• Morbide schoonheid

    Morbide schoonheid

    Mijn mannen is een literaire interpretatie van een gruwelijk, waargebeurd verhaal. De
    Noorse schrijfster Victoria Kielland, een van de meest originele stemmen van haar generatie volgens uitgeverij Oevers, verplaatst zich in de psyche van Brynhild, oftewel Belle Gunness. Ze was een Noors dienstmeisje uit de tweede helft van de negentiende eeuw en begin vorige eeuw dat naar Amerika emigreerde en bekend werd als de eerste vrouwelijke seriemoordenaar.

    De jonge Brynhild heeft seks met de zoon van haar werkgever. Het is pure verkrachting, maar zij ervaart dit als het hoogste genot en echte liefde. Haar begeerte wordt aangewakkerd en verdwijnt ook nooit meer. ‘Brynhild had zich razendsnel uitgekleed, 17 jaar zo heerlijk en zo zacht, zo klaar voor deze wereld, ze was er al klaar voor geweest vanaf het moment dat ze hem zag, toen ze schrijlings op hem was gaan zitten: ”Ik weet dat je me wil.”’

    Seksverslaving in metaforen verpakt

    Brynhild is gevoelig, ze snakt naar aanraking en nabijheid en verlangt hevig naar seks, wat voelt als de nabijheid van God, of ze voelt zichzelf als God. Haar genotsgevoelens worden in een stream of consciousness uitgestald in beeldende, fysieke taal. ‘Zijn oneindig warme lijf. Iedere nacht werd ze met haar hoofd in het kussen gedrukt. Haar mond stond open tot het overstroomde en ze moest slikken. Spiertrekkingen joegen door haar heen als nachtzwarte bevingen door de ruimte.’ Haar liefde voor de man die haar verkracht en misbruikt en uiteindelijk een geestelijke afgrond induwt gaat ver. Als hij haar zowel lichamelijk als geestelijk diep kwetst, gloren de eerste wraakgevoelens in haar onderbewustzijn. Wanneer ze haar leven in Noorwegen niet meer overziet emigreert ze naar Noord-Amerika, waar haar zuster woont met man en kinderen. In Amerika laat ze zich eerst Bella en later Belle noemen.

    Er komen prachtige beelden met veel oog voor detail voor in dit boek, zoals: ‘… langs de horizon stond een zwak briesje, het licht gleed als een zwaar ooglid over de rand.’ Of ‘… ze hoorde geen enkel geluid, ze zag alleen het uitgestrekte, stille wateroppervlak in de verte. Het was mooier dan vroeger, dat stond vast, en ’s avonds kwamen de waterlelies tevoorschijn schommelend op het kabbelende water, ze dwaalden als stralende lantaarntjes door de avondschemer, gleden haar kant op, …’ De zinnen bevatten veel bijzinnen, er is veel herhaling, wat enerzijds zorgt voor een sterk ritme maar soms stoort, zoals haar namen Brynhild en Bella die in vrijwel iedere zin worden herhaald. Of haar diepe gelovigheid, verwijzingen naar God en haar zware innerlijke gevoelens maken het verhaal soms haast pathetisch.

    Bella

    ‘Brynhild was Bella geworden, ze was nu een andere persoon, maar alles wat haar gegeven was, kon haar ook weer worden afgenomen, en de romantiek en het mooie licht boven Lake Michigan waren verschrikkelijk, ze moest er bijna van kotsen. […] Dus hoe de lucht hing, roze boven het water, Michigan bespotte haar met zijn kleine stekende insectengeluiden. De dingen in de buitenwereld vonden geen enkele weerklank in haar, niet in haar lichaam niet in haar hersens en al helemaal niet in haar hart.’

    Via haar zus Nellie krijgt ze een baantje bij een naaiatelier en ze heeft de zorg voor Nellies kinderen, wat ze tamelijk achteloos doet. Ze probeert contact met ze te maken, wat vaker niet dan wel lukt. Ze laat dochtertje Olga alle bloemen uit de tuin plukken tot een groot boeket voor Nellie. Bella ziet het als een gebaar van liefde, maar Nellie begrijpt het niet, zij ziet alleen haar vertrapte tuin. Bella sluit steeds minder aan op haar omgeving, ze spreekt de taal niet, ze is eenzaam, voelt afstand en afwijzing en verdrinkt in haar liefde voor God. En zoals het citaat van Simone Weil aan het begin van het boek zegt: ‘De liefde streeft naar steeds verder. Maar er bestaat een grens. Wanneer die grens overschreden is, verandert liefde in haat. Om deze omkering te vermijden, moet de liefde anders worden.’

    Beter leven

    Dan komt Mad Sørensen in haar leven, ze trouwen en gaan naar Austin, Illinois. Hun huis brandt af en van het verzekeringsgeld kopen ze elders een nieuw huis. Ze willen een goed en Goddelijk leven leiden en besluiten kinderen te adopteren. ‘Dus Mads en Bella hadden hun armen geopend, ze ontvingen het en tilde het in het licht en kusten het, het pasgeborene dat huid en haar had en dat nog maar het begin van alles was, ouderloze kindjes die niemand wilde hebben. Dat was Gods glorie.’ Maar Mads gaat dood en Bella staat er weer alleen voor. Dat zijn dood niet natuurlijk was lezen we tussen de regels door en zo wordt de beklemming over wat komen gaat sterk opgebouwd en uiteindelijk bewaard voor de laatste paar bladzijden.

    Bella ruilt haar huis in Illinois met een boerderij in La Porte en vertrekt met de kinderen om daar een varkensboerderij te beginnen, met hulp van knecht Ray Lamphere. In 1893 gaat ze naar de wereldtentoonstelling in Chicago waar ze de getrouwde Noor Peder Gunness ontmoet. ‘Bella’s hart opende zich, beschadigd en eenzaam, in vrije val.’ Ze lijkt weer gelukkig, ze trouwen, ze laat zich voortaan Belle noemen en ze krijgt zelfs een zoon met hem. ‘Peder zag het bloedige landschap dat zich over haar polsen uitstrekte, de dunne blauwe riviertjes, haar gezicht sprak boekdelen, alles wat er door haar heen sloeg, in grote, zware golven.[…] Peder dreef het verlangen tot het uiterste en toen hij tenslotte bij haar kinderlijke mondje kwam wilde hij zich alleen nog maar in haar verdrinken, haar met zich meetrekken, haar zien loslaten, slikken en in de duisternis wegzakken.’ En ook Peder vindt de dood.

    Huwelijkskandidaten

    Weer alleen grijpt de eenzaamheid haar aan en begint ze iets duisters met de knecht. Vervolgens zet ze advertenties waarin ze op zoek gaat naar een huwelijkskandidaat die mede haar hypotheek wil aflossen. Er komen talloze argeloze mannen op af met medeneming van geld, paarden, bontmantels en horloges. ‘Belle sloeg haar handen voor haar gezicht, er schuurde weer iets helemaal open, een goudkleurig, glinsterend vlies, ze voelde het diep in haar ziel, het gretige grommen in haar borst.’ De ene na de andere man vindt de dood. Uiteindelijk brandt ook deze boerderij af en wordt er een opzienbarende vondst op het erf gedaan. Van Belle ontbreekt ieder spoor.

    Belle’s gevoeligheid, eenzaamheid, onvermogen, sociopathisch gedrag en niet aangesloten zijn op haar omgeving wordt pijnlijk goed beschreven vanuit haar perspectief. Dat we de andere personages alleen vanuit Belle’s perceptie zien, is als totaalbeeld wat kaal en eenzijdig en roept vragen op. Het zou bijvoorbeeld interessant zijn om te zien hoe de andere personages haar zien. Toch is Mijn mannen dankzij Kiellands taal een literair juweeltje.

     

     

  • Zoektocht naar herinneringen

    Zoektocht naar herinneringen

    Judith Herzberg wordt dit jaar 90 jaar. Voor haar werd het tijd om aandacht aan Jo te besteden met dit gelijknamig, prachtig uitgegeven boekje. Jo Bakx was het kindermeisje dat kort voor Herzbergs geboorte bij de familie in huis kwam. Voor Judith een zegen, haar oudere broer en zus hadden Jo al minder nodig.

    ‘De allergrootste liefde van mijn hele leven, dat weet ik nu zo langzamerhand wel zeker, was de liefde voor Jo,’ schrijft Judith Herzberg op 25 mei 2020, de dag dat ze begint met haar zoektocht naar herinneringen aan haar kinderjaren in een voor Joden steeds grimmiger wordend Amsterdam. Aanleiding voor dit portret is ook de envelop met ‘fliedertjes’ die Jo bewaard had en later aan Herzberg heeft gegeven. Fliedertjes van kindertekeningen, rekensommetjes en schrijfsels die ieder kind op de lagere school maakt. Herzberg geneert zich er bijna voor, maar ze is ook diep ontroerd. ‘Zou zo’n fliedertje met 2+2=4 een waardevolle voorbode blijken te zijn als zich een Einstein in de dop ontpopt? Je weet maar nooit wat ‘er al in zat,’ aan geniale schilder, componist of uitvinder, toch? Zo dacht Jo niet.’ Maar in Herzbergs geval is het zeker waardevol gebleken. Samen met enkele foto’s, zijn de tekeningetjes afgedrukt in de bundel en gebruikt op de omslag, wat van Jo een teer kleinood en een hebbeboekje maakt.

    Gevaarlijk

    Tijdens het graven naar haar slordige herinneringen, realiseert Herzberg zich dat Jo haar leven vele malen heeft gered, maar ook dat ze nog sterk in haar vertegenwoordigd is, in haar handelingen en gedachten. Jo had inmiddels een nieuwe betrekking, maar bezocht het gezin Herzberg wekelijks in Barneveld waar de familie in De Biezen opgesloten zat. Misschien was dat wel op dinsdag, denkt Herzberg nu, vandaar de titel van het opgenomen gedicht Dinsdag. Na 1943 werden de ouders Abel en Thea naar Westerbork getransporteerd. Jo zorgde ervoor dat Judith vervolgens kon onderduiken op verschillende adressen. Zij dacht aan alles maar het moet hoe dan ook heel gevaarlijk voor haar zijn geweest. Zoals te lezen in Dinsdag, waarin Herzberg letterlijk Jo’s woorden gebruikt. ‘(…) en als er gevraagd werd of dat reizen per trein niet gevaarlijk was, dan weet ik nog wat ik in ‘Dinsdag’ opgeschreven heb. Haar woorden waren: “Gevaarlijk? Welnee, zei je, bombardementen / trotserend / ik zit net zo lief in de laatste coupé / als ze schieten, schieten ze toch op de / locomotief “ Zoiets zou ik, achteraf, nooit verzonnen hebben.’

