• Lezen, nadenken en beleven

    Lezen, nadenken en beleven

    Erwin Hurenkamp (1993) debuteerde in 2023 als dichter met de bundel Nu we er toch zijn, poëzie over de natuur, met veel invloed van en geïnspireerd door onder andere Ierse mythen en sagen. Pogingen is zijn romandebuut. Ook hier besteedt hij veel aandacht aan de natuur, bomen, bossen, het Ierse landschap.

    Pogingen is een raamvertelling, bestaat uit twee delen en vertelt vooral het verhaal van Ella en in tweede instantie dat van haar zoon Johannes, met rollen voor haar man en haar moeder (omajuud). Als Johannes zeven jaar is besluit Ella weg te gaan zonder het idee te hebben waar naartoe en hoe en wat. Via Frankrijk komt ze uiteindelijk aan de zuidwestkust van Ierland terecht in een klein dorpje. Ze boekt een kamer in een klein en oud hotel, gerund door de eenzame uitbaatster Lina. Ella is de enige gast. Ze voelt zich thuis in de overweldigende natuur van Ierland.

    Waarom ging ze weg? Was het vluchten, maar waarvoor? In haar huwelijk ā€˜werkten veiligheid en routines als een verdovend middel. Er volgden jaren van vergetelheid. Nu doe ik een poging daaruit te ontwaken. Het is niet de man voor wie ik ben weggelopen, maar waar die voor staat – de betekenis die zijn lichaam heeft gekregen.’

    Ontsnappingskunstenaar

    Ella voelt zich ongemakkelijk in het hotel en in het dorp, maar gaandeweg wordt ze geaccepteerd en accepteert ze zelf ook dat ze daar is. Ze ontmoet Conall, met wie ze een verhouding begint en die haar uiteindelijk in het huisje van zijn oma onderbrengt. Ze settelt zich steeds meer, is vaak tevreden, maar soms kriebelt het. De boeken die ze in het huisje vindt inspireren haar om zelf te gaan schrijven.

    Ze schrijft het verhaal van de Selkies dat ze ooit aan haar zoon heeft verteld. Een Selkie is een wezen, een soort zeehond in zee, dat nieuwsgierig is naar het leven op het land. Op zeker moment bedwingt ze haar nieuwsgierigheid niet langer, komt uit zee, stroopt haar huid af en verbergt die. De Selkie wordt verliefd op de man die de huid vindt en leeft haar leven met hem. Als ze de huid weer vindt, trekt ze hem aan en verdwijnt weer in zee.
    Wat Ella ook doet is nadenken over haar moeder: ’Mijn moeder is, net als ik, een bekwame ontsnappingskunstenaar: alles waarvan we in het dagelijks leven niet durven dromen vertrouwen we toe aan de verbeelding, de fantasie.’ Ella blijft schrijven: ā€˜Schrijven is vertrekken, weggaan, iets achter je laten.’

    Conall leidt zijn eigen leven, is veel weg maar als hij thuis is claimt hij Ella. Een oude vriend van hem komt in beeld; de twee mannen en Ella hebben seks, Conall lijkt verliefd op zijn vriend. Ella blijft zoeken en schrijven, praat er met Lina over die haar vraagt waarom ze blijft en haar vergelijkt met ā€˜een vastgegroeide oester aan een rots die blijft wachten tot al haar vragen zijn uitgedoofd, tot het voorbij is’. Ella besluit terug te gaan naar huis, waar ze haar moeder van alles verwijt. Haar zoon Johannes vlucht van haar weg, klimt uit het raam en valt.

    Nog een oester op een rots

    In het tweede deel maakt Johannes als hij drieĆ«ndertig is dezelfde reis als zijn moeder, nadat hij het tijdschrift heeft gevonden dat zijn moeder uit het Ierse hotel heeft meegenomen en dat haar in die tijd inspireerde om haar leven te leiden zoals ze dat toen wilde, dat haar aan het denken zette over haar jeugd, haar verlangens. Johannes is geĆÆntrigeerd door het avontuur van zijn moeder. Hij wil uitzoeken wat haar bezielde en uiteraard ook waarom ze weer terugkwam. Toen Ella wegging, heeft Johannes zich ā€˜vastgezet aan zijn oma, als een oester op de rotsen’.

    Johannes schrijft columns en kookboeken, voelt zich op zijn gemak in een fantasiewereld met bomen en bossen. Hij stelt zich zijn huis voor als de jungle waarin hij zich thuis voelt. Als kind wilde hij een prinses zijn. Zijn relatie met zijn vriend Sem heeft hij uitgemaakt.

    In Ierland boekt hij hetzelfde hotel als zijn moeder. Hij begint een verhouding met barkeeper David en heeft later ook seks met anderen. Het Ierse landschap en de sprookjes van het land zetten zijn fantasie aan het werk. Ook hij begint fictie te schrijven: een sprookje over een boom die een mens wordt. Ook hij voert een strijd tussen vrijheid en gebondenheid. Op aanraden van David gaat hij langs bij Lina die hem vertelt dat ze nog nooit iemand heeft meegemaakt als Ella die zo blij was naar huis te gaan.

    Oervorm was poƫzie

    Hurenkamp toont veel inlevingsvermogen in vrouwen en kinderen. Daardoor is het tweedelige verhaal dat in de roman wordt verteld helder en zijn de personages levensecht. Wat ze meemaken, denken en voelen is meer dan geloofwaardig. Zijn taal is erg poĆ«tisch. Uit zijn poĆ«ziebundel zijn veel thema’s en onderwerpen te herkennen die in de roman terugkomen: het verhaal van de Selkies, de bomen, de natuur, de metamorfoses, Ierland. Je zou kunnen zeggen dat Pogingen een uitwerking is van wat Hurenkamp in Nu we er toch zijn in oervorm in poĆ«zie weergaf.

    Het lezen van Pogingen is niet alleen het lezen van een roman, het is ook lezen, nadenken en beleven van allerlei haast filosofische beschouwingen over queer-zijn, over de natuur, over de verhouding tussen mannen en vrouwen, over waar het leven voor is bedoeld, over metamorfoses. Hurenkamp is zachtmoedig tegenover allerlei personages, behalve tegenover Ella en Johannes. Hij laat ze streng oordelen over zichzelf.

    De roman nodigt uit tot herlezen: de taal sleept je mee, het uitgangspunt intrigeert, de gedachten zijn diep. Zo’n roman waarvan je het jammer vindt dat je ā€˜m uit hebt. Een van de mooiste zinnen in het boek is: ā€˜Maak van mens een werkwoord en vervoeg dat.’ We hebben er een uitstekende auteur bij die nieuwsgierig maakt naar zijn volgende boek.

     

  • Natte armen wijd open

    Natte armen wijd open

    Sholeh Rezazadeh (1989) kwam in 2015 vanuit Iran naar Nederland. Haar romandebuut De hemel is altijd paars (2021) werd bekroond met de Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2022 en met de Bronzen Uil Publieksprijs 2021. Haar tweede roman Ik ken een berg die op me wacht verscheen in 2023. Ze schreef gedichten voor De Gids en De PoĆ«ziekrant en schrijft columns voor de Volkskrant. Neem ruim zei de zee (de titel is al een gedicht) is haar poĆ«ziedebuut in boekvorm.

    Voor de Boekenweek 2025 schreef ze het Boekenweekgedicht – bijzonder voor een dichter die tien jaar geleden met de Nederlands taal kennismaakte. In een interview in Meander (augustus 2024) zegt Rezazadeh: ā€˜Voor mij gaat alles tegelijk. Soms denk ik in het Nederlands, soms in het Perzisch, soms in het Turks. Evenzo schrijf ik afwisselend in het Nederlands en in het Perzisch.’ De eerste regels van het gedicht luiden:

    ‘in welke taal zal ik je woorden geven
    zodat we elkaar opnieuw kunnen vinden
    in welke blik, welke stilte
    gaan we elkaar weer verstaan?’

    Verbinding

    Hierin komt ook het thema waarmee ze zich vaak bezighoudt tot uiting: verbinding. Tussen mensen, tussen culturen, en ook tussen de natuur en de mens. In de oosterse lyriek wordt de natuur vaak gebruikt om een metaforische wereld te scheppen. Denk bijvoorbeeld aan de lyriek van de middeleeuwse Perzische dichter Hafiz: ‘Hoe kan ik mijn vleugels uitslaan / op de winden van samenzijn / als de vogel van mijn hart / aan het ruien is in het nest / van jouw afwezigheid?’

    Kijk alleen maar naar de titel van deze bundel. Rezazadeh zet in veel gedichten de zee, het water, de rivier in om die verbinding woorden en vooral gevoel te geven. ā€˜Iedereen heeft een zee in zich,’ zegt de auteur.

    ‘ik zink, zodra je wegkijkt
    ga ik stilletjes dood’

    Ze personifieert graag beelden uit de natuur die een mystieke sfeer geven aan veel gedichten. Het landschap wordt een persoon die van alles denkt en vindt, van alles ziet en vooral voelt:

    ‘dode liedjes betekenen voor de vogel het sterven
    en die vogel is heimwee
    en je houdt je ogen dicht’

    De dichter kan in het gebruik van al die beelden uit de natuur en vergelijkingen ermee haar sensitiviteit kwijt, veel meer dan in de taal van alledag. Ook andere begrippen dan de zee worden als iets levends gezien of als symbool: ‘de wolken heb ik al gewassen / de maan hangt al aan de muur’. De lezer ziet het direct voor zich, vult in; de natuur spreekt over en voor de mens en diens gevoel.

