• Spannende portretten van gewone mensen

    Spannende portretten van gewone mensen

    Sanneke van Hassel (1971) staat bekend als pleitbezorger van het korte verhaal. Ze publiceerde meerdere romans en verhalenbundels en won in 2013 de Anna Blamanprijs voor haar gehele oeuvre. Nederzettingen is haar meest recente verhalenbundel met zestien korte verhalen die allemaal gaan over een thuis of juist het gebrek daaraan.

    Van Hassel schrijft geen epische verhalen met grootste plotwendingen. Haar stijl doet denken aan de geschreven portretten op Instagrampagina Humans of New York, waarop dagelijks een foto verschijnt van iemand die de fotograaf is tegengekomen op straat. De personages van Van Hassel kun je ook zomaar tegenkomen: het is degene die gaat kijken bij een ongeluk, uit de tram stapt bij halte Javabrug of een busbestuurder in Rotterdam. In elk van de zestien verhalen uit Nederzettingen spelen zulke mensen een hoofdrol.

    Hoewel Van Hassel schrijnende gebeurtenissen beschrijft die op een drama kunnen uitlopen, wordt het nergens ongeloofwaardig. In het verhaal ‘Plastic man’ vindt een zwerver bijvoorbeeld een lijk: ‘Ik zag het drijven. Met zijn gezicht naar beneden. Het was een man in een beige jack. Het jack was een ballon. Zijn handen, grauw en opgezwollen. Zijn haar waaierde om zijn hoofd. Ik heb hem met een stok in de richting van het pad geduwd.’ Juist deze simpele zinnen zijn doeltreffend: niet alleen zie je het lijk drijven, ook zegt dit veel over de zwerver. Kennelijk kan de zwerver geen hulp halen of iemand bellen, maar niets doen is ook geen optie.

    Naderend onheil

    Een ander voorbeeld van goed uitgewerkt drama is het verhaal ‘Ik hoor het wel als we gaan inpakken’, over een gezin dat uit de stad vertrekt om landelijker te gaan wonen. De hoofdpersoon en haar man zijn goed bevriend met dit gezin: ‘In een van de laatste verhuisdozen die in de hal stonden, stopte Flip een fles champagne die ze bij het openmaken zouden vinden.’
    Een paar pagina’s verder, wanneer de hoofdpersoon en Flip op bezoek gaan bij het gezin, is de sfeer omgeslagen: ‘Ze liep voor ons uit als een makelaar voor een koppel waarvan ze vermoedt dat ze niet werkelijk geïnteresseerd zijn, plichtmatig deuren openend, verlichting aan en uit doend. In het huis was alles wit, de muren, de meubels, de kleden op de vloeren.’
    Hoewel het verhaal geen horrorelementen bevat, is Van Hassel erin geslaagd het dreigend te maken. De verhoudingen tussen de personages staan op scherp en ieder moment kan er iets vreselijks gebeuren.

    In meerdere verhalen schuilt een dreiging. Het eerste verhaal uit de bundel, ‘In onze straat’, gaat bijvoorbeeld over een ongeluk met een scooter waarbij verschillende nationaliteiten betrokken zijn en de hoofdpersoon gaat bemiddelen. ‘Het zwijgen breidde zich uit. Hoe iedereen elkaar vijandig aankeek – “Mijn fiets,” ik probeerde luchtig te klinken, “was een keer per ongeluk tegen een busje gevallen, en toen heeft de verzekering alles vergoed. Dat ging heel gemakkelijk.” Iedereen bleef zwijgen.’
    ‘It’s not how good you are’ speelt zich grotendeels af tijdens een bijeenkomst voor zelfstandig ondernemers, waarbij de sfeer steeds verstikkender wordt: ‘Ze ging in een hoek zitten, zo ver mogelijk van de deur. Achter de glazen pui waren de mistflarden uitgegroeid tot een wolk, die hen van de wereld afschermde.’

    Alles klopt

    De meeste verhalen zijn gesitueerd in Rotterdam. We zien de stad niet alleen door de ogen van de zwerver, een buschauffeur of een moeder, maar in ‘De geur van mandarijnen’ ook door de ogen van een Schotse vrouw: ‘Anderhalf jaar werkte ze hier nu maar ze kende niet veel meer dan een handvol restaurants en winkels hier in de buurt. Haar appartement was een paar flatgebouwen verder, de trein naar het vliegveld ook.’ De hoofdpersoon zal een jaar later worden overgeplaatst naar Londen, maar wanneer ze na haar werk naar een café gaat, ontdekt ze toch iets wat haar aan deze stad bindt.