    Judith Herzberg schrijft haar ‘memoires’, al voelt ze schroom bij dat woord, het moet immers over Jo gaan, maar er komen ontegenzeggelijk ook herinneringen aan andere mensen boven die een belangrijke rol hebben gespeeld, of aan onderduikadressen en benarde situaties. Wiardi Beckman bijvoorbeeld, bij wie Jo ook diende en waar Judith mocht logeren en mevrouw tante Dientje noemde. Of Mien Ruys, ‘de onvolprezen tuinarchitect en gastvrije, vrijgevige reuzin’ bij wie Judiths ouders na de oorlog na hun terugkeer uit Bergen-Belsen in haar appartement aan de Amstel mochten wonen. Mien leende haar garderobe uit aan Thea, die hetzelfde postuur had en geen draad meer aan haar lijf.

    Gemist gesprek

    Nu, zoveel jaren later, vraagt Herzberg zich af wat ze eigenlijk over Jo wist, en waarom had ze niet meer aan haar gevraagd. Er was standsverschil, Jo kwam uit Brabant en zei pieterselie, in plaats van peterselie wat Judiths moeder zei. Er zijn meer voorbeelden van het standsverschil, ook van Jo’s familie in Brabant waar Judith mee naartoe mocht. Maar in Judiths ogen was Jo een heilige.

    De ‘fliedertjes’ houden Herzberg bezig, al kan ze er niet goed naar kijken omdat ze haar zo ontroeren. Ze eindigt haar ‘memoires’ op ‘1 maart 2023 “Ach bewaard, voor geval dat. Zo omvangrijk was het nou ook weer niet. Het was nou ook weer niet zo dat het veel plaats innam in de kast. En wegdoen dat was wel weer het andere uiterste geweest, niet dan.” Zo stel ik me een uitleg voor, die ik nooit van haar gekregen heb, en waar ik ook nooit om gevraagd heb. Het soort gesprek dat ik gemist heb. Nu mis.’

    De laatste jaren mocht Herzberg niet meer op bezoek komen. Ze dacht dat Jo een huidaandoening had en haar om die reden niet meer wilde zien. Dat stemt haar verdrietig en ze neemt het zich ook kwalijk dat ze er niet meer werk van heeft gemaakt.

    Jo is een lieflijke en openhartige herinnering aan het kindermeisje dat ook huishoudelijke taken deed in een Joods gezin in oorlogstijd. Judith Herzberg springt associatief door de tijd, waarmee Jo haast leest als een prozagedicht.

     

     

  • Ode aan de heimwee

    Ode aan de heimwee

    In De Madurese vriend reist schrijver Kees Ruys over de Indonesische archipel met als eindbestemming Pasir Putih, een badplaats op Oost-Java waar hij al vaak was. Het is misschien niet zijn laatste reis, maar wel een betekenisvolle. Hij beschrijft zijn terugkeer in een afscheidsbrief aan Djaman, een Madurees met wie hij veertig jaar bevriend is en met wie hij verstandhouding en vertrouwen heeft opgebouwd, maar die hij nog altijd niet begrijpt en dat is wederzijds. De auteur is melancholiek gestemd, want dit keer zal Djaman hem niet opwachten en tegemoet treden met de woorden dat hij hem al in zijn droom zag naderen.

    De auteur heeft geen haast. Traag, op het ritme van de hete dag in Java, reist hij langs ‘de oude Grote Postweg’. Deze duizend kilometer lange weg werd in 1908 in een jaar aangelegd. ‘Een recordprestatie, die het leven eiste van twaalfduizend Indonesiërs, onder wie honderden koelies (…) waarna opzichters hun hoofden, ook bij Pasir Putih, langs de weg als kerstballen in de bomen hingen.’

    Afscheidsbrief

    Ruys haalt herinneringen op aan voorgaande reizen, waaronder anekdotes over mensen die hij gekend heeft, zoals Yanto, een andere Javaan met wie hij ook veel beleeft heeft. Hij beschrijft de mensen levendig, met veel oog voor detail. Het is een caleidoscoop aan belevenissen die Ruys samen met Djaman en Yanto ervoer, waarover hij nu schrijft in de afscheidsbrief. Een mooie vorm waarin de auteur zelf, de ik, zijn vriend met je aanspreekt. Hij toont zijn kwetsbaarheid en voegt persoonlijke beschouwingen in, hij vraagt dingen aan Djaman, die geen antwoord geeft, maar soms lijkt het een dialoog. De brief is een zoektocht naar wat hun vriendschap inhield.

    Waarom zijn ze altijd zo mild gestemd over de Nederlanders, die toch vreselijke dingen hebben aangericht. De auteur vindt het vreemd dat hij zelden negatieve sentimenten over Nederlanders opgevangen heeft. ‘Jullie herinneringen aan mijn landgenoten zijn niet alleen verser dan die aan de Japanners, maar in veel opzichten ook onthutsender (…) Is het een vorm van praktisch denken: toen is toen? De superioriteit van de uiteindelijke overwinnaar?’

    Dat Djaman ziek is, wordt al snel duidelijk, en is reden tot zorg. De stief-kleindochter van Djaman houdt Kees Ruys in Nederland met video’s per mobiele telefoon op de hoogte van het voortschrijdend ziekbed. Niets te vrezen, de berichten zijn vooral hoopvol, maar het is voor Ruys wel een reden om deze reis te ondernemen.

    Tussen de persoonlijke mijmeringen komen historische gebeurtenissen in Indonesië aan bod. Het Nederlands kolonialisme, zij het in mondjesmaat, maar ook de islam. ‘Van oudsher is de Indonesische islam een milde variant op de Arabische, verweven als hij is met invloeden uit het boeddhisme en het hindoeïsme, met gewoonten en gebruiken en met animistisch (bij)geloof. (…) Er waren er maar weinig die vijf keer per dag tot Allah baden. Jij vormde op dit beeld geen uitzondering. Gelukkig niet.’ Schrijft Ruys aan Djaman.

    Sinds de jaren zeventig reisde de auteur met grote regelmaat door Indonesië en vooral de laatste twintig jaar, sinds 9/11, zag hij de tolerante, humorvolle samenleving radicaal veranderen. Hoewel ze het zelden over politiek hadden, weet Ruys dat Djaman het met hem eens was, maar dat kon zijn vriend steeds minder in het openbaar zeggen. ‘Maar toch ben jij, juist jij, een van de redenen waarom ik vasthoud aan mijn overtuiging dat de wereld iets kan leren van de buigend-bamboe-houding van de Indonesiër…’

    Ware Vriendschap

    De lezer leert Djaman en Yanto en vele andere vrienden, hun vrouwen en kinderen kennen. Er zijn talloze verwikkelingen en vetes, en herinneringen aan een verloren, moeizame liefde. Ruys reisde verschillende keren samen met de mannen en kwam zo dichterbij hun rituelen, angsten en (bij)geloof. Hij ging heel ver om zich gelijkwaardig te kunnen voelen aan Djaman en zijn vrienden Hij deed mee aan séances, en organiseerde bierfeestjes waarna hij zich weer schuldig voelde, want een Javaan zal gratis bier niet afslaan en dus waren ze al snel ladderzat. Schuldgevoel, omdat hij een witte Nederlander was tegen wie zij altijd opzien en zich onderdanig gedragen.

    De auteur idealiseert Indonesië niet, soms is er haast sprake van een haat-liefdeverhouding, de hitte, de regens, de kakkerlakken en muggen, de armoede en de corruptie. Hoewel onder die corruptie en diepe armoede niemand echt lijkt te lijden, er is altijd weer hulp vanuit de gesloten gemeenschap.

    Leunstoelreizen

    Ruys verstaat de gave om zijn lezer mee te nemen op reis. Beelden, geuren, hitte, het zijn innemende, fraaie sfeerbeschrijvingen, nooit te zwaar, maar wel met diepgang. De boeiende Indonesische cultuur spat van de bladzijden. De Madurese vriend is een ode aan een vriendschap, een melancholiek en meeslepend reisverhaal, dat moeilijk weg te leggen is. ‘Als ik aan Pasir Putih denk (…) is het er nog steeds een rommeltje, en onverdraaglijk heet, en gebeurt er zo ontstellend weinig dat je er op doordeweekse dagen evengoed een foto als een video kunt maken.’

    Tegen de achtergrond van hedendaags Indonesië met herinneringen aan weleer meandert de auteur tussen de vele personages en hun levensverhalen en verkeert hij met hen tussen hitte, stof en armoede en probeert hij de kracht van de vriendschap te ontdekken, maar kan die uiteindelijk niet echt in woorden vangen. En misschien hoeft dat ook niet, als het een zuiver gevoel is.

    De Madurese vriend is deel vier in de serie De Randgebieden. Vier boeken over Indonesië die onafhankelijk van elkaar te lezen zijn. Het is een bundeling van sentimenten, hallucinerende ervaringen en prachtige portretten van gewone mensen, maar ook van sferen en impressies van steden en dorpen en belevenissen tijdens Ruys’ tochten.

     

  • Schokkend familiedrama

    Schokkend familiedrama

    In We moeten praten van Jan van Mersbergen lezen we het verhaal van de elfjarige Koen. Hij moet zoals alle leerlingen een spreekbeurt houden in groep zeven, hoewel hij al sinds zijn derde geen woord meer heeft gezegd. De juf is benieuwd waar hij mee komt. Koen is vastbesloten om alles te vertellen en doorbreekt zeven jaar zwijgen. Wat een mooi begin van dit boek is, je zit meteen in het verhaal. ‘Ik ga jullie alles vertellen en dus ook waarom ik zo lang mijn mond heb gehouden. (…) Mijn spreekbeurt is lang. We zullen misschien een paar keer een pauze moeten houden.’
    Koen zit in een klas met kinderen die Omar, Hasan en Amir en Sofia heten. ‘Ik weet heel goed dat jullie zeggen dat ik een sukkel ben of een moron of een freak, maar ik ben wel hier op school om iets te leren, al heb ik meer van opa geleerd. Sorry, juf.’

    Hij woont bij ‘opa’, die niet zijn biologische opa is, maar de buurman met een moestuin. Dat hij geen ouders heeft en dat de buurman zich over hem ontfermt, blijkt al snel. Opa met zijn Brabantse tongval is Koens referentiekader geworden. Van opa leert hij over sterrenstelsels, zoals Cygnus, het sterrenbeeld Zwaan. Koen voegt soms grappige zinsneden van opa aan zijn verhaal toe. Koens vader was fan van de Red Hot Chili Peppers. Hun teksten vertaalt opa naar een Brabantse variant. ‘M’n achterdeur is nie op slot umdakkum openloat, veur ooit.’