    Hardop voorlezen

    Bij de eerste kennismaking met Rezazadeh’s ā€˜oosterse’ poĆ«zie is het wennen aan de bloemrijke taal en de bijzondere beelden die de dichter gebruikt. Vergeleken met het nuchtere, directe Nederlands gaat er een wereld open waar je je weg in zult moeten vinden. Als je je eenmaal hebt overgegeven aan die beelden land je al snel in de amen van de natuur. Dat blijkt vooral bij hardop voorlezen van de gedichten aan een ander. Je gaat vanzelf mee in het ritme ervan. Het wekt dus geen verbazing dat Rezazadeh als voordrachtskunstenaar veel gevraagd wordt.

    Een ander opvallend element, als verlenging van de verbinding die de dichter tot stand wil brengen, is de vergelijking tussen haar ā€˜moedercultuur’ (de Iraanse/Perzische) en die van haar tweede vaderland. Er is een aantal verwijzingen te vinden naar beide, bijvoorbeeld naar Vincent van Gogh en naar ‘darya-darya darya dar to/zeeĆ«n zee in jou’, uit het gedicht naast een rivier.

    Uit veel gedichten spreekt een verlangen naar bescherming:

    ‘je hand is mijn huis
    je palm is mijn slaapkamer…
    de ramen zijn altijd open
    en het huis is altijd warm’

    En uiteraard is er de liefde, altijd de Liefde:

    ‘alle ik hou van jou’s die achter onze tanden blijven rotten
    waar moeten we ze uitspugen
    op jouw gezicht of op het mijne?’

    Fantastisch debuut

    Door het gebruik van de taal uit een andere cultuur (om het maar even zo te noemen) wordt de lezer uitgenodigd om langzaam en aandachtig te lezen: weer zo’n tegenstelling met onze overwegend haastige wereld. Geef je je als lezer daaraan over, dan staat je een boeiende wereld te wachten.

    Neem ruim zei de zee is een romantische bundel waarin heimwee, nostalgie, liefde voor de natuur en voor de medemens tegenover de harde maatschappij worden gesteld en zo troost bieden of, zo je wilt, bescherming. De zintuiglijke taal en de metaforen doen de rest, ze geven je een warm gevoel. Een fantastische debuutbundel.

    Tot slot een fragment uit een favoriet gedicht:

    ‘neem me terug
    zodat ik de gebroken stukken uit mijn verstoorde dromen opruim
    ze op de plank leg
    een voor een
    met vingers druipend van gesmolten moed
    leeg van vrees
    om uit elkaar te vallen
    zonder een plakkerige angst om niet meer in elkaar te passen’

     

     

    Neem ruim zei de zee

    Neem ruim zei de zee

    Sholez Regazadeh

    Gedichten

    Uitgever: Ambo | Anthos (2024)

    ISBN 9789026367861

    72 pagina’s

    Prijs: € 20,99

    Buy with Libris
  • Knap gedaan maar ook ingewikkeld

    Knap gedaan maar ook ingewikkeld

    Michelle van DijkĀ (1981) is schrijver en leraar Nederlands. Eerder verschenen haar romansĀ Darko’s lessenĀ enĀ Witter dan sneeuw. Haar hertaling van de klassiekerĀ Van oude mensen, de dingen die voorbijgaanĀ bracht het werk van Louis Couperus bij een nieuw publiek. Kijk niet om! is een merkwaardig boek. Een lappendeken: deels een roman, een deels essayistische stukken over mythologie met verbanden naar de moderne maatschappij, en deels een toneelstuk.Ā Daarbij is het ook nog een liefdevolle kijk op de moeder van de auteur, reflectie op de huidige maatschappij, een pleidooi voor emancipatie. En een waarschuwing aan de moderne mens over de vorming van beelden over de rollen van man en vrouw. Passend in de tijd waarin vrouwen vaak slachtoffer zijn van de beelden die zijn gevormd door opvoeding, sociale media, et cetera.

    De bladspiegel, de inkt dikte van de letters, is aangepast aan elk onderdeel. Het boek bestaat uit drie soorten teksten: het verhaal van de ik-persoon, een lerares klassieke talen, rondom haar moeder, haar verleden en ontmoeting met een jeugdvriend. De ik-persoon schreef een bestseller over bedrog in de oudheid. Deze tekst wordt afgewisseld door essayistische stukken over de Griekse mythologie gekoppeld aan de moderne tijd. Wellicht delen uit haar bestseller? Het derde deel bestaat uit een toneeltekst over een affaire van tante Kate met haar leidinggevende.

    Een boek als een lappendeken

    Daardoor heeft Kijk niet om! drie lagen. Het verhaal van de lerares klassieke talen en over de liefde, het verhaal van de quilt die haar moeder maakt voor een overleden zus én het verhaal van die zus, de tante van de lerares en haar affaire. Als lezer is het, zeker in het begin van het boek, een zoektocht. Waar gaat dit over? Wat hebben de diverse onderdelen met elkaar te maken? Gelukkig wordt dat in de loop van het boek wel duidelijk, al duurt het even. Het boek kent als inhoudsopgave een schema waarin te zien is hoe het allemaal in elkaar zit. Echt helder is dat schema overigens niet.

    De titel van het boek is ontleend aan de mythe van Orpheus die in de onderwereld niet mocht omkijken naar zijn geliefde Eurydice, anders zou hij haar verliezen. Ook die mythe is een waarschuwing. Laat je vooral niet leiden door hoe je gevormd bent door je opvoeding, de normen en waarden van ā€˜vroeger’, het beeld dat bestaat van (de relatie tussen) man en vrouw.

    Recente gebeurtenissen en mythen

    In de klassieke mythen worden vrouwen vaak gestraft voor hun nieuwsgierigheid en ook hun loyaliteit (zoals Orpheus en Penelope). Dat kan ook vertaalt worden als, ze laten zich misbruiken, laten over zich heen lopen. Van Dijk vergelijkt recente gebeurtenissen met deze mythen. Het bekendste voorbeeld is de vernedering van Hilary Clinton (tijdens het Monica Lewinsky-schandaal rondom haar man) en weer later haar verlies van de presidentsverkiezing.Ā Daarmee geeft ze aan dat mechanismen rondom de rol van de vrouw heel diep zijn geworteld en moeilijk zijn uit te roeien.

    Wat opvalt is het gebruik van interpunctie die als een soort middel om te associĆ«ren. Daardoor ontstaan vaak moeizame zinnen: ā€˜Ze moet verder, overziet het zebrapad, de kruising met trambanen, geen trams te zien’. En: ā€˜Ze wenkt dat hij nu door kan lopen, gebaart een soort van ā€˜sorry, mijn fout’, de handpalmen opgeheven naast de schouders, en ziet dan dat hij blijft staan.’

    Verrassende afloop

    Van Dijk wil heel veel vertellen en veel boodschappen doorgeven met dit boek. Ze wijdt nogal uit over co-ouderschap, internetdating, lichamelijke klachten en de oorzaken daarvan, een kind met autisme, rollen van man en vrouw. En overal heeft ze een (uitgebreide) mening over, wat op den duur vermoeiend kan zijn. Daarentegen is de structuur van het boek knap gedaan, maar zoals gezegd, ook ingewikkeld. De diverse delen verhouden zich pas op een laat tijdstip tot elkaar, wat het lezen van dit boek tot een echte zoektocht maakt.

    De toon van Van Dijk, de manier waarop ze alles uitlegt en verbindt, is een echte onderwijstoon, bijna moralistisch, in ieder geval te uitgesproken. Al met al is het een overvol boek. En toch, je blijft wel lezen. Dat is dan weer de verdienste van Van Dijk. Je wilt weten hoe het afloopt en hoe alles in elkaar grijpt. Verrassend is de afloop van het deel over de ik-persoon. Maar lees daarvoor zelf het boek.

     

     

  • Die keer met… taal

    Die keer met… taal

    Marlies Smeenge (1993) is film- en documentairemaker, vooral voor de Nederlandse televisie (over nonnen, butlers, honden) en nu ook schrijver. De Bananenlezers is haar eerste roman. In Antwerpen volgde ze aan het Koninklijk Conservatorium de opleiding Woordkunst, daarna volgde ze Regie Documentaire aan de Nederlandse Filmacademie in Amsterdam en studeerde er af met de tragikomische documentaire Traag naar de Hemel.

    In een interview met De Gelderlander in maart dit jaar zegt Smeenge: ā€˜Woordkunst is een studie waarin alles draait om storytelling; verhalen vertellen in de breedste zin van het woord. Je acteert, volgt mediavakken, schrijft, maakt radioprogramma’s en staat met theaterteksten op het podium. Daarnaast maak je kennis met wereldliteratuur en krijg je stem- en spraakles. Studenten worden zo breed mogelijk getraind om de allerbeste verhalenvertellers te worden. Ik vond alles interessant, maar het was wel overweldigend. Want je kunt onmogelijk alles bijhouden. Al het nieuws, alle theatershows, interessante tv-programma en alle nieuwste boeken… het is te veel.’

    Koikarper

    Dat verhalen vertellen heeft Smeenge nu in praktijk gebracht met de roman De Bananenlezers. Ik-persoon Loekie begint aan de prestigieuze studie Toonkunst op een Belgische toneelschool. Ze komt te wonen in woongroep Kijkdoos, die is gevestigd in een pand waarin ze telkens verdwaalt, nieuwe mensen in onontdekte kamers vindt en nogal weirde personen ontmoet, zoals Axelle en Stefaan 6. De laatste noemt haar koikarper.

