• Van droomfabriek naar nachtmerrie

    Van droomfabriek naar nachtmerrie

    No good deed goes unpunished, luidt het bekende Engelse gezegde. Dat zou een goede ondertitel zijn voor De droomfabriek, geschreven door Gerwin van der Werf (1969). Van der Werf, behalve auteur ook muziekdocent op een middelbare school, liet eerder in zijn succesvolle roman Strovuur al zien dat hij zich goed in jongeren kan verplaatsen. In De droomfabriek gaat hij nog een stap verder: dit boek gaat niet alleen over jongeren, maar ook over degenen die deze jongeren iets bij proberen te brengen – hun leraren.

    De tweeëndertigjarige Josie, die geen onderwijsbevoegdheid heeft, wordt aangenomen als docent wiskunde. De dag na haar sollicitatiegesprek moet ze al beginnen, terwijl ze nog geen schoolboek heeft gezien. Haar eerste les begint chaotisch: ‘“Het is hier fokking warm mevrouw, ik ga hier echt niet zitten.”
    “Gatverdamme, het stinkt hier.”
    “Jij stinkt zelf gast, je hebt zeker een dampoe gelaten.”
    “Hebben we buiten les? Wij gaan hier niet zitten hoor.”
    “Wiskunde is echt zooo kut.”
    Twee jongens begonnen te vechten […].’

    Thuissituaties leerlingen

    Deze stijl doet denken aan de onderwijsklassieker De aftrap op van Bel Kaufman, waar de eerste les van de kersverse docent vol goede bedoelingen exact hetzelfde begint. Ook schetst zowel De aftrap op als De droomfabriek een beeld van het onderwijs door verschillende leraren aan het woord te laten, van de hoopvolle docenten die in iedere leerling wat goeds zien tot een leraar die een klas ‘een open inrichting’ noemt. Tevens krijgen de leerlingen een stem, bijvoorbeeld via ingeleverde opdrachten. In De aftrap op is er echter een stijgende lijn zichtbaar: de docent raakt bevriend met collega’s en voelt uiteindelijk zelfs waardering van haar leerlingen.

    De droomfabriek verloopt anders. Het verhaal begint relatief onschuldig met Josie die zich zorgen maakt over haar leerlingen, omdat ze in de rook van een fabriek wonen, omdat ze geen fijne thuissituatie hebben en omdat de gymleraar wel erg veel belangstelling voor de meisjes lijkt te hebben. Ze fietst zelfs naar het appartement waar Carmen uit klas 3A met haar moeder woont en loopt Carmens kamer binnen om met haar te praten. Hiervoor krijgt ze complimenten, want op deze school gaan ze nét een stapje verder in leerlingenbegeleiding. Later wil Carmen bijles – bij Josie thuis.

    Leerling slimmer dan leraar

    Van wiskunde komt er weinig. De twee maken foto’s voor Carmens zestigduizend volgers op Instagram. Josie maakt ook een account voor zichzelf. Dat is meteen het enige stukje van De droomfabriek dat niet geloofwaardig is: voor iemand van pas tweeëndertig jaar is Josie wel heel onhandig met sociale media. Langzaam ontspoort het contact tussen Carmen en Josie verder, van blowen tot logeerpartijen: ‘“Echt weird,” zei Carmen.
    “Wat?”
    “Dat ik op de slaapkamer van een leraar ben.”
    “Denk er maar niet te veel over na.”’

    Uit het bovenstaande citaat blijkt dat de leerling slimmer is dan de leraar, de grenzen beter herkent. Dat is niet de enige kritiek binnen De droomfabriek op het onderwijs: zo kan Josie haar gang gaan. Daarnaast staat ze onbevoegd voor de klas, hebben de lokalen niet eens een smartboard en lopen er leerlingen rond voor wie geen plaats is op het speciaal onderwijs.

    Het meest beklemmende is de herkenbaarheid. Iedere beginnende docent heeft radeloos voor een klas gestaan waar van alles gebeurde behalve wat de docent in gedachten had. Iedere docent maakt zich zorgen over leerlingen. Iedere docent wil helpen. Op de lerarenopleiding – in ieder geval op de opleiding die deze recensent volgde – wordt geen aandacht besteed aan grenzen. Op de school waar Josie werkt wordt het overschrijden van de eerste grens (het bezoek aan Carmen op haar kamer) als iets goeds gezien. Josie beseft pas wat er aan de hand is als het te laat is, als ze tegen anderen liegt over haar contact met Carmen.

    Een finale die je bijblijft

    Doordat Van der Werf veel nadruk legt op Josies goede intenties, leef je met haar mee en hoop je tot op zekere hoogte zelfs dat ze niet in de problemen zal raken. Dit zorgt voor een zekere nuance binnen een beladen onderwerp. Ook de humor en de stereotype collega’s van Josie maken vooral de eerste helft van de roman niet te zwaar. Zeker wanneer Josie lesgeeft, is de sfeer energiek en levendig. Deze combinatie met het naderende onheil maakt De droomfabriek ongelooflijk spannend. Van der Werf houdt zich niet in en eindigt met een misselijkmakende finale die je dagenlang bijblijft.

    Dit boek is niet alleen een waarschuwing, het is ook een ode aan degenen binnen het onderwijs die positief blijven en hoop houden, iedere dag weer. Het is een ode aan de grappige, onzekere, gretige of juist opstandige leerlingen. Het is een actueel verhaal in de nasleep van #MeToo dat mogelijkheden biedt tot een gesprek, tot het verscherpen van je eigen grenzen. Een onderwerp dat nog niet uit de taboesfeer is, terwijl er op iedere school verhalen of vermoedens rondgaan. Jeugdboekenauteur Helen Vreeswijk schreef ooit: ‘Lezen is weten. Weten is herkennen. Herkennen is voorkomen.’ De droomfabriek zou verplicht moeten zijn voor iedereen die leraar is of dat wil worden.

     

     

  • Oogst week 10 – 2022

    Zelf doen

    Niña Weijers (1987) debuteerde in 2014 met de roman De consequenties en won daarna verschillende literaire prijzen, zoals de Anton Wachterprijs, de Opzij Literatuurprijs en de publieksprijs van de Gouden Boekenuil. In 2019 verscheen Kamers, antikamers, een roman waarmee ze genomineerd werd voor de bng Bank Literatuurprijs.

    Haar nieuwste publicatie is Zelf doen, een boek waarin ze ingaat op haar eigen onzekerheden, vraagstukken en opvattingen. In korte, essayachtige teksten verbindt Weijers haar leven met de literatuur. Zo beschrijft ze in het hoofdstuk ‘Zekerheid’ hoe haar leeftijdsgenoten opeens een compleet appartement en een vaatwasser bezitten. Met dit nieuwe werk slaat Weijers een nieuwe weg in in haar groeiende oeuvre. 

     

    Zelf doen
    Auteur: Niña Weijers
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Fonkelrozen

    Tegenwoordig zoeken steeds meer auteurs de grens op tussen feit en fictie. Een van hen is Geertjan de Vugt (1985). In zijn debuut Fonkelrozen staan vingerafdrukken centraal: volgens hem vormt een vingerafdruk ‘een bundel verhalen’. Zo is niet alleen Mark Twain bij de geschiedenis van de vingerafdruk betrokken, maar ook een Duitse handlezeres.

    Fonkelrozen gaat niet alleen over het ontstaan van de vingerafdruk, maar ook over de vraag wat een vingerafdruk doet met onze identiteit. De Vugt werkt als Coördinator Wetenschap en Kunst bij de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen. Daarnaast is hij poëzierecensent voor onder meer De Volkskrant

     

    Fonkelrozen
    Auteur: Geertjan de Vugt
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Kromme ploeg

    Itamar Vieira Junior (1979) wordt ‘de literaire sensatie van Brazilië’ genoemd. Hij is gepromoveerd met een onderzoek naar de afstammelingen van voormalige tot slaaf gemaakte mensen. Ook Kromme ploeg, zijn debuutroman, gaat over de slavernij: op het Braziliaanse platteland worden de arbeiders uitgebuit.

