• De geschiedenis van piano’s tegen de geschiedenis van Rusland

    De geschiedenis van piano’s tegen de geschiedenis van Rusland

    Soms krijg je een boek in handen met een titel en een onderwerp waarvan je niet meteen garen weet te spinnen. Hoezo verdwenen piano’s in Siberië? Waren die er überhaupt in dit enorme en ondoorgrondelijke land van koude onherbergzaamheid? De Britse reisjournaliste Sophy Roberts doorkruiste Rusland en beschreef heel toegankelijk haar persoonlijke avontuur aan de hand van de zoektocht naar piano’s en hun verhalen, muziek en de rijke culturele geschiedenis van Siberië. Op levendige wijze haalt ze prachtige en ontroerende anekdotes over piano’s, hun eigenaren en geschiedenissen boven tafel.

    Het boek is een speurtocht die soms meer gaat over het zoeken dan over het vinden in het ‘land van eindeloos praten’. Een land dat opgebouwd is door gevangenen, ballingen, opstandelingen, dekabristen en Poolse immigranten. ‘Siberië is veel meer dan een plek op de kaart: het is een gevoel dat blijft haken als een klis, het is een koorts, het geluid van doezelige sneeuwvlokken op zachte heuvels en het geknars van voorzichtige voetstappen achter je rug. Siberië is een kleedprobleem – ’s winters te koud en zomers te warm – met hutten van hout en met schoorstenen die lijkgrauwe rook de wijde witte hemel in stoten. Het is een melancholieke filmische liefdesgeschiedenis, gedrenkt in transparante maneschijn, ongehaaste treinreizen, pijpen in jute gewikkeld en een kapotte schommel aan een piepende ketting.’

    De perfecte piano

    Roberts zoekt naar piano’s en hun verhalen en raakt in de ban van het land en zijn mensen. De aanleiding was een bezoek aan Mongolië waar ze bevriend raakte met de jonge Mongoolse vrouw Odgerel Sampilnorov. Zij was pianolerares van de kinderen van de Duitser Giercke, die met zijn familie in Mongolië in een ger, een Mongoolse tent, woont. Volgens Giercke is Odgerel een virtuoos pianiste en hij vraagt aan Roberts om in Rusland de perfecte piano voor haar te zoeken. Ze speelt zelf geen piano, vertrouwt ze de lezer toe, maar gaat de uitdaging aan. 

    Tijdens haar zoektocht ontmoet de schrijfster veel bijzondere mensen en stuit op tal van verhalen over piano’s, musici en kunstenaars. Ze verdiept zich in de geschiedenis van de tsaren. hun muziek en de bizarre ontwikkelingen rond hun moord. Ze bezoekt de plaatsen waar ze werden begraven. ‘Ik was naar de Oeral gekomen om de laatste piano van de tsaar te vinden. In plaats daarvan vond ik een bizarre knoop in verhouding van het land tot zijn verleden, waar ik geen wijs uit werd.’

    Ze gaat in op de geschiedenis van de dekabristen, ballingen en grote musici en daarbij weet ze zelfs van instrumenten personages te maken. Zoals de eerste kerkklok die in 1591 naar Siberië werd gestuurd als een balling. Het is een romantisch verhaal van Artoer die in vijf of zes minuten heel Irkoetsk in de ban houdt met zijn klokkenspel in een oude krakkemikkige kerk, en na afloop met een grijns zegt: ‘Het meeste kan ik hier wel spelen, alleen geen rock-‘n-roll.’

    Land van ballingen en dekabristen

    Siberië is een land van ballingen en dekabristen, dat waren woeste revolutionairen die alles uit hun ballingschap haalden door bijvoorbeeld horloges of juwelen te maken, onderwijs te geven en tuinen op te zetten, en als er een piano in de buurt was, te musiceren. Invloedrijke en culturele families, zoals de Loesjnikovs, familie van Kandinsky, woonden zelfs in uithoeken van Siberië. Ze hielden theesalons en recitals voor de burgers.

    Ze haalt grote Russen aan als Kandinsky en vertelt over zijn deels illustere afkomst, de andere helft is afkomstig van struikrovers. Ze reist in de voetsporen van Tsjechov die dramatische verhalen schreef over de gruwelijke strafkolonie Sachalin en hoe de gevangenen veroordeeld werden aan het eind van de 19e eeuw. Gerhard Richter maakte een succesvol tournee door Siberië en bezocht uithoeken van Siberië, en de grote Liszt kreeg het Russische publiek op de knieën. De muziek van Sjostakovitsj schalde tijdens het beleg van Leningrad uit luidsprekers door de lege straten, wat iets zegt over het belang van muziek voor de Russen. 

    Roberts’ zoektocht leidt naar een piano in de verste uithoek van Siberië: het eiland Sachalin, dat bijna de kop van Japan kust. Hier ontmoet ze Lydia, een vrouw die in het uitgestorven en unheimische Dué nog een piano zou bezitten. Er is geen piano maar wel een ontroerend relaas over haar vader die instrumenten maakte met paardenharen die hij ’s nachts uit hun staarten stal. In het hoofdstuk over de plaats Tomsk wordt beschreven hoe belangrijk de Polen voor de muziek en het pianobezit in Siberië zijn geweest. Aan het eind van haar reis en zoektocht ontmoet Roberts Nina, een blinde vrouw van 86 jaar met een ongelooflijke heldere herinnering aan haar jeugd in Siberië en aan een, naar blijkt, bijzondere piano.

    Geschiedenis van de eigenaar

    In deel II, ‘Gebroken akkoorden’, gaat Roberts onder andere naar Harbin, een stad die begin vorige eeuw nog tot Rusland behoorde en ongekende rijkdom kende met veel muzikaliteit, en piano’s. Ze vertelt het verhaal van de Russische jazzmuzikant Oleg Lundstrem en beschrijft de gruwelijke dood van Josef Kaspe, een talentvol pianist van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Tegenwoordig behoort Harbin tot China en is ieder spoor van Russische geschiedenis en daarmee de piano’s verdwenen. Roberts schrijft, ‘Een gevoel van dystopie bekroop me, en ik besefte dat een voorwerp betekenisloos kan worden wanneer het verband met de geschiedenis van de eigenaar verloren gaat, als bij een lichaam dat wordt gescheiden van de ziel of bij een vluchteling die zijn vaderland verliest.’

    Roberts bezoekt het Toendravolk de Nentsen in Noordwest-Rusland op het schiereiland Jamal en stuit op een onvoltooide spoorlijn, een prestigeproject van Stalin. In een land als Siberië, met de verschrikkingen van de goelag waarin het leven van gevangenen werd geknecht en gemarteld, was muziek vaak het enige wat hen staande hield.
    Ieder hoofdstuk wordt voorafgegaan met een verhelderende kaart van Siberië met daarop aangeduid de plek waar Roberts haar onderzoek deed, daarnaast illustreren tal van foto’s de anekdotes.

    De geschiedenis van piano’s en hun geluid 

    Ze gaat uitgebreid in op de geschiedenis en het bouwen van de piano, ze noemt serienummers en namen van diverse fabrikanten en hun achtergronden. Toen ze in Petropavlovsk in de verste uithoek van oost-Rusland was en het even niet meer zag zitten, moedigde Valeri Kravtsjenko haar aan om vooral door te gaan met haar zoektocht. De verhalen zouden zeker verdwijnen als ze de laatste echo’s ervan niet probeerde te vangen. ‘Volgens mij zijn er geen onmogelijke ideeën,’ aldus Valeri. En dankzij die obsessieve vasthoudendheid weet ze de geschiedenis van de piano’s tegen de geschiedenis van Rusland als land tot leven te brengen, zelfs hun geluid beschrijft ze.

    Uiteindelijk komt ze bij drie generaties pianostemmers terecht. Daar staat de piano die ze naar Odgerel zal sturen. Pianostemmer Kostja gaat mee met de barre tocht over land. De piano wordt in de ger geplaatst en onder de ogen van diverse muziekminnaars speelt Odgerel de ontroerende epiloog. Dit boek is een aanrader voor piano- en muziekliefhebbers en voor wie geïnteresseerd is in Russische geschiedenis.

     

  • De gevolgen van haar vlucht van het oosten naar het westen

    De gevolgen van haar vlucht van het oosten naar het westen

    Dingen die je meeneemt op reis is de debuutroman van Aroa Moreno Durán, (Madrid, 1981). Ze publiceerde eerder een biografie over Frida Kahlo en Federico García Lorca. In het Spaans heet deze korte, indringende roman ‘La hija del comunista’ (Dochter van de communist), een titel die zoveel beter past. Dingen die je meeneemt op reis, is wat luchtig voor dit diep droeve verhaal, dat overigens maar 165 bladzijden telt.  Kort en krachtig in uitstekende vertaling uit het Spaans van Corrie Rasink.

    Katia woont met haar Spaanse ouders en jongere zusje in Oost-Berlijn in ballingschap. Haar vader vocht in de Spaanse burgeroorlog met de communisten tegen de fascisten en gelooft heilig in het Communistisch systeem. Hun leven in Oost-Berlijn is eenvoudig en armoedig. De sfeer is vaak beklemmend, maar het nest is warm. De moeder is haar man gevolgd uit liefde, maar weigert Duits te leren. De vader werkt in een fabriek. Hij beschermt zijn dochters en heeft met Katia een sterke band. 

