuizen, een dak boven je hoofd, betekenis geven aan wat je bouwt, alles laat Regnerus aan de orde komen als een constante stroom in Luuts gedachten. Zijn vader was metselaar. Luut fantaseerde over hem dat hij een toren bouwde die hem elke dag een stukje dichter bij de wolken bracht, waar zijn vader een paviljoen ging bouwen. De Sagrada Familia van Gaudi is voor Luut een voorbeeld van toewijding omdat er generaties lang gebouwd wordt aan een zinvol project.

    Toewijding is in het werk van Regnerus een sleutelbegrip dat zij ook aan haar hoofdpersoon heeft meegegeven. Of je nu met zorg een stapel stenen metselt, vindt Luut, of een monumentje maakt van een gevonden steentje dat je zorgvuldig op een ander steentje legt, of dat er meer dan honderd jaar wordt gebouwd aan Gaudi’s kathedraal, het gaat om toewijding, zorg en aandacht.

    Japan

    Om met zichzelf in het reine te komen gaat Luut naar Japan, het land waar hij zich als student ook liet inspireren. Hij wil er daar achter komen waar zijn toekomst ligt, losbreken uit de heersende ideeën over architectuur en kijken hoe in Japan wordt omgegaan met bouwen, buiten en binnen, met duurzaamheid en met betekenis geven aan dat wat gebouwd wordt. Hij bezoekt de Ise Jingu-tempel die elke twintig jaar wordt afgebroken en op dezelfde manier weer opgebouwd. Daardoor worden de eeuwenoude constructietechnieken bewaard en doorgegeven. Dat inspireerde de jonge Luut eerder en hij hoopt daar nu weer perspectief  te vinden. ‘… moet hij terug naar Japan (…), niet om daar zijn verleden opnieuw te beleven maar er zijn toekomst terug te vinden’.

    Anekdotiek is in deze roman niet te vinden, tenzij je het verhaal van de duiven zo zou willen benoemen. Een in een verlaten fabrieksgebouw ingesloten duivenechtpaar heeft daar een nest gebouwd van restjes ijzer, zorgvuldig in rondingen verbogen. Het nest was prachtig , maar voldeed niet aan zijn doel: onderin lagen twee koude eieren.

    Onder de oppervlakte

    Regnerus geeft haar kijk op iemands plaats in het leven weer. Waar een mens verblijft is hij thuis en een thuis moet en kan iemand zelf bouwen. Het leven is te bouwen, steentje voor steentje. Elke gebeurtenis, elke gedachte, elke invloed draagt bij aan het bouwwerk van het menselijk bestaan.

    De lezer die deze roman oppervlakkig leest en alleen het verhaal tot zich neemt, zou het saai en vooral braaf kunnen vinden. Maar door de oppervlakte heen raakt je de schoonheid en de zorgvuldigheid waarmee Regnerus Het wolkenpaviljoen heeft gebouwd. Elk woord op de juiste plek, als een constructie waarvan iedere steen even belangrijk is. Het wolkenpaviljoen is een prachtig boek en Regnerus een schrijver die een veel groter publiek verdient.

     

    Lees hier het interview van Just Houben met Jannie Regnerus.

     

  • Waarschuwing van de auteur, het is geen autobiografie

    Waarschuwing van de auteur, het is geen autobiografie

    Schrijver A.H.J. Dautzenberg beoefent vele genres van de literatuur, korte verhalen, toneel, romans, poëzie, essays en autobiografisch werk. Met zijn nieuwste roman Geestman, doet hij een appèl op de verbeelding van de lezer. De roman heeft vijf verschillende verhaallijnen: een zoektocht, een zelfonderzoek, een raamvertelling, een allegorie en een sprookje. Het gaat over een man die een relatie zoekt en een vrouw bij hem thuis uitnodigt. Eenmaal bij hem thuis wil hij haar zo snel mogelijk weer weg hebben. Om aan haar te ontsnappen springt hij uit het raam en komt in een plas water terecht, vanaf dat moment vliegt het verhaal alle kanten op. Via die plas komt hij in een fantasiewereld terecht waarin vogels en mollen tegen hem praten en hem vragen stellen. Hij bevindt zich op een getekend eiland met uitgegumde lijnen, gaat met een mol onder de grond, eindigt naakt in een meertje en komt uiteindelijk weer in zijn eigen huis terecht. 