    Twee zussen kijken hier totaal anders tegenaan: de een lijkt tevreden, terwijl de ander alles op alles zet om te strijden voor de rechten van de arbeiders. Daarnaast is er ook een familiegeheim, want alle gebeurtenissen worden in gang gezet door een koffer onder het bed van hun grootmoeder. Viera Junior won met dit boek drie prijzen: de Oceanos, de LeYa en de Jabuti. 

     

    Kromme ploeg
    Auteur: Itamar Vieira Junior
    Uitgeverij: Prometheus
  • Een emotioneel familieportret

    Een emotioneel familieportret

    ‘De taalvirtuositeit springt van de pagina’s,’ schreef Literair Nederland in januari 2020 over De menselijke maat, de debuutroman van de Italiaanse auteur Roberto Camurri (1982). Dat boek draait om een groep inwoners in het stadje Fabricco. In Camurri’s tweede roman De naam van de moeder vormt Fabricco opnieuw het decor. In plaats van schetsen van het leven van de inwoners draait dit verhaal om een vader en een huilbaby die door de moeder in de steek zijn gelaten. 

    Ettore, zoals de vader heet, bedoelt het goed als hij na enkele jaren zijn zoontje Pietro meeneemt om een puppy uit te zoeken. Een lief idee, tot de moederhond vastgeketend blijkt te zijn en de jonge Pietro de staart van de vluchtende puppy plet tijdens een poging deze te vangen. Onder begeleiding van het gejank van zowel de moederhond als de puppy stappen vader en zoon in de auto: ‘Stap in, zegt hij, kom op we gaan, je hoeft je geen zorgen te maken, als we thuis zijn voelt hij zich prima, dat beloof ik je, vertrouw je papa maar, het is normaal dat hij nu jankt, maar dat gaat zo over. Pietro kijkt omhoog en haalt zijn neus op. Beloof je dat? vraagt hij. Ja, antwoordt zijn vader.’ 

    Taal die ademt

    De verwijzingen naar de personages zelf zijn gauw gevonden: net als de puppy mist Pietro zijn moeder en de verbinding tussen stoppen met janken en een huilbaby is ook duidelijk. Het is jammer dat Camurri deze verwijzing expliciteert: ‘… of ook bij hemzelf die pijn ooit over zal gaan, het gemis van zijn moeder.’ Net als Ettore bedoelt Camurri het goed, maar door deze zin wordt het beeld bijna een onbedoeld cliché, al schrijft Camurri in deze roman net zo betoverend als in zijn debuut. 

    We volgen Pietro terwijl hij opgroeit, een vriendin krijgt, naar de grote stad trekt. De taal in De naam van de moeder lijkt bijna te ademen, zelf een personage te worden. Zo bestaat een ruzie tussen Pietro en zijn vriendin Miriam uit één zinderende zin: ‘Ze schreeuwen, ze slaan met hun vuisten tegen de muren en de meubels, ze worden rood, spugen elkaar scheldwoorden toe die ze nog nooit hebben geroepen, het is de eerste keer dat Pietro haar zo ziet, haar tanden ontbloot door haar strakgetrokken lippen, haar gezicht vooruitgestoken alsof ze hem wil bijten, hij is bang voor haar en hij is bang dat hij zich misschien niet zal kunnen bedwingen.’ 

    Roberto Camurri schrijft niet over mensen, hij schrijft over iets groters, over het leven zelf. Zijn zinnen roepen zwartwitbeelden op van zomervakanties die je nooit hebt meegemaakt, appartementen waar je nooit hebt gewoond, herinneringen die bijna van jou worden. Vertaler Manon Smits weet heel knap een Italiaans aandoend ritme in de zinnen te behouden. De relatie tussen Pietro en Miriam, die grillig verloopt, is compleet geloofwaardig, zelfs wanneer zij hem vertelt dat ze zwanger is en hij zonder iets te zeggen wegloopt. 

    Praten over gevoelens

    Bij de relatie tussen Pietro en zijn vader Ettore is dit anders. Ettore verwijt Pietro dat hij precies zoals zijn moeder is, waarna Pietro hem probeert te wurgen en Ettore zijn eigen zoon in elkaar slaat. Een pagina later ‘pakken ze elkaar vast in de omhelzing die ze elkaar nooit hebben gegeven’. Hoe fijn deze uitkomst ook is en hoe prachtig Camurri het ook beschrijft, het is niet realistisch dat de breekbare band tussen vader en zoon zich juist na zo’n heftig moment verstevigt. 

    Naast vaders, moeders en kinderen spelen grootouders een rol in De naam van de moeder. Een van de mooiste scènes speelt zich af in het huis van Ester en Livio, de ouders van de afwezige moeder. Livio biecht op dat hij hoopte dat Ettore stierf en Pietro wees werd, zodat zij de kans zouden krijgen om nog een keer ouders te zijn: ‘[Ester] pakt Livio’s gezicht tussen haar handen, ze zegt stil nou, dat hij niet dat soort dingen moet denken, dat het niet hun schuld is. ‘Ze streelt hem en dan kust ze hem, op die bank, in het blauwe schijnsel van de tv die hun een volmaakt licht schenkt.’ 

    Ettore wilde zijn eigen vader vermoorden toen die een varken had geslacht, maar haalt de puppy die hij met zijn zoon kocht niet naar binnen wanneer het sneeuwt. Een generatie later, op de verjaardag van zijn eigen zoontje, wil Pietro het liefst alles platbranden. Pietro’s moeder schreef in haar dagboek dat het vandaag een goede dag was, ‘want hij heeft maar zestien uur gehuild’. Deze drie mensen hebben net zo hard troost nodig als Livio, maar weten niet hoe ze erom moeten vragen of hoe ze moeten reageren als een ander emoties toont. Dat levert juist een verhaal vol emotie op, vol kleine tragedies die fantastisch zijn uitgewerkt. Maar als Camurri het klein had gehouden, had zijn tweede roman de eerste zelfs overtroffen. 

     

  • Indrukwekkende essays getuigen van noodzaak

    Indrukwekkende essays getuigen van noodzaak

    De Amerikaanse auteur Annie Dillard (1945) schrijft proza, poëzie en literaire kritieken, maar is vooral bekend vanwege haar non-fictie. Haar essaybundel Pelgrim langs Tinker Creek uit 1974 leverde haar de Pulitzerprijs op. In 2020 won Henny Corver de Filter Vertaalprijs voor de Nederlandse editie van dit boek. Corver vertaalde ook De overvloed, een verzameling van wat Dillard zelf haar beste essays noemt. In haar voorwoord introduceert Marja Pruis de persoon Dillard en noemt stukjes uit de essays die in het boek voorkomen, precies genoeg om nieuwsgierig te maken naar meer.

    De essays in De overvloed schreef Dillard op verschillende momenten in haar leven, grofweg tussen halverwege de jaren zeventig en het begin van de jaren negentig. De onderwerpen lopen uiteen. Zo beschrijft Dillard in het essay ‘Disneyland’ hoe een gezelschap van Chinese auteurs en critici een bezoek brengt aan de Verenigde Staten voor een schrijverscongres. De locatie is Disneyland. Op enkele bezoekers zoomt ze in. Zo beschrijft ze Liu Binyan, bekend van zijn artikelen over corruptie in China: ‘Hij oogt jong, thuis in de wereld; zijn donkere kostuum zit hem wonderwel als gegoten. Na zijn beroepsverbod heeft hij tweeëntwintig jaar dwangarbeid verricht. Nu wandelt hij door Disneyland.’

