• Een verhaal met een boodschap voor mensen die nooit lezen

    Een verhaal met een boodschap voor mensen die nooit lezen

    Seks, drugs en rock-‘n-roll is wat de klok slaat in Victor, het debuut van David Steenmeijer. Vervang de rock-‘n-roll voor House en Dance muziek, voeg hier nog de nodige hard liquor en bier aan toe en er ontstaat een beeld van een scene waarin geen boek gelezen wordt. David Steenmeijer (1996) komt uit een gezin waar men leest maar zelf moest hij er weinig van hebben. Nu heeft hij een boek geschreven dat hij zelf graag zou willen lezen. Een boek dat bij zijn generatie past. Hopelijk wint hij er lezers mee, al is het maar om de lezer de negatieve kant van overmatig drugsgebruik te tonen. Voor iemand die nauwelijks leest is Steenmeijers schrijfstijl verrassend, vlot en oprecht. Al vrees ik dat zijn lezerspubliek vooral uit mensen uit de scène bestaat, jongeren die snuivend en dansend het hele weekend door feesten.

    Studeren en op kamers

    Victor is een 18-jarige verlegen jongen uit Nijmegen. Blonde lokken, blauwe ogen, hij ligt goed bij de meisjes. Hij laat de grillen van zijn dominante Spaanse moeder en bazige vriendin, Eva, gelaten over zich heen gaan. En hij is helemaal klaar met zijn oom Sergio, bij wie hij de laatste jaren van zijn middelbare schooltijd woont. Sergio is net verlaten door zijn vrouw en niet de meest opbeurende persoon in zijn leven. Victor gaat psychologie studeren, ‘tussen al die meisjes die hun eigen depressies bestuderen’, het lijkt hem wel makkelijk. Hij krijgt een kamer in een studentenhuis, waar zijn huisgenote Jasmijn hem liefdevol bemoedert, wat hij zich gelaten laat aanleunen. Tot zover valt er weinig te beleven, maar als personage komt Victor wel tot leven voor de lezer en je hoopt dat hij in de rest van het verhaal niet al te hard wordt aangepakt door het ruige wereldje waarin hij terecht komt.

    Op bladzijde 41 begint het verhaal te stromen als Victor de coole Twan ontmoet op het station in Utrecht. ‘”Yo, gappie.” Naast me staat een jongeman. Hij draagt een donkere hoed van waaronder bruine krullen naar buiten springen. Zijn gezicht is smal symmetrisch en grotendeels bedekt met een getrimd baardje. “Heb jij toevallig een peukie voor mij?”’ Ze praten wat en Victor, met een natte vinger te lijmen, gaat met hem mee.

    De verleidingen

    Twan is een dj met een enorme platencollectie, zeer empathisch en met eindeloos veel energie. Hij verzorgt de muzikale omlijsting van dancefeesten en staat uren achtereen achter zijn draaitafels en dat kan niet zonder de nodige pepmiddelen. Voor Victor gaat een wereld open. Tal van pillen, xtc, coke, speed, hasjiesj, zelfs crystal meth, bekend van de populaire tv-serie Breaking Bad, wordt gebruikt en weggewerkt met veel koolzuurhoudende dranken, licht bier of sterke drank. De besloten clubs en danstenten worden druk bezocht door studenten, verplegers, advocaten en losers, kortom een dwarsdoorsnede van de maatschappij. Met een pilletje of een snuif brengen ze de avond, nacht en het hele weekend feestend, beestend en dansend door. Al gauw is ook Victor een doorgewinterde gebruiker. Hij wordt opgenomen in de hechte vriendenkring van Twan en ontmoet Anne. De rechtenstudente die hem in zijn ban heeft is niet vies is van een pilletje, een snuif en groepsseks. Victor keert zijn oude leven de rug toe en dompelt zich onder in Amsterdam, waar hét allemaal gebeurt. Hij verliest zichzelf volkomen en wordt slachtoffer van jaloezie, paranoia en doorgedraaide junks.

    Het verhaal is vanuit het ik-perspectief in de tegenwoordige tijd geschreven, geen makkelijk perspectief, omdat het gauw geforceerd overkomt, maar het gaat Steenmeijer natuurlijk af. De hoofdstukken in de tegenwoordige tijd worden afgewisseld met hoofdstukken terug in de tijd, toen zijn bezitterige moeder nog leefde en hoe hij een relatie kreeg met bazige Eva. Hoe het er zo van gekomen is, zeg maar. Die hoofdstukken zijn de rechtvaardiging van Victors vluchtgedrag al benoemd hij dat – gelukkig – nergens.