    Onvermogen

    We moeten praten is opgebouwd uit drie delen. Koens verhaal met zijn spreekbeurt heet Praten en beslaat bijna honderd bladzijden. Daarna komt Moeten, een monologue intérieur van de vader waarin een trieste man naar voren komt die zijn vrouw en zoon niet kan vertellen wat hem scheelt. ‘Het gras wordt gedroogd. De langste dag. Koen kan praten. Ik ga hem vertellen van zijn ontstaan, van jouw ontstaan en van mijn afstand tot hem. Sorry.’ Onvermogen om je te uiten is een thema dat Van Mersbergen vaker gebruikt in zijn boeken.

    In We komt opa aan het woord. Opa vindt het nodig om zijn verhaal aan de conciërge van de school te vertellen en dat maakt veel duidelijk. ‘Toen de spreekbeurtendag aangebroken was, zei hij tegen Koen dat hij in de buurt zou zijn. Zodat hij zich gesteund voelde, en veilig, of zoals de oude man het zelf noemde, als back-up. Ik ben er.’ Zijn verhaal leidt naar de onvermijdelijke en navrante plottwist toe en voor Koen is het goed dat hij de back-up is.

    Spreekbeurt en levenslessen

    Koens spreekbeurt had wel hele boek mogen beslaan omdat het een prachtig deel is. Hoewel het een kind-perspectief is, ontroert Koen en is hij grappig en wijs. Van zijn vader heeft hij alle moeilijke woorden geleerd, en ‘opa’ is de enige die hem echt begrijpt. De juf en de klasgenoten hangen aan zijn lippen, hij weet ze mooi bij zijn leven te betrekken. Hij heeft van ieder van hen iets kleins gepikt of weggenomen uit ergernis om hun pestgedrag. Dat geeft hij tijdens zijn spreekbeurt terug met een reden en een waarschuwing erbij. Als lezer denk je, dat kind komt er wel, ondanks zijn tegenslagen.

    Koen hangt zijn relaas op aan vier steekwoorden: ‘Mama – opa – zwaan – papa.’ Mama, Helena, is van Griekse komaf, ze verlaat het gezin als Koen drie jaar is en gaat terug naar huis. Haar laatste woorden ‘We moeten praten’, hoort Koen in de telefoon van zijn vader en op dat moment besluit hij nooit meer te praten.

    Zwaan

    Kort daarna zien Koen en zijn vader een aangereden zwaan dood langs de weg liggen. De volgende dagen zit een vrouwtjeszwaan treurend bij die plek. Hoewel Koen niet praat, maakt hij wel contact met de zwaan en lokt hij het dier mee naar huis. Hij krijgt zelfs een sterke band met de vogel, wat een mooie metafoor voor de Griekse moeder is en verwijst naar Leda en de zwaan uit de Griekse mythologie. Want, zo blijkt in het tweede deel, de vader heeft teelbalkanker en vergelijkt zichzelf met Zeus. Hij praat tegen zijn tumor, maar kan zijn vrouw en kind niet over zijn ziekte vertellen. Zijn onvermogen en eenzaamheid en het daaruit voortkomend schuldgevoel zijn de oorzaak van de breuk in het gezin.

    Koen blijft alleen achter. De buurman – opa – redt hem en bouwt aan de sloot een hok voor de zwaan. Goede daden van de buurman. Maar aan de conciërge vertelt hij ook dat hij de herinnering aan de vader al die zeven jaren voor Koen levend heeft willen houden. Wat dan volgt doet de lezer het boek enigszins ontgoocheld, maar ook met afgrijzen dichtslaan.

    We moeten praten is een familiedrama over stilte, eenzaamheid, onvermogen, vooroordelen en het nemen van de verkeerde beslissingen door volwassenen, zodanig dat het kind er de dupe van is. Van Mersbergen, die diverse prijzen won en in meerdere talen vertaald is, schrijft knap, toegankelijk en compact en weet aan het denken te zetten. Toch doet We moeten praten wat geforceerd en vergezocht aan.

     

  • Alle denkbare ellende bij talentvolle jonge schrijfster

    Alle denkbare ellende bij talentvolle jonge schrijfster

    Leila Mottley (2003) was zeventien jaar toen ze Nightcrawling schreef, haar debuut. Behoorlijk indrukwekkend, het boek werd alom geprezen en stond op de longlist van de Booker Prize in 2022. Het juryrapport meldde onder andere: ‘Kwellend en betoverend met een beklemmend beeld van gemarginaliseerde jongeren die de donkerste hoeken van een volwassen wereld verkennen.’ Ook Oprah Winfrey gaf aandacht aan Nightcrawling. Toch zijn dit geen aanbevelingen om er dan maar van uit te gaan dat het boek ook heel goed is. Niet dat het slecht is, maar het is wel enigszins overschat.

    Het verhaal is gebaseerd op een rechtszaak waarin in 2015 het Oakland Police Department werd beschuldigd van seksuele uitbuiting van een tiener, een zaak die vervolgens in de doofpot werd gestopt. Mottley, woonachtig in Oakland in Californië, zelf destijds een tiener, was diep onder de indruk van de zaak. Uit een onderzoek uit 2010 bleek dat seksueel geweld door agenten de op één na meest gerapporteerde vorm van wangedrag door de politie is. Dit, en de rechtszaak uit 2015, werd samen met een paar minder bekende zaken de basis van Nightcrawler.

    Overleven door brutaal te zijn

    Kiara is een zeventienjarig meisje van kleur, ze is mondig en slim. Haar vader, ooit lid van de Black Panther beweging, is dood. Haar moeder doet een poging tot zelfmoord maar wordt op tijd gevonden. Als behalve de vader ook het jongste zusje dood is, gaat de moeder de gevangenis in. Kiara woont dan samen met haar oudere broer Marcus in de flat van haar ouders, maar de huur gaat omhoog en ze hebben geen inkomen. Marcus verliest zich in zijn muziek, hij wil een rapper worden en weet zeker dat hij zal doorbreken, wat Kiara ernstig betwijfelt. ‘Ik zie hem staan achter het glas, met zijn ogen dicht en zijn vleugels gespreid als een sprookjesversie van mijn broer zijn omhelzing. Het zou zomaar kunnen dat Tupac ligt te rillen in zijn graf want mijn broer kan gewoon niet rappen, het lijkt wel of zijn tong in de knoop zit en de enige woorden die ik versta zijn bitch, ho en deze nigga heeft goud en ik zou het liefst tegen hem zeggen dat deze hele kelder weet dat hij nog twee weken na papa’s dood ons toilet onder kotste omdat hij fysiek niet met verdriet om kan gaan.’

    Kiara probeert een baantje te vinden, wat haar niet lukt zonder schooldiploma en ervaring. Ze heeft geleerd dat ze kan overleven door brutaal te zijn, maar dat werkt lang niet altijd. Ten einde raad komt ze in de prostitutie terecht, ze tippelt op straat en zonder pusher neemt ze risico’s. ‘Het verschil tussen de politie en mannen op straat is dat de agenten er graag een spelletje van maken. Ze slaan niet meteen aan het neuken, maar kijken eerst kwijlend naar me en bedenken hoe ze me precies zo bang kunnen maken dat mijn angst me opslokt en er alleen een lijf overblijft waar ze lekker overheen kunnen gaan, handen die ze vast kunnen binden achter mijn hoofd en angstzweet dat ze op kunnen likken.’

    Kiara doet het puur om het geld. Maar soms betalen ze haar niet eens of ze geven te weinig, want de zogenaamde bescherming van de politie is volgens hen ook betaling. Ze laat zich meenemen naar een louche hotel waar politiemannen samenkomen en ze haar inzetten als hoofdprijs van pokerspelletjes. ‘Ze hebben net twee potjes gepokerd en de winnaars mochten naast mij zitten. Nu zijn ze aan het blackjacken terwijl agent 220 zijn hand richting mijn onderbroek laat kruipen; 81 houdt hem dichter bij mijn knie dan mijn kruis en kijkt bewust de andere kant op. Ik heb nog nooit zo graag iets willen terugdraaien als nu. Ik had nee moeten zeggen toen de politieman uit de steeg mijn nummer vroeg, toen hij vroeg of hij het door mocht geven aan een paar maten van hem, toen die maten me vroegen om in te stappen, toen ik dat deed.’

    Het wordt allemaal plastisch beschreven en wat Kiara overkomt is erger dan een gezond denkend mens voor mogelijk houdt. Ze was acht jaar toen ze getuige was van de bevalling van buurjongetje Trevor. Zijn moeder is zwaar aan de crack en alle vrouwen uit de flat willen weten hoe ze het kind aflevert: ‘…en toen zag de hele meute de haartjes, het piepkleine koppie dat zich uit haar wurmde en haar binnenstebuiten keerde… En met zijn allen zagen we hoe het kindje uit zijn moeder kwam gedreven, met meer bloed dan haar op zijn hoofdje…’

    Rauw en poëtisch

    Prostitutie en smerige agenten, dood, moord en drugs, armoede en honger, het komt allemaal voorbij en Kiara raakt erdoor gepokt en gemazeld. Als Trevor, dan negen jaar, door zijn aan drugs verslaafde moeder in de steek wordt gelaten, neemt Kiara de zorg voor hem op zich. Het zijn de lichtpuntjes in het verhaal, samen met Trevor kan ze nog een beetje kind zijn, en het zijn deze scènes die haar goede hart tonen. ‘Trevors koppie vanochtend deed het hem – zijn blik trok me uit de put waar mama me in had gegooid. Ik heb een lijf en een familie die me nodig heeft, dus ik heb me erbij neergelegd dat dit de enige manier is om ons overeind te houden, daarom sta ik weer op de blauwe straat.’

    Als een agent zelfmoord pleegt en Kiara’s naam in zijn afscheidsbrief noemt, komt het tot een rechtszaak. Kiara moet getuigen en ze krijgt een advocate toegewezen. Deze Marsha is een blanke vrouw op naaldhakken, in mantelpakjes en met een mooie auto. Kiara mag haar niet echt, hun werelden verschillen dag en nacht, maar ze is van haar afhankelijk. ‘”Ja, waarom doe je dat eigenlijk?” Ik heb Marsha nog nooit met zoveel woorden gevraagd waarom ze haar halve leven voor mij en mijn zaak opoffert, terwijl de mensen in de rij staan om bakken geld voor haar neer te leggen. “Gerechtigheid, hè?” Ze lacht erom, maar ik hoor aan haar stem dat het niet de echte reden is. Bovendien geeft Marsha volgens mij geen fuck om gerechtigheid.’