    Dwangarbeid en Disneyland

    Het heeft iets absurds, de literaire elite in een pretpark vol cartoonfiguren. De bijna terloopse zin over dwangarbeid is vergeten wanneer het gezelschap gaat lunchen in het park en Dillard de taalbarrière beschrijft: wanneer hostess SUSI – zo staat het op haar badge – beleefd aan iemand van de Chinese overheid vraagt of hij Disneyland leuk vindt, is zijn antwoord prompt ‘nee’. Hij dacht dat ze vroeg of hij er al eerder was geweest. Hier zijn complimenten voor Henny Corver op zijn plaats, want de taalkundige misverstanden zijn ook in het Nederlands geslaagd.

    De vakantieanekdote, gezellig en herkenbaar, maakt plaats voor een scène waarin Dillard met mevrouw Fran, de secretaris van het gezelschap, buiten staat. Een Amerikaans jongetje van een jaar of vijf, met een pistoolriem om zijn middel, komt op hen af en vuurt met maar liefst twee pistolen denkbeeldige kogels af op de twee vrouwen. Hij weigert op te houden tot Dillard een idee krijgt: ‘Ik opper dat mevrouw Fan naar haar borst moet grijpen en zogenaamd moet sneuvelen om hem ter wille te zijn en om een einde te maken aan de slachtpartij; zo gezegd, zo gedaan.’ 

    Het essay eindigt met een herkenbaar scenario voor iedereen die ooit op schoolreisje is geweest. Toneelschrijver Chen Baichen is  zoekgeraakt, midden in Disneyland. De droge humor van Dillard komt hier om de hoek kijken. ‘Sommigen in het gezelschap zijn van mening dat Chen Baichen, die twee wereldoorlogen, bezetting, bevrijding, hongersnood, de campagne tegen rechts en de Culturele Revolutie heeft overleefd, Disneyland waarschijnlijk ook wel aankan.’ Wanneer hij wordt gevonden, omhelst Dillard hem spontaan, alle etiquetteregels vergetend. Hij is zo ontroerd dat hij huilt. Een treffende vergelijking: de huilende Chinese man en het Amerikaanse jongetje dat kogels bleef schieten tot zijn slachtoffers deden alsof ze getroffen waren.

    Kritische kijk op rijkdom

    Geweld is een terugkerend thema in Dillards werk, net als de natuur. In het essay ‘De wezel’ staat ze opeens oog in oog met dat dier, waarna ze aan het leven van de wezel denkt (‘alles opmerken, niets onthouden’) en vervolgens aan de vraag hoe zij moet leven, hoe wij mensen moeten leven. ‘De wezel laat zich leiden door noodzaak en wij door keuze; wij haten noodzaak en sterven uiteindelijk onwaardig in zijn klauwen.’ In tegenstelling tot de Amerikaanse mentaliteit is Dillard kritisch op het rijke westen, onder meer in het essay ‘Tsunami’. ‘We doen ons in restaurants tegoed terwijl overal mensen verzwakken en verhongeren, mensen die stuk voor stuk zonen en dochters zijn.’ Alle essays, hoe verschillend ook, ademen noodzaak. Dillard móést dit opschrijven, voor haar was er geen andere keuze. Hoewel de teksten meer dan dertig jaar oud zijn, zorgt deze achterliggende noodzaak ervoor dat het lijkt alsof ze gisteren zijn geschreven.

    Een ander indrukwekkend essay is ‘Zo moet je leven’, waarin Dillard op hypnotiserende wijze een blik werpt op het fenomeen ‘cultuur’. De dichter in haar komt naar boven wanneer ze over mensen schrijft. ‘Ze bidden; ze werpen mensen in veenmoerassen; ze helpen de zieken en gewonden; ze doorboren hun lippen, hun neus, hun oren; ze maken dezelfde fouten, in weerwil van religie, geschreven taal, filosofie en wetenschap. Ze bouwen, ze doden, ze behouden, ze tellen en schatten, ze koken de pot, ze houden het vuur gaande; ze vertellen hun verhalen en gorden zich aan.’ 

    Fluisterend en schreeuwend

    De variatie in taalgebruik is kenmerkend voor Dillard. Een essay kan relatief rustig beginnen, op een soortgelijke toon als ‘Disneyland’, en vervolgens versnellen als Dillard op stoom komt en de woorden om zich heen smijt. Dat levert prachtige zinnen op, zoals: ‘Bewonder de wereld omdat ze nooit het bijltje erbij neergooit – zoals je een tegenstander zou bewonderen, zonder je blik van hem af te wenden of weg te lopen’, en ‘Een van de weinige dingen die ik van schrijven weet is dit: zet alles in, schiet, speel, verspeel alles, zonder nadenken, elke keer opnieuw’. Dit combineert Dillard met nuchtere adviezen, zoals: ‘Zinnen van een recept componeren is niet minder lastig dan zinnen van Moby Dick componeren. Dan kun je net zo goed Moby Dick schrijven.’ De inhoud van Dillards teksten is boeiend, maar haar taalbeheersing voegt veel toe. De overvloed leest alsof Dillard op het podium staat, soms fluistert en soms schreeuwt, vertraagt en weer versnelt, haar publiek daarmee zo in haar ban houdt dat niemand na haar laatste buiging aan klappen denkt.

     

     

  • Opmerkelijk debuut met essay-achtige passages

    Opmerkelijk debuut met essay-achtige passages

    De afgelopen jaren is er een golf van debuten gelanceerd waarin auteurs met wisselend succes over hun eigen leven schrijven. Een nieuwe debuutroman die deze trend volgt is Nora, of brand Oslo brand!, geschreven door de Zweedse Johanna Frid (1988). In dit autobiografische boek is Johanna ziekelijk jaloers op de ex-vriendin van haar vriend Emil en zoekt ze een diagnose die de heftige pijnen tijdens haar menstruatie verklaart. 

    Johanna is Zweeds, Emil Deens en Emils ex-vriendin Nora is Noors. De verhoudingen tussen hen zijn nauw verbonden met deze drie Scandinavische landen. Voor Johanna is Noorwegen het onbereikbare land waar alles nét iets mooier is dan in Zweden. Ze leert met moeite de Deense taal en haar communicatie met Emil verloopt even moeizaam. Als ze erachter komt dat Emil koffie gaat drinken met Nora, knapt er iets. Johanna zoekt Nora’s profiel op Instagram en is vastbesloten alles over haar te weten te komen. 

    Oppervlakkige personages

    Het begin van Nora, of brand Oslo brand! gaat erg snel. De ontluikende liefde tussen Johanna en Emil, een verblijf in het huis van zijn ouders en de ontdekking dat hij met Nora wil afspreken volgen elkaar zo vlug op dat er nauwelijks tijd is om een band met de personages op te bouwen vóórdat Johanna hoort dat Emil koffie gaat drinken met Nora. Dat Johanna en Emil verliefd zijn, is duidelijk: ‘Drie maanden is geen lange periode om verkering met iemand te hebben, maar lang genoeg om iets van de grond te krijgen wat je een veilig en mooi gevoel kan geven. Een vriendin zei dat Emil hartjes in zijn ogen had als hij naar me keek. Zelf zag ik dat niet, maar soms voelde ik aan zijn blik dat ze gelijk had. Ik had een groot vertrouwen in hem, zo groot dat het me verbaasde.’

    Waarom de twee bij elkaar blijven is een stuk minder duidelijk. Bijna ieder gesprek tussen Johanna en Emil eindigt in woede of teleurstelling. Johanna begint telkens over Nora en die gesprekken eindigen steevast in een uitbarsting van haar. Later maken ze het weer goed, waarna de geschiedenis zich herhaalt. Emil weigert Nora niet meer te zien en Johanna huilt regelmatig. ‘Ik stormde de trap op. Als het leven een film was, had de regisseur hier “cut” geroepen, maar het was geen film en ik mocht mezelf fijn gezelschap houden terwijl ik luid lag te huilen op bed – een bed waarin Nora had gelegen, waarin ze misschien opnieuw zou liggen.’