    Verlangen naar dat andere

    Naarmate Katia ouder wordt heeft ze vragen. Ze studeert en leest wat ze te pakken kan krijgen, kent de beperkingen van dit leven in Oost-Berlijn maar bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal klaagt ze niet. Totdat ze Johannes ontmoet, een knappe en intrigerende Duitser uit het westen die haar bijzonder vindt. Haar nieuwsgierigheid en verlangen naar dat andere wat er moet zijn, maar waar ze geen idee van heeft, wint het van de loyaliteit naar haar ouders. Ze wordt nieuwsgierig naar het leven aan de andere kant (van de muur). En even verandert het verhaal in een liefdesgeschiedenis wanneer Johannes haar beweegt om te vluchten en ze in een impuls ja zegt. Vervolgens regelt hij een zeer gevaarlijke vluchtactie voor haar. 

    Haar nieuwe leven begint in een dorpje in Zuid-Duitsland, maar ze blijft een ossie, een oustsider. Ze mist haar ouders en zusje met wie ze de volgende twintig jaar geen contact heeft. Haar huwelijk met Johannes taant, met haar stijve schoonouders heeft ze geen klik en tot haar eerste dochtertje voelt ze afstand. ‘Toen het eerste meisje Theresa werd genoemd, bracht ik daar niks tegen in. Het is gebruikelijk om het eerste kind naar haar oma van vaders kant te vernoemen, zei Johannes. O. Er was niemand met wie ik erover kon praten. Toen bedacht ik dat Theresa ook een Spaanse naam was. …’ 

    Heimwee naar en herinneringen aan wat ze achterliet worden pijnlijk scherp en ze vraagt zich af of het ‘t allemaal waard was. Pas als de muur in 1989 valt en ze in 1992 teruggaat en haar moeder en zusje terugziet, beseft ze welke desastreuse gevolgen haar vlucht voor haar familie heeft gehad. 

    Een lange herinnering

    Dingen die je meeneemt leest als een lange herinnering van Katia. De korte hoofdstukken zijn vanuit Katia’s ik-perspectief, de proloog en laatste hoofdstukken zijn in de derde persoon enkelvoud geschreven. Aanhalingstekens om dialoog aan te geven of beletseltekens om een zin af te breken worden niet gebruikt, wat even stoort, maar snel went.  Die herinneringen slaan op de Nederlandse titel, uiteindelijk zijn die, samen met een nikkelen pen, een Spaans insigne van haar vader en een Russische bontmuts van haar moeder, het enige wat Katia meeneemt naar het westen.  

    Het verhaal begint in 1956, Katia is een jaar of zes, zeven en heeft haar eerste sterke herinneringen: Het trappenhuis en de buren, een vakantie aan zee met een geleende trabant, een bezoekje aan Spaanse vrienden in Leipzig, die ze daarna vreemd genoeg nooit meer zien. Een het land binnengesmokkelde Spaanse bief aan haar moeder gericht, die besmeurd raakt met het bloed van sardientjes. De kartonnen koffer, die zij en haar zusje tijdens het verstoppertje spelen onder het bed van hun ouders vinden. Die koffer is verboden terrein voor de kinderen. ‘Er is veel wat je nog niet begrijpt, omdat je niets over de oorlog weet. Dat weet ik wel, mama, sommige dingen weet ik wel. Ik heb het niet over die van hier, maar over onze oorlog.’

    Loyaliteit versus vrijheid

    Of de herinnering aan haar vader die uren in gedachten verzonken voor het raam staat. ‘Door het enige raam dat op straat uitkeek was een leegstaand huizenblok te zien. Dat doet oorlog, die maakt alles kapot, zei papa, die vaak zwijgend voor de ruit stond. Alsof hij voorbij de sneeuw wilde kijken, voorbij de enige nog weerstand biedende boom, en voorbij het duister.
    Voor mij was de oorlog een schim, een witte vlek, iets wat lang geleden had plaatsgevonden En hoewel overal een sfeer van verwoesting hing en alle kinderen loopgraafje speelden, kan ik me er niks bij voorstellen.’ 

    Het woord stasie wordt nooit genoemd, maar alles draait om loyaliteit versus vrijheid (van meningsuiting). Met op de achtergrond de terreur van een onderdrukkend regiem, al blijft de beklemming en de uitdieping van de personages wat vlak. Aroa Moreno Durán heeft de thematiek vooral verwerkt in Katia’s verhaal, die naïef was over de gevolgen van haar vlucht. Hoewel het verhaal fictie is, wordt een stuk naoorlogse geschiedenis beschreven, die niet verloren mag gaan, al is het alleen maar omdat de geschiedenis zich niet mag herhalen, of zoals de laatste bladzijde meegeeft: ‘Zevenentwintig jaar na de val van de muur zijn er over de hele wereld meer dan vijftien muren waarmee mensen op gewelddadige wijze worden tegengehouden.’

     

  • Op reis door de geschiedenis van Friesland

    Op reis door de geschiedenis van Friesland

    In ‘De Friezen’ gaat schrijver en reisjournalist Flip van Doorn op zoek naar zijn afkomst. Dankzij zijn Friese grootvader is hij kwart Fries. Zijn opa verliet Friesland echter op zijn 21ste en reisde naar Heerlen om daar onderwijzer te worden, ontmoette zijn grootmoeder en bleef er. Van Doorn zou Fries zijn geweest als zijn grootvader niet naar Limburg was verhuisd, maar zou nooit hebben bestaan als hij niet was gegaan. Met dergelijke filosofische mijmeringen wordt Van Doorns zoektocht naar de Friese identiteit ook een persoonlijk geschiedenisverhaal. Hij raakte betrokken bij zijn onderwerp door zijn pake, die hem al in zijn jeugd meenam met de trein naar Leeuwarden. Opa droeg zijn geestdrift voor die magie van Friesland en het Fries-zijn over op zijn kleinzoon. 

    Sinds 2010 woont Flip van Doorn zelf met zijn gezin in IJlst en voelt zich als kwart-Fries toch een relatieve buitenstaander, hij spreekt de taal niet, bijna ondoenlijk als de subtiele verschillen niet met de paplepel worden ingegoten. Hij verstaat echter alles en dat is een groot voordeel in de sociale omgang met zijn landgenoten. 

    Landschap van terpen en wierden

    In elf hoofdstukken reist Van Doorn door de geschiedenis van Friesland. Hij fietst, wandelt, vaart of rijdt langs dorpen waar zijn voorouders woonden. Hij bezoekt kerkjes waar ze gedoopt werden en trouwden. Hij vertelt over de bewoners van staten en stinzen. En hij schetst de armoede en opkomst van het socialisme in de veenontginningen. En passant en niet onbelangrijk vertelt hij over het ontstaan van het landschap met zijn terpen, wierden, kwelders en Noordfriese Halligen achter de dijk. Deze kweldereilandjes, hoge wierden met bebouwing, bestaan nog steeds. Bij storm overstroomt de kwelder en in feite leeft men hier nog net als duizend jaar geleden, met het ritme van de getijden en de seizoenen. Een constatering die iets zegt over de kern van de Fries. ‘Ik wil ontzettend voorzichtig zijn met termen als ‘volksaard’, maar ik heb toch het idee dat de eeuwenlange ervaring met dat wonen op terpen nog doorwerkt in de Friezen van vandaag: het samen moeten rooien in een kleine, op zichzelf gerichte gemeenschap. Dat zie je hier in kleine dorpen denk ik nog steeds.’

    Hij volgt een min of meer chronologische weg door de geschiedenis van Fryslân en haar volk. Die begon zo’n beetje 600 jaar voor onze jaartelling, duizend jaar later ontstond op een wierde: Ezinge, een zelfvoorzienende gemeenschap. Uit opgravingen is gebleken dat de huizen in een kring rond de dobbe (natuurlijke bron of poel) stonden. Volgens Van Doorn werd toen al de echte Fries geboren, die koppig en vrijgevochten in evenwicht met de zee en het land leefde. 

    In de zevende eeuw ontstond het Magna Frisia een bestuurlijke eenheid die besprenkeld was met wierden en zich uitstrekte over Noordwest-Nederland van Zeeland tot ver in Duitsland. Tot het door Karel de Grote werd ingelijfd bij zijn Frankische rijk.

    Vrije Friezen

    Een van zijn reizen gaat via Zwitserland naar Rome. Van Doorn volgde oude pelgrimsroutes door de Gotthardpas, die steeds vaker uit pure noodzaak handelsroutes werden. Hun voorvaderen hadden Karel de Grote geholpen met de herovering van Rome en Keizer Karel erkende hen als vrije Friezen. Hij schonk hen hun eigen kerk, pal naast de Sint-Pieter en die kerk bestaat nog steeds.

    Soepel en elegant schrijft Van Doorn over het bedwingen van het water, het bouwen van huizen op terpen, landbouw en religie en wederom de vrijheid van de Fries. Die vrijheid staat gebeiteld in de naam en is afkomstig van de Godin Freya. Hij haalt de mythe rond Grutte Pier aan, die het tegen de Hollanders opnam en hoe deze uit de kluiten gewassen vrijheidsstrijder het oerbeeld werd van de onverzettelijke Fries. En natuurlijk is daar ook het verhaal van Bonifatius, in 754 bij Dokkum vermoord. Hij brengt de geschiedenis prettig tot leven en relativeert de mythevorming wat zijn onderzoek fris en nuchter lichtvoetig houdt, zonder aan diepgang in te boeten. 

    Veel van de geschiedenis berust op mythen en legenden, schrijft Van Doorn en hij vraagt zich af of ‘we die mooie oude verhalen met feiten moeten willen ontkrachten.’ Maar door hier en daar feitelijke details boven water te halen geeft hij de geschiedenis een waarheidsgetrouw cachet. Waar elders een hiërarchie ontstond van leenheren en leenmannen, bleef Frisia een lappendeken van in feite autonome gebiedjes. ‘Daar lag de oorsprong van wat de Friese Vrijheid is gaan heten.’ Ook in Zwitserland waren relatief zelfstandige kantons geïnspireerd op de Friese Vrijheid van eeuwen geleden. Het belangrijkste verdrag uit de Zwitserse geschiedenis, de Bundesbrief, in 1291 in het Latijn opgesteld, bestaat nog steeds. 