    Het einde van Nightcrawler is zwak, het verhaal zakt weg in mooischrijverij en diepzinnige overpeinzingen die nergens heengaan. De rechtszaak, die toch een groot deel van het boek beslaat, biedt geen uitsluitsel en vervolgens blijft de toekomst van Kiara onzeker, behalve dat haar vriendin Alé haar redt van de eenzaamheid en Trevor, die van haar was afgenomen door de kinderbescherming, even terugkomt om zijn bal te halen.

    Belangrijke stem

    Mottley geeft met dit boek een stem aan zwarte meisjes en vrouwen, transgenders en jongens die slachtoffer zijn van geweld en intimidatie. Het is een urgent en belangrijk verhaal over armoede, racisme, politiegeweld, sekswerk, vriendschap en eenzaamheid. Haar schrijven getuigt van veel talent en is soms poëtisch, soms diep doorvoelt, maar soms ook leest het als een oefening creatief schrijven voor studenten. Het is nogal beschrijvend, er worden heel veel metaforen gebuikt, de spanningsboog zakt regelmatig in en er komen te veel thema’s aan bod, waardoor het verhaal de focus hier en daar verliest.

    In het nawoord zegt Mottley dat Kiara op pure fictie berust en haar omgeving non-fictief is. Het dwingt bewondering af dat Mottley zich zo goed in haar protagoniste heeft ingeleefd, maar het is ook dubbel, want de opeenstapeling van ellende die Kiara is overkomen lijkt ineens iets teveel van het slechte.

     

  • Liefde voor ingekleurde non-fictie

    Liefde voor ingekleurde non-fictie

     

    Marjet Maks, schrijfster en recensent bij Literair Nederland en Jong Literair Nederland, vertrok in 2000 met haar partner vanuit Nederland naar Andalusië. Eerst gingen ze er met vakantie, werden verliefd op een oud dorpshuis met tuin, waarna de keuze snel was gemaakt. Ze gingen wonen in een authentiek bergdorp in de Sierra Nevada en begonnen er een bed & breakfast. Daarmee liet Marjet haar Utrechtse Tuinatelier achter zich en begon ze met een nieuwe creatieve uitdaging: koken en de aanleg van een mediterrane tuin. Tekenen en schilderen waren al geliefde bezigheden en in Andalusië kwam er tijd voor schrijven bij. Haar laatste boek, Kimonomeisje, gaat over de schilder George Hendrik Breitner en zijn muze, Geesje Kwak, het model op de schilderijen ‘Vrouw in kimono’.

    We spreken elkaar via een videoverbinding, want voorlopig is Marjet niet in Nederland. Bij haar is het zonnig, droog en warm. ‘We hadden een zomerse kerst, zoals steeds vaker,’ vertelt ze. ‘We wonen hier nu drieëntwintig jaar, hebben nooit spijt gehad. Het dorp hebben we behoorlijk zien veranderen, van authentiek ruraal Spanje met oude mannetjes en hun ezels met traditionele landbouwmethodes naar Europees hedendaags en modern leven. Door de klimaatverandering wordt het steeds droger en warmer, dat is wel zorgelijk, maar het is interessant om die verandering van oude naar nieuwe tijd mee te maken. Ik heb er columns over geschreven voor het tijdschrift Vruchtbare Aarde, die zijn gebundeld in twee boekjes. Het dorp raakt ontvolkt, de herder met zijn schaapskudde is verdwenen. Er wonen steeds minder mensen, de jongeren trekken weg want er is hier onvoldoende werk. De bar is dicht en de winkel is nu in het nieuwe jaar ook gesloten. Sinds de pandemie staat onze bed & breakfast op een laag pitje, en dat vinden we wel even rustig na twintig jaar veel gasten over de vloer gehad te hebben.’

    Marjet en haar man zijn beiden creatief, daarnaast vragen huis en tuin en hun drie honden ook aandacht. Marjet is actief met schrijven en mixed media – ze maakt collages en kunstzinnige boekjes met zelf bedrukt textiel en papier die ze verfraait met een vorm van vrij borduren.

    Je schrijft behalve blogs en korte verhalen vooral historische romans. Wat trekt je daarin aan?

    ‘Dat is gekomen door mijn eerste boek De zucht van de Moor, een verhaal met een stuk Spaanse geschiedenis dat zich onder andere hier in deze vallei afspeelt. Bij uitgeverij Historische Verhalen verschenen ook drie korte verhalen van mij, ik vind de kapstok van historische feiten ingevuld met fictie leuk en leerzaam.

    Maar mijn liefde voor de historische roman is vooral voortgekomen uit de familiegeschiedenis van mijn voorouders van vaders zijde. In 2014 publiceerde ik Voor onze tijd, kroniek van een Amsterdamse familie. De naam Maks stamt af van een Hollandgänger uit Duitsland die in 1740 in Amsterdam neerstreek als bakker. Zijn zoon werd tapper. Dat kwam vaker voor, bakkers en tappers gebruikten hetzelfde graan voor hun producten, brood en bier. Vervolgens heb ik me verdiept in alle beroepen die voorkwamen in mijn familie, naast bakker, tapper/kroegbaas, ook aannemers en tabakshandelaren. Die beroepen beschreef ik tegen de achtergrond van de geschiedenis van Amsterdam. Machtig interessant. Ik ben er zo’n vijf jaar mee bezig geweest. Mijn overgrootvader was aannemer en heeft onder andere de fundamenten van het Rijksmuseum gebouwd. Dat en de anekdotes die in de familie rond gingen werden de aanleiding voor het verhaal. Het speelt van 1780 tot 1926. De historische achtergrond berust zoveel mogelijk op feiten, maar hoe mijn voor- en grootouders met elkaar leefden en wat ze zeiden vulde ik zelf in. De genealogische en andere research ging vooral via internet. Hoe men bijvoorbeeld omging met cholera, dat is er allemaal te vinden. De verhalen hebben zeker een waarheidsgehalte, ik noem het ingekleurde non-fictie.’

     

    Lees je wel fictie? 

    ‘Zeker, vooral Nederlandse en Engelstalige literatuur, onder meer wat ik voor Literair Nederland lees, inclusief de kinderboeken, om te recenseren. Het is boeiend om zoveel verschillende boeken te lezen, die ik zelf in eerste instantie niet zou kiezen, maar ik heb zo al heel wat juweeltjes mogen leren kennen. Het leuke van recenseren is dat je intensiever leest, je moet woorden geven aan je kritiek. Mild of ferm, het moet onderbouwd zijn. Ik vind het ook belangrijk om auteurs die soms jaren over een boek hebben gedaan, te erkennen, te laten weten dat ze iets hebben losgemaakt. Vroeger stuurde ik schrijvers wel eens een persoonlijk bericht via de uitgever, nu doe ik dat met recenseren.’


    Hoe kwam je aan het plan voor Kimonomeisje?

    ‘Ik kwam op het idee door het boek Schilderslief van Simone van der Vlugt, dat gaat over Geertje Dircx, een geliefde van Rembrandt. Ik vond het een goed idee om de mensen rond een historische figuur uit te lichten en een stem te geven. Bij mij kwam meteen de Amsterdamse kunstschilder Breitner op, ook omdat er een relatie lag met de kunstschilder Kees Maks, een neef van mijn grootvader. Maks was een leerling van Breitner en is ook aardig bekend, er hangt een groot doek van hem in de Stopera en in diverse musea in Nederland, zoals Singer in Laren. De twintig jaar jongere Maks kwam Breitner op straat tegen in Amsterdam. Ze maakten een praatje en Maks wist Breitner over te halen hem les te geven. Daar eindigt Kimonomeisje mee. De vader van Kees Maks was ook aannemer en bouwde in 1902 een atelier op het Prinseneiland voor zijn zoon en Breitner. Het is in Nederland het eerste kunstenaarsatelier dat speciaal voor kunstenaars gebouwd is. Maar het boek gaat primair over Breitner en Geesje Kwak.’


    Kimonomeisje
    is een lief, aardig boek, prettig om te lezen. Eerder gaf je aan dat je vond dat er te weinig conflict in zat. Was je achteraf niet zo tevreden?

    ‘Jawel, toch wel. Ik heb het ook bewust zo gedaan omdat ik de feiten die over Breitner bekend zijn zoveel mogelijk wilde gebruiken. Over Geesje was nauwelijks wat bekend, behalve dat ze een naaister of hoedenmaakster was en dat ze naar Zuid-Afrika emigreerde waar ze vrij snel op haar tweeëntwintigste stierf. Dat ze bleef doorleven in kimono op die schilderijen vond ik een mooi gegeven. Verder zal er niet zoveel gebeurd zijn. Ik dacht, ik kan ze wel samen in bed laten belanden, maar dat vond ik banaal. En het is waarschijnlijk nooit gebeurd, het blijkt nergens uit. Dus ik heb er een vader-dochter idee van gemaakt, een thema dat veel terugkomt in mijn verhalen. Geesje groeide doordat ze keek naar zijn schilderijen en luisterde naar wat hij zei; hij raakte dankzij haar uit een depressie nadat hij hersteld was van een oogziekte. Zij was gewoon zijn muze, tussen 1893 en 1896. Breitner stierf in 1923. In de hoop op wat extra aandacht voor zijn honderdste sterfjaar schreef ik Kimonomeisje dat bij uitgeverij Ellessy verscheen.’

    Ellessy heeft ook Marjets Riviermist uitgegeven dat ook als e-book en luisterboek is verschenen. Haar eerder verschenen boeken gaf Marjet in eigen beheer uit, zoals Naar het land van het lopend licht, een uit vijf delen bestaande familieroman. ‘Veel werk en geen vetpot. Ik ben er niet goed in om mezelf te verkopen. En ik vind het ook niet zo belangrijk meer. Het schrijven is leuk, het onderzoek is interessant en natuurlijk is het een mooie erkenning als je boek gelezen wordt.’ Literaire uitgevers wezen haar boeken af. Marjet noemt zichzelf een ‘semi-literaire schrijver’, toegankelijk voor een breed publiek. ‘Ik wil goede, prettig leesbare en originele romans schrijven en dankzij Ellessy kunnen we nu een paar keer per jaar uit eten,’ lacht Marjet.


    Riviermist
    heeft een aparte insteek, het is losjes gebaseerd op Wagners opera Der Ring der Nibelungen. Hoe zit dat?