    Vrij oppervlakkig 

    Het gaat allemaal niet erg diep, er zijn nauwelijks reflecties over het gedrag van Victor en zijn vrienden, maar het verhaal is goed geschreven. De seksscènes zijn recht voor zijn raap, zonder vulgair te zijn. De zinnen zijn kort, helder en met grappige woordvondsten en sterke beeldspraak.
    ‘… haar opgestoken in een deftige donutknot.’
    ‘Twan maant me mee te doen. Ik neem twee mondvolle slokken en probeer een paar pasjes van hem over te nemen. Ik voel me als Bambi op het ijs.’
    ‘… hun ogen als koplampen van een Kever.’
    Of men danst: ‘op de houten dansvloer met spookbewegingen hun laatste energie weg.’ ‘Met mijn hart kloppend in mijn adamsappel.’ En woorden als ‘traanogend’, schrikzwanger’, ‘bierbellensnor’ en ‘kettingkijkend’ zijn originele vondsten.

    Het verhaal loopt niet erg goed af, en dat is ook goed, al wens je Victor nog een lang en gelukkig leven toe. Zonder te moraliseren of met een vinger te wijzen geeft Steenmeijer de boodschap versluierd mee. Iedereen moet zelf weten wat hij doet, maar pas op want voor je het weet ben je hooked en paranoïde, word je meegesleurd door de euforie en of er dan nog een weg terug is? In die zin is dit een urgent verhaal met een boodschap aan mensen die nooit lezen.

     

     

  • Zichzelf ontdekken en erkennen wie ze is

    Zichzelf ontdekken en erkennen wie ze is

    Viktor is het verrassende debuut van Judith Fanto en is gebaseerd op de familiegeschiedenis van Fanto’s joodse grootouders van moederszijde. De verteller van het verhaal, Geertje van der Berg is als kind geïntrigeerd door het leven van  haar Joodse grootouders, die in Wenen opgegroeiden en in 1939 naar België zijn gevlucht. Ook haar moeder, die zich vreemd gedroeg als het Joods-zijn ter sprake kwam, triggerde haar. Waarom werd er nooit over ‘het’ gesproken? Geertje voelt zich geen Geertje, ze voelt zich joodser dan ieder ander gezinslid en besluit voortaan als Judith door het leven te gaan. Ze wordt lid van de Joodse gemeenschap en wordt ingewijd in de Joodse rituelen. Ze wenst een draad te weven in het tapijt van haar familiegeschiedenis en ging op zoek naar de reden waarom haar ouders en grootouders het verleden verzwegen. Waar haar familie zich juist van het Joods-zijn weg bewoog, trekt Judith ernaartoe. 

    Het verhaal is een zoektocht naar zichzelf, haar Joodse roots en haar ontberingen in de Joodse gemeenschap. Alles wordt op een natuurlijke wijze beschreven, niet gespeend van zelfspot en zwarte humor.
    ‘Natuurlijk is ze Joods,’ zei David voordat iemand iets had kunnen zeggen. ‘Wie zou er zo stom zijn om dat te beweren als het niet zo was?’
    Ik kreeg een kleur als vuur. ‘Ik ben wel Joods, maar ik doe er niks aan.’
    ‘Nee, daar doe je niks aan,’ zei Sal somber. ‘Je bent herboren in de kringloop van het lijden. Een schakel in een ononderbroken keten van levens.’
    ‘Hoewel we er onderweg een paar zijn kwijtgeraakt,’ zei David, ‘zes miljoen om precies te zijn. Noem dat maar ononderbroken.’

    Banden met de groten der aarde

    De hoofdstukken beschreven vanuit de twintigjarige Judith, spelen zich af rond 1995 en worden afgewisseld met hoofdstukken over de intellectuele en muzikale familie Rosenbaum in de jaren dertig in Wenen. Het boek begint met, ‘Mijn grootmoeder werd geboren op de dag waarop Gustav Mahler stierf. Amper zeven jaar na de dood van Dvorák. En in de lente waarin Stravinsky’s Petroesjka zijn première beleefde.’
    Dat was voor haar grootvader Felix een goede reden om haar grootmoeder, Trude, te huwen, want haar familie leed aan de ‘Mahleritis’, schrijft Fanto. Haar grootvader ging er als musicus en filosoof prat op banden met de groten der aarde te hebben, zoals met Mahler die bij hem om de hoek woonde en Nietzsche en Freud. 