    Vermenging met Hollands bloed

    In het hoofdstuk ‘Amsterdam’ gaat hij op zoek naar oude handelsroutes en bezoekt de West-Friese Zuiderzeestadjes, Enkhuizen en Medemblik, die zich zo heel anders hebben ontwikkeld dan hun oost-Friese buren mede onder invloed van de VOC. Ooit waren Oost- en West-Friesland verbonden, slechts gescheiden door een smalle stroom, de Vlie, wat later de Zuiderzee werd. Er zijn nog steeds overeenkomsten in hun dialect. ‘Maar van de eeuwenoude brug die hun dialect slaat tussen Fries en Nederlands zijn de planken vermolmd en de leuningen verweerd.’ De Friezen mogen dan trots zijn op hun eigenheid en hun onafhankelijke vrijheidsdrang hun vermenging met het Hollandse bloed is onomstotelijk een feit. 

    Gaandeweg komt Van Doorn in het heden aan. Ook in het Friese boerenland is de laatste jaren veel veranderd, ruilverkaveling, schaalvergroting, landbouwbeleid. Weidevogels verdwenen, grasland werd Engels raaigras, de koeien staan op stal. Toch is er een kentering op komst, mede dankzij kunstenaar Claudy Jongstra met haar eigen schaapskudde en teelt van verfplanten worden bermranden weer ingezaaid met bloemen die zorgen voor meer diversiteit. En boeren gaan weer steeds meer rekening houden met het broedseizoen van de weidevogels.

    ‘Wanneer ik Stavoren uitwandel, zie ik in de eerste plaats wat Friesland bespaard is gebleven. Mijn blik blijft niet hangen achter hoogbouw, windmolenparken, plukjes goedmaaknatuur of oprukkende steenmassa’s van immer uitdijende steden en aan elkaar vastgegroeide dorpen, ketst niet terug op de glazen wanden van eindeloze rijen kassen. Friesland heeft iets weten te behouden wat in West-Friesland en de rest van Holland steeds schaarser wordt. Ruimte. En daarmee heeft Friesland een geweldige troef in handen. Toerisme.’

    Geografisch middelpunt

    Van zichtbaar toerisme is in ‘De Friezen’ overigens geen sprake. In zijn zoektocht naar zijn roots en het hart van Friesland reist Van Doorn alleen, hij komt nauwelijks een mens tegen en als hij ze wel tegenkomt spreekt hij ze niet aan. Het gesprek met de autochtone vrije Fries ontbreekt een beetje, zoals er ook geen aandacht wordt besteed aan de Elfstedentocht (er lag geen ijs tijdens het schrijven), het fierljeppen, het Friese paard of het kaatsspel. Dat komt hopelijk in een volgend boek aan bod. Want dat Van Doorn nog niet klaar is met zijn Heitelân is duidelijk. 

    Van Doorns zoektocht naar de vrije Fries raakt ten einde bij het geografisch middelpunt van Friesland, het hart van Fryslan, het hart van de Fries. Eigenlijk onbegonnen werk om dat te vinden, concludeert Van Doorn. ‘Maar misschien is precies dat wel de kern waar alles om draait: dat niets vastligt zelfs de bodem niet. Dat iedereen aan taal, geschiedenis, identiteit en zelfs geografie een eigen interpretatie mag geven dat mythen en legenden geen een duidelijk verhaal schetsen, maar elke Fries de vrijheid laten zelf invulling aan geschiedenis te geven. Een vrijheid die we Fries zouden kunnen noemen.’ Dit boek is een aanrader voor liefhebbers van de vaderlandse geschiedenis, Friezen zullen zich erin herkennen en Hollanders leren een beetje meer over Friesland.

     

     

  • Een liefdesverhaal dat geen ‘Happy End’ behoeft

    Een liefdesverhaal dat geen ‘Happy End’ behoeft

    De Australische schrijfster Madeleine St John (1941 – 2006) werd met haar roman The Essence of the Thing in 1997 genomineerd voor the Booker Prize for Fiction. Hoewel men de roman ‘te licht’ vond, was de jury onder de indruk van haar ‘beknopte en elegante proza’. In haar testament liet St. John vastleggen dat haar boeken niet vertaald mochten worden. Na de verfilming van haar debuut Ladies in Black in 2019 besloot haar executeur dat recht op te heffen. De vertaalrechten voor Nederland gingen voor de vier romans van St John naar Nijgh & Van Ditmar. De kern van de zaak werd in 2020 door Corine Kisling met behoud van de frisse, luchtige toon uitstekend vertaald.

    Nicola en Jonathan wonen in haar flat in de wijk Notting Hill in Londen, waar St John een aantal jaren zelf heeft gewoond. Nicola gaat om de hoek even sigaretten kopen, als ze thuis komt zegt Jonathan ijskoud dat hun relatie voorbij is. Hij houdt niet meer van haar, ze kan gaan en hij zal haar helft van de flat van haar overnemen. Verbijstering en ongeloof overvallen haar en als het besef is doorgedrongen stort haar wereld in. Nicola vertrekt naar vrienden, een stel met een goed huwelijk en een leuk zoontje van negen. Vervolgens vindt ze eigen woonruimte bij weer andere vrienden met een snoezig dochtertje. Dat is zo ongeveer de plot. Afgezien van de huilpartijen, de enige uiting van emotie, zijn er geen sentimentele scènes, maar is er ook weinig conflict. Nicola accepteert haar nederlaag gelaten, dat maakt vooral het middenstuk wat saai en herhalend, maar de sterke dialogen maken echter veel goed.

    Jaren negentig relatie roman

    Tijd van handeling is eind jaren negentig, relatieromans zoals ‘The diary of Bridget Jones’ om er een te noemen, waren toen in. In De kern van de zaak faalt de relatie van de hoofdpersoon, terwijl de relaties van de vrienden en de ouders wel geslaagd lijken. De thematiek draait om egocentrisme van de jeugd, angst om zich helemaal te geven, verstandhouding, de waarde van seks. Hoe kwetsbaar toon je je en uiteindelijk de wetenschap dat wat je hebt misschien niet altijd honderd procent is, maar beter is dan niets. 

    Het boek bestaat uit korte hoofdstukken en is geschreven vanuit verschillende perspectieven, Nicola, Jonathan, hun ouders en de vrienden. Er is veel dialoog met Engelse tongue-in-cheekhumor. Tijdens gesprekken tussen de vrienden wordt de relatie van Nicola en Jonathan en hun karakters met dubbelzinnige ironie ontleed. Het zijn jonge dertigers met gevierde carrières, verwend en verveeld. Jonathan is eigenlijk een klootzak en ultrasaai, zeggen de vrienden, die snel met hun oordeel klaarstaan. Nicola moet blij zijn dat ze van hem af is. Ze zou meer op haar strepen moeten staan, maar ze houdt nog van hem. Echt onsympathiek is Jonathan niet, hij wil ontsnappen aan de dagelijkse dreun, al begrijpt hij weinig van zijn eigen handelen. Nicola, die dacht dat alles koek en ei tussen hen was, begrijpt hem en zichzelf evenmin. 

    Veel wordt niet gezegd 

    ‘Is dat alles wat je eet? Alleen cornflakes? Wil je geen eieren met spek? Mijn hemel! Misschien een bord pap? Nee? Nou je zal het zelf wel het beste weten.’
    ‘Natuurlijk weet hij dat. Natuurlijk weet hij het zelf het beste. Echt, Sophie, hij is geen vijf meer. Croissants, dat wil-ie. Dat eten ze daar in Londen als ontbijt. Croissants, Franse croissants.’ 

    Zonder dat er gepsychologiseerd wordt, leggen de gesprekken met de ouders de brave ‘middle class’ achtergrond van Jonathan en Nicola bloot. Zijn moeder begint over haar zelfgemaakte marmelade en de ring met de robijn die ze voor haar aanstaande schoondochter heeft bewaard. Dat Jonathan nergens op reageert, zegt alles over het soort jeugd dat hij heeft gehad en de man die hij is geworden, en dat is knap verhaald in louter dialoog. Voor Nicola zit de kern van de zaak in het niet hoeven uitspreken van diepere gevoelens, maar ze wel bij de ander aanvoelen. Ze zit met Jonathan in de donkere slaapkamer te luisteren naar een saxofonist die beneden in één van de tuinen  ‘Summertime’ speelt. ’Nicola had het licht niet aangedaan toen ze waren binnengekomen dus vroeg ze: “Wil je dat ik het licht aan doe?”
    “Nee,” zei Jonathan. “Ik vind het prettig in het donker.”
    Het was eindelijk tijd om te spreken, en dus begonnen ze, langzaam, aan hun echte gesprek. Het was toen, en ook later niet nodig te zeggen: dat ik van je hou, mijn liefde voor jou is dit. En dat het niet gezegd hoefde te worden, was essentieel, was de kern van de zaak. De liefde bedrijven was een esoterische taal waarin ze zich nu beiden konden uitdrukken. Zelfs toen het nieuwe, het wonderlijke van de ontdekking begon te luwen, bleef dit voor Nicola de simpele waarheid.’

    Voor Jonathan zit de kern van de zaak in het evenwicht tussen bitter en zoet, de smaak van de marmelade die zijn moeder vroeger maakte. Zo’n pot marmelade die de omslag van het boek siert. Nieuwsgierigheid naar het einde doet snel doorlezen. Krijgen ze elkaar terug? Groeit Nicola uit haar impasse en kiest ze voor zichzelf? Wordt Jonathan toch nog gelukkig in zijn eentje, in haar appartement? Uiteindelijk blijkt het antwoord op die vragen geen verrassing, wat een lichte teleurstelling is, maar past bij dit verhaal, dat geen ‘Happy end’ behoeft.