    ‘Twee vrienden, die je kunt zien als Wodan en Alberich, vinden een juwelenkistje, dat staat voor het Rijngoud. Ook andere personages uit de Ring staan voor personages uit Riviermist. Na allerlei verwikkelingen wordt “Siegfried” opgevoed door “Brünnhilde”. In mijn verhaal is Siegfried Zyss, een kind van een broer en zus, hij heeft een bochel en is een beetje simpel maar heel muzikaal. Hij speelt accordeon in Amsterdam en is uiteindelijk een goed mens, ondanks dat hij uit het kwaad is voortgekomen. Mijn grootmoeder was operazangeres, zij zong voor haar huwelijk in 1910 de rol van Brünnhilde in de Ring. Met mijn neefjes en nichtjes speelden we met haar toneelkostuums, zoals de maliënkolder van Brünnhilde. Het verhaal intrigeerde me als kind al. Ik heb eerst de hele Ring geanalyseerd en de plotlijn vertaald naar het heden. Het speelt deels ook tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De belangrijkste personages heb ik eruit gepikt en hun psychologie en achtergronden uitgewerkt naar hedendaagse problematiek. Het is pure fictie en een beetje bizar, want enigszins ongeloofwaardig. Maar in literatuur kan dat. Als je Der Ring der Nibelungen kent, kun je dat verhaal wel in mijn boek terugzien.’


    Waar ben je nu mee bezig?

    ‘Ik schrijf niet zoveel nieuws meer. Er liggen nog een paar onaffe manuscripten, ik kan nog wel even voort. De eerste versie schrijf ik met de hand, heb wel dertig kladblokken vol. Daarna typ ik het verhaal uit en dan ga ik herschrijven. Dat vind ik het leukste, de tekst steeds beter maken. Ik probeer wel ieder jaar iets te publiceren, maar het is geen must meer.’

    Momenteel is Marjet vooral bezig met papier en stof bedrukken, borduren, schilderen, collages maken. Op haar website staat: ‘”Met een drukpers print ik met reliëfcollages structuren, met oud roest maak ik gekke vlekken in stof, ik borduur met wilde steken en creëer pagina’s die ik samenbind in een boekje, al dan niet met teksten van mezelf of anderen.” Het is allemaal geëxperimenteer, toch wil ik wel wat laten zien.’

    Op de achtergrond blaft een hond, in beeld komt een kwispelende staart. Alsof hij weet dat we aan het einde van het interview zijn. ‘Dit is Vidal,’ zegt Marjet. ‘Zijn zus heet Lucia, Leven en Licht. Hun vader en moeder waren zwervers die we jaren geleden opnamen, twee fantastische honden, die per ongeluk een nestje kregen. De moeder heet Felisa, wat geluk betekent. Het is tijd om uitgelaten te worden, maar ze kunnen best nog even wachten.’

     

     

     


    Kimonomeisje en Riviermist verschenen bij Uitgeverij Ellessy

     

  • Klein leed onder een vergrootglas

    Klein leed onder een vergrootglas

    De drie novelles in Winterverhalen van de Noorse Ingvild H. Rishøi (1978) hebben eenzelfde thematiek. Jonge volwassenen staan in een winterse wereld op straat, zonder geld, zonder toekomst en met de zorg voor kinderen. Schrijnend en ontroerend, maar hoopvol, want de hoofdpersonages worden steeds op het dieptepunt van hun situatie gered door een welwillende voorbijganger.

    Een prachtige en sterke thematiek, die mooi aansluit bij de kerstgedachte. In We kunnen niet iedereen helpen probeert een jonge moeder met haar dochtertje, Alexa, thuis te komen. Het is ijzig koud en het regent. Ze moeten lopend naar huis, want ze heeft net niet genoeg geld voor de bus. Wanneer haar vijfjarig dochtertje in haar broek plast, ontstaat een dilemma. Ze moet een droge onderbroek voor haar kopen, bovendien wil Alexa wat geven aan een dakloze man. ‘Hij heeft een hoody aan. Hij glimlacht. “Ik had nog wat kleingeld,” zeg ik. Ik pak mijn portemonnee en rits hem open. Achter ons begint een sirene te loeien, Alexa legt haar handen over haar oren. Dan stopt de sirene en Alexa laat haar handen zakken en ik laat de munt vallen. Dan zie ik wat voor munt het is. Maar het is te laat. Het is een munt van twintig kronen. Ik wilde er één van tien geven. Nu is het te laat.’

    Met de moed der wanhoop stapt de moeder even later met haar dochtertje een winkel binnen om van haar allerlaatste geld een onderbroek te kopen. In het pashokje, terwijl ze hannest met de onderbroek en haar dochter, trekt de wereld van haar leven in haar gedachten voorbij. De onverantwoordelijke vader van het kind, het moeizame opvoeden, en de troostrijke onbevangenheid van Alexa. In die gedachtestroom komt de hopeloosheid van haar situatie tot uiting en staat de redding van die dag achter het gordijn.

    Een vader voor zijn zoon

    De goede Thomas beschrijft de moeizame situatie van Thomas, die net vrij is uit de gevangenis. Hij wil een kussen kopen voor zijn zoontje, Leon, hoewel hij eigenlijk niet weet hoe hij dat moet doen. Toch probeert hij contact te maken met de verkoopster. Hij kent zijn zoontje nog niet, maar heeft gehoord dat hij slecht slaapt. Na zijn tijd in de gevangenis moet hij ook weer nader komen tot Live, de moeder van zijn kind. Als hij toevallig een oud schoolvriendinnetje ontmoet, raakt Live weer op de achtergrond. Hij doet en zegt steeds de verkeerde dingen en alles dreigt te ontsporen. Thomas is geen slechte jongen, alleen maakt hij de verkeerde keuzes. Hij wil zo graag, maar kan het niet.

    Flashbacks naar gesprekken met een psycholoog in de gevangenis, en herinneringen aan hoe hij Live ontmoette en hun onenightstand, geven wat achtergrondinformatie over zijn situatie. Live kende alleen zijn naam. Ze probeerde hem, de vader van haar kind, te vinden toen Leon geboren was. Helaas er zijn zoveel Thomassen. ‘En lang voor die tijd, toen ik de zevende was die Thomas heette en Live me opbelde om te vertellen dat ik vader zou worden, zei dat we moesten afspreken om te praten en het was alsof God de hele hemel opende en het allermooiste over me uitstortte.’ Die flinterdunne grens tussen wel of niet goed, beschrijft Rishøi weergaloos. Terwijl het oude schoolvriendinnetje interesse in hem toont, is Tomas op weg naar zijn zoontje, en komt te laat… Hij heeft weer de verkeerde keuze gemaakt. Dit keer echter is het lot aan zijn zijde.

    Hoopvol

    Ook Grote zus, de derde novelle in deze bundel gaat over de diepe behoefte van de hoofdpersoon om haar dierbaren te beschermen. De zeventienjarige Rebekka is met haar jongere broertje en zusje op de vlucht voor de sociale dienst. Ze hebben alle drie een andere vader en de zorg komt op Rebekka neer. Haar eigen vader is dood en de andere twee vaders zijn vaag, evenals de rol van de moeder. Rebekka doet haar best en blijft de kinderen aansporen en hoop geven. Na een lange moeizame tocht in een ijskoude nacht met rugzakken en vermoeidheid, besluit ze te gaan liften, op het gevaar af herkend te worden.
    ‘”We gaan met de auto,” zeg ik. “Echt?” vraagt Mikael. “Ja,” zeg ik. “Is dat niet fijn?” “Heel fijn,” zegt Michael. “Dan kun je nu even zitten om uit te rusten,” zeg ik. “Zoals Mia doet.” Mikael gaat zitten. Mia leunt met haar voorhoofd tegen haar knieën. Ik leg uit dat ze niets moeten zeggen in de auto. Niet hoe ze heten, niet waar ze heen gaan. “En Mia,” zeg ik. “Je moet de hele tijd je capuchon ophouden.” Mia zegt niets. “Als het iemand is die veel vragen stelt, dan stappen we weer uit,” zeg ik.’

    En dat doen ze ook, als een vrouw die voor hen stopte te veel interesse in hen toont. Het drietal ploegt opnieuw door de sneeuwnacht op weg naar een schuilhut waar Rebekka goede herinneringen aan heeft. Ze redden het niet, tot de vrouw die toch goede bedoelingen had terugkomt.

    Het zijn de kleine en hoopvolle overwinningen en onverwachte goedheid van vreemden die deze verhalen zo sympathiek en ontroerend maken. Alsof de auteur wil zeggen, ze zijn er heus wel hoor, de mensen die nog een hart hebben en bereid zijn een ander te helpen.

    Ingvild H. Rishøi is geboren en getogen in Oslo. Winterverhalen dateert uit 2014. In 2022 verscheen de roman Stargate, ook vertaald en uitgegeven door Koppernik. Het is een kerstvertelling en een klein meesterwerk vol realistische magie, in de traditie van H.C. Andersen. Rishøi wordt gezien als een van de belangrijkste schrijvers van Noorwegen en haar werk werd meermalen bekroond met prestigieuze prijzen.

     

     

  • Meanderende familiegeschiedenis

    Meanderende familiegeschiedenis

    Het hart van de ever van Baltasar Porcel is het soort boek dat je, nadat je het hebt dichtgeslagen meteen weer opent om het begin te herlezen. Zijn er daar al aanwijzingen naar het einde? Ja, die zijn er. Halverwege de eerste bladzijde wordt gewag gemaakt van een graf. Tijdens het lezen van dit wijduit meanderende verhaal ben je dat allang vergeten. Het is ook geen boek om achter elkaar uit te lezen, toch is de rode draad makkelijk te volgen.

    Het verhaal is opgebouwd uit acht hoofdstukken, die meestal beginnen met een overpeinzing of een natuurbeschrijving, zoals het hoofdstuk Het eiland van opa van het oog. ‘De dag brak open en ordelijk aan, het eiland was half gezien en veelvuldig voorgesteld. Wat zouden we de wereld liefhebben als we haar voor de eerste keer in één keer ontdekten! Om vanuit de ruimte aan te komen bij alle bomen en edelstenen, bij de meest uiteenlopende en uitgelaten mensen, bij de intense en smachtende aspecten van de liefde, bij de lome en grootse tijger en de witte en nostalgische meeuw, (…)’

    Elk hoofdstuk gaat dieper in op een ander personage dat een rol speelde in het leven van Baltasar Guillem van De Oude Huizen. Hij is de oom van de verteller, de schrijver Baltasar Porcel die in dit boek zijn eigen leven fictionaliseert. Baltasar Guillem was de broer van Gabriel, de vader van de schrijver. Over de vader en de nijd tussen beide broers komen we weinig te weten, hoewel het niet vertelde genoeg zegt over hun relatie. Gabriel was een grijze muis, Baltasar een charismatische rokkenjager, avonturier, filosoof en opportunist. Stof genoeg om in de handen van de Catalaan Porcel een boeiend en rijk verhaal te worden.