    Een onsympathieke hoofdpersoon in een destructieve relatie kan erg interessant zijn, maar het probleem in Nora, of brand Oslo brand! is dat de personages in de eerste helft van het boek oppervlakkig blijven. Johanna is vooral jaloers, Emil lijkt een goedzak die om onbekende redenen bij haar blijft. Het gebrek aan communicatie zorgt voor frustratie tijdens het lezen: beide personages lijken de problemen niet op te wíllen lossen. Gelukkig gaan Johanna en Emil uiteindelijk samen in therapie. Dat maakt de personages minder passief en zorgt voor diepgang in het boek. 

    Sterke hoofdstuktitels

    Johanna is een verteller met humor: ‘Ik bladerde lusteloos in Ulysses, en bedacht dat die misschien een keer van pas kon komen onder een ongelijke tafelpoot of tegen de tocht van een kierend raam.’ Ook de andere verwijzingen naar literatuur zijn geslaagd, zoals een terugkerende vergelijking met Mr Rochester die in Jane Eyre zijn gekke vrouw opsluit op zolder. De humor, de lelijkheid en de liefde voor literatuur voelen oprecht. Het is jammer dat daar af en toe taalgebruik doorheen komt dat te gemaakt lijkt of tegen clichés leunt, zoals: ‘De lucht was bezwangerd met kwaad.’ 

    De hoofdstuktitels, zoals ‘Isak Olssons gore appartement’ en ‘Oké, dan moet ik maar een ijsje gaan neuken’, zijn sterk. Bij zulke titels verwacht je dat er iets gaat komen, rauwe eerlijkheid van Johanna bijvoorbeeld, maar de inhoud blijft vrij braaf, alsof je graffiti verwacht en in plaats daarvan een stilleven van een fruitschaal ziet. 

    Essay-achtig proza

    De rauwste gedeelten uit het boek zijn niet de passages over de relatie tussen Johanna en Emil, maar de stukken waarin ze de pijn in haar baarmoeder beschrijft: ‘Ik voelde hoe in mijn onderbuik vlees van vlees werd losgerukt, hetgeen knetterende, witgloeiende pijnscheuten veroorzaakte.’ Over haar relatie met Emil zeurt Johanna te vaak, maar iedere klacht over haar pijn is volkomen terecht. Artsen die haar steeds dezelfde, niet-werkende pijnstillers voorschrijven, bezoeken aan de Spoedeisende Hulp, onderzoeken, uiteindelijk een operatie en ten slotte veel te laat een diagnose. 

    Johanna wendt zich tot literatuur en Facebookgroepen voor begrip en informatie. Dat levert essay-achtig proza op, een meerwaarde voor deze roman. Waar ze haar problemen met Emil en Nora niet lijkt te willen oplossen, zoekt Johanna actief naar oplossingen om haar leven met de aandoening draaglijker te maken. Als ze dan toch werkende pijnstillers krijgt, sleept ze zichzelf naar sollicitatiegesprekken. Eindelijk dóét Johanna iets. Deze passages zijn niet braaf of mooi geschreven, ze voelen écht. 

    Dat maakt Nora, of brand Oslo brand! een opmerkelijke roman. Aan de ene kant brengt de relatie tussen Johanna en Emil weinig nieuws, behalve de vraag waarom die twee er niet gewoon een punt achter zetten. Het personage Emil blijft onderbelicht, maar in Johanna zit potentie: ze vertelt het verhaal over haar gezondheidsproblemen op een nietsontziende, directe manier waarin je haar noodzaak tot schrijven voelt. Daarnaast is dit boek erg goed vertaald door Janny Middelbeek-Oortgiesen. De Scandinavische sfeer blijft behouden, het incidentele gebruik van Deense woorden voelt natuurlijk en de beschrijvingen van voedsel zijn verleidelijk. Nora, of brand Oslo brand! laat zien dat Johanna Frid kan schrijven en maakt vooral nieuwsgierig naar haar tweede roman.

     

     

  • Een dunne lijn tussen feit en fictie

    Een dunne lijn tussen feit en fictie

    Olga Majeu (1969) debuteerde in 2015 als non-fictieauteur met Een schitterend isolement, over de geschiedenis van haar voorouders. In 2020 verscheen Eenzaam, de dapperen, haar tweede non-fictieve werk, deze keer geïnspireerd op het verleden van haar echtgenoot die in het boek Didier heet. Hij verloor zijn moeder op jonge leeftijd, maar kreeg nooit de kans dit te verwerken, aangezien zijn familie niet meer over haar sprak. Het verhaal draait om de herinneringen die Didier aan zijn moeder heeft: ‘”Je herinnert je je moeder toch nog wel?” Toen het onderwerp eens ter sprake kwam, was het díé vraag die Gustave hem stelde. En Didier zei ja. Wat kon hij anders antwoorden dan ja?’

    Gedurende het boek komt Didier erachter dat zijn herinneringen niet altijd even betrouwbaar zijn: ‘”Le Soler. Ze reed haar noodlot tegemoet bij Le Soler, en niet in Thuir,” zei Didier. “Hoe komt het dat ik altijd dacht dat het ongeluk in Thuir is gebeurd? Wie heeft me dat verteld?”
    “Misschien heb je dat jezelf wijs gemaakt.”‘

    De schrijver als hoofdpersoon

    Het eerste en derde deel van het verhaal worden verteld door de ik-figuur Olga, de auteur zelf. Ze duikt in het leven van Didier, zijn broer Bernard en zijn vader Gustave. Na de dood van Didiers moeder Monique is Gustave hertrouwd met Claudette, een vrouw die altijd voelde dat ze op de tweede plaats kwam en daardoor niet altijd even aardig tegen haar stiefzoons was. Het overlijden van Claudette vormt de aanleiding voor Olga en Didier om in het verleden te gaan graven. 

    Interessant is dat de ik-persoon het schrijven van dit verhaal expliciet verwerkt in het boek: ‘Didier vond dat ik het schrijven kon aanpakken hoe ik wilde, als ik de namen van zijn familieleden maar veranderde, en de naam van zijn dorp.’
    De auteur kaart in het derde deel zelf de thematiek aan wanneer ze Gustave uitlegt dat ze een boek schrijft: ‘”Over herinneringen gaat het ook… dat ze voor iedereen anders zijn. Het fascineert me dat Didier…’ –
    niets meer weet, wilde ik bijna zeggen, ‘… weinig meer weet van zijn moeder. Dat wil ik onderzoeken. We, eigenlijk. We willen dat onderzoeken.”‘

    Didier als hoofdpersoon

    De gesprekken leveren niet altijd iets op. Hoewel Olga bij Gustave af en toe iets los weet te krijgen, is Bernard geslotener. Zo haalt hij wel een fotoalbum als Didier over hun moeder begint, maar bladert hij er zo snel doorheen dat Didier en Olga nauwelijks zien of Monique op de foto’s staat en zo ja, wat ze dan doet. In het tweede gedeelte van het boek is Didier de verteller en wordt de basis van het zwijgen duidelijker, zijn jeugd is getekend door het verlies van zijn moeder. Zo liet zijn vader hem als tienjarige een hele avond alleen thuis, waar Didier doodsbang met een stanleymes onder zijn kussen wachtte tot hij terugkwam. De jonge Didier vat de situatie samen, ‘Mijn vader en ik leefden elk een soort leven, samen maar alleen, langs elkaar heen, elke avond weer een dag achter de rug.’ 

    De komst van Claudette en haar twee kinderen doet Didier geen goed, vooral omdat Bernard niet met haar kan opschieten. Ook Didier heeft moeite met haar en zijn nieuwe stiefbroer Olivier en stiefzus Charlotte. Als hij uiteindelijk vertrekt, is dat duidelijk: ‘”Wie weet komen we je wel opzoeken,” zei Olivier lief. Ik zou hem nog bijna gaan missen. Nee, dacht ik. Jullie komen me niet opzoeken.’ Juist door haar afwezigheid is zijn moeder overal. 

