• Het verhaal en de werkelijkheid

    Het verhaal en de werkelijkheid

    Om mij te overtuigen is niet veel nodig, als het verhaal maar goed is. De huishoudelijke hulp in Huiswerk van Marja Pruis bestaat voor mij echt. Net zo goed dat Clara, het hoofdpersonage, de schrijfster zelf is. De vrouw die op de vraag ‘Wat ben je aan het doen?’, niets over zichzelf zegt. Clara denkt: ‘Het probleem is dat ik mensentaal moet kiezen voor het bestaan dat ik liever poreus houd. Ik moet uitleveren wat ik liever ongezegd laat, bang dat het verdwijnt zo gauw je het onder woorden brengt.’, maar zegt, ‘Ik ben aan het werk.’ Ja, ja, dat kennen we. En Edward uit De Alpenfederatie van Gregor Verwijmeren, dat is gewoon Elon Musk. Het is de waarachtigheid van literatuur die me ervan overtuigt de achterliggende beelden te herkennen.

    Deze week berichtte The Observer dat het verhaal van Raynor Winn, over haar wandeltocht met haar zieke man Moth over het South West Coast Path van zuidwest-Engeland, verzonnen is. Het is het soort informatie dat ik normaal gesproken direct aan de man doorvertel (moet je nou eens horen), maar hield het stil. In de keuken spoelde ik koffiebekers onder de kraan af. De man kwam uit de tuin, zei iets over tuinbonen en slakken. Het waren mijn tuinbonen, evenals de tomaten die ik gepland had. Wat hij wilde zeggen was dat ik ze misschien moest gaan oogsten, die tuinbonen. Ik mompelde ja,ja. 

    Dat ze niet Raynor en Moth Winn heten, maar Sally en Tim Walker, is oké. Dat ze niet zelf bedrogen waren door een vriend waardoor ze hun huis kwijtraakten, maar dat Raynor (Sally dus) in haar baan als boekhoudster een aanzienlijk bedrag achterover had gedrukt, doet het hele verhaal kantelen. Om een proces te vermijden, offerden ze hun huis op. Daar, dat is het verhaal volgens The Observer. Dat je niet wilt geloven als blijkt dat wat je eerder geloofde niet waar blijkt te zijn. Daarom zeg ik nog even niks om het bij het oude te houden.

    Wat het gekke is, dat ik, met dit verhaal van bedrog in mijn hoofd, Raynor (Sally dus), er op de foto’s die er bij deze artikelen staan, opeens onbetrouwbaar vind uitzien. Strak glimlachend kijkt ze in de camera met Gillian Anderson die de rol van Raynor in de film The Salt Path speelt, naast zich. Ik lijk mijn moeder wel, die aan elk vriendje dat de laan uitvloog en waar ze eerst vreselijk mee kon lachen, opeens niets goed meer vond. Geloofwaardigheid is geen duurzaam ding. Er kan zomaar iemand komen die een verzwegen stukje uit je geschiedenis oplepelt. En hoe dat dan weer te interpreteren. Was er niet eens een (Australische?) schrijfster die zich over gaf aan de vliegen tot haar lijf er zwart van zag? Zelfs in haar oren en neus zaten ze. Het bleek niet waar te zijn. 

    Het zoutpad was geen goedgeschreven boek, maar het was wel een goed verhaal. De verteller, Raynor Winn (Sally Walker dus) zat angstig onder de trap toen de deurwaarders kwamen. Waar ze bedacht te gaan lopen, er een boek over te schrijven. Ik zag het mezelf doen, niet bij de pakken neerzitten, rugzak om en lopen maar. Dat alles wat je jezelf ziet doen, wel waar moet zijn.  Later die avond toen we een film keken, zei ik het dan toch. ‘Zeg, wist je dat…?’ Hoe graag je dan het bedrog uit de doeken doet. Denk aan mijn moeder. Het is me wat.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Wereld van onvermogen

    Wereld van onvermogen

    Dat je aan niemand, zo in het dagelijkse leven, kunt zien dat er seks in het spel is. Dat er verlangens zijn. Ik bedoel, de mens, netjes gekleed, goed gekapt, zeg maar, presentabel. Hoe vreemd gedachten kunnen zijn, hoe goed verborgen de dingen kunnen blijven. Alleen ik zelf ken mijn slechtste gedachten. In een boek vinden die hun plaats. Een boek als manier om onverbloemd de waarheid te zoeken.

    Wie ik ben, van Levi Jacobs is rauw en dwingend. De ik lijdt aan eenzaamheid. ‘Een eenzaamheid zo diep dat ik erin verdrink.’ Schrijven de manier zichzelf te ontdekken. ‘Ik moet gewoon ergens beginnen. De rest komt later wel.’ Om die eenzaamheid te overwinnen, verlaat hij zijn vriendin. Begint een relatie met een jongere vrouw. Is verslaafd aan porno en drugs. Het wordt er allemaal niet mooier op als hij tijdens een triootje een van de vrouwen tegen haar zin penetreert. Diezelfde nacht een zwerver in elkaar slaat. 