    Loekie moet erg wennen aan het (indirecte) taalgebruik van de Vlamingen en valt van de ene onduidelijke situatie in de andere doordat ze woorden niet kent of er een andere invulling aan geeft. Zelf is ze als Nederlandse heel direct in haar reacties, wat ook weer veel spraakverwarring en daarmee chaos veroorzaakt. Soms denkt ze: ā€˜Waar staan die verborgen camera’s?’

    Ook op de toneelschool valt ze van de ene verbazing in de andere. Ze moet rollen spelen en oefeningen doen waarbij ze regelmatig geen idee heeft over het waarom, laat staan dat ze weet wat ze aan het leren is. Loekie onderschat hoe het is om in een ander taalgebied terecht te komen. Vlaams is geen Nederlands met een leuk accent. Vlamingen onder elkaar spreken heel anders, En dan zijn er nog de cultuurverschillen. Kortom, haar leven is zowel privĆ© als op school een behoorlijke chaos. Smeenge in bovengenoemd interview: ’Die cultuurverschillen zijn gróót! Vooral wat niet gezegd wordt in BelgiĆ«, die stiltes; daar moet je echt mee leren omgaan. Het duurde best lang voordat ik vriendschappen kon sluiten.’

    In het diepe

    Om de chaos te beteugelen is Loeki genoodzaakt om veel vragen te stellen aan zowel haar huisgenoten, met wie ze een steeds betere band krijgt, als op de opleiding. De docenten leren haar stapje voor stapje kennen en zij hen, waardoor haar aan het einde van het eerste studiejaar tenslotte duidelijk wordt wat er eigenlijk van haar gevraagd wordt. Ze moet daarvoor uit haar comfortzone stappen en op zoek gaan naar haar innerlijk: waarom en hoe wil ik de opleiding afronden? Wat is de meerwaarde voor mij?

    Ze praat erover met een Jeanne, een ā€˜vriendin’ en nogal sneu meisje dat erg aan haar hangt en ook heel eerlijk is. De twee vrouwen leren veel van elkaar. Loekie leert Jeanne directer en assertiever te zijn, Jeanne leert Loekie geduld te hebben. ā€™ā€Jeanne, fucking kijk naar jezelf. Nee, niet eens dat, neem gewoon even drie seconden de tijd om te voelen hoe je lichaam nu voelt. Dit kan helemaal niet.ā€ ā€œIk geloof niet dat ik kan kiezen om het niet te kunnen,ā€ zegt Jeanne.’ Met haar huisgenoten voert Loeki gesprekken over het leven, de zin ervan, het doel van het bestaan, de taal en nog zo meer. Daardoor kan ze zich in het diepe storten en langzamerhand de controle loslaten, waardoor ze meer vat op haar leven in Antwerpen krijgt.

    Ook een oudere man die ergens in de Kijkdoos woont en van alles heeft gespaard en bewaard, houdt haar een spiegel voor en zij hem. Ze krijgt hem zelfs zo ver een openbare verkoop te houden van zijn chaotische verzameling waardoor hij de warboel in zijn leven en in de Kijkdoos de baas wordt.

    Komisch en ontroerend

    Deze roman is een echt avonturenverhaal, waarin elke hoofdstuktitel bestaat uit Die keer met, plus het onderwerp of het thema van dat hoofdstuk. Smeenge heeft duidelijk iets met taal: de verschillen tussen Vlaams en Nederlands worden volop benut, ze observeert heel goed en kan die observaties uitstekend vertalen in humoristische situaties en misverstanden. Ze associeert er behoorlijk op los en sommige hoofdstukken vliegen alle kanten op. Op het eerste oog zijn het vrij willekeurige, losse verhalen, maar uiteindelijk blijkt alles een rol te hebben en in elkaar te passen, waarmee Smeenge het verhaal mooi rond maakt.

    De Bananenlezers is een meeslepend boek over aanpassen, deelnemen, observeren, cultuurverschillen en taal. De auteur geeft Loekies huisgenoten en studiegenoten een duidelijk en herkenbaar karakter mee, dat ze goed ontwikkelt. Je leert iedereen echt kennen. Bij tijd en wijlen is het boek komisch en vaak ook ontroerend. Met name Loekies sneue vriendin laat je nogal eens stilstaan bij haar leven. Het taalgebruik is helder en vindingrijk, waardoor de roman vlot leest. Maar dat is de bovenlaag. Daaronder schuurt het regelmatig en zit er heel wat ongemak. ’Ik kijk en luister graag naar mensen,’ zegt Smeenge, ā€˜hoe hun onderlinge dynamiek is, hoe ze omgaan met sociaal ongemak. Dat probeer ik te begrijpen, mijn fantasie vult dat vervolgens aan. Dat laatste is trouwens vaak leuker dan de realiteit, wat weer tot nieuwe verhalen leidt.’

    Loekie zegt tegen haar huisgenoten die op de bank hangen en niets doen dat ze ā€˜bananen lezen’. Het betekent zoiets als uitloggen in een situatie. Complete passiviteit. Er wel zijn, maar er niet echt zijn. Niet participeren. De bananenlezers is een regelrechte aanrader en maakt nieuwsgierig naar wat de schrijver voor de toekomst in petto heeft.

     

  • Roman van hoop

    Roman van hoop

    Marieke van der Pol (1953) stuĀ­deerde in 1979 af aan de Amsterdamse ToneelĀ­school en was vijftien jaar werkzaam als actrice. Sinds 1992 schrijft ze scenario’s, onder andere voorĀ De Tweeling,Ā Bride FlightĀ enĀ Zee van tijd. Ze schreef drie romans:Ā Bruidsvlucht,Ā Voetlicht en nu dan Waterland.

    Een ongelukkige, gemankeerde of anderszins niet fijne jeugd is een bron van inspiratie in de literatuur. Denk maar aan ’t Hart, Wolkers, Siebelink en nog vele anderen. Wat moet je dan met een gelukkige jeugd, al die fijne herinneringen aan je (leuke) ouders, vriendjes, omgeving, gebeurtenissen, het weer. Zo’n roman is misschien niet erg spannend, er worden geen diepe zielenroerselen gedeeld, geen verklaringen gegeven waarom de schrijver degene geworden is die zij is. Of zijn wij als lezers zo gehersenspoeld dat we ons graag onderdompelen in de ellende van een ander en dat we daar juist van genieten. Willen we graag negatieve ervaringen lezen om onze eigen gelukkige of ongelukkige jeugd aan te spiegelen. Mag niemand meer een gelukkige jeugd hebben.

    Opgroeien in de jaren vijftig en zestig

    In deze hectische tijden van dystopische beelden uit verre en nabije oorlogslanden en zogenaamde democratieĆ«n komt allerlei ellende onze kant op. Somberheid, hopeloosheid, wanhoop: wij als verwende Nederlanders worden ermee overspoeld. Dan is het toch wel mooi als een schrijver als Van der Pol gewoon voor de lol jeugdherinneringen ging opschrijven. ā€˜Ik ben geĆÆnspireerd door mijn kleinzoon van twaalf. Zodat hij later kon lezen wat zijn oma als kind heeft meegemaakt. Ik had helemaal niet het idee om een boek uit te geven. Heb ook geen research gedaan. Ik ben puur vanuit mijn herinneringen gaan schrijven, uit mijn hoofd. Losse verhalen, maar wel chronologisch.’
    En als je dan zo’n zonovergoten jeugd hebt gehad en van die mooie verhalen kunt vertellen, dan krijg je Waterland. We zouden het een een roman van hoop kunnen noemen. Genieten van een leven zonder sociale media, smartphones, internet en zonder van alles te moeten. Inderdaad, vroeger was het beter klinkt wel eens door in het boek, maar wat overheerst is de positieve herinnering. Van der Pol trapt niet in de valkuil van de streekroman waarin het, behalve over sociale verhoudingen in een bepaalde streek, vaak vooral gaat om leuk en aardig, normen en waarden en nostalgie. Ze voegt wat scherpe randjes toe, zoals grensoverschrijdend gedrag, een depressie, een strenge moeder, een puberale dochter. Gelukkig maar.

    Van der Pol is opgegroeid in de jaren vijftig en zestig. Eerst nog in Amsterdam, later, als haar moeder zwanger is van het vierde kind, verhuist het gezin naar een nieuwbouwwijk in een niet met naam genoemd Noord-Hollands dorp. In korte hoofdstukken beschrijft de auteur dat leven van een jong gezin in de opbouwjaren.Ā  De rode draad in deze korte scĆØnes, je mag ze ook verhalen noemen, is vrijheid. De scĆØnes worden verteld vanuit het kindperspectief. Dat geeft Van der Pol de gelegenheid het frisse, onbezorgde, onschuldige en wat naĆÆeve van haar jeugd weer te geven.