     

     

  • Obsessie met schilder vanuit perspectief dementerende zus

    Obsessie met schilder vanuit perspectief dementerende zus

    De Noorse schrijver Jon Fosse (1959) wordt als een van de belangrijkste schrijvers van onze tijd gezien, hij ontving diverse prijzen in Noorwegen en Europa voor zijn krachtig, veeleisend en vernieuwend schrijven in alle literaire genres. In de jaren negentig van de vorige eeuw schreef hij ‘Melancholie I’ en ‘II’, een fictieve biografie over de Noorse schilder Lars Hertervig (1830-1902). In 2018 en 2020 zijn beide romans in het Nederlands vertaald en gepubliceerd door uitgeverij Oevers. In ‘Melancholia I’ probeerde Fosse de mentale staat van de schilder vast te leggen. Hertervig was schizofreen en straatarm, hij kwam uit een quakers gezin en schilderde wonderlijke, sprookjesachtige kustlandschappen. Fosse schrijft lange meanderende zinnen, vol herhalingen en monotone gedachten en zijn proza wordt wel vergeleken met minimalistische muziek.

    Verhaal van een dagdeel

    Fosse’s obsessie met de schilder vindt zijn vervolg in ‘Melancholie II’. Oline, de zuster van Lars, is de protagonist en we volgen haar kort na zijn dood in 1902. Net als in deel I beslaat het verhaal, dat eigenlijk niets om het lijf heeft, een dagdeel. Oline is oud en heeft zere voeten, ze strompelt langs de weg, met aan een snoer twee vissen die ze van visser Svein heeft gekregen, naar haar witte huisje met de rode voordeur bovenaan de heuvel. Halverwege ontmoet ze haar schoonzuster Signe die vraagt of ze even bij haar broer Sivert komt kijken. Sivert ligt op sterven. Oline wil eerst naar huis, ze kan toch niet met die vissen naar haar broer, bovendien moet ze naar het sekreet. Thuis aangekomen gaat ze meteen naar het hok waar zich de poepdoos bevindt en starend naar de dode vissenogen vervalt ze in een herinnering aan vroeger met haar broer Lars. Op de deur van het sekreet is een tekening geprikt, die ze ooit van Lars heeft gekregen.

    ‘Ze zijn zwart op dezelfde manier waarop Lars zwart is. De duisternis is dezelfde. Het is een duisternis die niet dood is, maar die straalt, een stralend duister, als het ware. 

    De tekeningen lijken op jou, zeg ik.
    Lars kijkt ineens naar mij.
    Hoezo dat? vraagt hij.
    Eh, ik weet niet.
    Maar ze lijken op jou, zeg ik.’

    Herhalende zinnen

    Het is inmiddels duidelijk dat Oline aan geheugenverlies lijdt. Sivert is vergeten, haar gedachten draaien om haar incontinentie, de vissen en Lars. Haar herinneringen zijn echter glashelder en ze beleeft de gebeurtenissen letterlijk alsof ze op haar netvlies staan. In de flashbacks denkt Oline vanuit de eerste persoon, maar soms verandert het perspectief binnen de zin weer terug naar het heden en wordt het personale perspectief gehanteerd. ‘Ik kijk naar moeder en ze kan toch niet hier op het sekreet blijven zitten, denkt Oline, ze kan hier toch niet zo op het sekreet blijven zitten denken aan vroeger en weer als een kind zijn, denkt Oline. Maar daar zat moeder te huilen. En de volgende ochtend stond de vloer helemaal blank. En Oline denkt dat ze nu overeind moet komen, ze kan hier niet op het sekreet blijven zitten, nu doen haar benen ook niet meer zeer, ze moet opstaan en naar de keuken lopen met de vis want het is koud, ze heeft het koud, ze kan hier toch niet op het sekreet blijven zitten, denkt Oline, maar is er iets gekomen?’

    Die zere voeten

    Door zijn simpele en herhalende zinnen kruipt de taal van Fosse je onder de huid. Hij bouwt het verhaal langzaam op en met de kleine stapjes die Oline zet, trekt hij de lezer in Oline’s hoofd en gedachtewereld en die is beklemmend. Niet zozeer om wat ze denkt, maar omdat ze zo ver van de realiteit afstaat, dat ze dementerend is en alleen woont. Als ze eindelijk in haar keukentje is en de vissen heeft schoongemaakt, mag ze gaan zitten. Maar het lot bepaalt anders. Ineens zijn de vissen weg en Oline moet opnieuw naar de zee, naar visser Svein voor eten en de hele wandeling herhaalt zich.

    (…)‘visser Svein wilde geen cent voor de vis hebben, misschien begreep hij dat ze niet veel geld had momenteel, maar heeft ze er iets over gezegd, nee geen woord heeft ze erover gezegd, geen woord heeft ze erover gezegd, denkt Oline. Nog een klein eindje, ja, dan mag ze even uitrusten, denkt Oline, maar ze moet nog even volhouden. En zodra ze blijft staan doen haar voeten minder zeer.’ 

    In tweede instantie gaat ze wel bij haar broer Sivert langs, wat een tamelijk hilarische scene oplevert. Haar schoonzuster Signe duwt haar nogal ruw de trap op en als Oline eindelijk naast Sivert zit, praat ze tegen hem en reikt hem zijn pijp aan zonder te zien dat hij al niet meer in leven is.
    De summiere terugblikken op Oline’s jeugd met Lars op het strand, het kinderrijke gezin, de vader die ook niet helemaal spoorde zijn de puzzelstukjes die een aardig beeld geven van de getormenteerde geest van de schilder, zijn jeugd en zijn leven in de natuur. Het zijn de terugblikken die zorgen voor een boeiende afwisseling met Oline’s beperkte heden in deze kleine roman, waarin de kracht bij het herhalende woord ligt en klein leed van het schrijnend dagelijks ongemak sterk uitvergroot.

     

     

  • Liefdevolle beschrijvingen over slopend fabriekswerk

    Liefdevolle beschrijvingen over slopend fabriekswerk

    Aan de lopende band is het debuut van de Franse schrijver Joseph Ponthus en verscheen in vertaling van Floor Borsboom bij de Arbeiderspers. De ultrakorte zinnen, zonder punten of komma’s, lezen als een episch gedicht en geven met veel impact en sfeer het verhaal hun ritme. De lezer wordt meegezogen in taal en beelden en komt in de dreunende cadans van Ponthus’ werk aan de lopende band. En dat is het bijzondere van dit boek. Om in zijn levensonderhoud te voorzien vond de hoogopgeleide Ponthus via een uitzendbureau een baantje aan de lopende band en kwam in een visfabriek op de afdeling schaal- en schelpdieren terecht. Vissen op maat en soort sorteren, wulken uitzoeken of garnalen in plastic bakjes in ringen leggen, 125 gram die voor ongeveer vijf euro in de supermarkt liggen.

    ‘we produceren vaak meer dan tienduizend garnalenringen per dag op basis van zo’n twintig minigarnalen per ring
    Welke productiemedewerkers uit welk land hebben al die garnalen gepeld
    Welke arbeiders
    Voor welk salaris
    Welke kinderen’

    Buffelen in de nacht

    Op een andere afdeling worden koolvisfilets gepaneerd voor vissticks. Het is koud en het is flink buffelen, ook ’s nachts. Een behoorlijk gesprek met collega’s is er nauwelijks bij, toch laat humor de schrijver niet in de steek, zoals in dit gesprekje met een collega. 

     ‘Je vernikkelt echt in de fabriek’
    ‘Het is een fabriek voor verse vis dus wat wil je’
    ‘Maar ik heb drie paar handschoenen en ijskoude handen’

    ‘(…)’

    ‘Denk je dat ik de chef kan vragen of we warm water in de bakken vis met ijs kunnen doen dat is prettiger om te werken’
    Aan de brave man is echt vis nog graat
    en werken is ook niet aan hem besteed.’

    Slopende vermoeidheid

    Tijdens een pauze van het werken in de fabriek werkt hij als sociaal werker met gehandicapte kinderen in Noord Frankrijk, hij rijdt van hot naar her. Vervolgens krijgt hij een baan het slachthuis. Schoonmaken, bloed en vet wegspuiten met een hogedrukspuit. En karkassen duwen. De runderen hangen aan verschillende rails die naar de afdelingen moeten worden geduwd waar ze worden uitgebeend en verder gesorteerd. Honderden kilo’s vlees duwen, vaak in zijn eentje. Hij zou bijna terugverlangen naar de schaal- en schelpdieren, om wulken te sorteren bijvoorbeeld. 

    De dagelijkse dreun van de lopende band, het lawaai, bloed en ingewanden, de pijn van verkleumde vingers, gebroken rug, slopende vermoeidheid; het verlangen naar de pauze met een peuk, het laatste uur van de dag. Het weekend dat nooit lang genoeg is, het warme lichaam van zijn vrouw, zijn hondje Pok pok, komt herhaaldelijk langs in steeds andere bewoordingen. Als lezer zal je het weten ook.

    ‘ik ken maar een paar plekken die zo’n effect op me hebben
    Zo absoluut, existentieel en radicaal
    De Griekse heiligdommen
    De gevangenis
    De eilanden
    En de fabriek
    Als je die verlaat
    Weet je niet of je in de echte wereld stapt
    Of die juist verlaat’

    Ode aan chansonniers

    Hoe houdt deze man, die allesbehalve een arbeider is, het vol en waarom doet hij dit werk? Deels bij gebrek aan beter, maar ook om zijn ervaringen te gebruiken voor een boek. Het is belangrijk voor wat hij schrijft en door de manier waarop hij het noteert komt het dubbel binnen. Naast een aanklacht is Aan de lopende band ook een dagboek, een brief aan zijn moeder en een ode aan chansonniers, als Trenet en de dichter Guillaume Apollinaire, communist en surrealist. Tijdens zijn dodelijk saaie, repeterende en zware werk drijft Ponthus op associatieve gedachten en dromen. Hij voert innerlijke gesprekken met Proust, Apollinaire, Marx die als een ketting door de repeterende handelingen heen geweven zijn. Hij prevelt dichtregels en neuriet liedjes om het einde van de dag te halen.