    Op reis Im Kopf

    Geestman kent verschillende stijlen en is vanuit verschillende perspectieven geschreven. Er komt beeldpoëzie in voor, de briefvorm en thrillerelementen. En dan stopt een verhaallijn opeens, of stapt de schrijver over op een andere vertelvorm en wordt er verwezen naar een huwelijk, een moord. Het geheel is erg knap en consequent gedaan, maar waartoe het leidt? De verteller van een van de verhaallijnen (alter ego van de schrijver?) geeft aan: ‘Ik moet op reis Im Kopf. Het onderbewuste zal daarbij mijn belangrijkste gids zijn.’ En even verder: ‘Nooit eerder heb ik het schrijven als reddingsboei ervaren. Ik vond dat aanstellerij van quasi getormenteerde schrijvers. Tot nu.’
    Dautzenberg geeft zelf de thema’s en motieven van deze roman aan: ‘Toeval. Serendipiteit.’ De vijf verhaallijnen worden hierdoor verbonden en geven ook een zeker houvast tijdens het lezen.

    Het in 2018 gepubliceerde dagboek, Ik bestaat uit twee letters, van Dautzenberg, is ook een taalexperiment. Daarin geeft hij zijn vakantie weer in de taal van de schrijver Dmitri Danilov die in zijn boek De horizontale stand  (2013) het leven beschrijft vanuit een relatieve metapositie, van een afstand naar zichzelf kijkt, wat zich vertaalt in het vermijden van het woord ‘ik’.
    In Geestman schrijft Dautzenberg nu, ‘Na de publicatie van het dagboek Ik bestaat uit twee letters besloot ik niet meer expliciet over mezelf te schrijven en dat meende ik oprecht, ik ben geen ik-schrijver, maar nood breekt wet. En het woord ‘nood’ is op dit moment een eufemisme.’

    Kritisch op alles

    Dautzenberg is nieuwsgierig, experimenteert met taal, vorm en thematiek. Hij stelt zich kwetsbaar op, zijn jeugd, zijn vrouw en zijn familie, alles wordt gebruikt. Daarbij uit hij veel zelfkritiek en lijkt erop uit te zijn zichzelf onderuit te halen. Hij twijfelt letterlijk aan alles wat hij doet, zet vraagtekens bij zijn gedrag, zijn reacties op mensen in zijn omgeving, vraagt zichzelf van alles af, maar vraagt ook veel van zijn omgeving.
    Alleen de herinnering is gebleven en de herinnering is niet genoeg, de herinnering is een groot verlangen’ citeert hij Marcel Möring in zijn dagboek. Dat verlangen naar herinnering is vooral het verlangen naar aandacht en begrip; vroeger van zijn ouders, nu van iedereen om hem heen. Dautzenberg is uit op aandacht, in het middelpunt staan en tegelijkertijd ook niet, zijn onzekerheid bestrijden, kortom, waar elk mens naar streeft: gezien worden.

    Dautzenberg is ook kritisch over allerlei ontwikkelingen en bewegingen in de maatschappij: tv-programma’s waarin iedereen maar een mening over van alles heeft, overheden, rechtspraak, rechtvaardigheid, etc. In Geestman krijgen al deze aspecten van de mens Dautzenberg een plek. De auteur waarschuwt de lezer: ‘Het is geen autobiografische roman, ik laat de verbeelding spreken, mijn obsessies.’ En in die zin zou Geestman ook als een autobiografische roman beschouwd kunnen worden, want de schrijver is nooit ver weg. 

    Geestman zou opgevat kunnen worden als een variant op Batman en Superman, de geest van de man die door Dautzenberg wordt neergezet wordt sterker gedurende de roman, hij maakt keuzes en neemt beslissingen. Bovendien, alles wat de lezer leest, is ontsproten aan de geest van de man. Door de verschillende taalexperimenten en verhaallijnen is het geen eenvoudig toegankelijk boek, maar maakt wel nieuwsgierig en prikkelt de fantasie.

     

     

  • Raadselachtige fascinatie voor een oom

    Raadselachtige fascinatie voor een oom

    De Vlaamse schrijver Walter van den Broeck schreef een indrukwekkend oeuvre bij elkaar. Denk aan zijn grote romans uit de jaren tachtig en negentig, Brief aan Boudewijn of Groenten uit Balen. Enkele jaren geleden schreef hij de pracht roman De vreemdelingeIn een aantal van zijn romans put hij uit of wordt geïnspireerd door de geschiedenis van zijn familie. Zo ook in de roman Niets voor de familie, waarover je zou kunnen discussiëren of dit wel een roman is; het is meer een geromantiseerde beschrijving van het leven van zijn tante Leen en zijn aangetrouwde oom, architect en antiquair Jaak Jacobs.