    Dit boek voelt als het betreden van een gebied waar vergeten is het bordje ‘Verboden toegang’ bij te zetten. Het is intiem, en heftig. Al is er met de constructie, de intentie van de schrijver, niets aan de hand. Ik lees over de transitie van een jonge advocaat naar schrijver.

    Over het verlaten van zijn vriendin zegt hij tegen zijn vader, een gepensioneerde huisarts die in zwijgzaamheid excelleert, ‘Ze belemmerde me. Een schrijver hoort niet in een gerenoveerd appartement in een Haagse yuppenwijk.’

    In Why I Write zegt Joan Didion dat ze schrijft ‘om te ontdekken wat ik denk [..] Wat ik wil en waar ik bang voor ben.’

    Levi Jacobs raakt aan zijn diepste zelf, iets om te herschrijven. Juist vanmorgen belde ik met een vriendin die zei dat ze een nieuw mensbeeld van zichzelf moest schrijven. Haar zelfbeeld klopte niet meer met hoe ze de wereld om zich heen verdroeg.

    Hokwerda’s kind was een heftig boek. Zelfdestructie, mentale verwaarlozing, seksuele uitbarstingen die in vechtpartijen eindigen. Wie ik ben blaast je van je sokken. Levi Jacobs overschrijdt de grens van het toelaatbare. Dat is wat schrijven vraagt, de naakte waarheid.

    Hij wil Salinger, zegt hij tegen zijn ex-vriendin als hij met zijn sleutel haar (voorheen hun) huis binnendringt om zijn boeken te halen. Welke boeken zou ik willen als ik huis & haard verlaten had? Ik denk Ginzburg, Zo is het gebeurd, Pruis, die me in het gelid zet, in schrijvende zin. En Braaf meisje van Philip Roth.

    Het noemen van schrijvers als Nanne Tepper zijn als een plaatsbepaling van Jacobs  in het literaire veld. Jeroen Brouwers schreef over Nanne Tepper: De avonturen van Hilliebillie Veen is even autobiografisch als De eeuwige jachtvelden […]  men komt er dezelfde ingekookte ikken in tegen en Hillie Veen, […] is geen ander dan Nanne Tepper zelf.’ Ik zou hier kunnen zeggen dat de Levi in Wie ik ben, de ingedikte ik, geen ander is dan de schrijver Levi Jacobs zelf. Ondanks de roman aanduiding.

    Als twaalfjarige zet Levi een jongen die hem had afgerost met een afgebroken ruitenwisser, een revolver tegen het hoofd. De macht die hem bij deze overspoelt. ‘Ik Levi, onaantastbaar. Gevreesd. Niemand kan mij wat maken.’ Een beeld dat zijn leven toonzet, hem opbreekt.

    Meer over schrijven. Toen hij in Marokko was. ‘Ik struinde wat door Marrakesh, was vrij en gelukkig. Schreef verhalen, at tajine, rookte aan een stuk door’ Het is de enige passage in het boek waar van geluk gesproken wordt. Annie Dillard karakteriseert het maken van een boek als ‘het leven in zijn meest vrije vorm’. Dat we onszelf een beeld maken waarin we geloven, ten goede of ten kwade.

    Dan, de onbetrouwbare moeder. Als kind las ze hem voor uit Marga Minco en Mulisch. De jongen wil niets liever dan dat het leven zo blijft. ‘Mama die op me wacht. Mij rondrijdt, haar jongste kind, haar cadeautje, verrassing, haar kroonprinsje, haar liefje.’ Onbetrouwbaar omdat de volgende dag er geen warm welkom is, moeder rokend in haar stoel, haar theemok als asbak. Houdt ongemakkelijke monologen over de wereld die naar de klote gaat. God, wat laat dit zich goed lezen.

    Levi voelt de ogen van zijn moeder overal, het stempel dat ze op hem gezet heeft. ‘In alles wat ik deed schemerde haar oordeel door. […] Ik raakte angstig terwijl ik vree, bedacht op het beeld van haar dat zomaar weer kon komen opzetten.’ En dan: ‘Iets in mij is misvormd.’

    De moeder: ‘Waarom nemen mijn kinderen me zo serieus?’

    Het is nog niet genoeg. Levi is onaardig, een obsessieve mastrubeerder, een fetisjist van dames ondergoed, sokjes, en dat alles kan zijn onpeilbare eenzaamheid niet dempen. Hij wil een raadselachtig figuur zijn, een schrijver. Net las Robert Bolanõ en B. Traven. ‘Ik sla mijn notitieboek open en schrijf dat ik naar het vliegveld moet gaan en een vlucht moet boeken naar Mexico.’ Wat hij niet doet. Er is een wereld van onvermogen die aan zijn voeten ligt.

    Wat er doorschemert. Zijn ouders hebben hem gevormd, maar zijn niet verantwoordelijk voor zijn eenzaamheid, het ontbreken van geluk. Dat is wat waard.
    ‘Waarom, vraag ik me af, waarom moeten we overal woorden aan toekennen?’, denkt Levi als zijn vader bij de uitvaart van diens zus enkel, ‘Lieve zus… Slaap zacht.’, in de microfoon fluistert. Dit is geen biecht, maar een knap geschreven bildungsroman.