    Liefhebbende moeder

    Moeder is thuis voor de kinderen, bakt en naait en houdt de boel draaiend. Vader bemoeit zich veel minder met de gezinszaken, hij werkt en studeert economie. Vader is een tobber, krijgt wat we nu een burn-out zouden noemen, raakt op een gegeven moment in een depressie, komt zijn bed niet meer uit en wordt opgenomen in een inrichting. Het gezin ontziet hem. Moeder vangt alle klappen op en zorgt ervoor dat de kinderen niet al te zeer onder de situatie lijden. Van der Pol beschrijft deze tijd met een zekere afstand; ze lijkt er inderdaad niet al te zeer onder te hebben geleden en herinnert zich vooral dat ze er niet veel van begreep. Het gezin is katholiek: er wordt communie gedaan, slapen doe je met je handen boven de dekens, er wordt gebiecht. De kinderen moeten een eind fietsen om naar katholieke scholen te gaan. In het nieuwbouwdorp is er gelegenheid genoeg om in de in aanbouw zijnde huizen te spelen, in sloten te vallen, van bergen zand te springen en te glijden en hele dagen buiten te zijn. Moeder maakt zich geen zorgen als de kinderen uren wegblijven, heel wat anders dan de curlingouders vandaag de dag.

    De wereld van de kinderen wordt gaandeweg de roman groter. Van het kleine huis in Amsterdam naar de ruimte van het Noord-Hollandse landschap en een groter huis met licht en ruimte. Van de dorpsschool naar de katholieke school in de stad, van het gezin naar de familie. En zeker als vader opgenomen is komt daar de buitenwereld nog eens bij. Er verschijnen familieleden, waar gelogeerd wordt. Vader en moeder krijgen niet alleen verleden, maar ook een kader. Want wat is er nu precies aan de hand met vader? Waarom studeert hij en lijdt hij daar zo onder?

    Tijdsbeeld waarin mensen gelukkig zijn

    Ook de ik-persoon maakt kennis met andere aspecten van de buitenwereld. Ze wordt aangerand door een jongen uit de buurt die enkele weken later zo’n standje van de moeder krijgt dat hij zich nooit meer zal laten zien.
    De roman kun je ook lezen als een portret van een strenge, katholieke, rechtvaardige moeder die de touwtjes strak in handen heeft en niet veel ruimte lijkt te geven. Ze is echter vooral heel erg liefhebbend: naar haar man voor wie ze onvoorwaardelijk kiest en zorgt en ook (en misschien wel vooral) naar haar kinderen. Het lijkt alsof Van der Pol hier een boodschap meegeeft aan de ouders van nu: leef je in in je kinderen, geef ze aandacht, help ze grenzen aan te geven, zorg ervoor dat je er voor ze bent. Dan hoef je ze niet altijd hun zin te geven, te verwennen. Onaangename zaken horen ook bij het leven. Kijk naar de keren dat de ik-persoon naar een tuinder moet om groente halen. Hij stinkt, is traag, heeft rare dochters, lijkt op een heks. Ze weet dat ze er niet onderuit komt en ze weet dat moeder weet dat ze het verschrikkelijk vindt.

    Vader komt weer thuis, gaat zijn scriptie afschrijven en lijkt weer genezen. De kinderen en moeder hebben geld voor hem gespaard om rijlessen te nemen. Als de ik-figuur naar de middelbare school gaat, begint ze zich los te maken van haar ouderlijk huis, letterlijk. De puberteit slaat toe, ze gaat naar een andere school, gaat roken, wordt zelfstandiger en krijgt een eigen mening.

    Van der Pol is er heel goed in geslaagd een tijdsbeeld neer te zetten waarin mensen gelukkig zijn, de wereld nog niet op hol geslagen is, er wel regels en verboden zijn, maar ook veel vrijheid, aandacht, buitenlucht. Vooral is Waterland een portret van de moeder: liefdevol, streng, aanwezig. Je zou willen dat iedereen zo’n moeder had.

     

     

  • Een roman die van kleur verschiet

    Een roman die van kleur verschiet

    Christine Otten is auteur en journalist. Ze debuteerde in 1995 en daarna verscheen er een stapel geĆ«ngageerde boeken. Niet omdat het een hype is of omdat het moet, maar omdat Otten echt begaan is met de ander. In dit verband is zielsverbondenheid een begrip waar ze in elk van haar boeken invulling aan geeft. Bijvoorbeeld in haar grote roman De laatste dichters (2004) over een groep zwarte dichters, ā€˜The Last Poets’, in New Orleans. Een aantal andere titels illustreren dat ook: Als ik naar jou kijk, zie ik mezelf (2018), of De ander bestaat niet (2022). Acht jaar geleden besloot ze schrijfworkshops in de gevangenis te geven; ongetwijfeld hebben haar ervaringen een rol gespeeld bij het schrijven van haar laatste roman: Als ik je eenmaal mijn verhaal heb verteld.

    De roman vertelt het verhaal vanuit de ogen van de crimineel en ik-verteller Anir, die na twaalf jaar detentie weer naar buiten mag. Bij de reclassering ontmoet hij Emma, die een proefschrift gaat schrijven over de levensloop van langgestraften (de correlatie tussen maatschappelijke uitsluiting en criminaliteit) en daarvoor een ervaringsdeskundige nodig heeft. Overigens komen we niet te weten wat Anir precies heeft misdaan.

    Een verhaal is een vraag

    Op het reclasseringsbureau vindt Anir dat er met Emma niet zuiver omgegaan wordt: als vrouw wordt ze in zijn ogen niet gelijkwaardig behandeld. Dat geeft Anir het gevoel dat hij een klik met haar heeft. Ook hij wordt als crimineel (en later blijkt ook nog om een andere reden in zijn ogen) niet als gelijkwaardige bejegend. Anir wil wel meewerken, want als hij zijn verhaal vertelt, zal hij begrepen worden en daardoor eerder weer in de maatschappij opgenomen. Ook wil hij inzicht krijgen in zijn eigen handelen en de invloeden van de cultuur en zijn opvoeding die daarin een rol hebben gespeeld.

    Emma voert lange gesprekken met Anir in haar eigen appartement, opgenomen met haar telefoon. Anir neemt zich voor alles te vertellen en niets achter te houden. Hij vertelt, zoals in zijn cultuur gebruikelijk, verhalen. ā€˜Soms heb je verhalen nodig om je eigen verhaal te begrijpen. En dan begint het pas. Een verhaal is nooit een antwoord. Een verhaal is altijd een vraag.’ Hij vertelt over zijn familie in Marokko en Algerije, over zijn opvoeding, zijn broers, het spelen met zijn zussen en nichtjes, over de rol die zijn moeder daarin speelde. Op het moment dat ook Emma gaat vertellen over haar getroebleerde jeugd wordt de relatie tussen de twee steeds closer en erg broeierig. Emma vertelt dat ze haar vader en haar broer heeft verstoten. Niet alleen om Anir daardoor uit te lokken nog meer te vertellen, ook om haar eigen oud zeer een plaats te geven.

    Thriller

    En dan komt Anir bij zijn geheim: zijn fascinatie met vrouwenkleren. Hij verkleedt zich soms als vrouw en noemt zichzelf dan Assia Ook meldt hij een verwarrende seksuele ervaring met Anthony, een mannelijke medegevangene. Emma wisselt jurkjes, ondergoed en make-up met hem uit en daagt hem uit als Assia ook zijn verhaal te vertellen. Ze zijn steeds meer vriendinnen, drinken dure whisky. Emma koopt duur ondergoed voor Assia. Anir krijgt van haar te horen hoe zijn verlangens om vrouw te zijn in elkaar zitten. Anir/Assia en Emma worden een twee-eenheid als ze beiden ook nog menen de hulpverleners van de reclassering door te hebben. In hun gesprekken maken ze die belachelijk door alle trucs en de oppervlakkige belangstelling af te kraken. Op dit moment in de roman wisselt de sfeer naar die van een regelrechte thriller. Als lezer voel je de spanning: dit gaat niet goed komen. Anir verklaart Emma haar liefde, waarna zij heel koud afscheid van hem neemt. Hij was haar project, niet meer. Anir dondert in een gat. Niemand is dus te vertrouwen, hij is weer terug bij af.

    Vrouwenkleren

    De rest van het boek – we zijn nog niet op de helft – laat zien hoe Anir weer opkrabbelt. Hij gaat sporten om een goed lichaam te krijgen, begraaft zijn vrouwenkleren en keert terug naar zijn familie. En hij schrijft. Hij tekent de herinneringen aan zijn moeder op, die hem toestond met vrouwenkleren rond te lopen, de verhalen die ze hem vertelde, hij verhaalt over de docente die hem kennis liet maken met wereldliteratuur, over de criminele mannen, de Marokkaanse cultuur.
    Het mooiste verhaal van zijn moeder gaat over een rijke jongen en een arm meisje die een wedstrijd houden over wie het verst komt in het leven. Het arme meisje is slimmer en wint. Hij kan er geen genoeg van krijgen en laat het zijn moeder keer op keer vertellen. Het is het verhaal van zijn leven en zijn strijd. Hij voelt zich verbonden met dat arme meisje en haar ambities om te winnen. Assia komt weer tot leven.

    Op haar website schrijft Christine Otten: ā€˜Ik schrijf omdat ik niet opgesloten wil zijn in mijn eigen wereld, mijn eigen leven, mijn eigen lichaam. Door romans te schrijven kan ik iemand anders zijn, een man, of zwart, oud, of weer kind, een moslim, een crimineel, een muzikant, een psychiater. Ik schrijf omdat ik me wil verbinden met andere mensen.’

    Het is prachtig om te lezen hoe de auteur zich inderdaad kan verplaatsen in een ander, in dit geval een mannelijke Marokkaanse ex-crimineel. Niet direct haar wereld. Toch is ze daarin heel geloofwaardig. Als lezer ga je direct mee in het verhaal van Anir en na enkele zinnen besef je al niet meer dat hier een blanke vrouwelijke schrijfster schrijft wat Anir vertelt. Als ik je eenmaal mijn verhaal heb verteld is een perfect staaltje inlevingsvermogen.