    Een reconstructie

    De gesprekken die Olga voert en de herinneringen van Didier leveren een reconstructie op van zijn jeugd en over wie Monique, zijn moeder geweest was. Verschillende mensen hebben verschillende verhalen over haar en ook die herinneringen zijn niet even betrouwbaar. Je zou willen dat alles goedkwam, dat de familie leert om eindelijk met elkaar te gaan praten, maar dat gebeurt niet. Dit verhaal blijft dicht bij de feiten, voor zover die objectief kunnen worden bepaald: Gustave is achtergebleven in 1974, het jaar van het ongeluk, er is te veel gebeurd. Bernard blijft boos, Didier krijgt zijn moeder niet terug. 

    Eenzaam, de dapperen is een mooi portret van een familie die uit elkaar is gevallen na een groot verlies. Het verhaal laat zien wat er gebeurt wanneer mensen niet meer met elkaar durven te praten. Toch wordt het nergens zwaarmoedig, Olga en Didier zijn samen gelukkig en hebben steun aan elkaar. Daarnaast stelt de auteur interessante vragen over feit en fictie door de herinneringen van Didier te deconstrueren, en wat is werkelijkheid?

     

     

  • Een gecompliceerde en machtige roman

    Een gecompliceerde en machtige roman

    De Poolse auteur Olga Tokarczuk (1962) won de Nobelprijs Literatuur 2018, die in 2019 bekend werd gemaakt. Eerder werd haar werk bekroond met de Man Booker International Prize en meerdere malen met de Nike-prijs, de belangrijkste literaire prijs van Polen. Jaag je ploeg over de botten van de doden, haar tiende roman, is een feministische en ecokritische roman met thrillerelementen.
    Het verhaal wordt verteld door Janina, een oudere vrouw die in een afgelegen dorp woont. De eerste zin zet meteen de toon, ‘Ik ben al op zo’n leeftijd en er bovendien zo aan toe dat ik voor het slapen altijd goed mijn voeten hoor te wassen voor het geval de ambulance me ’s Nachts moet komen halen.’ De hoofdletter in deze zin is niet verdwaald, Janina is gul met hoofdletters. Zo krijgen ook woorden als Mens, Schemering en Teefje een hoofdletter. 

    Meerdere moorden

    Op een nacht maakt de buurman haar wakker, hij heeft een andere buurman, door Janina Grootvoet genoemd, dood gevonden. Dat is het startschot voor meerdere moorden in het dorp. Alle slachtoffers vormden een bedreiging voor de dieren in de omgeving. Over Grootvoet vertelt Janina, ‘Heel wat keren was ik achter hem aan gelopen en had ik de primitieve stroppen van ijzerdraad voor de Dieren weggehaald, de lussen die zo aan de kromgespannen jonge boompjes waren vastgemaakt dat het gevangen Dier als gekatapulteerd omhoogvloog en in de lucht bleef hangen.’
    De politie doet weinig, dus Janina begint met haar eigen onderzoek en houdt de politie op de hoogte, ‘[…] ik heb besloten om bepaalde, heel karakteristieke informatie die we uit de kosmogrammen (beter bekend als Horoscopen) van de slachtoffers kunnen halen, wat beter te bekijken, en zowel in het ene als in het andere geval lijkt het duidelijk dat een aanval van Dieren hun fataal is geworden.’ Het lijkt alsof de dieren wraak nemen op de mensen, dat is in ieder geval wat Janina gelooft. Maar is dat wel zo? 

    Mens en dier

    Janina is een excentrieke, zorgzame verteller. Ze rouwt om dode dieren, denkt constant aan haar overleden dorpsgenoten en vermenselijkt zelfs de vakantiehuizen waar ze een oogje in het zeil houdt als de bewoners er niet zijn: ‘Nu ik er gerust op was dat de huizen weer waren toevertrouwd aan de zorg van hun eigenaren, schiep ik er plezier in om steeds verder te lopen en die wandelingen nog steeds mijn rondes te noemen.’ Ze heeft moeite met mensen die vlees eten en nog meer moeite met het feit dat niemand haar serieus neemt als ze er iets van zegt. Toch heeft Jaag je ploeg over de botten niet altijd een serieuze toon, bijvoorbeeld wanneer Janina meekijkt met de openluchttandarts en diens patiënt:
    ‘”Wat is er loos?” vroeg de Tandarts. Als antwoord deed hij zijn mond open, en de Tandarts keek erin. Hij sprong direct terug en zei ‘Sodeju’, wat waarschijnlijk de beknoptste beoordeling van de staat van het gebit van de patiënt was.’

    Maatschappijkritiek

    Jaag je ploeg over de botten is sterker als roman dan als thriller. Wie de moorden heeft gepleegd, is voor de geoefende detectivelezer gauw duidelijk. Toch is dat niet erg, het verhaal is zo bijzonder en gelaagd dat de ‘whodunnit’ slechts één element is van het geheel. Er blijft genoeg over, met name in de verhouding tussen mens en dier, oud en jong, man en vrouw. Het boek vormt een sterke maatschappijkritiek.
    Ook tegenover godsdienst staat Janina sceptisch, bijvoorbeeld in de scène die zich afspeelt in de kerk: ‘Pastoor Geruis liep nu in het gezelschap van een misdienaar langs de ballustrade en voedde hen weer met vlees, deze keer in symbolische vorm, maar toch vlees, het lichaam van een levend Wezen.’ Tijdens zijn preek, waarin hij jagers verheerlijkt, loopt Janina naar hem toe en vraagt ze hem op te houden. Zijn reactie: ‘Nou, nou.’

    Oud en onschuldig

    Omdat ze een oude vrouw is, is niemand bang voor haar, maar kan ze ook niets veranderen. Dit wordt geïllustreerd door de manier waarop de gemeente haar behandelt: ‘Elk jaar protesteer ik bij de burgemeester tegen de rally’s met die vreselijke wagens en stuur ik petities. Ik krijg dan een nietszeggend antwoord dat de burgemeester mijn opmerkingen te zijner tijd zal behandelen, en dan is het stil.’ Ondertussen leeft Janina in haar eigen werkelijkheid, waarin ze zelfs haar auto Samurai vermenselijkt, ‘Samurai gedroeg zich alsof hij reukvermogen had – hij bleef staan.’ Toch heeft ze hobby’s, zo vertaalt ze bijvoorbeeld poëzie, en maakt ze tijdens het verhaal vrienden, niet in de minste plaats bij de lezer zelf.

    Dit gecompliceerde verhaal levert een machtige, verrassend vlot lezende roman op. Janina is uitermate sympathiek, haar stem is een kaarslichtje in de koude, Poolse bossen. Juist doordat zij als oude vrouw niet bedreigend is, slaagt zij erin je bij de hand te pakken en je de misstanden van haar wereld te laten zien. Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra hebben Jaag je ploeg over de botten meesterlijk vertaald, waardoor dit een onvergetelijk verhaal is geworden.

     

    Lees hier een interview met Olga Tokarczuk voor Literair Nederland.

     

  • Waarom we feminisme nog steeds nodig hebben

    Waarom we feminisme nog steeds nodig hebben

    ‘Wanneer worden vrouwen onvermijdelijk? Wanneer worden ze urgent?’ schreef auteur Stella Bergsma (1970) vier jaar geleden in De Volkskrant. Het antwoord op deze vragen geeft ze in het manifest Nouveau Fuck, een pleidooi voor een nieuwe stroming met diezelfde naam: ‘Dit manifest is bedoeld voor iedereen die geen zin heeft in de performance van een persoonlijkheid, het suffe script wil herschrijven. Voor iedereen die mens wil zijn in plaats van beeld. Iedereen die haar handtekening wil achterlaten. Kortom, dit manifest is bedoeld voor iedereen.’ 