    Viktor is de oudere broer van deze grootvader en Judiths oudoom. Door de familie wordt Viktor afgeschilderd als een dandy en rokkenjagende nietsnut. Hij staat op gespannen voet met zijn vader, hun dialogen zijn veelal snerend. Nadat Viktor zijn vaders auto in de prak heeft gereden:
    ‘Vader, die aangifte is echt niet nodig ik heb toch al gezegd dat het me spijt dat ik uw wagen heb geleend! De enige reden dat ik u niet vooraf toestemming heb gevraagd is omdat ik de kans te groot achtte dat u het niet zou goedkeuren.’
    Felix proestte en hief de armen op. ‘Verder geen vragen, edelachtbare!’
    ‘Viktor, bij het feit dat je knettergek bent, had ik me reeds lang neergelegd,’ zei Anton en smeet zijn servet op tafel, ‘maar dat je ook elk moreel besef ontbeert is een regelrechte schande voor de familie!’

    Het eerste hoofdstuk dat in Wenen speelt, begint met Viktor als kind, die de kreupele Joodse jongen, Bubi, uit handen van antisemieten redt. Bubi wordt pleegkind van de Rosenbaums en hartsvriend van Viktor. Judith en Viktor zijn de hoofdpersonages van het verhaal. Al op jonge leeftijd is Judith gefascineerd door Viktor omdat ze misschien wel op hem lijkt, net als hij eet ze uit haar neus, heeft groene ogen en donkerblond haar. Geen Joods uiterlijk, maar wel een joods hart. Of misschien komt haar fascinatie voor hem voort uit de schimmigheid die om deze oudoom hangt, de tegenstrijdige verhalen over hem. 

    Een soort vermomde superheld

    In haar onderzoek naar het familiegeheim haalt Judith de onderste steen boven en doet ze een aantal schokkende ontdekkingen over Viktors ware aard. Hij blijkt een soort Scarlet Pimpernel te zijn, een vermomde superheld. Fanto maakt slim gebruikt van de verhaallijn van deze klassiek geworden avonturenroman van de Engelse schrijfster Barones Orczy. Al dan niet feitelijk gebeurd, ze werkt het thema geloofwaardig uit. Viktor verschuilt zich achter naïviteit en grootspraak en redt ondertussen mensenlevens in het uiterst grimmige Wenen van voor de Anschluss met Duitsland. Haar grootouders bekeren zich tot het katholicisme in 1938 en ontvluchten Wenen met hulp van Viktor. Ze duiken onder in een klooster in België, waar Judiths moeder in 1942 wordt geboren. Veertig jaar na de oorlog bezoekt Judith de nonnen in het klooster om van hen het ware verhaal te horen. 

    Judith vraagt zich af is, ‘van wie is de Shoa eigenlijk’. Hoe erg is het leed van de een vergeleken met andermans leed. Is overleven op een betrekkelijk veilig onderduikadres minder erg dan een kampervaring in Theresienstadt, was Auschwitz het ergste en heb je daarom het meeste recht op medelijden. Fanto geeft geen waardeoordeel maar laat wel een paar karaktertrekken van de mens zien, zoals opportunisme en hypocrisie. 

    Na even in het verhaal te moeten komen, kan het boek nauwelijks meer weggelegd worden. Het einde bevat  een verrassende wending, heel knap gedaan. Dan is er nog een epiloog, maar die voegt weinig toe aan de roman. Viktor is in vele opzichten een ontwikkelingsroman, Judith wil zichzelf ontdekken en erkennen wie ze is. Ze schrijft invoelend maar nergens wordt het sentimenteel. Dit boeiende familieverhaal is een sterk debuut en geeft een interessante inkijk in het leven van Joden in de gegoede burgerij in Wenen, kort voor de Anschluss in 1938.

     

     

  • Tragisch einde van een lang verwachte Messias

    Tragisch einde van een lang verwachte Messias

    Wat de visionair László Krasznahorkai beschrijft in zijn roman Baron Wenckheim keert terug staat niet zover af van ons huidige leven tijdens een pandemie en dat maakt het lezen van dit vuistdikke boek nogal beklemmend. Baron Wenckheim keert terug verscheen in 2019 in de uitmuntende Nederlandse vertaling van Mari Alföldy, het boek verscheen in Hongarije in 2016 getiteld Báró Wenckheim hazatér. Krasznahorkai won in 2015 The Man Booker International Prize voor zijn hele oeuvre. Hij zette zich daarmee op de literaire wereldkaart en mag in een naam genoemd worden met internationale grote schrijvers als Dostojewski, Javier Marías, José Saramago en Gogol, dat terwijl hij slechts één boek wilde schrijven.