    Alle zestien verhalen zitten goed in elkaar. Van Hassel  benadert haar onderwerp vanuit verschillende invalshoeken  en dat maakt de bundel zeer afwisselend. Ieder verhaal onderscheidt zich, geen enkele vertelling had weggelaten kunnen worden en het boek leest als een geheel; het klopt precies. Bij ieder verhaal zit je binnen drie zinnen in het hoofd van de verteller. Meestal heb je geen idee hoe het zal aflopen, maar wanneer je het denkt te weten, heb je het zonder uitzondering mis. Het boek bevat geen pretentieuze taal, iedere verteller heeft een eigen stem waardoor de verhalen tot leven komen.
    Niet alleen is Sanneke van Hassel pleitbezorger van het korte verhaal, Nederzettingen is ook een fantastisch uithangbord voor dit genre.

     

  • Een origineel en gedurfd debuut

    Een origineel en gedurfd debuut

    Het is niet vreemd dat er in de literatuur veel odes aan de fantasie te vinden zijn. Om te kunnen schrijven, heb je immers verbeeldingskracht nodig. De debuutroman Hier is alles nog mogelijk, van de Zwitserse auteur Gianna Molinari (1988), is wel meer dan het zoveelste boek over dromen. In het Duitse taalgebied won ze verschillende prijzen met haar debuut en veroverde een plek op de longlist van de prestigieuze Deutscher Buchpreis.  Haar roman draait om een naamloze ik-figuur die als nachtwaakster in een failliete fabriek werkt. Iedere dag verschijnen er minder medewerkers en het is een kwestie van tijd voordat de deuren definitief sluiten. Wanneer iemand een wolf heeft gezien op het fabrieksterrein, gaat de ik-figuur op zoek naar het dier.

    Natuur en fabriek

    Hoewel het grootste deel van het verhaal zich afspeelt binnen de fabriek, is er ook een rol weggelegd voor de natuur. Het boek opent met: ‘De wolf kwam uit de bergen en samen met hem kwamen andere wolven naar het laagland.’ Hierna volgt een korte proloog waarin de hoofdpersoon wolven omschrijft en zichzelf met hen vergelijkt.
    Deel één van de roman begint als volgt: ‘Er bestaat een eiland waar een beestje leeft dat nog nooit iemand had gezien.’ Wetenschappers slagen erin om dat beestje te vangen en willen die ontdekking allemaal naar zichzelf vernoemen, maar de volgende ochtend is het beestje ontsnapt. Pas dan wordt de fabriek geïntroduceerd en blijkt dat de natuur, in de vorm van de wolf, het terrein is binnengedrongen.

    Meerdere mogelijkheden

    Molinari vertelt het verhaal met korte, eenvoudige zinnen: ‘De zaklamp maakt de nacht niet lichter. Integendeel. Het felle licht duwt de nacht alleen opzij. Buiten de lichtbundel is het des te donkerder.’ Toch zijn er binnen deze korte zinnen mooie observaties aanwezig, zoals het licht van de zaklamp dat het donker van de nacht aan de kant duwt.
    Tijdens haar zoektocht naar de wolf ontdekt de nachtwaakster dat er niet ver van het fabrieksterrein ooit iemand uit een vliegtuig is gevallen. Een vluchteling, blijkt wanneer ze een map met nieuwsberichten van een collega krijgt. De man had zich verscholen in het landingsstelsel, was in de lucht bevroren en viel tijdens het landen en uitklappen van de wielen, achthonderd meter naar beneden. Ook is er in de stad een bankoverval gepleegd De vrouw op de compositietekening vertoont opvallend veel gelijkenissen met de hoofdpersoon, maar is zij het ook?

    Op deze vraag worden meerdere antwoorden gegeven. De lezer krijgt niet één oorzaak en gevolg voorgeschoteld, maar vele oorzaken en gevolgen. Zoals de titel van de roman al weggeeft, gaat dit verhaal over mogelijkheden. De hoofdpersoon stelt zich bijvoorbeeld voor dat zij de bankoverval zou plegen: ‘Ik zou in elk geval handschoenen van stof of leer hebben gedragen. Ik zou voor een wapen hebben gezorgd, een echt wapen of een goede imitatie, een jas en een kous over mijn hoofd. Misschien had ik ook wel mijn stem vervormd, lager gesproken, in een andere taal, of helemaal niets gezegd, dat was waarschijnlijk het beste geweest.’