    Stella Bergsma schrijft over vrouwen, omdat ze daar naar eigen zeggen het meeste vanaf weet, maar de thema’s die ze behandelt sluiten aan bij iedereen die zich buiten de norm bevindt. Door middel van de vijf ‘wezen’ geeft ze handvatten voor een ongeremder leven:  ‘wees slecht’, ‘wees woedend’, ‘wees onbeschaamd’, ‘wees onbescheiden’ en ‘wees gevaarlijk’. Voor een manifest met de titel Nouveau Fuck is de inhoud echter verrassend genuanceerd: de ‘wezen’ kunnen worden samengevat als  ‘wees jezelf’. Aan de hand van wetenschappelijk onderzoek en haar eigen ervaringen schetst Bergsma een wereld waarin (witte) mannen de macht hebben, maar dit manifest is geen aanval op deze mannen. Het is een aanval op de manier waarop de maatschappij in elkaar zit. Als vrouwen die macht zouden hebben, zou dat niet per se beter zijn.

    Bergsma kaart de problemen helder en zonder omwegen aan: ‘Uit een wereldwijd, zes jaar durend onderzoek blijkt dat kinderen vanaf hun tiende jaar gaan geloven in de stereotypen over hun geslacht. Tot hun zesde denken meisjes hetzelfde over zichzelf als jongetjes. Ze menen alles te kunnen en te mogen, maar eenmaal op schoolgaande leeftijd gaat het snel bergafwaarts.’ Een paar regels later: ‘Wisten jullie dat Mozart een briljant zusje had, Fuckers? Nee, dat dacht ik al. Dan weet je het nu.’

    De manier waarop Bergsma ons aanspreekt

    Het woord ‘Fuckers’ komt vaak voor, soms meerdere keren op één bladzijde, het is namelijk de manier waarop Bergsma de lezer aanspreekt. Dit past bij de woede waar ze voor pleit, maar je vraagt je af waarom het zo vaak moet terugkomen. Na een paar pagina’s is het schokeffect verdwenen en wordt het bijna komisch, wat niet strookt met de inhoud van Nouveau Fuck, dat een sterk betoog over ongelijkheid in de samenleving is. Het te vaak gebruiken van ‘Fuckers’ dreigt de boodschap uit te dragen dat we dit betoog niet serieus hoeven te nemen. En dat is jammer, want Bergsma zet precies uiteen waarom we feminisme vandaag de dag nog steeds nodig hebben.

    Naast het bekende glazen plafond en salarisongelijkheid geeft ze alledaagse voorbeelden om problemen mee aan te kaarten. Zo koppelt ze het feit dat mannen graag wijdbeens in het openbaar vervoer zitten aan zich groot maken, een plaats in de wereld innemen. Dit terwijl vrouwen, die in het openbaar vervoer vaak met hun benen over elkaar zitten, zichzelf binnen de maatschappij kleiner moeten maken en bescheidener moeten zijn: ‘Dit zijn ongeschreven wetten, die pas opvallen als je ze overtreedt.’       

    Lachen en dronken worden

    Naast de vijf ‘wezen’ geeft Bergsma ook praktische tips voor ‘een hemels dwars leven’, zoals meer lachen, nergens bij horen, dronken worden en met verve falen. Hoewel deze adviezen oppervlakkig klinken, bevatten ze verrassend veel inhoud, bijvoorbeeld in dit citaat over dronken worden. ‘Verlies jezelf. Verliezen betekent: je niets aantrekken van de meningen van anderen en vooral die van jezelf. (…) Dronkenschap is een van de vele manieren om die stem tot stilte te manen.’ 

    Deze innerlijke criticus komt ook terug in het indrukwekkendste gedeelte van dit manifest, waarin Bergsma een ‘anti-selfie’ maakt: twee-en-halve pagina lang somt ze haar angsten en verlangens op, haar paradoxale gedachten, boosheid en lelijkheid, zo rauw en zo mooi dat je de blik niet kunt afwenden: ‘Het meest moederlijke wat ik ooit gedaan heb voor mijn kind, is het niet krijgen.’ Ze daagt de lezer uit om ook een ongefilterde tirade te schrijven en die naar haar te mailen, daarvoor geeft ze haar e-mailadres.

    Kwetsbaarheid tot kracht maken

    De stroming Nouveau Fuck heeft zeven stellingen. Enkele ervan zijn: niet klagen maar constateren, op taal letten en scherp zijn op de inhoud in plaats van op de persoon. Dat is precies wat Bergsma in dit manifest doet en dat maakt de tekst toegankelijk en redelijk. Feministen worden er regelmatig van beschuldigd mannenhaters te zijn, maar Bergsma bewijst dat deze twee woorden weinig met elkaar te maken hebben. In een passage over ‘hufters’ klaagt Bergsma niet dat mannen hufters zijn, ze vraagt zich juist af: ‘Waarom zouden alleen mannen hufters mogen zijn?’

    De oplossing voor een wereld waarin mannen en vrouwen gelijk zijn ligt bij deels vrouwen zelf, zoals  blijkt uit de vijf ‘wezen’. Bergsma gebruikt wetenschap, betogen, ideeën, stellingen, leestips, kijktips en luistertips om vrouwen een oplossing te bieden. Zo raadt ze bijvoorbeeld het korte verhaal The Lottery van Shirley Jackson aan en het nummer ‘Mama was een klootzak’ van Roxeanne Hazes. Ook heeft Bergsma een lijst met ‘voorbeeldfuckers’ in het manifest opgenomen, waarin ze onder meer David Bowie, Marie Curie, Ada Lovelace, Sylvia Plath en Oscar Wilde noemt. 

    Nergens wordt de verteltoon dwingend: iedereen die dit leest zal zichzelf ergens in dit manifest kunnen herkennen en er iets nuttigs uithalen. Bergsma schrijft overtuigend, goed onderbouwd en urgent. Ze pleit voor menselijkheid, een universeel thema, en dat kracht en kwetsbaarheid moeten worden gevierd in plaats van dat we ons ervoor schamen. Iedereen zou Nouveau Fuck moeten lezen, dit betoog zou je blik op de maatschappij voor altijd kunnen veranderen.

     

  • Een ode aan de taal

    Een ode aan de taal

    Het boek Tractatus Logico-Philosphicus van filosoof Ludwig Wittgenstein uit 1921 staat bekend als onbegrijpelijk. Hetzelfde kan worden gezegd over de roman Wittgensteins minnares, geschreven door de Amerikaanse auteur David Markson (1927-2010), in 1988 verschenen en nu pas vertaald naar het Nederlands door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Lieke Marsman schreef een nawoord waarin ze de inhoud van de roman met de filosofie van Wittgenstein vergelijkt. 

    In Wittgensteins minnares is hoofdpersoon Kate de enige overgebleven mens in de wereld, of althans, dat gelooft ze zelf. Ze woont op een strand en bij gebrek aan anderen om mee te spreken tikt ze alles waar ze aan denkt op een typmachine. Ze is kunstenares en in haar gedachten komen verschillende prominente denkers, schrijvers en schilders langs. Kate weet echter niet zeker of de feiten die ze opschrijft kloppen en verbetert zichzelf regelmatig, soms pagina’s later nog. Deze onzekerheid komt de hele roman lang terug:
    ‘Het is moeilijk voor te stellen dat de bewoners van twee zulke naburige huizen allebei daadwerkelijk geld zouden uitgeven voor hetzelfde boek over honkbal.
    Aan de andere kant, als er een exemplaar van Wuthering Heights in beide huizen had gestaan, is het misschien twijfelachtig of ik zou hebben gespeculeerd dat er in beide huizen mensen woonden die Emily Brontë kenden.’