    In een interview in Paris Match zei hij, ‘Ik was ontevreden met het eerste boek en schreef een tweede dat me ook niet zo beviel en er kwam een derde. Nu, met dit boek Baron, sluit ik het verhaal af en heb bewezen één boek te hebben geschreven: Satanstango’ (weergaloos verfilmd door Béla Tarr), ‘De melancholie van het verzet, War and War’ (nog niet naar het Nederlands vertaald), en Baron Wenckheim keert terug: dit is mijn enige boek.

    Improviserend schrijven

    Zijn geboorteplaats, Gyula, staat model voor het decor in al zijn boeken. Het is een kleine Hongaarse stad, vlakbij de grens met Roemenië. Wat opvalt, is de experimentele structuur van zijn schrijven. De zinnen zijn bladzijdenlang; met komma’s, gedachtestreepjes en dubbele punten worden in tal van bijzinnen uitstapjes naar andere scènes en point-of-views gemaakt. Dialogen en herinneringen worden vaak indirect aan een ander vertelt. Per zin wordt een perspectief opgevoerd, maar even zo goed verandert het perspectief weer na de komma binnen dezelfde zin naar iemand anders. De handelingen en gedachten van de personages worden uitentreuren en met veel oog voor detail beschreven. Vaak wordt de gebeurtenis vanuit een ander perspectief opnieuw verteld. Dit vraagt nogal wat van de lezer, maar na zo’n tweehonderd bladzijden heb je de truc wel door.

    Het verhaal heeft een ijzersterke, meanderende sfeer, die verslavend werkt. Je deint mee op de stem van de vertellers (of de schrijver die, zo lijkt het soms, zijn verhaal innerlijk sprekend componeert). Zelf zegt Krasznahorkai in een interview hierover dat de roman een ‘cadenza’ is. Een muziekterm die refereert naar een deel van een concert waar het orkest stopt met spelen, zodat de solist vrij en improviserend verder kan spelen. Waarmee meteen die ene zin van het openingshoofdstuk, ‘Waarschuwing’, helder wordt. Een dirigent houdt een soort filosofische verhandeling in een lange interne monoloog die ons voorbereid op wat er zal komen.

    Lang verwachte Messias

    Nadat Baron Béla Wenckheim zijn familiekapitaal vergokt heeft in Buenos Aires, waar de 64 jarige Hongaar in ballingschap leefde, keert hij terug naar zijn geboorteplaats. Zodra het dorp hoort van zijn terugkeer, wordt hij binnengehaald als de Messias. Ergens heeft iemand het idee in de wereld geholpen dat de baron zijn fortuin aan de stad zal schenken. De baron is zich van geen kwaad bewust, met zijn aristocratische afkomst wordt hij eerder als een dégénéré afgeschilderd en laat alles gelaten langs zich heen gaan. Het enige wat hij hoopt is Marika, zijn jeugdliefde, weer te ontmoeten. Hij schrijft haar zelfs twee brieven. Echter, als hij voor haar staat, herkent hij haar niet, bovendien heeft hij haar naam als Marietta onthouden.

    Het verhaal begint met de professor, een internationale mossenexpert, die zich in een hut van ‘Hungarocell’, een soort piepschuim, in het Braambos aan de rand van de stad verbergt voor zijn 19-jarige dochter die een tv-ploeg en een leger journalisten heeft opgetrommeld. Ze eist financiële genoegdoening voor zijn nalatige vaderschap. Zelf heeft hij nauwelijks weet van deze dochter, maar ze lijkt op haar moeder, dus het zal wel zo zijn. Hij schiet een paar munitiemagazijnen leeg in de lucht wat de journalisten doet vluchten, maar de aandacht trekt van de motorbende met nazisympathieën, die het stadje terroriseert, en -zo blijkt later- nauw samenwerkt met de politie. Zij bezoeken de professor en als hij een van de bendeleden doodschiet, is de beer los. De professor moet noodgedwongen vluchten. 

    De professor en de baron zijn sleutelpersonages en worden omgeven door een even kleurrijke, als herkenbare (clichématige) stoet aan stedelingen. De schrijver verbindt de levens van zijn personages en rijgt ze aan elkaar als filmbeelden met absurde en tragische scènes, triviale gedachten, afgewisseld met filosofieën over religie, maatschappij, macht en de zin van ons bestaan.