    Grenzen overschrijden

    De roman is fragmentarisch opgebouwd en bestaat uit genummerde delen: het heden, flashbacks, definities, feiten, tekeningen, foto’s en krantenartikelen. In combinatie met de staccato zinnen zorgt dit ervoor dat het verhaal niet een geheel vormt. Waarschijnlijk is dit ook de bedoeling van Molinari, die juist door het wisselen van vormen en de vele witregels ruimtes creëert waarin de lezer over het verhaal kan nadenken, waarin er zelf mogelijkheden verzonnen kunnen worden.

    Het overkoepelende thema van Hier is alles nog mogelijk is ‘grenzen’. In het hek rondom de fabriek zitten gaten en de hoofdpersoon vraagt zich af of de wolf daardoor binnen kon komen. De wolf is een indringer op het terrein en de chef wil dat hij wordt gedood. Dit vertoont overeenkomsten met man die uit het vliegtuig viel. Deze man was een vluchteling die binnen de grenzen van Europa hoopte te komen, op zoek naar een beter leven. In de onderstaande dialoog spreken de chef en de ik-figuur over de wolf:
    ‘Een wolf komt zoals we weten altijd in een roedel, zegt hij. We moeten ons dus realiseren dat we met meer dan één exemplaar te maken hebben.
    Ze blijven ook wel alleen, zeg ik.
    Tot tien dieren, het idee alleen al. De chef rent bijna voor me uit.
    Hij zal daar wel zijn redenen voor hebben, wil ik tegen de chef zeggen, de wolf komt heus niet vrijwillig op ons terrein, het komt door de honger, wil ik zeggen.’

    Deze dialoog lijkt een rechtstreekse verwijzing naar het vluchtelingendebat, de vraag wie er binnen wordt gelaten en wie er mag blijven. Ook is er een grens tussen werkelijkheid en verbeelding: wat gebeurt er echt in deze roman en wat heeft de hoofdpersoon verzonnen? Wat is de waarheid en is het erg dat we dat soms niet weten?

    Inhoud en vorm in balans

    Het is een opmerkelijk debuut dat opvallend fijn leest. De schrijfstijl wordt nergens té afstandelijk, de thematiek nergens té expliciet. Hoewel de lezer weinig over de hoofdpersoon te weten komt, is dat precies genoeg om met haar te kunnen meeleven. De vertaling van Gerrit Bussink maakt dat het boek oorspronkelijk Nederlands lijkt. De vorm en inhoud van de roman zijn gedurfd en maken nieuwsgierig naar een volgend boek van Molinari, die duidelijk niet bang is om te experimenteren.

     

  • Woordnacht met grote namen en beginnende schrijvers

    Woordnacht met grote namen en beginnende schrijvers

    Het afgelopen weekend vond in Rotterdam de vierde editie van literair festival Woordnacht plaats. Het thema van dit jaar was ‘Stilte’. Op de zaterdagavond zijn er zes festivallocaties, verspreid over de binnenstad: Arminius, het Goethe-Institut, Theater Rotterdam en drie zalen in hoofdgebouw TENT. Bij sommige optredens, zoals een interview met Arthur Japin over diens roman Kolja, is een gebarentolk aanwezig. Ook is er een silent poetry slam, met optredens van dove artiesten.

    Bij TENT kunnen vanaf zeven uur de entreekaartjes worden afgehaald. Wie een paar minuten te vroeg is, moet buiten wachten, binnen wordt nog gerepeteerd. Na zevenen worden de bezoekers verwelkomd met koffie en koekjes. Medewerkers delen overzichtelijke, mooi vormgegeven programmaboekjes en plattegronden uit. Een dag eerder, op vrijdag 25 oktober, heeft Nelleke Noordervliet de Anna Blamanlezing verzorgd. Er is een stapel exemplaren van de gedrukte versie over, gratis mee te nemen.

     

    Poëzie op muziek

    In zaal één van TENT trapt dichter Peggy Verzett de avond af. ’s Middags heeft ze de eerste Jana Beranováprijs uitgereikt gekregen in de pas verbouwde boekhandel Donner. Speciaal voor Woordnacht werd een muzikaal programma gemaakt op basis van haar teksten en gedichten. Ze wordt begeleid door Kobi Arditi op de trombone en Mathijn Den Duijf op de piano. Bij haar opkomst vertelt ze dat de zaal veel resonantie heeft. Waarschijnlijk zal het publiek weinig van haar poëzie verstaan, voorspelt ze.