    Plotloos verhaal

    Wittgensteins minnares heeft geen plot, al is dat geen gemis. De gedachten van Kate zijn de eerste pagina’s namelijk al boeiend, maar daarna nestelen ze zich in je hoofd en kun je niet anders dan je eraan overgeven. Bij een ik-perspectief plaatst een schrijver een lezer heel dicht bij de hoofdpersoon, Markson trekt dit zo ver door dat de lezer Kate wórdt. Wanneer zij een reeks namen van filosofen of kunstenaars noemt, verdwijnt dit effect even en maakt het plaats voor de vraag wie die mensen zijn, waarvan je die namen ook alweer kent, maar Kate zorgt ervoor dat je nooit te lang afgeleid blijft. De misschien werkelijke, misschien verzonnen bespiegelingen worden afgewisseld met humor, bijvoorbeeld wanneer Kate vertelt dat ze met haar auto in het water belandde:  

    ‘Toch begreep ik dat het in deze omstandigheden verstandig zou zijn om het portier te openen en de auto te verlaten.
    Ik kon mijn deur niet open krijgen.
    Ik zat trouwens de hele tijd op het dak van de auto.
    Ik bedoel op de binnenkant van het dak natuurlijk. Met de rubberen automat die boven op me was gevallen.
    Ik weet niet meer in wat voor auto ik reed.
    Nou ja, je kon het hoe dan ook op dat moment amper nog rijden noemen.’

    Ode aan de taal

    Juist in de meer eenvoudige zinnen in het boek, zonder intertekstualiteit of dubbele laag, is deze schrijfstijl het sterkst:
    ‘Toch maakte het hele voorval me doodsbang.
    Ik besef dat ik net heb gezegd dat ik helemaal niet bang was.
    Feitelijk ging het zo dat ik pas bang werd toen het voorbij was.’

    Hier rijst geen vraag op over waarheid of leugens of over de mentale gesteldheid van Kate, haar kwetsbaarheid is oprecht. Aan de andere kant illustreert dit citaat Kates obsessie om wat ze vertelt, góéd te vertellen. Ze zoekt secuur naar de juiste woorden, typt die en bedenkt daarna dat het beter kan, en zichzelf weer verbetert. Juist dat precieze zorgt ervoor dat Wittgensteins minnares geen gimmick wordt, integendeel, het zegt meer over het personage Kate dan alles wat ze zelf vertelt. Dat maakt dat dit boek een ode aan de (on)mogelijkheden van taal is.

    Namen als reddingsboeien

    Kate vergelijkt zichzelf regelmatig met Helena van Troje. Ze benoemt onjuistheden in de Griekse mythologie en legt aspecten bloot die volgens haar vooral zijn toegevoegd om er een beter verhaal van te maken. Het gevaar dreigt dat Wittgensteins minnares te erudiet wordt voor de gemiddelde lezer, zeker doordat er veel namen van filosofen, kunstenaars en schrijvers langskomen. Kate noemt de namen echter niet omdat ze met haar kennis wil pronken, de namen functioneren namelijk als reddingsboeien. Dat past prima bij het personage dat op de universiteit vooral aandacht besteedde aan de niet-verplichte academische literatuur.

    Door de vele intertekstualiteit, de niet-betrouwbare hoofdpersoon en het ontbreken van een klassieke vertelstructuur is het lezen van deze roman een uitdaging. Doorzetten wordt gelukkig beloond: Wittgensteins minnares is hypnotiserend geschreven. Het ik-perspectief wordt hier maximaal benut. Lieke Marsman geeft in het interessante en enthousiaste nawoord handvatten om het verhaal op waarde te schatten. Het is een wereldprestatie dat Markson ruim tweehonderd pagina’s aan feiten zo betoverend heeft kunnen beschrijven, het is even knap dat de vertalers erin zijn geslaagd om Wittgensteins minnares zo vloeiend naar het Nederlands te vertalen.

     

  • De macht van een goed verhaal

    De macht van een goed verhaal

    ‘Wijsheid kan alleen worden gevonden in waarheid,’ is een bekend citaat van Johann Wolfgang von Goethe. In de wereldwijde bestseller Leugenaar verkent de Israëlische auteur Ayelet Gundar-Goshen (1982) de oorzaken en gevolgen van grote en kleine leugens. De grootste leugen in deze roman komt van de zeventienjarige Noefar, die tijdens haar werk in een ijssalon ruzie krijgt met een bekende zanger. Als hij tegen haar schreeuwt en haar pols pakt, begint zij te gillen, waardoor toegesnelde buurtbewoners denken dat de zanger haar heeft aangerand. 

    Noefar is niet de enige die liegt. De zanger zelf geeft agenten de indruk dat hij de aanranding echt op zijn geweten heeft, een doofstomme zwerver die heeft gezien wat er daadwerkelijk gebeurde blijkt gewoon te kunnen praten en een verlegen jongen zwerft vijf dagen rond terwijl zijn vader denkt dat hij een militaire training volgt. Er is een bejaarde vrouw die zich voordoet als haar overleden vriendin en lezingen geeft over haar tijd in Theresienstadt terwijl ze nooit in een concentratiekamp heeft gezeten: ‘Raymonde wist dat Rivka graag zou willen dat iemand haar verhaal vertelde. Zoals een olijfboom graag wil dat iemand zijn vruchten opraapt en er olie van maakt. Dus raapte zij de olijven van Rivka op, deed haar eigen olijven erbij en perste ze samen heel goed uit, en wat dat opleverde was zo zuiver en bitter dat het zonde was om het de kinderen niet te drinken te geven.’

    De geboorte van een leugen

    Gundar-Goshen, die psychologie studeerde, pelt zorgvuldig de laagjes van haar personages af om te onderzoeken waarom ze liegen én de leugens volhouden. Meteen nadat Noefar heeft gegild, beseft ze dat de toegesnelde buurtbewoners een verkeerde indruk krijgen van wat er is gebeurd: ‘Iedereen was zo aardig, zo vol belangstelling, wat zouden ze zeggen als ze erachter kwamen dat er eigenlijk niets gebeurd was, dat ze zich voor niets hierheen hadden gehaast?’ Dan is de leugen al in gang gezet: ‘En het was haar schuld niet dat het snikken bij de toeschouwers als knikken overkwam. “Heeft-ie aan je gezeten?” vroegen ze, en het gezicht achter de handen beefde, ofwel bevestigde, en elke snik leek een knik, en elke knik was een kop in de krant van morgen, en voor je het wist ontspon zich op een verwaarloosd plaatsje als door een wonder het verhaal van de voormalige winnaar van een talentenjacht die beschuldigd werd van een poging tot verkrachting van een minderjarig meisje, en de mensen keken naar het verhaal dat voor hun ogen geboren werd en zagen dat het goed was. ’

    De rol van de mensen in dit citaat is groter dan de rol van Noefar: door de Bijbelse verwijzing ‘zagen dat het goed was’ worden zij vergeleken met God, degene die bepaalt. Zij houden van een goed verhaal, wíllen het geloven en creëren een leugen. Dit is een situatie die ook veel te zien is op televisie: reality-programma’s volgen een verhaallijn en het maakt de kijkers niet uit in hoeverre het narratief de werkelijkheid benadert, zolang het maar vermaak oplevert. Niet voor niets is Noefar meerdere malen te gast bij een talkshow, waar zelfs haar make-up past bij het verhaal dat ze vertegenwoordigt. 

    Broeierige sfeer

    Hoewel de #MeToo-beweging nergens in Leugenaar wordt genoemd, is het verband tussen Noefars verhaal en de actualiteit niet te missen. De beschuldigde zanger is geen seconde vriendelijk tegen Noefar geweest: ‘En hij begon het meisje weer met zijn nare woorden te bestoken, en de woorden waren als heteluchtballonnen die opstijgen zodra het vuur eronder aangestoken wordt: “Walgelijke koe, ik zou je met geen stok durven aanraken”, en nog meer van dergelijke benamingen en beledigingen.’
    Maar is dit zó erg dat hij het verdient om vals beschuldigd te worden en in de gevangenis te belanden? 