    Het is de tijd van de demonstraties van de ‘gele hesjes’. Ponthus ziet zichzelf als anarchist, toch voegt hij zich niet bij zijn vrienden op straat. Een dag niet werken betekent de volgende dag dubbel zo hard werken. Er zijn niet veel romans over het werk aan de lopende band omdat de meeste arbeiders geen schrijvers zijn. Joseph Ponthus is een schrijver die zijn debuut onder andere opdraagt aan ‘de proletariërs uit alle landen, aan de ongeletterden en de tandelozen met wie ik zoveel heb geleerd gelachen geleden en gewerkt’

    Iemand willen worden

    Hij beschrijft zijn afschuw en frustratie voor de fabriek haast liefdevol, alsof hij in een haat – liefdeverhouding staat tot zijn werk. Hij wil iemand worden schrijft hij aan zijn moeder, die  haar mededogen betuigt door een biljet van 50 euro te sturen als hij op zaterdag moet  –  en wil – overwerken voor dat extra bedrag. 

    ‘Ik duw mijn karkassen
    En natuurlijk dat ik dan wel eens terug denk en al die levende kinderen die ik heb begeleid en die inmiddels volwassen zijn
    Sommige zijn ook al dood
    Maar ik ben gelukkig hier
    Met mijn vrouw
    Meer dan gelukkig
    Niet ver van de zee
    Al moet ik dan ook dode dieren duwen
    Torst ieder tenslotte niet zijn eigen last
    Tot de dood erop volgt’

    ‘Aan de lopende band is een aanklacht tegen de vlees- en vis productie in deze maatschappij zonder dat Ponthus dat ergens letterlijk benoemt. Hij roept herinnering op aan de documentaire ‘Le sang des bêtes’ uit 1949 van Georges Franju. Zijn verhaal doet ook denken aan de film ‘Dominion’ van Chris Delforce, waarin grote vraagtekens worden gezet bij de manier waarop met de vleesproductie wordt omgegaan. Net als dit boek, verplichte kost voor vleeseters en ook voor vegetariërs.

     

     

  • Mens achter de mythe

    Mens achter de mythe

    Susan Sontag (1933-2004) was in 1975 herstellende van borstkanker en had een manusje-van-alles nodig voor achterstallige correspondentie. Op voordracht van de redactie van The New York review of Books belde Sontag Sigrid Nunez (1951) die net afgestudeerd was met een master of fine arts aan de universiteit van Columbia. Ze woonde bij Sontag om de hoek en kon wel een baantje gebruiken. Nunez was niet erg onder de indruk van haar werk. ‘Zoals veel lezers vond ik de essays boeiend en de romans moeilijk om door te komen.’
    Toch zei ze ja, zonder enig idee te hebben wat er van haar verwacht werd. Nunez’ relatie was net verbroken en ze moest uit haar appartement, Susan wist dat. De jonge Sigrid was daardoor makkelijk te paaien en trok op aandringen van Susan bij moeder en zoon in. Op dat moment werkte Sontag aan het essay ‘On Photography’ (1977), wat haar als essayist grote faam zou brengen. Susan stelde Nunez voor aan haar zoon David Rieff, achteraf een vooropgezet plan om hen te koppelen en ze bleef er ongeveer anderhalf jaar wonen.

    Oprecht relaas

    Na Sontags dood schreef Sigrid Nunez, die ondertussen meerdere romans op haar naam had staan, haar memoires, wat resulteerde in Sempre Susan. A memoir of Susan Sontag (2011), vertaald door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap als ‘Sempre Susan, herinneringen aan Susan Sontag’. Het is een oprecht en persoonlijk relaas geworden over een intrigerende persoonlijkheid, beroemde essayist en criticus, dat slechts 120 bladzijden beslaat. Benjamin Moser, die in 2019 de lijvige biografie ‘Sontag: Her Life and Work’ publiceerde, heeft op deze memoires kunnen steunen.

    De lezer krijgt een volledig beeld van de dan 43-jarige Sontag, en van de 25-jarige Nunez die zichzelf niet spaart, terwijl ze haar relatie met David Rieff buiten beeld houdt. Schijnbaar ongedwongen ontleedt Nunez in helder proza haar gesprekken met Sontag; haast intiem besteedt ze aandacht aan haar gewoontes, opinies, vriendschappen, gedachtes, gebrek aan humor, angsten en haar moederschap. Alles komt aan bod. Sontags vader overleed aan TBC toen ze vijf jaar was. Ineens kwam hij niet meer thuis. Ook Nunez’ vader overleed toen ze heel jong was. Dat schiep ongetwijfeld een band.

    Susans moeder hertrouwde met meneer Sontag. Met haar stiefvader had ze een redelijke relatie, maar haar moeder was narcistisch en een alcoholist die haar dochter negeerde. Ze bleef er haar hele leven last van houden. ‘”Gierig was ze ook. Ik kreeg nooit ook maar een cent van haar. Zodra ik naar school ging, was ik op mezelf aangewezen. Ik had wel dood kunnen hongeren.” Iedereen die Susan kende, kende dit verhaal en wist hoe diep haar wrok zat, ze beschouwde zichzelf als een verwaarloosd of zelfs verlaten kind. […] ‘Een wond die nooit heelde.’

    Uitmuntende en eeuwige student

    Susan bleek een uitmuntende student, ze was heel ambitieus en serieus en raakte geobsedeerd door kunst en literatuur en las alles wat los en vast zat. Dankzij haar werkdrift en competitieve gedrag viel ze al gauw op in de intellectuele wereld. Ze trouwde met Phillip Rieff, samen kregen ze een zoon David (1952). De relatie hield geen stand, zoals geen enkele relatie van Susan Sontag lang stand hield. Over haar moederschap schrijft Nunez, dat Susan David als haar gelijke beschouwde en misschien zelfs een vaderfiguur in hem zocht. In ieder geval gingen er een hoop roddels en praatjes rond over de zeer symbiotische relatie die ze met haar zoon had. Als zij een werkaanval had en niet gestoord wilde worden hield ze hem bij zich, zodat hij haar sigaret kon aansteken. Hij was toen tien jaar.

    Susan leefde als de eeuwige student, het appartement was sober en bestond vooral uit boeken. Ze was stoer, mannelijk, droeg jeans en sneakers en was een onafhankelijke vrouw. Ze werkte nachten door, rookte als een ketter en gebruikte speed om op de been te blijven. Ze kookte nooit, was verzot op reizen, had een leger vrienden, maar ook veel vijanden en was chronisch jaloers op andermans succes. Zo was ze jaloers op Nunez wanneer deze iets samen met David wilde doen. Ze wist zich er altijd tussen te dringen, waarmee de titel ‘Sempre Susan’ verklaard is.

    ‘Ze zorgde er altijd voor dat haar geest iets te doen had. Als er niets was om haar te verstrooien sprong haar geest op zwart, zei ze en ze vergeleek het met de ruis op het televisiescherm als een zender die uitzendingen staakte. […] Op zwart? Niets wat je er zelf op zou kunnen projecteren? Geen dagdromen, geen fantasie, geen mijmeringen of herinneringen, geen gedachte aan werk in wording, aan mensen, aan dingen die je van plan bent te doen? Helemaal geen gedachten? […] Dat zwarte scherm, zo maakte ze duidelijk, was iets angstwekkends.’ Ze vreesde het alleen zijn dermate dat ze na een avond met vrienden, de slaapkamer van David en Nunez binnenkwam om hen haar belevenissen te vertellen.

    Liever romanschrijver

    Sontag werd geroemd om haar essays, maar Nunez memoreert dat ze liever een gelauwerd romanschrijver was geweest. Haar romandebuut The benefactor (1963) werd aanvankelijk positief ontvangen maar zakte al snel naar de achtergrond. Ook haar andere romans werden afgedaan als plotloos en langdradig, evenals haar films. ‘Het krenkte haar dat de fictieschrijvers die zij zo bewonderde en overal aanraadde andersom haar werk niet prezen, leken zelfs helemaal geen voorvechters van haar fictie te zijn, zelfs niemand onder haar vrienden.’

    Sontag overleefde tweemaal kanker, maar stierf uiteindelijk aan MDS, een voorloper van een snel voortschrijdende leukemie. Ze was doodsbang voor de dood schrijft David Rieff over zijn moeders laatste kankerfase. ‘De gedachte aan het definitieve einde bezorgde haar zoveel pijn en angst dat ze er bijna krankzinnig van werd.’
    De kracht van Sempre Susan is dat Nunez een compleet en eerlijk beeld schetst van Susan Sontag met zowel positieve als negatieve kanttekeningen. Ze oordeelt niet en haar bewondering voor Sontag blijft van kracht. Nunez’ memoires beginnen verwachtingsvol als ze het verhaal vertelt van de mens achter het idool. Alsof ze zich gaandeweg steeds meer herinnert, pelt ze heel natuurlijk de lagen van Susans persoonlijkheid af tot er een kwetsbaar, eenzaam en ontevreden mens ontstaat, die spijt had van alles wat ze niet was.