    De erfenis

    Het hart van de ever speelt zich af op Mallorca, waar de schrijver zijn jeugd doorbracht, maar ook in Cuba, Thailand en de Provence. Porcel erft het bezit van zijn oom op Mallorca: De Oude Huizen, een vervallen landgoedje, en in Palma het dorpshuis Can Cronos. Reden voor de schrijver om in het waarom van deze vreemde nalatenschap te duiken, maar vooral ook om antwoord te krijgen op wie zijn oom eigenlijk was. Hij zou de erfenis kunnen weigeren, want het onderhoud zal een hoop geld gaan kosten. Sommige kamers zijn nog in tact met wat aftands meubilair, onder andere de secretaire van zijn oom met oude dagboeken en brieven. Vervolgens duikt Porcel in zijn familiegeschiedenis vol anekdotes en geheimen waarin zijn mysterieuze oom de hoofdrol speelt.

    De oom stond voor het recht van het individu en wilde zijn persoonlijk universum opbouwen. In het boek wordt dat gesymboliseerd in het licht dat de oom in De Oude Huizen liet aanleggen om ze uit de duisternis te halen. ‘Vanavond heb ik getrild en gehuild van verwondering: ik heb de schakelaar omgedraaid en Er Was Licht. Een put van duister en kou en dood en vreemde en beslissende krachten die altijd over De Oude Huizen geheerst had, is plotseling ontploft, verzwonden, vervlogen in de lucht, en te midden van alles en boven alles is de mensen helderheid verschenen in de gloed waarvan de huizen vlekkeloos straalden, een lichtend witte bloem.’ Dit is een sleutelscène in het boek want in het proces van het scheppen van zijn wereld, zoals in Genesis, wil oom dat zijn erfgenaam zal schijnen door weer bezit te nemen van De Oude Huizen en op die manier de betekenis van zijn werk te accepteren.

    Rokkenjager en filosoof

    In Thailand leefde oom met mooie opwindende vrouwen. Hij had een affaire met Pilar Massanella, de dochter van zijn latere vrouw Valèria, en de rest van haar leven verlangt het meisje, later vrouw smachtend naar hem. In de tijd van de Spaanse burgeroorlog, die ook op Mallorca speelde, wist hij bij een vliegtuigcrash de gewonde Engelse piloot en een Duitse professor die de Nazi’s ontvluchtte onder de ogen van de Guardia Civil te helpen ontsnappen. De oom kreeg hulp van de dochter van een Engels spionnenechtpaar, met wie Porcel later weer contact zoekt. Van haar krijgt hij interessante informatie over zijn oom. We krijgen het indringende verhaal van de verlegen en saaie Maxim Massanella de Mus, doctorandus semitische talen, die met de mooie wulpse Valèria trouwde. Hij redde haar en haar dochter Pilar uit het huwelijk met een gewelddadige falangist, waarbij zijn familiekapitaal haar bijzonder goed uitkwam. Na Maxims dood, die hij zelf zag aankomen en die hoogstwaarschijnlijk door Valèria werd beraamd, trouwt zij met Baltasar Guillem. Na haar, verrassende, dood heeft hij zijn affaire met Pilar. Over de dader van deze vreemde doodsoorzaken wordt gespeculeerd en sommige mensen wijzen de oom aan.

    De schrijver-verteller-neef bewonderde oom in zijn jeugd, verfoeide hem later om zijn egoïstische gedrag, maar leert uit de geschriften die hij achterliet dat zijn oom kon en wilde zijn wie hij was, ondanks de beknottende periode ten tijde van de Spaanse burgeroorlog en daarna. Een man die vocht tegen uniformiteit en weerstand bood tegen onrecht. Dat blijkt ook uit de gesprekken die Porcel heeft met diverse mensen die nog in leven zijn en oom gekend hebben. Zoals Donat Consolí, de oude knecht die nog in De Oude Huizen woont.

    Intrige volgt op intrige en langzaam worden de ogen van Porcel, en zijn lezer, geopend voor wat er allemaal heeft gespeeld in die breed uitwaaierende familie. De opa bijvoorbeeld, Baltasar Pere van De Oude Huizen, oftewel Baltasar Pere van het oog, vertrok als jonge man naar Cuba, viel in een krokodillenkuil en verloor zijn oog. Baltasar Guillem bezoekt zijn vader in Cuba en doet in een van zijn dagboeken levendig verslag van diens leven. In de jaren twintig van de vorige eeuw vergaarde hij zijn kapitaal met het smokkelen van drank en tabak naar het door de drooglegging geteisterde Amerika.

    Uiteindelijk gaat Porcel naar de Provence op zoek naar Emaur Jano. Haar moeder was een vriendin van oom en de dochter, ‘van blakende schoonheid’, heeft Baltasar Guillem goed gekend in haar jeugd. Wederzijdse energie knettert voelbaar tussen de schrijver en Emaur Jano. Hun amourette is een intermezzo in het boek. Ondertussen weet Emaur Jano heel veel puzzelstukjes te leggen in het verhaal van de oom, een boeiende maar ook wat langdradige ontwikkeling, want er blijkt een hele Franse tak van de Porcels te zijn die eeuwen terugvoert.

    Tussen God en de duivel

    De ontdekking van wie Baltasar Guillem werkelijk was, kan gezien worden als de ware erfenis die de schrijver ontving. Zijn grootvader en oom hadden hem uitverkoren als de personificatie van de deugden van hun familie.
    Hoewel het verhaal nergens echt spannend is, dwingt het einde tot snel uitlezen en worden diverse verhaallijnen afgeknoopt. Porcel gaat op zoek naar het graf van zijn oom, dat bijzonder genoeg ergens in Bretagne zou zijn. Het beeld van een boeiend mens is bijna compleet, hoewel het einde nog een verrassing in petto heeft. Het hart van de ever – de titel slaat terug op de everzwijnen die op het landgoed gehouden werden – is een boek dat gaat over mensen als amorele wezens, die zich voortbewegen door instinct, verlangen naar vrijheid, ambitie, macht en plezier. Baltasar Guillem was een fervent atheïst, maar altijd in harmonie met het universum en net zo ver verwijderd van God als van de duivel, of anders gezegd, goed met beide.

    Dit boek is een aanrader. De goede vertaling moet geen gemakkelijke klus zijn geweest. Baltasar Porcel stierf in 2009 en wordt beschouwd als de beste schrijver die Catalonië voortbracht. Hij schrijft inhoudsvol en toegankelijk, met prachtige beelden, natuurbeschrijvingen en filosofieën over dood en leven, passie en verlangens en hoe te leven.

     

     

  • Mysterie van dood en leven

    Mysterie van dood en leven

    Laura van der Haar won in 2012 het Nederlands kampioenschap poetryslam en debuteerde in 2014 met de poëziebundel Bodemdrang en in 2018  volgde haar debuutroman Het wolfgetal. De roman De Kuil is haar zesde publicatie.
    Soms is het lezen van een boek een worsteling om aan het eind te ontdekken dat het verhaal goed in elkaar zit. Kasja, een van de personages uit De kuil is een jonge vrouw die zich willoos overgeeft aan de grillen van een twintig jaar oudere minnaar, ‘dit is wat ik wil: iemand die de baas is, iemand die me klein maakt, die me reduceert tot vragend, wachtend meisje.’ Ze raakt door haar minnaar geobsedeerd.

    Kasja’s vriend Lennart is een personage dat de lezer tart met zijn geobsedeerdheid rond een geheim dat zijn in coma liggende zusje op het spoor zou zijn. ‘De luchtdruk, de luchtvochtigheid, de gaten het heeft er allemaal mee te maken, daar is Lennart van overtuigd. Met twee vingers pakt hij een dode mestkever die op zijn rug ligt, de chitine van het pantser kraakt als krantenpapier. […] zie je wel, ademgaten, kieuwen, in een handjevol bosaarde leven al meer wezens dan er mensen op de wereld zijn, het plankton van de bodem.’ Zijn zusje kreeg een onduidelijk ongeval, of hetgeen zij op het spoor was realistisch is, blijft vaag en mysterieus.

    Obsessies

    De alledaagse handelingen en gesprekjes in het boek roepen een sterke sfeer op. Van der Haar schrijft mooie zinnen en haar observaties zijn vaak raak. Kasja en Lennart, ergens in de twintig, wonen samen, maar zijn eerder maatjes dan dat ze een liefdesrelatie hebben. Ze praten in clichés met elkaar en hebben geen wezenlijk oog voor elkaars behoeftes. Lennarts zusje is uit een boom gevallen of moedwillig gesprongen, een terugkerende vraag  voor Lennart, en ligt in coma. Kasja heeft daar nauwelijks interesse voor.  Lennart is dagelijks in het bos te vinden, waar ook Kasja veel komt, maar hun wegen kruisen elkaar nooit. 

    Kasja werkt in pannenkoekenhuis De Kuil in de bossen van Gelderland, niet ver van de boom waar Lennarts zusje uit een boom viel waardoor ze in coma raakte. Aan de ene kant is een begraafplaats, aan de andere kant ligt een vervallen en dichtgegroeid vakantiepark met huisjes. Het is al jaren gesloten, maar de plaatselijke projectontwikkelaar Charles Ubbink wil het park opwaarderen tot een luxe vakantieresort. Ubbink drinkt soms koffie bij De Kuil en Kasja valt als een blok voor hem. Ze beginnen een relatie en ontmoeten elkaar regelmatig in een van de verlaten vakantiehuisjes. Kasja denkt aan niets anders meer dan aan deze sterke, twintig jaar oudere man, getrouwd en met een kind. Ze raakt zo in zijn ban dat het een obsessie wordt. Om de haverklap checkt ze haar mail en Telegram-messenger in de hoop op een berichtje van hem. Ze stalkt zijn vrouw op Instagram en gaat zelfs zijn huis binnen als hij op vakantie is. 

    Ondertussen is Lennart in het bos te vinden en onderzoekt de bodem rond de boom waar zijn zusje verongelukte, op zoek naar een aanwijzing. ‘De map op haar computer blijft door zijn hoofd spoken. Hyfen, sporen, een onsterfelijk netwerk van slijmdraden en neurotoxinen, een aards web van geëxternaliseerde longen, steneneters plantendoders, aliens.’ In korte hoofdstukken zijn afwisselend Kasja en Lennart in beeld. Beiden worden ze gevolgd in hun eigen wereld, die totaal verschillend zijn.

    Kasja heeft een moeizame relatie met haar moeder. Lennart gaat regelmatig bij zijn ouders langs of is bij zijn zusje in het ziekenhuis. Hij probeert van alles om een reactie aan haar te ontlokken. Zijn ouders zijn behoorlijk murw van het hele gebeuren en dat beschrijft Van der Haar heel goed.