    Op die vraag geeft Gundar-Goshen geen antwoord, oordelen laat ze over aan de lezer. Onder het verhaal sluimert de geschiedenis en de huidige politieke toestand van Israël, wat voor een broeierige sfeer zorgt. De vertaling uit het Hebreeuws van de in 2018 overleden Shulamith Bamberger behoudt deze sfeer heel knap. Ook de aanwezige alliteraties, metaforen en andere stijlfiguren zijn zo goed dat ze oorspronkelijk Nederlands lijken. Wel kan er een vraagteken worden geplaatst bij de keuze om te spreken van een ‘vrouwelijke arts’ en ‘vrouwelijke rechercheur’, wat impliceert dat er een verschil is met mannelijke artsen en rechercheurs, terwijl de context hiertoe geen aanleiding geeft.

    Serieus en speels

    Vanwege het onderwerp zou Leugenaar een belerende roman kunnen zijn, maar dat is het niet. Leugens hebben, net als verhalen, een verbindende kracht. Zo heeft een jongen vanuit zijn raam gezien dat Noefar niet is aangerand en wil hij dat zij op televisie zijn naam noemt. Uit deze afpersing ontstaat een vriendschap die langzaam meer wordt. De bejaarde dame stapt dankzij haar leugens voor het eerst in een vliegtuig. Haar lezingen over Theresienstadt zorgen ervoor dat jongeren durven te huilen. 

    Doordat de personages elk moment ontmaskerd kunnen worden, is Leugenaar ongelooflijk spannend. Gundar-Goshen wisselt haar zware schrijfstijl vol metaforen moeiteloos af met speelse scènes waarin de personages toch weer ontsnappen aan de waarheid. Humor maakt naadloos plaats voor de vraag wat je zelf zou doen als je je in de situatie van de personages zou bevinden. Wat is nu eigenlijk het verschil tussen een leugen en een verhaal? Is er een verschil? Door de perfecte balans in de verteltoon en de goed uitgewerkte, meeslepende personages is het onmogelijk dit boek weg te leggen.

     

  • Een liefdeslied over het leven zelf

    Een liefdeslied over het leven zelf

    ‘Een ingetogen, gevoelig lied,’ noemde bestsellerauteur Paolo Cognetti De menselijke maat, de debuutroman van Roberto Camurri (1982). In Italië won dit boek meerdere prijzen en nu is er een Nederlandse vertaling door Manon Smits. De menselijke maat speelt zich af in Fabbrico, een dorp niet ver van Bologna. In elf korte verhalen of hoofdstukken komen verschillende personages aan het woord, allemaal onderdeel van een groter, overkoepelend geheel. Hierdoor is het boek niet alleen te lezen als een roman, maar ook als een reeks portretten van de inwoners van een klein dorp. 

    De meeste verhalen staan op zichzelf. Er is geen voorkennis nodig, de enige lijntjes met de rest van het boek zijn de namen van eerder geïntroduceerde personages en plaatsen. De verhalen vormen een inkijkje in het leven van de verteller. ‘Asfalt’ is bijvoorbeeld een illustratie van een ongelukkig huwelijk: zij wordt dik en hij raakt verslaafd. Wanneer het echtpaar tijdens een autorit stopt bij een benzinestation, gaat het gruwelijk mis. In het dankwoord vertelt Camurri dat Stephen King hem de inspiratie gaf voor dit verhaal. Dit is echter geen boek met horrorverhalen. Het belangrijkste thema is het leven zelf. Zo spelen oudere mensen een grote rol in ‘Sneeuw’. Eén van hen is vijfentachtig en geboren in mei, terwijl de vrouw van de verteller ook in mei is uitgerekend van hun eerste kind. De verhalen zijn niet chronologisch geordend en bestrijken een tijdspanne van meerdere jaren: het meisje dat in mei wordt geboren is in een ander verhaal al veertien jaar oud.
    Door deze indeling blijft het lang onduidelijk waar De menselijke maat nu écht over gaat: alle verhalen lijken rond een kern te draaien, een jong overleden personage uit het dorp. Na de eerste verhalen ontstaan er vragen, maar het duurt lang voordat er een antwoord volgt en soms komt dat niet. 

    Romantische schrijfstijl

    Over het algemeen is De menselijke maat vlot en hypnotisch geschreven, zoals een droom. Camurri slaagt erin om zelfs snot een romantische lading te geven: ‘Anela moest niezen, ze vroeg of hij een zakdoekje had terwijl ze haar hoofd achterover hield en haar hand voor haar neus om te voorkomen dat hij het transparante slijm op haar lippen zag druipen. Valerio had geen zakdoekje, maar hij pakte haar hand vast en deed die weg, hij rekte zich uit en kuste haar slijm en haar bovenlip en zij bleef roerloos zitten, zei wat smerig, en Valerio had gezegd dat er helemaal niets van haar was dat hij smerig vond.’

    Camurri gebruikt geen aanhalingstekens, wél veel lange zinnen. Op sommige plaatsen in het boek zijn zulke lange zinnen betoverend en is de oorspronkelijke Italiaanse tekst voelbaar in de Nederlandse vertaling, maar op andere plaatsen hapert de grammatica: ‘[…] hij kijkt naar Anela, met in haar ogen een voldoening […].’ Hier staat dat hij, Valerio, naar Anela kijkt met in Anela’s ogen een voldoening, terwijl er bedoeld wordt dat Valerio degene is die de voldoening in haar ogen ziet. Zeker in de langere zinnen van Camurri kan dit ervoor zorgen dat de lezer de weg kwijtraakt.

    De kracht van eenvoud

    De schrijfstijl van Camurri komt het beste tot zijn recht wanneer hij korte, eenvoudige zinnen gebruikt. Eén van de mooiste zinnen uit De menselijke maat staat in ‘Sneeuw’: ‘Acht maanden geleden was ze opgehouden het ontbijt voor haar man klaar te maken, bijna acht maanden geleden nu, drie maanden nadat haar man was overleden.’ Deze zin heeft geen grootse woorden of immense lengte nodig, juist deze bondige directheid maakt hem krachtig en roept het beeld op van rouw.
    In datzelfde verhaal verzorgt Valerio een bejaarde man, de oorlogsheld Giuseppe, die niemand meer heeft. Hoewel een deel van het boek dromerig is geschreven, is de werkelijkheid hier rauw: je kunt de trap in het huis van de man niet oplopen zonder dat de spinnenwebben in je gezicht slaan, de handdoeken zijn stijf van het vuil en ‘Giuseppe laat zijn onderbroek zakken, berustend’ als Valerio hem helpt om in bad te gaan. 

    Eenvoud is ook het kernwoord bij de typering van de personages. Doordat er meerdere personages aan het woord komen, schuilt het gevaar dat hun stemmen te veel hetzelfde klinken. Camurri omzeilt dat. Ieder personage heeft een eigen stem en wordt zo levendig geschetst dat je tijdens het lezen van De menselijke maat bijna zelf een inwoner wordt van het dorp. Het Italiaanse eten is bijna te proeven, de espresso haast te ruiken en de roes door de alcohol bijna te voelen. 

    Een liefdeslied

    De menselijke maat is doordacht gecomponeerd en de taalvirtuositeit springt van de pagina’s. Het is knap dat het Italiaanse gevoel in de Nederlandse vertaling behouden blijft. Door de warme, bijna drukkende sfeer en de indrukwekkende portretten van personages die je voor even uitnodigen in hun leven weet Camurri veelgebruikte thema’s als liefde en dood opnieuw in te kleuren. Er is geen echt plot, het verhaal wordt gedragen door de personages. De liefde waarmee Camurri hen omschrijft, altijd zonder te oordelen, is voelbaar. Elf korte verhalen lang bestaat de wereld alleen uit Fabbrico, het dorp met slechts vier straten.