  • Verhalen recht uit het leven gegrepen

    Verhalen recht uit het leven gegrepen

    De verhalen in de bundel van Mensje van Keulen Ik moet u echt iets zeggen zijn uit het leven van doodgewone mensen gegrepen. Met een bedrieglijke eenvoud, humor en verbeelding schetst ze herkenbare situaties die haast kabbelend beginnen tot een onverwachte wending het verhaal op losse schroeven zet. Een man houdt in een kroeg tegen de jonge kelnerin een larmoyant verhaal over de stervende hond van zijn vriendin, hij vraagt om een fles wijn en laat zijn bestelling opschrijven. Je weet meteen dat hij liegt, maar hij komt ermee weg, omdat de kelnerin hem wil geloven. 

    Een vrouw is haar trouwring kwijt. Aangevoerd door haar echtgenoot gaat de zoektocht tot zelfs in de groenteafdeling van de supermarkt en daarmee ontvouwt zich langzaam de tragiek van een huwelijk. 

    In het titelverhaal ‘Ik moet u echt iets zeggen’ is een moeder van een kind dat zwaar crimineel is aan het woord. Hij is een dief, een leugenaar, een verkrachter, een dierenmishandelaar en een moordenaar. De vrouw verwoordt haar grieven over haar zoon in een lange monoloog aan haar buurman en vraagt hem een brief te schrijven aan de rechter, die hem zal veroordelen. Als lezer voel je medeleven en afgrijzen, het zal je kind maar wezen. Waarom die brief? Om te pleiten voor strafvermindering? De uitkomst is anders, het gaat niet om de zoon, maar om de moeder, die vrij van schuld wil zijn. 

    Levensechte dialogen

    In ‘De toneelmeester’ wordt de man geregeerd door de foto van zijn overleden vrouw op de keukenkast, die staat zo dat ze hem altijd kan zien. Het is een sneue man en zijn onvermogen, schuldgevoelens en zwaktes zijn voelbaar. Je zou bijna medelijden met hem krijgen. Tot in het theater waar hij toneelmeester is een cabaretier met zieke grappen op zijn nummer wordt gezet door een vrouw in de zaal. Voor de toneelmeester wordt dat de kentering in zijn leven. Tijdens een momentopname, wat een kort verhaal veelal is, en dankzij de kunst van het weglaten ontvouwen zich levens van mensen van vlees en bloed. Mensje van Keulen kiest haar woorden zorgvuldig, er staat er niet een te veel. In flashbacks en met levensechte dialogen komen de verhalen heel natuurlijk uit de verf met die spannende laag eronder en aan het eind een verrassende twist. Daarmee schept Van Keulen net die diepgang waardoor haar verhalen een eigen sfeer krijgen. 

    In het verhaal ‘In het donker’ zien we een alledaags tafereel. Oude vrienden komen op bezoek bij een stel dat naar het platteland verhuisd is. De gesprekken met de clichés, melige grappen en valse complimenten over en weer zijn herkenbaar. Niemand is echt in de ander geïnteresseerd. Zijn de huwelijken wel gelukkig? Ligt er niet veel eenzaamheid achter die schone schijn. Een verhaal met sterke subtekst. 

    Vrouwen maken keuzes, mannen sukkelen

    In alle verhalen staan vrouwen op een keerpunt in hun leven en blijken de mannen toch sukkels te zijn. De vrouwen moeten afrekenen met hun verleden, keuzes durven te maken en het recht in eigen hand nemen. Zoals in het verhaal ‘De achterkant’ waarin een gescheiden vrouw een telefoontje krijgt van haar ex. Hij wil de  kostbare Venetiaanse vaas hebben. Ze ontmoet een oude klasgenoot, die een heftige gebeurtenis uit het verleden bij haar oproept en haar heden in een ander daglicht zet. In het verhaal ‘De tuin’ is in een voormalig bordeel nu een hotel gevestigd. Een man en een vrouw brengen er de nacht door, de gedachte aan het bordeel roept onvermoede lustgevoelens op bij beiden, voor de vrouw is dat een reden om te zien wie haar man eigenlijk is. In ‘Angela’ heeft een ambitieuze politica via een advertentie een vijftal mannen tegelijk uitgenodigd in een huisje in een volkstuincomplex. Een date voor de seks met door haar streng opgestelde regels. Het gaat haar alleen niet om het genot van de seks maar de macht die ze over hen heeft. 

    Slechte huwelijken

    Het laatste verhaal ‘Meneer Harry’ is een lange innerlijke monoloog, want Harry kan niet meer praten. Hij was geen lieverdje begrijpt de lezer uit zijn mijmeringen. Een sterke man, hij heeft het leven ten volle geleefd. Nu zit hij volledig afhankelijk in een verpleeghuis en moet het doen met zijn herinneringen ‘die niet door een zeef of een vergiet zijn weggelekt, maar zomaar kunnen terugkeren. Het springt van de hak op de tak, en doet pijn, het brengt je in de war, het is een doolhof, een apothekerskast, een stalling, een markt, een moeras, een overwoekerde tuin, een grabbelton, een ruïne, een wereld in de mist, hemel en hel ineen, het is een universum, het is de som der dingen, het is wie je bent.’

    Mensje van Keulen schreef in de afgelopen veertig jaar een omvangrijk oeuvre bij elkaar en neemt een eigen plaats in de Nederlandse literatuur in. Haar verhalen tonen het schijnbaar gewone en alledaags leven, subtiel, puur en soms wrang. De tragiek van ongewenste kinderen, slechte huwelijken, foute mannen, verloren liefdes, verkeerde keuzes, spijt of berusting. Uiteindelijk neemt de vrouw die ten opzichte van de man aanvankelijk de zwakkere lijkt te zijn, in de verhalen van Van Keulen, het heft in eigen handen. 

     

     

  • De oneindigheid van de geest

    De oneindigheid van de geest

    The Plains uit 1982 is de derde roman van de Australische schrijver Gerald Murnane. Achterin de ‘De vlakte’, de recente Nederlandse vertaling, zijn twee brieven opgenomen die dateren uit 2013. Een bewonderaar stelt hem, na een lange inleiding over zijn eigen schrijverschap, de vraag: ‘Hoe bent u tot die gewoonte van nauwkeurig beschrijven gekomen?’ Murnanes antwoord, in een nog veel langere brief, is verrassend: ‘Ik hoor uit mijzelf een stem; lange tijd heb ik die willen horen.’ Deze zin voegde hij op het allerlaatst toe aan zijn manuscript ‘Landscape with landscape’ (1985). Het was dé zin die hem in zijn lange bestaan als schrijver is bijgebleven als de essentie van zijn schrijverschap. 

    De vlakte is een wonderlijk boek waarop het woord roman eigenlijk niet van toepassing is, er is weinig verhaallijn en karakterontwikkeling. Aanvankelijk is het boek lastig en met enige verzuchting te lezen, omdat er nauwelijks iets gebeurt en omdat iedere zin wel twee keer gelezen moet worden om hem ten volle te bevatten. Tot, op ongeveer een derde, het kwartje valt. 

    Uitgestrektheid

    De roman gaat niet alleen over het lege binnenland van Australië, de vlakte is een metafoor, een allegorie voor de geest. Zoals Murnane in bovengenoemde brief schrijft: De uithoeken van mijn geest interesseren mij, vermoedelijk net zoals reizigers geïnteresseerd zijn in verre landen. […] geest zie ik als ruimte. Al lang geleden heb ik de populaire theorieën over de geest verworpen die in de twintigste eeuw naar voren zijn gebracht. Voor mij betekent de geest uitgestrektheid en, mogelijk ook, oneindigheid, in de betekenis van “zonder einde”.’ 

    Een jonge filmer, de ik-verteller, wil een film maken over het binnenland van Australië, de vlakte en zijn bewoners. Deze plainsmen zijn kunstenaars, schrijvers, musici en aristocratische grootgrondbezitters met landhuizen en grote bibliotheken vol boeken met de vlakte als onderwerp. De filmer neemt zijn intrek in een hotel in een provinciestadje en wacht tot de plainsmen samenkomen in het weekend voor hun drinkgelag. Dagen- en nachtenlang wordt er gediscussieerd en gefilosofeerd onder het genot van veel drank. De filmer maakt aantekeningen en becommentarieert deze scènes. ‘Iedereen die vanaf zijn jeugd was omringd door een overvloed aan vlak land moest wel afwisselend dromen van het verkennen van twee landschappen – een ervan voortdurend onzichtbaar, zelfs als je er dagelijks in rondtrok.’

    Kleuren

    De plainsmen onderzoeken hun herinneringen, hun culturele bagage en hun afkomst en vergelijken die met de schilderkunst en gedetailleerde natuurbeschrijvingen van de vlakte: van grassprieten tot verre einders, de kleuren van het licht en de vormen van de wolken. Er worden heel veel kleuren beschreven, blauw, groen, goud en de blanke huid van een vrouwenhals. Dankzij die kleuren komen de beelden tot leven. Ze hebben de omslagontwerper van het boek doen denken aan de schilderijen van Mark Rothko.
    In het plotloze verhaal gebeurt weinig tot niets, de meeste tijd gaat voorbij met wachten. ‘Het leven bestaat uit wachten en dat is gelijk aan de leegte van de vlakte.’ Een leegte tegelijkertijd vol van gedachten over tijd, beschouwingen over het landschap die vertaald kunnen worden naar de reikwijdte van de geest en vragen over het zijn in toen, hier en nu.

    Niets wordt echter specifiek benoemd, de filmer en de plainsmen hebben geen naam, waardoor een zekere afstand tot de lezer is geschapen en tegelijkertijd ben je aanwezig, daar in die bar van dat hotel of op de loggia van het landhuis terwijl de ogen zijn gericht op de vlakte bij avondlicht. Want tijdens de zonovergoten, zinderend hete dagen zit men binnen, de zonwering gesloten, de neus in de boeken. ‘Ik probeer een vlakte te scheppen waar alleen dat bestaat wat kunstenaars beweren gezien te hebben. En als ik die landschappen heb samengevoegd tot één grote geschilderde vlakte, dan loop ik op een morgen naar buiten en ga op zoek naar een nieuw land. Dan ga ik zoeken naar de plekken die net achter de geschilderde horizonten liggen, de plekken waarvan de schilders alleen maar wisten dat ze te suggereren waren,’ schrijft de filmer.