    Inderdaad zijn de woorden niet verstaanbaar, maar de klanken des te beter. Bovendien zet Peggy Verzett haar lichaam in om haar boodschap kracht te geven: ze gooit haar armen omhoog, keert het publiek de rug toe en danst weg bij de microfoon. Af en toe verstaat het publiek een flard van de tekst: een vader loopt met een vaas, een paar seconden later ‘moet hij terug’. Waarom hij terug moet en waar ‘terug’ is, blijft dankzij de akoestiek een mysterie. Juist dat geeft het optreden van Peggy Verzett iets extra’s.

    Avond vol advies

    Daarna begint in zaal drie het ‘debutantenprogramma’. Hierin gaat een gevestigd auteur in gesprek met een aanstormend talent dat nog bezig is met zijn of haar eerste boek. Eerdere aanstormende talenten waren onder anderen Carmien Michels (Europees kampioen poetry slam en inmiddels gedebuteerd als dichter met de bundel We komen van ver) en Bianca Boer (auteur van de recent verschenen roman Draaidagen en zelf ook aanwezig op Woordnacht voor een interview dat later op de avond plaatsvindt).

    Dit jaar mag Vincent Kortmann zich bij hen aansluiten. Hij zal in gesprek gaan met festivaldirecteur Hans Sibarani en Manon Uphoff, die in 1995 debuteerde met de verhalenbundel Begeerte. Voordat het zover is, vertelt Manon Uphoff over de periode waarin zij aan haar debuut werkte. Ze wist toen al dat Begeerte een basis zou worden waarop ze de jaren erna zou kunnen voortbouwen. In elk kort verhaal was namelijk een groter verhaal verborgen. Ze vergelijkt haar schrijfproces met een matroesjka, een pop die je kunt openmaken en waaruit steeds een nieuw figuur tevoorschijn komt.

    Opgroeiende meisjes in de literatuur

    De telefoon van Hans Sibarani piept. ‘Momentje,’ zegt hij tegen het lachende publiek. ‘Ik dacht dat ik hem had uitgedaan.’
    De telefoon blijft de rest van het gesprek piepen, maar Manon Uphoff trekt zich er niets van aan. Ze vertelt over het schrijfproces rondom Vallen is als vliegen, haar recentste roman: ‘Ik denk niet dat iemand anders dit boek kon maken.’ Het gesprek gaat verder over recensies. Na haar debuut las Manon Uphoff  in een recensie dat wel heel veel verhalen uit het boek over opgroeiende meisjes gingen. ‘Het was precies de helft,’ zegt ze. In de jaren 90 kregen opgroeiende jongens meer aandacht in de literatuur en áls het al over meisjes of vrouwen ging, bleef dat vaak braaf. Manon Uphoff schreef destijds bewust over niet alleen begeerte, maar ook de woede die daarbij kan komen kijken: ‘Ik wilde laten zien dat woede ook een kracht is, een energie, een motor.’

    Vincent Kortmann betreedt het podium. Zijn boek – het zal verschijnen bij uitgeverij Atlas Contact en een titel heeft het nog niet –  gaat over een negentienjarige jongen die door alle vrouwen in zijn leven is verlaten. Dan krijgt de jongen plotseling een stiefzus, die steeds extremere streken uithaalt. Manon Uphoff heeft de eerste vijfenzeventig pagina’s van het manuscript mogen lezen, maar het publiek krijgt alleen het begin te horen. Het is dapper dat Vincent Kortmann voordraagt, aangezien hij benadrukt dat het redactieproces nog bezig is. De eerste zin is alvast indrukwekkend: ‘Vanaf het balkon schoot mijn stiefzus Fay haar luchtbuks leeg op conservenblikken in de tuin.’ Een verschijningsdatum is nog niet bekend, maar het voorgedragen fragment smaakt naar meer.

    Schrijfprocessen

    Jammer genoeg wordt er niet ingegaan op het schrijfproces van Vincent Kortmann. Wél prijst Manon Uphoff de toon en de vertelstem in zijn manuscript. Ook is ze onder de indruk van de dialogen, zelden zijn die bij beginnende schrijvers zo naturel. Ze is van mening dat ‘de innerlijke motor van de hoofdpersoon’ belangrijker voor het verhaal is dan een plot.
    ‘Het moet wel echt ergens over gaan,’ werpt Vincent Kortmann tegen. Hij vindt het belangrijk om naar een bepaald punt toe te werken. ‘Het verhaal mag niet uitgaan als een nachtkaars.’

