• Natuur als bron van inspiratie

    Natuur als bron van inspiratie

    Geen idee wat een ‘tier’ is – laat staan een loeiende. De aldus getitelde bundel overtuigt zodanig, dat de vraag wat een tier eigenlijk is futiel wordt. Het ritme van de gedichten, de beelden, taal en vorm: het klopt en klotst en kolkt alles tezamen. Maar een blik in het woordenboek voegt natuurlijk toch iets toe: ‘tier’ is een Zuid-Nederlands woord voor een schreeuw of gil. Ook wordt er zoiets als groei mee aangeduid (vgl. de zegswijze welig tieren). Heel toepasselijk, want veel wat in deze gedichtenbundel passeert groeit – en nog welig ook. Een geheel vormen de gedichten niet zozeer, samenhang vertonen ze wel. Bijvoorbeeld omdat in vrijwel elk gedicht wind en water voorkomen. Of boten waarmee gevaren kan worden. En anders is er wel een combi van zand, strand, wolken en zonlicht. Een voorbeeld:

    ‘Diepgaand, onpeilbaar’

    Een dansende zeebeer,
    gele koraalvlinders onder water.

    Hielspoor, teengeruis,
    plasmapolka hoezeer.

    De storm en het onttoverde uur.
    Het kadaver van een rafelvis.

    De zoute wind schroeit mei-
    doorns in grillige vormen.

    De veelvoudigheid vergeten
    in de spiegel van herinneringen.  

    In hemelsnaam wat verklaart
    de aardse kleurendoos?

    De natuur is overduidelijk een bron van inspiratie, maar poëzie van het kleine sentiment schrijft Van Tongele bepaald niet. Daarvoor zijn deze gedichten te abstract, te weids van gebaar, te impressionistisch van taal. En toch past in dit mozaïek dan onverwacht wel weer een familiair-verhalend tafereeltje, dat zich afspeelt tussen zeedijk en branding, met emmertje, vormpjes en schepjes als rekwisieten. Het heet ‘De lichtmythe doorverteld’:

    Op de zeedijk uitgelaten de zonnestaart dragend
    duwt mijn dochter de kinderwagen waarin Oskar kirt
    en ik, gezwind naast haar, de rolstoel van mijn vader.       
    In een strandwinkel kopen wij een emmertje boorde-
    vol kleurige vormpjes en schepjes, dat mijn vader lucht-
    hartig aan mijn kleinzoon schenkt onder het éénziende

    oog van mijn dochter en mij.  De golden knikken mee:
    wij voelen de ene onophoudelijk in de andere vervloeien,
    hand over hand een zandkasteel bij de branding innemen.

    Over samenhang gesproken: verspreid in de bundel staan enkele drieregelige gedichten die op het eerste gezicht louter uit rare woorden bestaan (in dit geval namen van zeebeesten) die eindigen met een grammaticaal correcte en begrijpelijke (?) conclusie. Deze woorden zijn in het dagelijks spraakgebruik weliswaar zeldzaam maar op zichzelf gewoon en zeker niet dichterlijk; in de context van een gedichtenbundel doordringen ze de lezer van hun bloemrijke, talige zeggingskracht. Van Tongele laat je aldus opnieuw kijken, en vooral ook: luisteren.

    Asjemenou
    Kruipende klokpoliep tandhoornkoraal stompe alikruik muiltje purperslak
    fluwelen ritspok zeedruif meloenkwalletje weduweroos sliertige brood-
    spons roze kalkkorstwier knotszakpijp kamster taalrasp.
    Alles blijft vervat in de wereld.

    Door de onverwachte muzikaliteit van de taal op deze manier voor het voetlicht te halen doet deze poëzie wel denken aan het werk van Pierre Kemp of – heel anders, maar toch – aan het gedicht ‘56 rozen’ van Ivo de Wijs.

    Van Tongele’s gedichten vragen niet nadrukkelijk om uitleg of begrip. Je moet er open voor staan – zoals voor abstracte kunst – om ervan te kunnen genieten. Een paar glazen stevige rode wijn op de nuchtere maag kunnen deze gedichten ook best hebben. Evenals hardop voorlezen, of beter nog: scanderen, buiten, aan het strand, bij bewolkte hemel, tegen de harde wind in. Voilà, daarmee zijn we bijna weer terug bij de schreeuw uit het begin, waarvoor de dichter het woord ‘tier’ gebruikt.  Verheugend te bemerken dat deze poëzie met onze taal gemaakt kan worden en dat dat anno 2017 nog gebeurt ook.

     

     

     

  • Ademruis – Mark van Tongele

    Mark Van Tongele (1956) geldt als een geheimtip van de Nederlandstalige poëzie uit Vlaanderen. Hij is de ‘componist met het ruimste klankregister onder de Vlaamse dichters’ (Paul Demets), een dichter die liefde voor de taal koppelt aan die voor het leven. Van Tongele is bovenal een oeuvrebouwer, een opusdichter, en de ‘ontwerper van een inmiddels imposant taallichaam dat de afgelopen jaren in een serieel verband is gepresenteerd’.