     

     

  • Originele onderwerpen en rijke fantasie zijn een gouden koppel

    Originele onderwerpen en rijke fantasie zijn een gouden koppel

    Frank Westerman is journalist en schrijver. Hij studeerde Tropische Cultuurtechniek aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen. Hij publiceerde vele boeken, waaronder De graanrepubliek, El Negro en ik, en Stikvallei. Zijn boeken zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Gouden Uil en shortlistnominaties voor de AKO Literatuurprijs

    Die boeken van Westerman, zijn het romans, zijn het reportages, is het fictie of non-fictie, een combinatie? Kijkend naar zijn studie in Wageningen zien we daar het begin van zijn journalistieke ontwikkeling. Zijn afstudeerstage bracht hij door in Peru en daar schreef hij zijn eerste reportages. Zijn wetenschappelijke belangstelling triggert hem om zich te verdiepen in de omgeving waar hij zich bevindt en allerlei soorten informatie te verzamelen, waar hij vervolgens mee aan de haal gaat.

    Zo heeft hij boeken geschreven over zijn zoektocht naar de vindplaats van de ark van Noach (Ararat), over Srebenica waar hij zich bevond tijdens de oorlog (De slag om Srebrenica), over een opgezette Afrikaan in een Spaans museum (El Negro en ik). En ook over de moord op een boekhandelaar in Wageningen (De moord op de boekverkoopster). Kortom: geef hem informatie en hij gaat aan het werk. Dat resulteert in boeken die rijk zijn aan veel wetenschappelijke achtergronden en ook heel veel fantastische uitwerkingen daarvan. De originaliteit van zijn onderwerpen en zijn rijke fantasie zijn een gouden koppel.

    In Zeven dieren bijten terug gebruikt hij de reizen van Willem Barentsz c.s. om de noordelijke route naar de West te ontdekken en zijn overwintering op Nova Zembla als uitgangspunt om zich te richten op dieren: ā€˜Wie de bewoonde wereld verlaat, krijgt oog voor dieren.’ Ondanks de titel van het boek, lijkt het er vooral op dat de genoemde dieren het slachtoffer zijn van de mens en van de klimaatverandering.

    Zeven dieren

    Zeven (pool)dieren spelen in dit boek de hoofdrol: de lemming, de narwal, de paling, de ijsbeer, de rotgans, het rendier en de koningskrab. Westerman wil iets opsteken van de dieren die hij onderweg tegenkomt. Hij lardeert zijn verhaal met veel feiten, associeert er lustig op los met allerhande andere informatie. Dat begint al met de narwal, een tandwalvis met een slagtand, vaak vergeleken met de eenhoorn. Westerman vertelt de geschiedenis van een gevangene in Engeland die met zo’n slagtand iemand vermoordde.

    Als hij vertelt over de lemmingen, is hij vooral bezig een antwoord te vinden op de vraag hoe het komt dat deze beesten zichzelf in groten getale de dood injagen. Wie kent niet de verhalen over de lemmingen die zich in zee storten? Als hij verslag doet over de paling (de aal), houdt hij een pleidooi voor de openstelling van de Afsluitdijk om zo de aal weer de kans te geven om te paaien. Vooral in dit deel is hij kritisch over het ingrijpen van de mens in de natuur. Westerman haalt hier ook de rechtszaken aan die de zee, het bos et cetera voorbereiden: de natuur moet een stem hebben.

    In het hoofdstuk over de rotgans komt zelfs de Goelag Archipel voorbij. In de werkkampen in Siberiƫ hielden de bewakers en de gevangenen zich in leven door dit dier op grote schaal te vangen en te eten. Dat kan de grote afname van deze gans verklaren. En ook als Westerman vertelt over het rendier, krijg je onverwachte informatie over de problemen tussen Noorwegen en Rusland: een IJzeren gordijn voor dieren.
    Bij het berichten over de ijsbeer komt hij met de reis die hij met zijn dochter Vera naar de Noordkaap maakte op de proppen, gekoppeld aan het bezoek van Eva Braun aan de Noordkaap, en allerhande daarvan afgeleide verhalen zoals over suĆÆcide, de dood van zijn vader, over zijn jeugd.
    Het laatste dier dat hij behandelt is de koningskrab. Hij meldt de explosieve groei van dit dier als gevolg van het uitzetten ervan in diverse zeeƫn en over de daaropvolgende jacht die heeft geleid tot het feit dat het nu een bedreigde diersoort is geworden.

    Overdaad

    Westerman weet veel en dat laat hij merken in dit boek. Zie ook het uitgebreide overzicht van bronnen achterin. Dat overzicht is wel verhelderend, want het verklaart veel over alle zijpaden die hij bewandelt. Je zou kunnen stellen dat hij is overwoekerd door al die informatie. Een opvallende bron is het middeleeuwse bestiarium Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant: een heel duidelijke inspiratiebron voor Westerman. Het verklaart voor een groot deel de opzet van Zeven dieren bijten terug, afgezien van het feit dat Westerman proza schrijft en Van Maerlant zijn boek in verzen heeft geschreven.

    Over de tochten van Barentsz naar het noorden, over dwaalgasten en over alle zeven dieren krijgt de lezer veel informatie, achtergronden, en leuke weetjes voorgeschoteld en er wordt van alles bij gesleept. De auteur is een begenadigd verteller. Hij associeert erop los: van Eva Braun en zelfdoding, het sterfbed van zijn vader en de reis met zijn dochter, tot bevolkingstheorieƫn en milieuproblematiek. Je wilt doorlezen omdat het allemaal zo boeiend en meeslepend is geschreven, zonder te weten waar het allemaal toe dient en naartoe leidt.

    Westerman heeft een erg intrigerend boek geschreven, waarin de lezer veel leert. Toch blijft na lezing wat onbestemd en licht onbevredigd achter: wat is nu eigenlijk de boodschap? En waarom heet dit boek Zeven dieren bijten terug.Ā Ze krijgen de kans helemaal niet. Is dit boek een waarschuwing tegen het vergaande ingrijpen van de mens in de natuur of een pleidooi om de natuur (de zee, het bos, de dieren) een stem te geven.Ā Niettemin, een aanrader.

     

     

  • Wat is dit voor boek?

    Wat is dit voor boek?

    Anne Broeksma (Almelo, 1987) is schrijver, dichter, journalist en fondsenwerver. Voor haar poëziedebuut regen kosmos kamerplant ontving ze het C.C.S. Crone Stipendium; haar tweede bundel Vesper werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs en de J.C. Bloem Poëzieprijs. Broeksma schrijft over natuur, geschiedenis en literatuur.

    Een verhaal met schubben is haar non-fictiedebuut. Al lezend in dit fantastische boek deed zich de vraag voor: wat ben ik aan het lezen? Een roman? Het verslag van een manie? Een biologiestudie? Een pleidooi voor meer liefde voor de natuur? Het blijkt het allemaal te zijn! Je kunt je afvragen waarom iemand in hemelsnaam een boek wil schrijven over schubdieren, een dier waarvan velen nog nooit hebben gehoord. En nu een heel boek over dit zoogdier.

    Zeven jaar zoeken

    Tijdens een driedaagse retraite die draaide om het drinken van ayahuasca, een bladerdrank uit de Amazone, gericht op het opdoen van inzichten en spirituele groei, ontdekt Broeksma niet alleen zichzelf, maar ook het schubdier. Een geheimzinnig dier, een soort boomdraakje, dat in Azië en Afrika voorkomt en het meest gestroopte zoogdier ter wereld blijkt te zijn. Het wordt haar lievelingsdier. Ze raakt geïntrigeerd en besluit naar het schubdier op zoek te gaan. Zeven jaar lang zoekt ze, eerst nog in boeken en op internet, daarna daadwerkelijk in het verre oosten en in Afrika.

    Broeksma geeft aan dat ā€˜het’ schubdier niet bestaat: ā€˜Het schubdier is de idee van een diersoort zoals zich dat in mijn hoofd ontwikkeld heeft dankzij de hoofden van vele anderen. Een dier bovendien waarin ik de hele tijd aanwezig ben. Ik heb geprobeerd uit het schubdier te stappen, maar dat bleek helaas niet mogelijk. Alles wat ik schrijf is vergiftigd met mijn blik.’

    En waarom dan nou precies een schubdier? Voor de schrijfster vertegenwoordigen ze de levendige chaos van de kosmos waarin alles rent en vliegt en botst en evolueert tot iets nieuws. ’En omdat er een zelfde soort chaos in mijn hoofd zit, waarin ook alles rent en vliegt en botst kom ik van het lezen over die dieren tot rust.’

    Achter het schubdier blijkt een wereld van verhalen schuil te gaan: ā€˜Verhalen zijn een machtsmiddel, net als gebiedskaarten.’ Verhalen over de geschiedenis, over evolutie, ecotoerisme, illegale wildhandel en -smokkel en over nog veel meer. Zo verschijnt het schubdier als een soort bindend element in de verhalen die gemeenschappen in kleine dorpen in AziĆ« en Afrika bij elkaar moeten houden. We leren over totemisme, waarvan sprake is als een plant of een dier een totem is waar een groep mensen zich mee associeert, en waarmee ze zich onderscheiden van andere groepen. Ondanks Broeksma’s innerlijke bezwaren tegen vliegen, ecotoerisme en inbreuk maken op gesloten gemeenschappen reist ze samen met haar man over de wereld om alles te weten te komen over het schubdier en natuurlijk om er een in levende lijve te zien.