    Zintuigen en metaforen 

    Lennart is tactiel, met zijn handen in de aarde. Kasja is erg op geuren gericht. Adem, lichaamsgeur, dat boslucht in de ochtend anders is dan in de avond. Lijkenlucht van de nabijgelegen begraafplaats wordt verward met de geur van vlierbloesem. Dat zijn mooie beelden en metaforen die alles te maken hebben met leven en dood. En passant wordt er gefilosofeerd over een toekomst waarin de mensheid misschien wel ten dode is opgeschreven. ‘Diep onder een zalencentra beweegt het, onder het uitgestrekte landelijke gebied, onder de Xenos, langs de doorworteling van boomgaarden kruipt het langzaam op ons af.’

    ‘De kuil’ speelt in hun beider leven een rol. Voor Kasja is het pannenkoekenhuis belangrijk, voor Lennart is het de kuil die hij graaft in verband met zijn bodemonderzoek. Pas aan het einde van het boek worden Kasja en Lennart door de kuil met elkaar verbonden. Ze vinden elkaar zonder elkaars geheim te kennen. Dé grote metafoor van het boek is misschien wel dat Kasja en Lennart in hun twintiger jaren hebben geleefd met liefde, spanning, dromen en verlangens. De rest van hun leven zullen ze bezadigd doorbrengen. Huisje, boompje, beestje, net zo kleurloos en betekenisloos als het leven van hun ouders was.

     

     

  • Vechten voor vrijheid en gelijkheid

    Vechten voor vrijheid en gelijkheid

    In Vrouw en vrijheid reikt Jolande Withuis feministisch gedachtegoed aan dat niet nieuw is maar wel steeds weer opgerakeld moet worden, vanwege onder andere bewegingen als MeToo, het Rooms gezinsdenken in Polen en Hongarije, de opkomst van anti-abortuspartijen in Italië en Amerika, Andrew Tate als influencer, de moederhartbeweging en corpsballen met seksistisch gebral. Withuis legt met scherpe pen uit waarom vrouwen tot in lengte van dagen zullen moeten blijven vechten voor hun vrijheid en gelijkheid.

    In dit pamflet trekt de sociologe en feministe ten strijde tegen identiteits- en diversiteitsdenken, intersectionaliteit, woke en boerka’s. Aan de hand van legio persoonlijke en historische voorbeelden stelt ze dat ‘echt mannelijke’ en ‘echt vrouwelijke’ eigenschappen niet bestaan. ‘Anatomie is geen noodlot. Vrouwen kunnen pas vrij zijn als ze de moed hebben onvrouwelijk te zijn.’ De kern van haar betoog is dat de oorzaken van sekseverschillen bij historische, culturele en politieke verschijnselen liggen.

    Wat is feminisme eigenlijk?

    Volgens Withuis streven feministen ernaar de maatschappelijke betekenis van het biologische geslachtsverschil op te heffen. ‘Beide seksen zijn gewoon mensen. Mensen zonder commentaren […] zei Wilhelmina Drucker aan het einde van de negentiende eeuw’. En Withuis noemt andere voorvechtsters van het feminisme die het vrouwelijk versus onvrouwelijk benoemden: Mary Wollstonecraft schreef in de 18e eeuw al over  vrouwenrechten, evenals Betty Friedan, Amerikaans feministe, sociaal activiste en publiciste halverwege de vorige eeuw en Simone de Beauvoir, die in 1949 De tweede sekse opende met de woorden: ‘Je komt niet ter wereld als vrouw, je wordt vrouw.’

    Withuis buigt zich over de begripsvervaging tussen sekse en gender en stelt dat de behoefte om van geslacht te veranderen onder meer ontstaat onder druk van de maatschappij. ‘Niettemin vermoed ik dat de behoefte een jongen te zijn onder jonge meisjes wel eens geringer zou kunnen zijn als zij niet meenden te moeten voldoen aan de vereisten van wat een geslaagd meisje is, of een ‘echte’ vrouw. […] zie het bombardement aan make-up en modetips dat via influencers en sociale media over hen wordt uitgestort; zie de grofheid waarmee vrouwen worden afgemaakt die daarvan afwijken.’

    Zonder borsten geen vrouw

    Uit eigen ervaring spreekt Jolande Withuis over de sociale druk die vrouwen ervaren als ze ten gevolge van borstkanker een borst moeten missen. Een vrouw met één borst is geen schoonheidsideaal, dus laten de meesten zich een reconstructie of prothese aanmeten, wat vaak een pijnlijke en moeizame weg is. ‘Seksisme in schaapskleren,’ noemt Withuis dat. ‘Want ik ben zonder borst nog dezelfde als met.’

    Dat vrouwen werken is in Nederland nog altijd minder gangbaar dan in landen om ons heen. Zelfs Wim Kok vond in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat vrouwen na hun veertigste niet meer zouden hoeven te werken. Terwijl volgens Withuis juist een vrouw die werkt sociale contacten heeft, zich kan ontplooien en zich gelijkwaardig kan voelen.

    Als biografe van Prinses Juliana, de verzetsman Pim Boellaard en de kunstenares Jeanne Biruma Oosting, sprak Jolande Withuis in 2018 in de Huizingalezing over het belang van de  biografie van een individu, met als titel: Leve het Leven, vrijheid en de biografie. Haar tekst is beknopt weergegeven in dit boek en gaat in op de aanpak van het schrijven van een biografie. Interessant te weten is dat de biografie eigenlijk pas sinds de jaren negentig in opmars is. De biografie onderstreept de waarde van individueel leven, terwijl daarvoor socialistische en confessionele groeperingen afkeer toonden van individuele levens. ‘Omdat we voordien gevangenzaten in een dwangbuis van religieuze en politieke zuilen en ideologieën – in collectivisme dus!’ Het individu was nog niet bevrijd.

    Brieven

    In het boek zijn een paar brieven opgenomen met prangende vragen, waarop ze uiteraard geen antwoord krijgt. Aan Ana Pauker (1908 -1960) bijvoorbeeld, een Roemeense communiste en activiste, vraagt ze of ze spijt heeft. Jolande bewonderde haar in haar jeugd, maar liet haar later van haar voetstuk vallen, juist omdat ze het communisme trouw bleef. De tweede brief is gericht aan Simone de Beauvoir (1908- 1986). Een brief waarin ze de Franse feministe wil eren en bedanken voor haar feminisme en onafhankelijk denken. In haar brief aan Ayaan Hirsi Ali (1969) spreekt Withuis zich uit over de schandelijke behandeling die deze dappere vrouw gehad heeft. Ze is ronduit weggepest ‘en niet alleen omdat ze antisemitisme, het antidemocratische karakter en de vrouwenhaat van de islam aan de kaak stelde die de Nederlandse intelligentsia decennialang had overdekt. Het was bovenal omdat ze dat deed als vrouw – erger nog een beeldschone vrouw.’

    Diversiteitsdenken

    Uiteindelijk maakt Withuis zich zorgen over het diversiteitsstreven, woke en intersectionalisme in de huidige maatschappij. Begrippen die steeds meer het taalgebruik binnendringen, maar lang niet altijd wordt de vrijheid van het individu ermee bedoelt. Het gaat meestal om groepen en dan is ‘tribalisme nabij’. Black lives matter, woke groepen, vrouwen, LGBT worden met gemak onder de noemer minderheden geschaard en dat is slecht nieuws voor het feminisme. ‘Vrouwen vormen geen minderheidsgroep maar de helft van de samenleving.’

    Niet iedereen zal het eens zijn met de schrijfster en hoewel ze heel toegankelijk en zelfs met lichte ironie schrijft, is Vrouw en vrijheid niet altijd gemakkelijke kost. Wel is het een belangrijk boek om door vrouwen en mannen gelezen te worden om de dialoog gaande te houden, misstanden en denkfouten te benoemen en seksueel geweld naar buiten te brengen. Het is noodzakelijk om elkaar bewust te maken van discriminatie in al zijn facetten en zodoende ieder individu vrijheid te gunnen, betoogt Withuis.

     

  • Nuchtere zelfspot

    Nuchtere zelfspot

    De columns van Frits Abrahams over zijn kleinkinderen verschenen tussen 2005 en 2019 in  NRC-Handelsblad en zijn nu gebundeld, 53 stuks in totaal, in een boekje met de titel Toen ze nog klein waren – Kroniek over kleinkinderen. Heel wat grootouders zullen ze herkennend en met een glimlach gelezen hebben. Ondertussen zijn de kleinkinderen jonge tieners en schrijft Abrahams niet meer over ze om ze te beschermen, zegt hij in de epiloog. Maar voor hen, zichzelf en vele lezers zal het fijn zijn dat hij die eerste jaren van zijn grootvaderschap wel vastlegde wat ze zeiden en deden, als voorbode van de mensen die ze nu zijn. Want met zijn verve, trots, vertrouwde zelfspot en milde maatschappijkritiek geeft Frits Abrahams daarmee ook een mooi beeld van een hele generatie.

    De columns zijn gerangschikt volgens een chronologisch groeien door de tijd. In de eerste column wordt de oudste kleinzoon Glenn geboren. Abrahams kijkt er nog onwennig naar, maar hij is vastbesloten er het beste van te maken. Na Glenn komen er nog drie kleinkinderen. Zusje van Glenn, Fay, (zonder e, maar wel afgeleid van Faye Dunaway) en bij een andere dochter komen Hidde en Jens.

    Model-grootouders

    Wat een stel model-grootouders hebben deze kinderen. De blijmoedige opa met zijn licht ironische kijk op de wereld, met zijn opvoedende, bijsturende – al is dat nauwelijks nodig – invloed. Abrahams is een opa die geniet van de lusten, de lasten laat hij graag aan zijn vrouw en de ouders over.

    De kapstok voor iedere column is een kleine of grotere gebeurtenis met een van de kleinkinderen in de hoofdrol. Abrahams weeft daar altijd weer een fijnzinnige beschouwing op de samenleving doorheen, bijvoorbeeld als hij zijn verbazing uit over het gebrek aan mannen op de kraamafdeling wanneer hij en zijn vrouw op kraambezoek gaan bij hun eerste kleinkind. ‘”Hoeveel mannen, afgezien van die ene gynaecoloog, heb je op de kraamafdeling gezien?” vroeg ik mijn vrouw, die deed of ze in vaste dienst was. “Niet één,” zei ze, zonder triomf – die was ze allang voorbij. Zo verschrompelen in het uur U de heren van de schepping als hun penis na de daad.’