    Marc van Tongele studeerde geneeskunde maar brak deze af na een ernstig ongeluk, waarna hij tijdelijk in coma lag. Hij is hierna gaan schrijven  voor zowel de geschreven als de gesproken pers. Ook schreef hij scenario’s en teksten voor diverse video- en multimediaprojecten In 1994 debuteerde hij als dichter met de bundel Zij gedichten. Daarna verschenen Vaderlatingen (1997), Lopend licht (2001), Ochtendrood en co (2002), Taalwaterval (2003) en Luchthonger (2004). In 2005 werd al zijn poetische werk gebundeld in Gedichten, waarmee de cyclus waaraan hij zo’n twintig jaar had gewerkt werd voltooid. In 2007 verscheen de bundel Met de plezierboot mee. En dan nu de bundel Ademruis. Hieruit het volgende gedicht ter illustratie van de taalkunst van Van Tongele.

    Ademteken

    Woordzeesnaaraangedreven tongvaren,
    mijn bedremmelde stemmingswolken-

    spiegelkreeftengang emmerloos tegen-
    spreken lichtfibrillerig zwirrelend over-

    trillend van de zeik in de sterrentinteldrop,
    onvervalst de inspraak van het bloed volgen:

    parelzaad, azuren trans, kwastjes zilverdraad,
    zinnepluisfluweel, oogjesgoed, gloriazijde.

    Zoals gezegd is Mark van Tongele ook een taalkunstenaar. Door de taal te ontregelen laat hij mogelijke betekenissen alle ruimte, door woorden te deformeren laadt hij ze op met nieuwe betekenissen. En in zijn spel met interpunctie, woordafbrekingen, neologismen en andere verrassende taalvondsten, zegt hij meer dan gewone woorden vermogen.

    ‘Ademruis is een ode aan het leven, de wereld, de natuur, de geliefden. Bij het lezen van Mark Van Tongele kan een mens niet anders dan de hele tijd denken: wat een gedegen dichter, wat een innemende man.’
    Philip Hoorne in Knack

     

    Ademruis

    Mark van Tongele
    Blz.: 64
    Prijs: € 19.95
    Verschenen bij Uitgeverij Atlas

     

     

     

  • De rivier als psychotherapeut

    De rivier als psychotherapeut

    Recensie door Rein Swart

    De in Nederland vrij onbekende Vlaming Mark van Tongele verblijft in het zomerseizoen op de eenvoudige camping à la ferme in de Lozère in Frankrijk. Hij is het moderne leven ontvlucht om de natuur op te zoeken. De rivier Chassezac die langs de camping stroomt, heeft daarin een belangrijk aandeel. De vroegere student geneeskunde en latere vermogensbeheerder bij een bank, die het gevoel van de sixties nooit is kwijtgeraakt, heeft vrouw, dochter en kleinkind enige tijd achtergelaten om de rust te vinden die in het beroepsleven en zelfs in het privé-leven niet meer te vinden is. De westerse maatschappij gaat steeds meer gebukt onder het op hebzucht en egoïsme gebaseerde principe van de commercie.

    Mark keuvelt met boer Bernard en mede-kampeerders, zoals een gepensioneerde gendarme en een Hollandse paracommando, peinst over de oorsprong van de aarde, doet boodschappen in een naburig stadje en maakt uitstapjes naar dolmens en menhirs. Het gebied tussen Alpen en Centraal Massief is al vroeg bewoond geweest en sporen daarvan zijn in de buurt van de camping te vinden. Er doen legenden de ronde over spoken, feeën en draken.
    Diepzinnige gedachten over de aard van het leven worden afgewisseld met oppervlakkig gekeuvel. Hetzelfde geldt voor prozafragmenten met sensitieve, soms cryptische gedichten. Van Tongele eindigt een bespiegeling vaak met een rits fantasiewoorden, alsof zijn brein er geen genoeg van kan krijgen en hij de overvloed aan nieuwe woorden toch op een of andere manier kwijt moest.

    De comateuze toestand, waarin hij na een auto-ongeluk terechtkwam, heeft hem ontvankelijk gemaakt voor de betrekkelijkheid en schoonheid van het leven. ‘Is het levensecht dat we verblind zijn door de dood?’ vraagt Van Tongele zich verschillende keren af. Hij meent dat onze doodsangst ons wordt aangepraat en dat die wordt geëxploiteerd. Het ongeval heeft hem de ogen geopend voor de machtshonger van de westerse mens, die verslaafd is geraakt aan steeds nieuwere ontwikkelingen op het gebied van kennen en kunnen. Van Tongele leent zijn oor liever aan de mystica Hadewijch die ‘de minne’ aanbeveelt en de filosoof Levinas, die de medemens een prominente plaats in zijn denken toekent. Tijdens de vakantie mijmert Van Tongele over zijn dichterschap. Hoewel hij zelf weet dat zijn inzicht in de werkzaamheid van deze bezigheid hopeloos tekort moet schieten, komt hij tot de volgende vaststelling:

    ‘Ik wil hoe dan ook levenslang mijn vermogen tot verwondering, tot het tederste, tot het hart van de lichttrillingen oerdeelachtig in mij, doodgemoedereerd intens en kwetsbaar naakt, openhouden, al is het maar een fractie van een seconde, mijn diepste levensnoodzakelijkheid.’

    De bespiegelingen van deze nazaat van Simon Vinkenoog leveren heerlijke vakantieliteratuur op of in ieder geval een boek, dat je ernaar doet verlangen om een stil natuurgebied in te trekken, waar je op een simpele camping alleen de rivier hoort ruisen en af en toe de boer op zijn trekker hoort wegscheuren, waarna de hemelse rust weerkeert.