    Van den Broeck krijgt bezoek van drie architecten die een monografie over de architect Jaak Jacobs willen samenstellen. Zijn interesse is gewekt, te meer omdat hij zich deze oom – die eigenlijk een stiefoom is – uit zijn verleden nog kan herinneren: hij vond het altijd een buitengewoon intrigerende persoon. Jaak blijkt een nogal ondergewaardeerde architect te zijn geweest. Hij heeft een aantal huizen en gebouwen ontworpen en gerealiseerd. Pas veel later bleken ze een zekere kwaliteit te hebben.

    Herinneringen aan een architect

    Samen met zijn herinneringen, een verslag van zijn tante Leen en het materiaal dat de architecten hebben gevonden, schetst hij het leven van zijn tante en dat van zijn oom Jaak. Zijn tante heette eigenlijk Grace en was eerder getrouwd  met ene Charles Wouters met wie ze een zoon heeft, de later als dichter bekend geworden Hugues C. PernathHaar eerste huwelijk ontaardde in scheldpartijen en tante Leen zocht steeds vaker haar rust in het antiquariaat van Jaak, met wie ze uiteindelijk trouwt. Jaak is op dat moment een mislukt kunstschilder, verdient redelijk als architect en heeft een antiquariaat dat meer dient als toevluchtsoord, dan als bron van inkomsten. Hij wordt daar regelmatig opgelicht, o.a. door de eerste man van tante Leen.
    Als Jaak, en later tante Leen overlijdt, staat in haar testament dat niemand van de familie iets zal krijgen.

    Van den Broeck maakt dankbaar gebruik van alle gegevens die voorhanden zijn en schetst een nogal ontluisterend beeld van vooral zijn tante, die een laag opgeleid, volks mens was, ruw in de mond, de schijn ophoudend naar anderen doordat ze met een heuse architect is getrouwd, maar zo vals blijkt als het maar kan. Jaak wordt als een soort slachtoffer geportretteerd; niet zozeer van tante Leen, maar vooral van de omstandigheden in  oorlogstijd, waarin zijn broer heulde met de bezetter, en Jaak lang geen zaken heeft kunnen doen. De twee zorgden op hun manier wel goed voor elkaar; ze leefden samen als zus en broer en consumeerden hun huwelijk niet.

    Vaardig beschreven

    Van den Broeck is een vaardig schrijver, het boek leest gemakkelijk, beelden zijn helder. De lezer kan snel en goed invoelen wat er gebeurt en meeleven met de twee hoofdpersonen. Toch is dit geen roman die lang zal beklijven. De schrijver maakt zich er in een aantal gevallen erg makkelijk vanaf. De karakters van een aantal familieleden blijven nogal ongenuanceerd en zwart-witEr worden  veel zijpaden bewandeld van neven en nichten, verhoudingen in de familie, die geen verdere uitwerking krijgen en niet ter ondersteuning van het verhaal dienen. De relaties tussen vaders, moeders, opa’s en oma’s: het lijkt soms wel een telefoonboek.

    Dan nu, wat is de portee van dit verhaal? Wat is er boeiend aan een tante van een schrijver niets voor de familie overheeft, wat is vermeldingswaardig aan het mislukte leven van een architect. Dit wordt niet duidelijk in deze familieroman. Hij refereert wel aan zijn fascinatie voor zijn stiefoom Jaak, maar ook hier wordt niet duidelijk waar die vandaan komt. En de monografie van de drie architecten, naar aanleiding waarvan deze roman is ontstaan? Die komt er uiteindelijk niet.

     

  • Stilistische rijkdom en ouderliefde in een realistische roman

    Stilistische rijkdom en ouderliefde in een realistische roman

    Een nieuwe roman van Jan Vantoortelboom, de auteur van het alom geprezen Meester Mitraillette. Jagersmaan speelt in de jaren na de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen, in een tijd van opbouw en grote armoede, net zoals Meester Mitraillette. Een tijd die nog steeds veel invloed heeft op het gevoel van achterstand dat veel Vlamingen hebben en op de geslotenheid van dorpsgemeenschappen. Hoofdpersonage Victor werkt op de boerderij van zijn moeder en heeft een meisje in het dorp zwanger gemaakt. Hij kan het kind niet erkennen omdat de moeder getrouwd is. Hij moet daarom en mede door de grote armoede, zijn dorp verlaten.