    Bonte stoet personages

    Er zijn personages met terugkerende perspectieven, zoals de burgemeester die een groots feest wil organiseren voor de baron. In zijn welkomstspeech vertelt hij al waar hij zijn financiële schenking voor wil gebruiken. Bovendien laat hij een amateurkoor ‘Don’t cry for me, Argentina’ opvoeren, wat overigens compleet mislukt. Dan de directeur van de plaatselijke bibliotheek, hij spreekt Latijn, vindt zichzelf erg erudiet en kijkt neer op het Hongaarse dialect. De plaatselijke commissaris van de politie duldt geen tegenspraak en hoort het liefst zichzelf praten. De hoofdman van de motorbende, een ruwe bolster met larmoyante sentimentele gedachten over zijn doodgeschoten maat, Sterretje. De postbode, die de brieven van de baron aan Marika bezorgt. De conducteur op de trein waarin de baron vanuit Wenen naar zijn geboortestad reist.

    De kinderen in het weeshuis, gehuisvest in het voormalige landhuis van de familie Wenckheim, moeten eruit omdat de baron in zijn eigen huis wil verblijven. De timmerman die zijn bed in elkaar timmert. Marika en haar vriendin Irén. En Dante, die zichzelf tot persoonlijk secretaris van de baron benoemt. Hij is een vrolijke oplichter die zichzelf naar een voetballer bij Bayern München heeft vernoemd, maar van de auteur van De goddelijke komedie nog nooit heeft gehoord.
    Op de achtergrond figureren vluchtelingen, daklozen en zwervers zonder stem. Er wordt gedemonstreerd, verkracht en er vindt een heuse beeldenstorm plaats, waarmee het verhaal een onmiskenbaar hedendaagse lading krijgt.

    Mooie innerlijke monoloog

    De baron komt tragisch aan zijn einde. Na een mooie innerlijke monoloog wandelt hij in de nacht langs het spoor en heeft allerlei redenen om een eind te maken aan zijn leven. Op het juiste moment komt hij tot inkeer, maar dan is het te laat. Als de stad na zijn dood erachter komt dat de baron failliet was, is alle hoop op een betere toekomst vervlogen. Men neemt het recht in eigen hand en daarmee stevent de samenleving op zijn inktzwarte einde af. 

    Er staan mooie en kwetsbare passages tussen de vaak hilarische en verontrustende scènes. Het verhaal op zich is traag met veel herhalingen. Daarbij heeft Krasznahorkai weinig op met de mensheid en de Hongaar in het algemeen, wat vooral in het laatste hoofdstuk, ‘Aan de Hongaren’, duidelijk wordt. Hij veegt de vloer aan met zijn landgenoten en schopt tegen hun domheid, opportunisme, machtsmisbruik van mannen met grote ego’s, corruptie en bureaucratie en de desillusie van het neokapitalisme. Hij schetst een duistere en disfunctionele maatschappij die geregeerd wordt door angst en op apocalyptische wijze ten onder zal gaan. De link met een maatschappij waarin populistische leiders een rol spelen, is snel gelegd.

     

    Lees hier een interview met vertaler Hongaars Mari Alföldy na het winnen van de Filter Vertaalprijs 2014.

     

  • Het verzwegen oorlogsverhaal van zijn grootvader in Leningrad

    Het verzwegen oorlogsverhaal van zijn grootvader in Leningrad

    David Benioff, scriptschrijver van onder meer ‘Games of Thrones’ en de Kite Runner, schreef een verhaal gebaseerd op het leven van zijn grootvader dat zich laat lezen als een coming-of-age-roman. Stad der dieven werd al in 2009 vertaald door Sandra van de Ven en gepubliceerd bij Signatuur. De roman kreeg toen niet de aandacht die het verdiende, wat mede kwam doordat tegelijkertijd de tweede roman van de bekendere auteur Carlos Ruiz Zafón uitkwam. Reden voor uitgeverij Meridiaan dit boek opnieuw uit te geven. Stad der dieven is het verhaal van de grootvader van David Benioff. De jonge Lev Benioff vermoorde voor zijn zeventiende een Duitser en was daardoor voor de rest van zijn leven gepokt en gemazeld.