    Alleen film toont verrre horizonten

    Hij solliciteert naar een aanstelling bij een van de plainsmen om bij hem thuis in zijn bibliotheek de vlakte verder te bestuderen en houdt, na lang naar de verschillende mannen geluisterd te hebben, een betoog met de motivatie voor zijn film. ‘Daarop wendde ik me tot de zevende van de grote landeigenaren en verklaarde dat van alle kunstvormen alleen film de verre horizonten van dromen kon laten zien als een bewoonbaar land en tegelijkertijd vertrouwde landschappen kon herscheppen als een vaag decor dat alleen in dromen thuishoorde.’
    Tijdens het schrijven van zijn filmscenario verliest hij zich in zijn aantekeningen en vraagt hij zich af of hij niet beter schrijver kan worden. Hij zit dagen in de bibliotheek van de landeigenaar met zijn rug naar de ramen waarachter de vlakte ligt. De vrouw van de heer des huizes zit in dezelfde ruimte in haar eigen hoek. Tot een uitwisseling komt het nooit en ze lijkt zelfs blind voor de reden van zijn aanwezigheid in het huis. 

    Andermans geest is niet te doorgronden

    Tegen het einde van het boek zijn we twintig jaar verder. De filmer voelt zich onbegrepen door de landeigenaar en zijn gezin en dat is wederzijds: ‘En in die stervende middagen waarin het landschap vaker aangewezen leek dan geobserveerd, telkens als de camera in mijn handen het beeld bij me opriep van een jonge vrouw’ is het de vraag of hij na al die jaren op de vlakte de plainsmen heeft weten te doorgronden. Nee, andermans geest is nooit ten volle te doorgronden. 

    Murnane heeft nooit gereisd, hij heeft geen computer en typt met één vinger omdat hij dan het tempo van zijn denken volgt, schrijft Wim Boevink in een verhelderend voorwoord. Overigens werpen de brieven aan het eind van het boek ook een mooi licht op het leven van een uitzonderlijk en ondanks zijn grote productie onbekend schrijver, die wel wordt vergeleken met Kafka, Borges, Calvino en Beckett. 

    Zoeken naar herkenningstekens

    Zodra je je niet meer verzet tegen het onbegrip, maar je laat meeslepen door de taal, de woordkeuze en de rangschikking van de woorden in een zin, – ‘ieder mens is in zijn hart een reiziger in een onbegrensd landschap, maar zelfs de plainsmen (die geleerd moesten  hebben verre einders niet te vrezen) zochten naar herkenningstekens en wegwijzers in dit verontrustende domein van de geest.’ – zie je de wonderlijke poëzie van Murnanes gecomponeerde zinnen en wordt het lezen van De vlakte een genot. 

     

  • Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen

    Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen

    Judith Fanto heeft de Hebban Debuutprijs 2020 ontvangen voor  haar historische roman Viktor (Ambo|Anthos). In het boek gaat hoofdpersoon Geertje op zoek naar de waarheid rond Viktor Rosenbaum, de raadselachtige broer van haar grootvader.

    De roman is gebaseerd op de lotgevallen van de Weens-Joodse familie van Judith Fanto. In het boek gaat hoofdpersoon Geertje op zoek naar de waarheid rond Viktor Rosenbaum, de raadselachtige broer van haar grootvader. Het personage Viktor heeft echt bestaan.

    Op Literair Nederland schreef recensent Marjet Maks over Viktor, ‘In haar onderzoek naar het familiegeheim haalt Judith de onderste steen boven en doet ze een aantal schokkende ontdekkingen over Viktors ware aard. Hij blijkt een soort Scarlet Pimpernel te zijn, een vermomde superheld. Fanto maakt slim gebruikt van de verhaallijn van deze klassiek geworden avonturenroman van de Engelse schrijfster Barones Orczy. Al dan niet feitelijk gebeurd, ze werkt het thema geloofwaardig uit.’
    Lees hier de hele recensie.

    Judith Fanto ontving de award uit handen van juryvoorzitter Gerben de Bruijn en Hebban-hoofdredacteur Sander Verheijen. De prijs werd voor de vijfde keer uitgereikt. Vorig jaar won Thomas Rueb met ‘Laura H.’.

    Een lezersjury van ruim honderd lezers bepaalde de shortlist voor de Hebban Debuutprijs 2020.
    Overige genomineerden waren, Draaidagen van Bianca Boer, Niemand zoals hij van Lucia van den Brink, Confettiregen van Splinter Chabot, Lichter dan ik van Dido Michielsen.

    De Hebban Debuutprijs is de enige juryprijs van Nederland en Vlaanderen met een grote invloed van lezers en richt zich op Nederlandstalige literaire fictie, literaire non-fictie, spanning, feelgood en young adult.

     

     

  • Zelfspot in menselijk onvermogen

    Zelfspot in menselijk onvermogen

    De Noorse schrijfster Kjersti A. Skomsvold heeft in haar debuutroman Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik ben de juiste balans gevonden tussen zwarte humor en grote thema’s als dood en eenzaamheid. Na een luchtig begin sluipt gaandeweg de beklemming het verhaal binnen. Weliswaar tragikomisch, absurdistisch en met een hoop zelfspot van hoofdpersonage Mathea, de impact is des te schrijnender. 

    Mathea Martinsen woont sinds kort alleen en gaat al haar hele leven andere mensen uit de weg. Ze is een oude vrouw die flirt met de dood. Ze wil graag dat het einde komt, maar weet niet hoe en wanneer en ze is er bang voor. Ze leest overlijdensadvertenties van anderen alsof ze haar eigen doodsbericht leest, ze stelt daar zelfs haar eigen tekst voor op, en hoopt dat de sirene van de ambulance die ze in de verte hoort voor haar is. Mathea heeft niets meer om voor te leven en de gedachte dat niemand van haar bestaan geweten heeft, is een schrikbeeld. Ze vult haar dagen met de krant, breit oorwarmers en kijkt op televisie naar haar favoriete anchorman Einar Lunde. Soms moet ze eropuit om een boodschap te doen en dat is een opgave. Mathea is mensenschuw en lijdt aan een vorm van autisme of sociale fobie, maar haar gedachtewereld met verfrissende zelfspot is des te rijker. 

    Monoloog

    Skomsvold schakelt naadloos tussen heden en verleden tijdens de vloeiende monoloog waarin Mathea haar leven aan zich voorbij laat gaan in flashbacks die in de tegenwoordige tijd geschreven zijn. Epsilon, de man met wie Mathea al sinds jaar en dag getrouwd is, zit vlak voor zijn pensioen. We leren de man kennen via haar gedachten en gesprekken met hem en komen te weten dat hun relatie liefdevol en speels is, tot op zekere hoogte. Epsilon is een nerd, werkzaam op het Statistisch Centraalbureau en het soort man dat de hele dag kansberekeningen maakt. In hun relatie zijn ze verbonden door wederzijds begrip, de regels zijn rigide, de liefde heeft iets aandoenlijks maar is ook eenzaam. De manier waarop Epsilon Mathea aan de hand van een venndiagram, drie cirkels, laat weten dat hij een affaire heeft, is voor hem de enige manier om met haar te communiceren. Mooi maar ook koud en berekenend en Mathea’s zelfontkenning als reactie is pijnlijk ontroerend.

    Herinneringen aan Mathea’s jeugd met het buurmeisje zijn al even hilarisch als navrant: ‘Ze was twee jaar ouder dan ik en moest altijd de dominee zijn, ik was het lijk. Af en toe was er ook een begrafenisstoet bij, maar alleen zij kon dat zien. Misschien kwam het door haar brillenglazen type jampotbodem dat zij beter zag dan wie ook.’ Met nonchalante vanzelfsprekendheid refereert ze aan het moment dat ze Epsilon, de liefde van haar leven, leert kennen. ‘”Kijk omlaag,” zei ik toen hij bij me was. Ik was benieuwd toen hij zijn blik liet zakken en mijn sjaal zag, die een hart op het ijs vormde. In het hart lagen mijn natte wanten en sokken, in de vorm van de letter N. Maar dan niet de N van negen want zoveel levens had ik niet en het was nu of nooit. “Je naam is langer dan ik dacht,” zei ik en ik stierf van de kou aan mijn tenen.’

    Meringues voor de hond

    Een aantal scènes en attributen lopen als een rode draad door het verhaal. Het kistje met herinneringen dat Mathea begraaft op het veld voor haar raam. Of het zakje met tanden dat ze wegnam tijdens een schoonmaakdienst die ze maar één dag heeft volgehouden. De potten aardbeienjam die ze in de supermarkt koopt, ze krijgt ze alleen niet open en durft niemand om hulp te vragen. De meringues die ze graag voor de hond Stijn bakt, een handvol lucht, wat hem uiteindelijk fataal wordt. Dat de hond een duidelijke rol in Mathea’s kinderloze bestaan speelt, wordt tragisch duidelijk op de laatste bladzijde.

    Uiteindelijk is dit ook een verhaal van spijt. Spijt van dingen die ze heeft nagelaten, blijkt uit de behoefte om gezien te worden door de anchorman op de televisie, de man in de telefooncentrale, de buurjongen June die haar oogbol door het gaatje in de deur ziet, Leif de nieuwe huismeester, of Åge B., een zonderling die haar op weg naar de supermarkt om de tijd vraagt. Haar tweestrijd tussen de angst om aangesproken te worden en de angst dat ze zal sterven zonder enige betekenis in deze wereld gehad te hebben is intens tragisch.