    Je zou het een vlucht kunnen noemen. Zijn moeder wil dat hij naar Amerika gaat, waar volgens haar de toekomst ligt. ‘Veel grond, veel beesten, vrouw en kinderen’. Victor scheept zich in en terwijl hij staat te wachten op de boot, wordt hij aangesproken door twee ronselaars die namens de Ierse Republikeinse Broederschap proberen hem te rekruteren voor de Broederschap. Victor gaat hier niet op in. Onderweg wordt hij opnieuw lastig gevallen door de ronselaars, een agressief stel. Victor voelt zich in het nauw gedreven en springt in een plotselinge opwelling op volle zee van het schip en spoelt uiteindelijk nauwelijks levend aan op de kust van Ierland.

    Ver weg van Amerika

    In Ierland wil hij niet kiezen tussen verschillende facties van de versplinterde Ierse Republikeinse Broederschap (IRB) en probeert de burgeroorlog te ontlopen. Hij komt terecht bij een schoolmeester die voor zijn dochtertje zorgt. De man wordt geëxecuteerd door een van de elkaar beconcurrerende facties van de IRB en Victor slaat op de vlucht met Kitty, het dochtertje. Na een aantal omzwervingen klopt hij ergens aan om geld te verdienen voor hun levensonderhoud. Hij komt in een slachterij te werken  als rattenvanger. Het is vuil werk dat hem echter goed afgaat. Het meisje brengt hij onder in een afgesloten ruimte bij het bedrijf. Op zeker moment wordt hij bij zijn baas, de Baron geroepen en wordt hij gedwongen een moord te plegen. Hij bedingt dat hij daarna vrij man is. Hij vermoordt uiteindelijk met een schot twee mensen van een concurrerende factie.

    Jagersmaan

    Met Kitty komt hij terecht bij Dolores, waar hij het feest van de jagersmaan meemaakt.
    ‘Het feest van de jagersmaan, het begin van de winter. Dan moeten eerst alle vuren worden gedoofd zodat het pikdonker is en alleen de maan licht geeft, en daarna wordt er een groot vuur gemaakt en er wordt gedanst en iedereen verkleedt zich… Er wordt geofferd, er wordt gejaagd en het zwakke vee wordt geslacht voor de komende winter en alle fruit moet voor vanavond worden geplukt, want daarna is het behekst…. Het is de nacht van de feeën en de geesten van de doden. Dan komen ze voor even terug naar ons, want de deur tussen hemel en aarde staat op een kier.’

    Hij gaat met Kitty naar Dublin om alsnog in te schepen voor Amerika. Onderweg naar de haven wordt de trein door opstandelingen beschoten en sterft Kitty. Voor Victor blijft er niets anders over dan met hangende pootjes in Dublin op zoek te gaan naar de Baron van wie hij wil dat hij een ticket betaalt om terug te gaan naar zijn dorp. Hij beseft dat daar zijn toekomst ligt, bij zijn moeder en zijn dochtertje, ondanks alles. Dat is een duur ticket, Victor. Dat is een erg duur ticket, zei de Baron.’

    Aantrekkende vertelling

    Jan Vantoortelboom is een geweldig verteller. De roman is stilistisch bijzonder knap, de lezer wordt meegezogen in de wereld van de twee vertellers, moeder en Victor, en leeft zich in de motieven van beiden in. Zowel het leven in Vlaanderen ten tijde van armoede als het leven in Ierland, verscheurd door de burgeroorlog, wordt levensecht beschreven. Een prachtige roman over de liefde tussen een vader en zijn dochtertje. Maar ook over de geslotenheid van een man. En over een moeder die uit liefde voor haar zoon hem wegstuurt. Vantoortelboom laat zien hoe sterk een man kan zijn in een overlevingsstrijd die hem uiteindelijk weer terugbrengt naar huis. Door zijn beeldend taalgebruik en inlevingsvermogen weet hij de lezer te overtuigen in deze psychologische en zeer realistische roman. Dit verhaal zou zich zomaar in de werkelijkheid kunnen hebben afgespeeld.