    Een anti-oorlogsverhaal dat de gruwelijkheden van de kapotgeschoten stad Leningrad, Piter in de volksmond geheten, laat zien.  Ook zou je het een liefdesverhaal kunnen noemen. Het zal je maar gebeuren dat je aan het front, tussen lijken en krijgsgevangen de liefde van je leven ontmoet. Uiteindelijk gaat deze roman over de vriendschap tussen twee tegengestelde karakters, Lev en Kolja. Lev, bangelijk, bedachtzaam, naïef en een groot schaker. Kolja is een onverschrokken blaaskaak met een uitzinnige seksuele drift en ambieert het schrijverschap.

    Grootvader in het woord

    In het eerste hoofdstuk vertelt David Benioff over het saaie leven dat hij zelf leidt. Dan gaat hij op bezoek bij zijn Russische grootouders in Florida. Hij wil het lang verzwegen oorlogsverhaal van zijn grootvader (Lev Benioff) in Leningrad boven tafel krijgen. Vanaf het dan volgende hoofdstuk laat Benioff zijn grootvader aan het woord. De oude Lev praat vele cassettebandjes vol over zijn jeugd in Leningrad, waarin er steeds weer die specifieke vijf dagen in 1942 opduiken, toen hij erop uitgestuurd werd een dozijn eieren voor de kolonel te vinden. De kou, honger en dreigende aanwezigheid van de Nazi’s geven een realistisch beeld van het beleg van Leningrad. Verschillende gemoedstoestanden als honger en humor, wreedheid en tederheid wisselen elkaar zo vloeiend af dat je geboeid blijft lezen. De beschrijvingen van grootvaders verhaal zijn zeer beeldend, als een filmscript.

    Vriendschap

    Op een ijzige avond na spertijd ziet de dan zeventienjarige Lev Benioff hoe een Duitse parachutist uit de lucht valt. De man is doodgevroren en Lev neemt hem zijn mes af. Hij wordt door de politie betrapt en opgesloten in een kerker in de ‘Kruisen’. Hij deelt de nacht met de kozak, Kolja, deserteur en vrouwenversierder. Kolja is twintig en heeft een onverschrokkenheid die Lev de adem beneemt. ‘Kolja was een opschepper, een betweter en een pestkop van een kozak, maar zijn zelfvertrouwen was zo zuiver en volledig, dat het niet eens echt arrogantie was. Maar eerder een kenmerk van een man die heeft aanvaard dat hij is voorbestemd om een held te worden.’ De jongens zijn tot elkaar veroordeeld en worden door een wonder van het lot de volgende ochtend niet geëxecuteerd maar naar een kolonel gebracht wiens dochter de week daarop gaat trouwen. Er moet een bruidstaart komen. In ruil voor hun leven en twee voedselbonnen vraagt hij de jongens binnen vijf dagen terug te komen met een dozijn eieren. Een onmogelijke opdracht in een stad waar geen levende kip te vinden is.

    Reeks rampen

    De verschrikkingen van hun tocht vat Lev mooi samen: ‘De dagen hadden zich aaneengeregen tot een verwarrende reeks rampen wat ’s ochtends nog onmogelijk leek, was ’s avonds de brute waarheid. Duitse lijken vielen uit de lucht, kannibalen verkochten op de Hooimarkt worstjes van gemalen mensenvlees. Appartementencomplexen stortten in, honden veranderden in bommen, bevroren soldaten veranderden in wegwijzers, een partizaan met nog maar een half gezicht bleef wankelend in de sneeuw staan en staarde met droeve ogen naar zijn moordenaars. Ik had niet genoeg voedsel in mijn maag, vet op mijn botten of energie in mijn lijf om over die stoet van gruwelijkheden na te denken. Ik bleef gewoon de ene voet voor de andere zetten, hopend dat ik voor mezelf een snee brood en voor de dochter van de kolonel een dozijn eieren zou vinden.’  

    De avonturen die Lev en Kolja tijdens hun uitputtende voettocht beleven zijn boeiend en subliem beschreven. Na herlezing van het eerste hoofdstuk wordt opeens duidelijk waarom Davids grootmoeder nooit kookt, de deuren niet afsluit en waar haar krachtige taalgebruik tijdens haar colleges Russische poëzie vandaan komt.
    De roman is gebaseerd op feiten, maar veel is fictief of sterk overdreven – als de schrijver tegen zijn grootvader zegt: ‘Er zijn een paar dingen die voor mijn gevoel nog steeds niet helemaal kloppen …’, antwoordt zijn grootvader: ‘David, jij bent de schrijver, bedenk zelf maar wat.’