    Luchtige zwarte humor

    Haar behoefte om contact te maken en gezien te worden neemt grote vormen aan, maar ze kan het niet, ze is als de dood voor iedere confrontatie. Hilarisch en een schrijnende duiding van haar eenzaamheid is de ontdekking dat ze met naam en toenaam in het telefoonboek staat en zich afvraagt waarom ze nooit gebeld wordt. Ze gaat zichzelf opbellen en hoort dat ze in gesprek is. ‘Goddank is het bezet. Ik ben een enorm bezet persoon, als er een in tijdnood zit ben ik het wel.’ 

    Dat de schrijfster zwarte humor op dergelijke lichte en luchtige toon brengt, die vaak een glimlach en soms een hartelijke lach ontlokt, is ongekend knap. Het wordt nergens sentimenteel, er wordt niets zachtaardig bedekt met de mantel der liefde en hoewel de emotie soms achterwege blijft gaat je hart uit naar Mathea, haar eenzaamheid, onvermogen en betekenisloze leven. En na het boek dichtgeslagen te hebben blijft rondzoemen dat het ons allemaal zo zal vergaan: vergeten worden en onze spullen die samen met onze herinneringen worden weggegooid. 

    Hoe harder ik loop, hoe kleiner ik ben werd – terecht – in 27 talen vertaald en dankzij Zirimiri Press, een uitgever die zich richt op literatuur uit kleinere en zelden vertaalde talen, op de Nederlandse literaire kaart gezet.

     

     

  • Sprookjesachtig verhaal over Wolgaduitsers

    Sprookjesachtig verhaal over Wolgaduitsers

    ‘De Wolga deelde de wereld in tweeën.’ Dit is de openingszin van Wolgakinderen, de opvolger van Guzel Jachina’s debuut Zulajka opent haar ogen. Een korte en krachtige zin, die de stemming van het boek haast bloot geeft. In de zin erna worden het vlakke, open steppenlandschap aan de linkeroever van de Wolga beschreven en de hoge bergen met steile, ruige kliffen en bossen van de rechteroever. Een landschap vol contrasten, zoals de mens is, zoals de wereld is.

    Wolgakinderen speelt zich af tussen 1916 en 1938 tegen de achtergrond van de Russische revolutie, Stalins Sovjet-Unie en de opkomst van Hitler. De geschiedenis treedt nergens op de voorgrond, maar is voelbaar aanwezig in de mensen die steeds grauwer worden ‘als muizen en vissen’. We volgen het leven in Gnadenthal, een Duitse kolonie bewoond door de zogenaamde Wolgaduitsers. Deze trokken ten tijde van Catharina de Grote naar Rusland en settelden zich in kolonies langs de Wolga waar ze hun gründliche Duitse leven voortzetten, zonder een woord Russisch te spreken. Door de Sovjetrepubliek werden ze “gebruikt” om Duitsland de positieve kant van het communisme te laten zien. 

    Sprookje

    Hoofdpersonage Jacob Bach is een zonderlinge, zwijgzame man van een jaar of dertig, geboren en getogen in Gnadenthal. Hij is schoolmeester, vooral geïnteresseerd in Duitse poëzie, heeft weinig met kinderen en voert zijn dagelijkse taken rigide uit. Totdat hij wordt ontboden bij Udo Grimm, een rijke boer die met zijn dochter en Kirgizische bedienden aan de overkant van de Wolga woont, achter de steile, onherbergzame klif. Hij geeft Bach de opdracht om zijn tienerdochter Klara te onderwijzen. Zij zit achter een kamerscherm want hij mag haar niet zien om niet verleid te worden. Klara spreekt een brabbelig dialect. Als haar stem zich steeds meer ontwikkelt en Bach haar opdraagt om hem voor te lezen, kan hij daar geen genoeg van krijgen. Ze leest zelfverzonnen sprookjes voor en ondertussen groeit er een gemeenschappelijke liefde voor de gedichten van Goethe.

    Als Udo Grimm met zijn hele hebben en houwen de boerderij verlaat om in Duitsland een man voor Klara te zoeken, ontvlucht ze haar vader en staat op een nacht op de stoep van Bach. Hij wil haar beschermen en met haar trouwen, maar dat is niet mogelijk in Gnadenthal. De bekrompen en (bij)gelovige dorpsgenoten denken dat ze een heks of zijn dochter is. Bach en Klara vluchten samen, terug naar de boerderij van Grimm waar hun sprookje kan beginnen, ware het niet dat de verschrikkingen in de buitenwereld hen alle geluk zullen ontnemen. 

    Kolchoz

    Dagelijks staat Bach op de klif en kijkt het dal in waar hij de revolutie van 1917 en de burgeroorlog voorbij ziet komen zonder precies te begrijpen wat er gaande is. Hij wijdt zijn leven aan Klara en is gelukkig. Maar Klara wordt niet zwanger en steeds ongelukkiger. Tot ze zwanger raakt na een verkrachting door langstrekkende rovers, waarna Bach zijn spraakvermogen verliest. Klara sterft negen maanden later in het kraambed. Bach zit wekenlang naast haar lichaam in de ijskelder, het kind vergetend. Tot hij beseft dat het moet eten. Hij gaat naar Gnadenthal om een geit te melken en wordt gesnapt. 

    Gnadenthal is een kolchoz geworden onder leiding van partijactivist Hoffmann. Hij predikt het communisme en de brave Gnadenthalers volgen vooralsnog zijn wil en wet. Hoffmann ontdekt dat Bach niet praat maar wel schrijft en ziet daarin ongekende mogelijkheden ten faveure van zichzelf. In ruil voor melk laat hij Bach schrijven over de Gnadenthalers en hun gewoonten, zodat hij dit volkje beter leert begrijpen. Hij bewerkt deze verhalen en stuurt ze naar de lokale krant. Als blijkt dat er voorspellende elementen in Bachs verhalen zitten die steeds vaker uitkomen, stopt Bach met schrijven. Hij wil niets met het communisme te maken hebben en trekt zich terug op de boerderij met Klara’s kind dat hij Antje heeft genoemd. 

    Stalin

    Het verhaal wordt grimmiger en breder getrokken als Stalin een bezoek aan Gnadenthal brengt. De man wordt aangeduid met Hij en later met De Leider. Hij ergert zich aan de propere Duitsers en ziet alles en iedereen om zich heen als nietig en onbetekenend. Zelfs de eerste tractor die in deze streek werd gebouwd, de trots van de kolchoz, vindt hij niks. Het bezoek van Stalin kan gezien worden als een grote metafoor voor het Sovjetregime.

    De verschrikkingen die het Rode Leger achterliet uiten zich vooral in de verandering van de mensen, die Bach vanaf zijn klif ziet of als hij Gnadenthal bezoekt. ‘Wat een oudemensengezichten waren het die Bach vanuit de vensterholen aanstaarden – waren dat de mensen die hij kende, of waren het hun vaders of grootvaders? Hij had voortdurend het gevoel dat die zeven jaar de mensen in de kolonie vele malen ouder waren geworden dan hijzelf; […] Wie keek daar naar hem uit het raam: de kunstschilder Anton Fromm, wiens gerimpelde gezicht met bolle lippen en naar voren stekende gebit definitief veranderd was in het smoeltje van een grondeekhoorn, […] en wie keek daar uit een derde raam? Emmy Meloen die al haar lichaamsvet was kwijtgeraakt en zo vermagerd was dat er alleen wat slappe blauwe kringen onder haar ogen waren overgebleven, […]’

    De Wolga

    Jachina heeft een rijke, beeldende stijl met veel metaforen waardoor je vaak het gevoel hebt een bont en kleurrijk sprookje te lezen. Ze put zich uit in natuurbeschrijvingen. ‘Hij kende de weg. De kardinaalsmutsen hadden als egels hun stekels opgezet. Gedrongen eiken omhelsden zichzelf, hadden hun takken om hun eigen stam geslagen. Hier en daar zaten er in de stammen zwarte gaten die gaapten als opengesperde monden, waaruit af en toe watervlugge schaduwen schoten: eekhoorns of marters of nog iets anders…’ En natuurlijk speelt de levensader van het boek, de Wolga, een grote rol. 

    Bach is aanvankelijk een bange en zwakke man, met weinig enerverende gedachten. Maar zijn liefde voor Klara neemt zulke vormen aan dat hij tot leven komt en een enorme intensiteit en kracht ontplooit. Waar Jachina haar personages rijk en breedsprakig beschrijft, krijgt Klara nauwelijks een gezicht. Jachina laat Bach haar ‘prachtig’ vinden, alsof hij geen andere woorden voor zijn diepe gevoelens voor haar kent. Later gaat zijn liefde op Antje over, het kind dat hij tracht te beschermen tegen het kwaad. Voor Antje heeft hij juist wel veel rijke beschrijvingen, wat iets zegt over de ontwikkeling van Bachs gevoelsleven. 

    Uiteindelijk raakt Bach bevrijd van zijn angsten; de angst Antje niet te kunnen beschermen, angst voor het communisme, angst dat alles voor niets was. ‘Waar waren ze bang voor? Wat voor onrust veranderde de mensen in vissen en muizen? Bach deed geen moeite om het antwoord te vinden, het enige wat hij wist was dat hij zelf niet was besmet door deze epidemie: Hij liep rustig door andermans angsten heen, alsof hij door ondiep water waadde zonder zelf nat te worden.’

    In deze prettig lezende vertaling van Arthur Langeveld toont de schrijfster van Tataarse origine met dit epische, sprookjesachtige, zeer gelaagde verhaal aan de hand van historische feiten, de tragiek van de Wolgaduitsers.