    De eerste treinreis van Glenn is voor opa een spannende gebeurtenis. Wat gaat er allemaal om in het hoofdje van kleinzoon? Duidelijk hele andere zaken dan die opa belangrijk acht. ‘Voor Glenn telden alleen de lege rails, die enkele meters verderop evenwijdig met de onze liepen. O die onbegrijpelijke rails. Waarom waren ze daar? Waarom was één paar rails niet voldoende.’

    Zwarte Piet was aardig

    Logeerpartijtje, spelletjes doen, voorlezen, wat opa graag doet, want Glenn liet al weten dat ‘lezen niet mijn favoriete hobby is’. Uitstapjes naar theater, museum of dierentuin, de grootouders staan steeds weer klaar. In Artis bijvoorbeeld was Mawa, een orang-oetanman overleden. ‘Er hing deze morgen een fletse schemer in het apenhuis en opeens kreeg ik de gewaarwording dat ik in een bejaardentehuis rondliep, ook zo’n ruimte waar mensen doelloos en dof op hun einde wachten.’

    Ook Sinterklaas komt aan bod. Het geloven, en niet meer geloven van de oudere kleinkinderen; samen naar een sinterklaasfilm in de bioscoop. En uiteraard kleine prikjes ergernis over de Zwarte Piet-discussie. Abrahams doet dat subtiel naar aanleiding van een herinnering aan een Sinterklaasbijeenkomst in 1981, die circulerend op een geluidsbandje laat horen dat zijn dochter niet wilde zingen voor Sinterklaas. Ze vond het eng, maar Zwarte Piet, die was wel aardig.

    Bezoekjes aan McDonalds, Burgerking en poffertjes eten. Afzwemmen voor de zwemdiploma’s, opa en oma leven mee en genieten met volle teugen van hun jonge nakroost. Dankzij Abrahams’ beschouwende afstandelijkheid en nuchtere humor zijn deze columns een mooie herinnering aan de jeugd die snel voorbij gaat.

     

  • Indrukwekkende familiesage

    Indrukwekkende familiesage

    Met drie lijvige boeken, De familie Aubrey, Mary en Rose, en Rosamund geeft de Aubrey-trilogie van Rebecca West met voldoende maatschappijkritiek een mooi beeld van het Engeland aan het begin van de vorige eeuw. De Aubrey’s zijn arm, muzikaal en intellectueel. De schrijfster – pseudoniem van Cicely Isabel Fairfield – leefde van 1892 tot 1983. Ze was romanschrijfster, columnist en journalist, met een Schotse moeder die haar carrière als concertpianiste opgaf ter wille van haar gezin en een vader die zich als een halfslachtige journalist profileerde, net als bij de familie Aubrey.

    De vier kinderen Aubrey groeien beschermd en liefdevol op, maar ze moeten accepteren dat hun ouders excentriek zijn. Vooral de oudste dochter Cordelia heeft daar veel moeite mee. De familie heeft een haast obsessief zelfbewustzijn, wat een mooi contrast vormt met hun naïeve kijk op de levens van anderen. Zoals het niet kunnen begrijpen dat iemand er andere denkbeelden op na houdt over bijvoorbeeld de beleving van muziek.

    Moeder Clare was een begenadigd concertpianiste, maar haar gezin gaat voor. Met strenge hand geeft ze geeft haar dochters pianoles. Vader Piers, journalist en pamflettist, is naast bijzonder en erudiet, ook egocentrisch. Hij gaat zijn eigen gang en geeft aandacht aan de kinderen als hem dat uitkomt, maar zorgt er wel voor dat ze hem waarderen.

    Ook Clare houdt hem telkens weer de hand boven het hoofd, terwijl hij al zijn verdiensten vergokt, vrienden geld afhandig maakt en zijn jonge gezin tot diepe armoede brengt. Als hij stiekem haar meubels verkoopt en op mysterieuze wijze met medeneming van de familiejuwelen verdwijnt, lopen de emoties hoog op. Maar Clare blijkt een appeltje voor de dorst achter de hand te hebben gehouden. De schilderijen die achteloos in de kinderkamers hangen zijn geen kopieën, zoals ze altijd beweerde tegen haar man. Nu vader vertrokken is, kunnen de kostbare originelen worden verkocht en kan er eindelijk op ruimere voet geleefd worden.

    Muziek speelt een belangrijke rol

    Cordelia wil violiste worden, maar heeft nul talent en is tot grote frustratie van haar jongere zussen, de tweeling Mary en Rose, daarvan niet te overtuigen. Wat liefdevolle haat en nijd oplevert. De twee zussen erfden wel het muzikale talent van hun moeder en zijn voorbestemd om beroemde concertpianistes te worden. Het jongste broertje Richard Quin is een wonderkind met een bovennatuurlijke levenswijsheid. Moeder Clare, rots in de branding die het gezin bij elkaar houdt, komt wat wereldvreemd over. Ze heeft een verwarde haardos en loopt in zakkige kleren, wat haar niets kan schelen maar wat begin vorige eeuw in Engeland not done was.

    Rose is de verteller van het verhaal. Ze is dol op haar excentrieke ouders en heel close met Mary. Ze hebben allemaal moeite met Cordelia, die zich geneert voor haar ouders en een gewoon (en saai) leven zou willen. Rose beschrijft de herinneringen aan haar jeugd gedetailleerd en met uitgesponnen dialogen. Ze is hardvochtig en kritisch, maar ook humoristisch, met grappige metaforen, fantasieën en denkwijzen, met anekdotes binnen verhalen en herinneringen aan diverse personages. De conflicten zijn klein en alledaags, – wat eten we, wat gaan we doen, wie studeert piano – met neiging tot gebabbel. Vooral in deel een zijn het kinderen die de wereld ontdekken aan het begin van de vorige eeuw, wat wel eens gedateerd overkomt. Tegelijkertijd geeft het een mooi tijdsbeeld, mede dankzij Wests meedogenloze pen. De kleding, de etiquette, de eerste auto en de afhankelijkheid van bedienden, niets wordt gespaard.

    The Forsythe Saga van John Galsworthy (1867-1933) en De jaren van Virginia Woolf (1882-1941), of The Old Filth trilogie van Jane Gardam (1928) zijn net zulke heerlijk uitgesponnen familiegeschiedenissen, waarmee Rebecca West zich prima kan meten. Ook wordt een vergelijking met The Cazalets van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) wel aangehaald.

    Andere personages

    In de trilogie van rond de 1250 bladzijden komen veel markante personages voor. Enkelen verdienen het om genoemd te worden, zoals Nancy Phillips, een vriendin van Cordelia en later ook van Mary en Rose. In deel een wordt haar vader vermoord door haar moeder, Queenie. Een ingrijpende gebeurtenis in de levens van de nog jonge meisjes. Hun eigen vader is betrokken bij het proces om Queenie een lichtere straf te geven. Tante Lily, de inwonende ongetrouwde zus van Queenie, kan nergens heen en wordt opgenomen door de Aubrey’s. Vervolgens brengt Lily hen in contact met haar oude vrienden, oom Len en tante Milly. Hartelijke, warme mensen die The dog and duck runnen, een uitspanning aan de Thames. Een levendige plek waar de familie Aubrey zich thuis voelt.

    Meneer Morpurgo is een rijke jood en weldoener, een zeer menselijk en bovenmatig aardig heerschap, die het gezin altijd heeft ondersteund. Aanvankelijk was hij een bewonderaar van vader Piers. Keer op keer hielp hij Piers als hij zich weer in de nesten had gewerkt. Als Piers zijn gezin verlaten heeft, raakt meneer Morpurgo steeds meer betrokken bij de familie.

    Een ander belangrijk personage is nicht Rosamund, uit het gelijknamige deel drie van de trilogie. Haar vader Jock, een verschrikkelijke man volgens Rose, is een neef van Clare. Constance en Rosamund zijn diepongelukkig bij hem en ook zij trekken bij de familie Aubrey in. Constance en Rosamund zijn rustig en wijs en hebben een louterende invloed op de veel onstuimigere Aubrey-kinderen. Mary en Rose bewonderen hun nicht en vooral Richard Quin is dol op haar – tussen hen sluimert een diepe liefde, maar het blijft wel allemaal lief en braaf.

    In deel twee, Mary en Rose, studeren de tweelingzussen piano, beiden aan hoogstaande conservatoria. Cordelia vindt een echtgenoot en kan eindelijk haar vreselijke familie ontvluchten. Mijnheer Morpurgo wordt een huisvriend met vaderlijke kwaliteiten, en de eerste wereldoorlog breekt uit. Richard Quin gaat het leger in en moeder Clare blijkt ernstig ziek te zijn. Dit deel eindigt met een mooie invoelende beschouwing op het stervensproces van Clare.

    Rosamund

    Deel drie, Rosamund, speelt in de jaren na de eerste wereldoorlog en is een samenraapsel van eindjes uit de vorige twee delen, die nog niet afgeknoopt waren. De achtergrond van oom Len wordt duidelijk, Nancy trouwt en haar moeder komt vrij. Rosamunds huwelijk is een hoogtepunt in het boek. Rosamund, lang en blond, trouwt met een onooglijk klein, maar schatrijk mannetje.

    Rose heeft een stellige mening over de man van haar vriendin en wint geen doekjes om haar beschrijvingen van uiterlijkheden of karaktereigenschappen. ‘Ik was woedend. Het ging tegen de natuur in dat ze gelukkig zou worden met deze man, die een kop kleiner was dan zij, die absurd gebouwd was, wiens hoofd bijna meteen aansloot op zijn lijf dat zo geleidelijk aan van mollig tot kleine voeten verschrompelde dat hij een vis leek die op zijn staart stond.’

    Toch blijft Rosamund als personage schetsmatig. We komen in deel drie niets meer te weten over haar stille-water-karakter, wat een teleurstelling is. Rosamund reist met haar man over de wereld en heeft geen tijd meer voor haar oude vriendinnen. Alsof ze door met hem te trouwen alle herinneringen aan Richard Quin, die ontegenzeggelijk haar grote liefde was, en de armoe en ontberingen uit haar jeugd wil vergelden. Aan Rose knaagt het gemis van Rosamund en ze mist ook haar vader, moeder en Richard Quin, maar die zijn overleden. ‘Rosamund had bestaan, en aangezien ze niet overleden was, moest ze nog steeds bestaan.’

    Rose en Mary treden veelvuldig op in Europa en Amerika. Ze zijn well-to-do en laten het breed hangen na hun armoedige jeugd. Toch houden ze een sterke hang naar vroeger en wonen ze nog thuis met hun oude bediende Kate. Uiteindelijk vindt Rose de liefde, ze omarmt het huwelijk en ontdekt het genot van seks. Alsof West hiermee wil zeggen dat dit het is waar het in het leven om draait.