    Massagraven met schubdieren

    Het duurt lang voordat ze daadwerkelijk een schubdier spot. Op allerlei plaatsen op de wereld gaat ze met gidsen, dorpsbewoners en zelfverklaarde schubdierexperts op pad om er een in het wild te vinden. ā€˜Het schubdier vertoont ongrijpbaarheid, ook in de stamboom van het leven,’ laat ze zien aan de hand van de geschiedenis van het schubdier. Het blijkt al miljoenen jaren te bestaan en is daarmee een van de oudst bekende zoogdieren. ā€˜Het lijkt wel of ze pas tevoorschijn komen als je stopt met zoeken.’

    Op een van haar reizen komt ze terecht in een dorpje waarin een opvanghuis voor zieke schubdieren blijkt te zijn, gedreven door vrijwilligers die zich het lot van dit dier aantrekken. En daar ziet ze voor het eerst een schubdier. Ze moet ze verzorgen, hokken schoonmaken, eten geven en komt erachter dat onbevangen naar dieren kijken lastig is: ā€˜Het mensenbrein weekt mij niet los van het dierenrijk.’

    De handel en smokkel in schubdieren vindt vooral plaats omdat er in veel gemeenschappen in Afrika en het verre oosten aan de schubben van het dier allerlei geneeskrachtige of versterkende of afrodisiacumachtige krachten worden toegekend. Broeksma ontdekt op internet foto’s van massagraven waarin honderden van hun schubben ontdane schubdieren liggen. De schubben zijn een gouden handel.

    Dan is het maart 2020. Het coronavirus wordt in China op een dierenmarkt bij onder andere schubdieren aangetroffen. In ƩƩn klap is het schubdier wereldberoemd, waar het voorheen een nogal obscuur dier was. Nog meer mensen gaan erop jagen, waardoor de kans op uitsterven vele malen groter wordt.

    Miljoenen jaren ervaring met de wereld

    Dat is het moment waarop Broeksma in haar boek overstapt op milieufilosofie. Een verhaal met schubben wordt ook een ecoboek. ā€˜De lucht , het water, het land: het is alles wat we hebben.’ Ze pleit voor meer aandacht voor de wereld als ecosysteem, de aarde als broedplaats voor al het leven. ā€˜De natuur wil ons niet weg hebben, ze mist ons.’ Vandaar ook haar oorspronkelijke moeite met reizen over de wereld: door haar vliegreizen doet ze mee aan de verwoesting ervan. Het schubdier wordt het symbool voor een wereld waarin we met z’n allen druk bezig zijn dieren uit te roeien, de aarde naar de filistijnen te helpen en daarmee onszelf.

    Broeksma richt met haar boek een monument op voor het meest bejaagde zoogdier ter wereld en daarmee spoort ze ons aan om als de tijden somber zijn juist onze fascinaties te volgen in plaats van te gaan doemdenken. Er gaat met het verdwijnen van een diersoort een heleboel verloren, in dit geval miljoenen jaren ervaring – van het schubdier met de wereld. Bij uitsterven verdwijnt niet alleen dat, maar ook een unieke ervaringswereld, een Umwelt, de subjectieve leefwereld van een dier.

    Vraag je niet af wat dit voor soort boek is, het is niet belangrijk. Lees het vooral en laat je meevoeren in een bijzondere wereld: die van de gedachten, ervaringen en pleidooien van Anne Broeksma en ook in die van het schubdier.

     

  • Absurd maar niet onmogelijk

    Absurd maar niet onmogelijk

    Rinske Bouwman (1988) is een Utrechtse theatermaker en schrijver. Zij maakte diverse voorstellingen, luistertochten en audiotours. Een soort eeltĀ is haar debuutroman.Ā De Nederlandse Sarlag is grotendeels in MongoliĆ« opgegroeid en keert als studente terug naar Utrecht. Ze neemt letterlijk afstand van haar ouders en het land waarin ze groot is geworden. Ze hoopt alles daar achter te laten. Ze draagt een groot verdriet met zich mee, waarvan de oorzaak pas veel later in de roman duidelijk wordt. ā€˜Weggaan is moeilijker als er duidelijk iets is om achter te laten.’ Ondertussen doet ze er alles aan om dat verdriet uit de weg te gaan.

    Ze vindt een baantje op de koel-vriesafdeling van een supermarkt, want, vinden ze bij de supermarkt ā€˜jij bent gewend aan de kou’. Naast haar dagelijkse werkzaamheden brengt ze haar dagen door met het boetseren van half gesmolten diepvriesproducten tot vleesbeeldjes. Ze probeert zichzelf te kalmeren door haar favoriete feiten op te noemen, bijvoorbeeld ā€˜Iemand die zijn hond uitlaat en dat als de hond poept dat dan de baas wegkijkt en hij alvast klaarstaat met om zijn hand een roze plastic zakje’.

    Ze begint een soort verhouding met Kalle, een collega, maar weet niet hoe ze met hem om moet gaan en hij ook niet met haar. Hij is wel lief, maar ook een beetje vreemd. ā€˜Hij vroeg of ik zijn vriendinnetje wilde zijn. Ik zei: ā€OkĆ©ā€.’ Gaandeweg wordt duidelijk wat er gebeurd is in het gezin waar ze vandaan komt en wat de reden is dat ze min of meer gevlucht is naar Nederland.

    Verdriet uit Mongoliƫ

    Bouwman neemt ons in mee in het leven op het platteland van MongoliĆ«, het leven in een grote tent (een ger), de jaks waar het gezin zijn inkomsten uit haalt. Ze vertelt over haar lievelingsjak Batraa en wat ze met haar vriendinnetje en haar broertje allemaal met dat beest kan en meemaakt. We maken kennis met haar ouders. Haar vader is brandweerman en redt mensen. Als hobby jaagt hij op wolken om ze te beschieten en zo voor regen te zorgen. Haar moeder houdt thuis de boel gaande, haar broertje Yul is acht jaar jonger. Sarlag zorgt op haar manier voor hem en leert hem van alles. Van haar vader leert ze wijsheden als ā€˜Je moet weten waar je bent, dan weet je wie je bent’.

    Deze hoofdstukken worden afgewisseld met die over haar leven in Utrecht. Ze beschrijft daarin vooral de verveling op haar werk en alle mogelijke manieren om maar niet aan haar rouw te hoeven denken. Bovendien worstelt ze nog met het feit dat ze haar ouders alleen met hun verdriet heeft achtergelaten. Ze heeft vaak heimwee en toch weer niet en weet niet wat ze wel of niet moet doen en waarom. ā€˜Ik bedacht dat niet denken aan dat je weggegaan bent veel moeilijker is dan het weggaan zelf.’

    Ondertussen heeft het onverwerkte verdriet zich vastgezet in Sarlags lichaam. Rouw kan zich in je nestelen en voor een onverwachte en onvermoede (en absurde) metamorfose zorgen. Ook daarin neemt Bouwman de lezer mee in deze roman: stukje voor stukje wordt niet alleen duidelijk wat er gebeurd is in Mongoliƫ, maar ook hoe zich dat uit in en door Sarlags lichaam. Er was een ongeluk. Haar vader was erbij betrokken, maar die is helemaal dichtgeklapt en kan en wil er niet over praten. Haar moeder is door haar verdriet onbereikbaar. Op het moment van het ongeluk woont Sarlag voor haar studie in Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongoliƫ. Ze gaat terug naar huis, maar daarna vertrekt ze al snel naar Nederland.

    Jak

    Na een tijdje merkt Sarlag in Utrecht dat er van alles met haar lichaam gebeurt: ze krijgt lange witte haren op haar hele lichaam, haar botten en daarmee haar houding verandert, ze gaat anders eten, kan zich minder gemakkelijk bewegen. Ze zorgt ervoor dat haar lichaam helemaal bedekt is, zodat niemand kan zien wat er gebeurt, ook haar vriend Kalle niet. Uiteindelijk stormt ze als jak het conservengangpad van de supermarkt door en eindigt ze in de diepvriesruimte. Haar hart bevriest. ā€˜Met mijn bevroren hart sta ik voor de gesloten Dirk. In de grote glazen winkelpui kan ik voor het eerst mijn hele weerspiegeling zien, ik ben het echt.’

    Een soort eelt is een roman over rouw en de verwerking daarvan, of eigenlijk de niet-verwerking. Bouwman is erg overtuigend in haar beschrijvingen van al het verdriet en op indrukwekkende wijze beschrijft ze een macabere gebeurtenis. Maar daarnaast is ze heel licht en luchtig in haar zinnen: niets is raar, niets is zwaar. Dat komt door haar humoristische taalgebruik, de onverwachte beelden, de beschrijving van haar transformatie tot jak. Natuurlijk absurd, maar door de wijze van vertellen zeker niet ondenkbaar of onmogelijk.

    Wat overblijft na het lezen van deze roman is vooral hoop. Hoop op een beter leven, hoop op een leven zonder rouw, hoop op een leven zoals haar beste vriendje uit haar jeugd, haar lievelingsjak. Haar ideale wereld is grazen tussen de andere jaks in het weiland: ā€˜Ik wil alleen zijn, maar het liefst wel met anderen om me heen.’ Dat ze dan als jak te zijner tijd geslacht en opgegeten wordt, aanvaardt ze als iets wat erbij hoort. Een mateloos intrigerende roman.