    Manon Uphoff geeft advies, niet alleen aan Vincent Kortmann, maar aan iedereen die een boek wil schrijven: ‘Ga aan de gang met je eigen stem en geloof erin. Het maakt niet uit of je uiteindelijk goede of slechte kritieken krijgt. Je hebt daar geen invloed op, dus geloof vooral in wat je kunt.’ Vincent Kortmann vraagt hoe Manon Uphoff haar personages, die vaak bizarre handelingen verrichten, geloofwaardig kan neerzetten. ‘Je moet het zelf geloven,’ is haar antwoord. Na het optreden verlaat het publiek de zaal, maar zij blijft achter om nog even met Vincent Kortmann over zijn boek-in-wording te praten, zonder toeschouwers.

    Grote thema’s

    Hierna interviewt Alek Dabrowski de schrijvers Bianca Boer en Christiaan Jongeneel. Hij vindt Magda is overal  van Christiaan Jongeneel, ‘een complexe roman’, en voegt eraan toe dat het is bedoeld als compliment. Het is namelijk ‘de eerste grote 9/11-roman’. Ook in dit gesprek is plot een discussiepunt. Voor Bianca Boer, schrijver van Draaidagen, is plot niet belangrijk: ‘Ik wil mensen maken en ze op elkaar laten reageren.’ Haar roman gaat enerzijds over Auschwitz en anderzijds over Judith, die figureert in een film die zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Bianca Boer draagt een fragment voor waarin de verhaallijnen samenkomen: de filmset voelt als bezet Nederland. Zowel de voordracht als de inhoud wekken de roman tot leven voor het publiek. Over Draaidagen vertelt ze: ‘Sommige geschiedenissen gaan generaties lang door. De hoofdpersoon krijgt geen kind, omdat ze niet wil dat de geschiedenis zich herhaalt.’ Ook Christiaan Jongeneel mag voordragen. Magda is overal blijkt inderdaad complex: de roman telt drie delen en uiteindelijk draait het boek om de vraag of Magda wel bestaat. Hoewel beide auteurs uit Rotterdam komen en voor een groot thema hebben gekozen, hebben ze compleet verschillende boeken geschreven.

    Overvloed aan optredens

    Woordnacht kent een erg vol programma. Om half negen ’s avonds zijn bijvoorbeeld de volgende optredens bezig: ‘Silence of the Slam’ met diverse spoken word-artiesten; een gesprek met Marcel Möring; ‘Dat soort volk’ met Jan Oudenaarden, Erik Brus en Alek Dabrowski; ‘Debutanten’ met Manon Uphoff, Vincent Kortmann en Hans Sibarani; en ‘Reprise: Montere weemoed’ met Thomas Verbogt en Beatrice van der Poel.

    Het is voor een bezoeker onmogelijk meer dan drie programmaonderdelen op de avond te zien zonder halverwege een optreden weg te gaan. Daardoor is er bij sommige optredens slechts een handjevol mensen aanwezig. Het is mooi dat Woordnacht zowel aanstormend talent als grote namen een podium biedt, maar de vraag rijst of het festival niet nóg beter tot zijn recht zou komen met minder locaties of een grotere tijdspanne.

     

    Beeld: Annaleen Louwes

  • Memorabel proza dat leest als muziek

    Memorabel proza dat leest als muziek

    Ook in eenvoud kan schoonheid worden gevonden. Dat bewijst de Noorse auteur Tomas Espedal (1961). Hij schreef zestien boeken en won meerdere literaire prijzen, Buiten de orde is zijn tweede boek in vertaling van Marianne Molenaar. Op het eerste gezicht lijkt het verhaal simpel: een achtenveertigjarige man wordt verliefd op een vrouw van vierentwintig.
    Het boek bestaat uit herinneringen, aantekeningen, observaties en citaten, niet altijd chronologisch. De ik-persoon, die net als de auteur Tomas heet, neemt de lezer mee op reis door zijn leven. Hij schetst zijn vorige relaties, zijn overleden vrouw, zijn dochter, zijn werk als schrijver en de moeite die het hem kost om romans op papier te zetten.