     

     

  • De omgeving lijdt het meest

    De omgeving lijdt het meest

    Renée van Marissing studeerde af als dramaschrijver, schreef muziektheatervoorstellingen en hoorspelen, romans en korte verhalen. Haar vorige roman Onze kinderen werd lovend ontvangen en genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. En dan is er nu de roman, Gelukkige dagen. De titel refereert aan het toneelstuk Happy Days van Samuel Beckett. Daarin zit een vrouw tot haar middel ingegraven in een berg puin. De voorstelling van het betreffende stuk wordt bezocht door Sil, het hoofdpersonage van deze roman, samen met haar vrouw Lina. Het wordt opgevoerd door een actrice met wie beiden in het verleden samen met een aantal anderen een toneelgroep vormden.

    Het beeld van de ingegraven vrouw is treffend, want Sil is net gediagnosticeerd met Alzheimer en dat op 46-jarige leeftijd: jongdementie dus. De roman beschrijft haar ziekteproces en de invloed die haar teruglopende geheugen, haar woorden en taal en haar gedrag hebben op haar en haar omgeving. Ze wil dingen duidelijk maken, maar kan dat niet meer door het geheugenverlies.

    Taal genoeg?

    Sil is bioloog, woont samen met meubelmaakster Lina. Aan de toneelgroep waarvan ze lid waren in het verleden hebben ze een grote vriendenkring overgehouden. Met name met Pier en Barbara hebben ze nog veel contact en ze gaan met hen ook op vakantie. Sil heeft aan het begin van de roman nog contact met haar (oud-)collega Chris, die heel begripvol is en goed met haar overweg kan. Merkwaardig genoeg verdwijnt hij in de loop van dit boek; is Van Marissing hem vergeten, is het slordigheid? Trouwens, de manier waarop Sil er bij haar werkgever uit wordt gewerkt en de pijn die dat heeft gedaan komt nauwelijks uit de verf.

    De roman is vanuit verschillende perspectieven geschreven. Soms denk en beleef je mee vanuit Sil, dan weer vanuit Lina en de vrienden. Als Van Marissing Sil aan het woord laat, kan deze gek genoeg alles benoemen, heeft ze taal genoeg om overal woorden aan te geven. Ze herinnert zich veel van haar vroegere bezigheden. Haar leven bij de toneelgroep, de buitenlandse reizen die ze samen met Chris maakte, het plezier dat ze had in haar werk als bioloog. Als de omgeving aan het woord is, weet en kan ze veel minder. Hoe verder het ziekteproces gaat, hoe meer gekke dingen Sil doet: ze krijgt haar voet niet tussen twee spijlen van het balkonhek uit, als ze de badkamer schoonmaakt spuit ze alles nat, ze verbrandt haar hand aan kokend water enzovoort. Haar gedrag verandert.

    Haar vrouw en vrienden krijgen steeds meer moeite om met dat gedrag om te gaan. Met name haar vrouw is vaak geĆÆrriteerd, boos en vooral moe. Hoe vaak dat woord niet voorkomt in deze roman: tientallen keren. Iedereen is moe, moe, moe. Sil, Lina, ouders, vrienden. Uiteindelijk is Sil thuis niet meer te handhaven en gaat ze naar een verpleeghuis. Van Marissing maakt zich daar wel heel gemakkelijk van af. In een poep en een zucht is het geregeld en denkt Lina voor de vorm nog even dat dat wel raar is, maar dan is het zover. Gewoonlijk is zo’n proces wel wat gecompliceerder.

    Alles wordt uitvoerig uitgelegd

    Het lijkt of deze roman in zijn geheel een haastklus was. Niet alleen van de auteur, ook van de redacteur. Want wat is nu eigenlijk de essentie van het boek? De aftakeling van een patiƫnt met jongdementie, de invloed die dat heeft op de omgeving van een patiƫnt, hoe zielig het is voor Sil of hoe zielig voor Lina, gaat het eigenlijk over taal? Het blijft onduidelijk. Het is van alles wat, Van Marissing maakt geen keuzes. Dat is jammer, want met een kern had het boek aan kracht gewonnen.

    En dan wordt er ook nog het ene clichĆ© aan de andere geregen. ā€˜Wat je niet ziet bestaat niet en ruik je ook niet.’ Elke emotie wordt benoemd, elke zucht verteld. Elke ontroering, onzekerheid wordt uitvoerig beschreven en uitgelegd. Alsof over wat deze ziekte is niet alleen informatie moet worden gegeven maar ook nog eens de zieligheid moet worden benadrukt. Al die uitvoerigheid leidt niet tot meeleven en meevoelen. Het blijft buitenkant wat de lezer ervaart.

    Hoezo is deze roman schrijnend en ontroerend, hoezo wordt de taal onderzocht als de betekenis hapert, hoezo ontstaat tederheid? (Dixit de achterflap.) Wat er ontstaat is heel veel irritatie en woede bij de omgeving van Sil (en begrijpelijk), en ook bij de lezer. Een kritische redacteur had hier veel goed werk kunnen en moeten doen. Van Marissing heeft in eerdere boeken laten zien dat ze prima dialogen kan schrijven. Die vaardigheid toont ze in dit boek niet: elk gesprekje zonder inhoud of betekenis wordt volledig uitgeschreven. Veel (lange) zinnen zijn bovendien moeizaam geformuleerd, met veel herhalingen van dezelfde woorden in een zin. Ook hier had een redacteur moeten ingrijpen.

    Hoofdpersonage blijft op afstand

    Als een ding duidelijk wordt, is het dat Alzheimer op jonge leeftijd lastig, ingrijpend en heel erg is, en dan ook en vooral voor de omgeving, blijkt uit deze roman. Helaas blijft het personage Sil op afstand, kleurloos; haar omgeving heeft het zwaar, heel zwaar en dat wordt goed duidelijk gemaakt. Dat had ook op een andere manier vormgegeven kunnen worden. Van Marissing hinkt teveel op meerdere gedachten. Bernlefs boek Hersenschimmen blijft wat betreft het inleven en voelbaar maken van wat een patiënt doormaakt als dementie toeslaat met kop en schouders boven Gelukkige dagen uitsteken.

     

     

  • En Danijel is bang

    En Danijel is bang

    Drago Jančar (1948) werd in de jaren zeventig gearresteerd om zijn kritische houding tegenover het communistisch bewind en later gedwongen in het leger te dienen. Pas na het overlijden van Tito voelde hij de vrijheid om te schrijven. Tegenwoordig wordt hij als een van de belangrijkste hedendaagse Sloveense schrijvers beschouwd. Hij is ook actief als essayist, toneel- en scenarioschrijver. In SloveniĆ« staat hij bekend als maatschappelijk geĆ«ngageerd en om zijn kritische houding tegenover de politiek.

    Bij het ontstaan van de wereld speelt zich af vijftien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Maribor, toenmalig JoegoslaviĆ«, tijdens het bewind van Maarschalk Tito, in de tijd van de Koude Oorlog. Bij de 11-jarige puber Danijel ontstaan in de lente nieuwe gevoelens. ā€˜Elke ochtend breekt uit de stilte het luide geraas van de wereld naar buiten. Zo ontstaat de wereld.’ Hij wordt zich voor het eerst bewust van het leven en noemt dat het ontstaan van de wereld. ā€˜Maar het is wel zo dat ogen die net ter wereld komen op een andere manier kijken, want ze zien alles voor het eerst.’

    En juist dan trekt de jonge, mooie Lena beneden in, in het huis waar Danijel met zijn ouders woont. Hij is totaal door haar gebiologeerd en houdt haar scherp in de gaten. Lena begint een verhouding met loodgieter Pepi en later ook en tegelijk met Ljubo. Dat loopt niet goed af. Pepi wordt dood in zijn werkplaats gevonden, waarna Lena en Ljubo worden gearresteerd. Eerst bekent Ljubo dat hij schuldig is aan de dood van Pepi, later neemt Lena die schuld op zich.

    Partizanen en papen

    Tegen de achtergrond van dit liefdesdrama maakt de lezer kennis met het leven in een dorp in een deelrepubliek van Joegoslaviƫ dat nog steeds aan het opkrabbelen is na het einde van de oorlog. De mensen zijn druk bezig het hoofd boven water te houden: werken, het dorp onderhouden, eten, een nieuw bestaan opbouwen.
    De oorlog speelt nog een grote rol. Danijels vader heeft in een concentratiekamp gezeten en is lid van de socialistische Strijdersbond. Hij geeft af op alles wat Duits is of ermee te maken heeft, zoals zijn buurman die voor de Duitsers heeft gevochten en zijn been is kwijtgeraakt. Er wordt veel gedronken door de Partizanen en de Strijdersbond die vaak bij Danijel thuis ‘vergaderen’. Er worden sterke verhalen verteld over Dolfi (Hitler), er wordt ruzie gemaakt, maar altijd wordt het ook weer goed gemaakt.

    Danijels moeder is anders: zij is zachtmoedig, is trouw katholiek, heeft Danijel laten dopen. Pater Alojzij heeft met zijn catechese en Bijbelverhalen veel invloed op Danijel. Vader moet niets van de clerus hebben. De strijd tussen de papen en de strijders, de tweedeling in de maatschappij, speelt een grote rol in deze roman. Danijel wordt door de twee kampen regelmatig verscheurd: dan moet hij op school weer het socialistische Pionierslied zingen en de beloften doen die daarbij horen (onverschrokken zijn, beleefd, eerlijk, oprecht) en wordt hij middenin de nacht uit zijn bed gehaald om op zijn accordeon te spelen als de Strijders de oude Partizanenliederen zingen, en dan, even later, gaat hij voor het eerst naar de communie en vergeet hij het belangrijkste woord uit te spreken (Amen) waardoor hij de hostie mist.

    Door al die verhalen van de partizanen en die van de pastoor uit de bijbel droomt Danijel veel en heftig: over oorlog, bommen, dood en verderf. Dat wordt nog eens verhevigd door de diepe angst die er in die jaren in SloveniĆ« heerst voor een nieuwe oorlog, met atoomwapens. ā€˜Zijn rust en vrede niet meer dan een periode tussen twee oorlogen?’ En Danijels vader zegt: ā€˜Oorlogen zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn.’

    Danijel vereenzelvigt zich met film- en andere helden uit boeken, de bijbel en de partizanen. Zijn broer, die marinier is, wordt ook op een voetstuk gezet. En steeds is het conflict tussen Onze-Lieve-Heer en de Strijdersbond aanwezig. ā€˜Waarom winnen we alleen maar in een oorlog die voorbij is of in films en boeken en de bijbel? In dit leven gebeurt het nooit.’
    Tito regeert nog met harde hand. Zijn milities (de Veiligheidspolitie) voeren nog steeds zuiveringen uit: Danijels buren (de eenbenige ex-tankcommandant) wordt met zijn gezin, inclusief Danijels vriend, weggevoerd, evenals professor Fabijan, die Danijel veel heeft geleerd over de grote Russische schrijvers, geschiedenis, de klassieke wereld en oorlog en vrede, maar die tijdens de oorlog Duitse lessen bleef geven.

    De boodschap is duidelijk

    Danijel realiseert zich na alle gebeurtenissen in de lente, de zomer en de herfst waarin de roman zich afspeelt ā€˜dat alles draait om de liefde, het grote verhaal van het leven, dat zich sinds het ontstaan van de wereld in ontelbare varianten afspeelt’. En Jančar verzucht: ā€˜Ach, die kinderjaren. Waarin je de gruwelijkste dingen moet zien om te weten wat schoonheid is, angst moet voelen om te leren wat moed is en alle rampspoed van de wereld moet ervaren om jezelf geestelijk te verrijken’.

    De roman is associatief en behoorlijk breedsprakig geschreven: al die dromen en al die natuur! En al die gebeurtenissen in het dorp: ze geven aan dat de wereld doordraait, maar ook dat ze er niet toe doen. Waarom dan toch verteld. Wat voor nut heeft de beschrijving van de relatie tussen Lena en haar twee minnaars en de fatale afloop daarvan, misschien om een stukje spanning in de roman te krijgen? En wat is het belang van de beschrijving van de verdwijning van Danijels broer als hij een vechtpartijtje heeft verloren? Waarom wordt Danijel opeens een ziener genoemd? Jančar haalt er veel bij aan waardoor de samenhang een beetje zoek raakt. De boodschap is evengoed duidelijk: Jančar waarschuwt voor oorlog en dat doet hij goed en terecht. Dat lijkt ruim voldoende als thema. Meer heeft hij niet nodig. Hij verwoordt dat mooi in de angst van Danijel in een aftelrijmpje:
    ā€˜Ben je naar de tuin gegaan?
    Heb je daar de dood zien staan?
    En was je bang?’

     

     

  • Glasheldere gedichten voor een groot publiek

    Glasheldere gedichten voor een groot publiek

    Bij Anna van der Laan kwam eind jaren negentig de poƫzie in haar leven. Startpunt was een cursus aan de Groninger Schrijversschool. Met andere dichters richtte ze de Werkgroep Poƫzie WP99 op. De werkgroep bleek een motor, ze publiceerden samen diverse bundels. Brief van een lichtmatroos is Van der Laans eerste eigen bundel gedichten.

    Als rechtgeaarde poƫzieliefhebber kan er voor mij niet genoeg aandacht besteed worden aan de allerindividueelste expressie van het allerindividueelste woord. Want wie bepaalt uiteindelijk wat goede poƫzie is, of wat slechte of wat mindere? Vooropgesteld: alle poƫzie is waardevol, elke poƫtische uiting zinvol, belangrijk en elke dichter een held. Toch kan er wel sprake zijn van kwaliteitsverschil. Zie bijvoorbeeld alle poƫzie op de sociale media. Rupi Kaur heeft wat dat betreft veel losgemaakt met haar tegeltjeswijsheden in poƫzievorm: twee of drie regels met veel wit op een pagina en je hebt weer een gedicht. Met andere woorden: je kunt elke al dan niet particuliere gedachte op papier (of digitaal) zetten zodat het lijkt alsof het poƫzie is.

    Aan de andere kant bestaan er steeds meer creatieve vormen van omgaan met taal, zoals spoken word, muurgedichten, en nog veel meer. Google eens op Kila van der Starre of Jeroen Dera, twee voorvechters voor poƫzie die heel veel ideeƫn hebben om bijvoorbeeld poƫzie aan de man te brengen in het onderwijs en daarmee meer mensen aan het schrijven te krijgen. Dera schreef het zeer lezenswaardige Poƫzie als alternatief. Van der Starre en Dera schreven met anderen ook twee boeken met briljante ideeƫn over het ontdekken van poƫzie: Woorden temmen.

    Voorwoord

    Deze bundel van Anna van der Laan is prachtig uit- en vormgegeven, echt een pareltje. Van der Laan schrijft al dan niet prettige, vaak particuliere gedachten op zoals zaken uit haar dagelijks leven, wat ze ziet, meemaakt, wat haar bezighoudt en opvalt. Vraag is of dat belangrijk voor lezers is. En is dat dan een criterium of de gedichten belangrijk of goed zijn of niet?

    Waarom een voorwoord in zo’n mooie bundel vol glasheldere poĆ«zie? Een inleiding waarin Ronald Ohlsen zo maar drie willekeurige gedichten gaat uitleggen? De meerwaarde daarvan is volledig duister. Of is hij bang dat de lezer de gedichten van Van der Laan niet op de juiste manier kan duiden of ze als te gemakkelijk of te licht opzij schuift en niet serieus neemt? Van der Laan is duidelijk in haar gedichten. En als dat niet zo zou zijn, is het aan de lezer er het zijne of hare van te denken, te vinden en te voelen.

    Zeven afdelingen

    De bundel is verdeeld in zeven afdelingen, met elk eigen thematiek. De eerste is gevuld met tedere herinneringen over geliefden(broer, hond, geliefde) en de plaats die ze vaak na jaren innemen. Ze zijn inleefbaar en invoelbaar zonder dat ze sentimenteel zijn.
    In de tweede afdeling geeft de dichter een dichterlijke ode aan een aantal favorieten in haar leven: de boot, Istanboel. In de derde gaat het over herinneringen aan huizen, een moeder. Er komt zelfs een gevild (!) konijn voor. In de vierde en vijfde staan oma, dood en liefde centraal. In afdeling zes verbondenheid met een prachtig gedicht over het afstuderen van haar zoon, gebrandschilderd in een raam van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur: ā€˜Verbondenheid wordt er niet begraven/maar hergebruikt.’
    Met name in deze afdeling staan nogal wat vrijblijvende gedichten over sneeuw, de nacht, een jonge dode vogel.

    Maar dan dit moois:

    ā€˜Waarom is je gezicht zo gekreukt
    ben je wel gelukkig en heb je
    vandaag nog gelachen?

    Mijd de geijkte paden
    je bedrijft dan geen zonde

    Wees een jager tussen tijgers
    maak een wandeling in de kou
    je bloesje open.’

    In de laatste drie afdelingen nog meer vrijblijvende gedichten: mooi, maar wel een beetje algemeen, clichƩ. En in de allerlaatste enkele gedichten in een totaal afwijkende vorm van alle andere in deze bundel. Mooi, maar het is onduidelijk waarom ze opeens kiest voor deze vorm. Is het een volgende stap in haar ontwikkeling?

    In deze bundel geeft Van der Laan aan wat een dichter is of wat ze wil zijn:

    ā€˜Omdat ik zo nodig een dichter wil zijn
    zou ik haar het liefst elke dag aan mijn tafel
    hebben zodat zij mij de woorden die er niet zijn.

    [ ….]

    Een bericht in de ochtendkrant, een regel uit
    een boek, draken hangend op wolkenbanken
    inheemse vogels kwetterend voor stoplicht.

    Dan schudt de dichter in mij zich op.’

    Complimenten

    Deze dichter schrijft over haar scherpe observaties en vindt daar vaak mooie en beeldende taal voor. Haar thematiek en motieven zijn glashelder. Het is publiekspoĆ«zie, leesbaar en herkenbaar voor veel mensen. Niet altijd wereldschokkend, geen wereldveranderende inzichten, maar wel ergĀ  lezenswaardig en meestal de moeite waard. En in die zin voldoet ze in ieder geval aan het criterium dat er meer poĆ«zie door meer mensen gelezen zou kunnen worden en draagt ze bij aan het belang en de verspreiding ervan. Complimenten aan de uitgever: alles (omslag, lettertype, bladspiegel) is prachtig. Jammer van dat voorwoord en dat ‘gevilt’ konijn.