    Muzikale taal

    Buiten de orde leest als muziek: de taal dringt niet alleen je hoofd binnen, maar ook je hart. Dit is bijvoorbeeld de manier waarop de Tomas uit het verhaal zichzelf omschrijft: ‘Een brede mond, volle lippen, zijn lippen zijn gegroefd en er zitten littekens rond zijn mond van een gevecht of kwetsuur, hij heeft een grof en rimpelig gezicht. Misschien is het gehavend door eenzaamheid, of door te veel genot, het is onmogelijk te zeggen wat er in het gezicht schuilt, maar juist dat gehavende is het mooie aan hem; zij vindt dat hij een mooi gehavend gezicht heeft.’
    Later wordt duidelijk dat werken in een fabriek de oorzaak is van de littekens: Tomas lag op zijn zestiende een zomervakantie lang onder de machines terwijl er olie op zijn gezicht lekte. Dit is tekenend voor de rest van het boek, waarin de hoofdpersoon eenvoudige gebeurtenissen romantiseert.

    Een vacuüm van taal en schoonheid

    Een belangrijk thema in Buiten de orde is de tegenstelling tussen binnenshuis en de buitenwereld. Het begint al bij de fabriek waar Tomas als jongen werkte, hij weet niet meer zeker of het een warme zomer was, aangezien het tussen de machines altijd koel was. Wanneer hij volwassen is, reist hij met zijn vrouw Agnete naar Guatemala en Nicaragua, waar ze wonen in huizen met tralies voor de ramen. Agnete kan er werken als activistische actrice; Tomas blijft thuis om voor hun dochter te zorgen en door de onrust in beide landen moet hij binnen blijven. Later in het boek is het de buitenwereld die Tomas’ relatie met de vierentwintig jarige studente afkeurt, waardoor zij zich terugtrekken in zijn huis.

    Er zijn verwijzingen naar andere schrijvers, zoals Ovidius en Knausgård. Buiten de orde verhaalt, net als Ovidius’ Metamorfosen, dat alles op de wereld continu verandert, maar dat niets geheel verdwijnt, ook de liefde niet. Beide boeken stralen tijdloosheid uit, een vacuüm van taal en schoonheid dat de lezer tot het einde betovert. Knausgård is, net als Espedal, een Noorse auteur met een oeuvre dat autobiografische elementen bevat. Het is interessant hoe Espedal met deze verwijzingen speelt, bijvoorbeeld wanneer Tomas en zijn vriendin tegelijk één van Knausgårds boeken lezen: ‘Tot ik mijn boek neerlegde en haar aankeek; heb je dat gelezen? vroeg ik. Dat hij durft, het is ongelooflijk, hij maakt zichzelf kapot, zei ik.’

    Romantiek versus verstand

    Hoewel Tomas pas achtenveertig jaar is, voelt hij zich soms ouder: ‘Gaat dat zo: dat de ouderdom komt op een nacht als je alleen in bed ligt, zomaar opeens, als een schaduw in het vertrek; legt zich over je heen, drukt je neer op het bed, houdt je hoofd vast in een vreselijke greep en blaast ijs in je mond.’

    Net als in veel klassieke verhalen is de liefde hier verbonden met de dood: alleen zijn betekent dat de ouderdom vrij spel heeft. De stad en het platteland, de oude man met het jonge meisje, zelfs Tomas die Agnete opzoekt in Rome, de stad van de liefde – Buiten de orde zou samengevat kunnen worden in een opeenvolging van clichés. Na het lezen zijn het echter niet de clichés die blijven hangen. Het lijkt niet om het verhaal te gaan, maar om de manier waarop het verhaal is geschreven. Espedals ritme en romantiek overwinnen het verstand.

    Liefdesbrief aan de literatuur

    Tomas vindt het lastig om te schrijven over zijn geliefden: Agnetes naam noemt hij regelmatig, maar zij is in het heden overleden. Zijn eigen naam wordt tussen de regels door genoemd, alsof hij is vergeten hem weg te halen uit zijn notities. Pas op driekwart van het boek wordt duidelijk hoe zijn dochter heet. Daardoor lijkt het verhaal autobiografisch, wat de intensiteit nog verder versterkt.
    Buiten de orde lijkt op het eerste gezicht een eenvoudig boek, maar is in staat de lezer te betoveren. De vertaling door Marianne Molenaar is zo goed dat deze betovering in het Nederlands standhoudt. Niet alleen bevat het verhaal liefdesbrieven, zelf is het ook een liefdesbrief aan de muzikaliteit van taal en de kracht van literatuur. Het resultaat is prachtig, memorabel proza dat je niet leest, maar ervaart. Hoewel Buiten de orde een dun boek is, leest het als een heel leven.