     

     

    Wie ik ben / Levi Jacobs / 205 blz. / Atlas Contact


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en wat haar beweegt.

     

     

  • Huiswerk voor het geweten

    Huiswerk voor het geweten

    Haar huiswerk maakte hoofdpersoon Clara uit de roman Huiswerk van Marja Pruis vroeger aan de oude dressoirkast, klep naar beneden, met vele laatjes en troepjes. Nu is ze echtgenote, moeder, ouder, wellicht wijzer maar ook zeker (nog altijd) zoekende. Huiswerk is vooral de weerslag van een niet-aflatende zoektocht naar principes, relationele raadsels en onzekerheden, naar het bepalen van een houding tegenover de inmiddels volwassen kinderen en tegenover ongelijkheid en het grote leed in de wereld.

    Over één aspect zijn er geen twijfels en dat is over Clara’s huwelijkse staat en haar relatie met echtgenoot Hartog. Hij is haar ‘hij’, een geruststellend voortdurend aanwezige in de huiselijke situatie, die overigens ook ‘feilloos aanvoelt wanneer hij Clara teveel is’. Pruis benoemt en beschrijft een soort van ‘negatief’ van de vele boeken over rouw en gemis die de laatste tijd verschenen zijn; ze weet te raken in het neerzetten van het fijne vanzelfsprekend gelukkige samenzijn van Clara en Hartog. Er worden niet heel veel woorden vuilgemaakt aan Hartog zelf, maar de roman is doordrenkt van een onderliggende emotie van warmte, dankbaarheid en geluk over zijn aanwezigheid en over hun relatie: een ingevuld verlangen naar nabijheid en aanraken.

    Ouder blijf bezit van het kind

    De relatie met haar grote kinderen is gecompliceerder. Met name zoon Cosmo heeft de leeftijd bereikt waarop hij meent zich allerlei oordelen aan te kunnen meten en dat doet hij dan ook onbeperkt en onbeschaamd. Als jongvolwassene je ouders de maat nemen is een beschrijving die nog ontbreekt in de beroemde ‘Oei, ik groei’-bijbel van Hetty van de Rijt en Frans Plooij – ten onrechte als je Pruis’ humoristische en herkenbare beschrijvingen van deze fase leest. Cosmo heeft scherpe oordelen over van alles en nog wat: het klimaatakkoord, (vermeend) racisme, uitbuiting of de verspillende kledingindustrie en hij is daarin niet bepaald mild tegenover zijn moeder, of buigzaam. ‘Ik begrijp heel goed wat je zegt. Ik ben het alleen niet met je eens. Behoort dat ook tot de mogelijkheden? Nee, dat behoort niet tot de mogelijkheden.’ Bij dochter Lynn heeft een ander aspect de overhand: ‘Ik denk aan Lynn, voor wie ik mijn hele leven bang ben, ook al is dat het woord niet.’

    Interessant is Clara’s overweging waarin ze een veranderende ouder-kind verhouding verwoordt: onze kinderen zijn op een gegeven moment niet meer van ons, maar als ouder blijf je wel bezit van je kind. In die hoedanigheid doe je er als ouder goed aan stil te zitten als je geschoren wordt. Dat doet Clara dan ook in de wijze wetenschap ‘hoe lang de weg is die we moeten afleggen om op het punt te komen waar we compassie voelen.’

    Anything

    Compassie voelt Clara zeker voor haar werkster Rose, aka Bibata. Clara wil goeddoen en dat is een hele toer, al is het maar omdat ‘De rampen van de wereld bijhouden is als proberen om water te tellen.’ Het leven is voor Clara een vat vol gewetensgevallen en het aannemen van een integere houding tegenover haar illegale werkster Rose is daar een praktijkvoorbeeld van. Op kleine schaal etaleert Clara haar goedheid door nederigheid tegenover haar werkster die ze in alles ter wille wil zijn. Ze zou Rose omwille van haar goede geweten het liefst wit uitbetalen, maar doet dat op Rose’ verzoek toch niet. Ze is flexibel in Rose’ werktijden, helpt haar graag Nederlands spreken, bewaart haar loon voor haar, ontvangt haar met thee en zelfgebakken cake en biedt bij voortduring haar hulp aan voor ‘anything’, wát Rose maar wil. Niet voor niets zal Pruis haar hoofdpersoon de naam Clara Feij hebben gegeven, naar de 18e eeuwse Duitse non Clara Fey die enkele eeuwen na haar overlijden zalig werd verklaard: in nederigheid, eerbiedwaardig gedrag en deugdzaam leven zal deze non een lichtend voorbeeld voor hoofdpersoon Clara zijn.

    Twee hoofdstukjes in de roman worden niet vanuit de ik-persoon Clara beschreven, maar vanuit Clara in een personaal vertelstandpunt. Deze wat afstandelijker beschreven Clara laat als ze op vakantie gaat het boek De theorie over morele gevoelens thuis. Wat ze wel meeneemt is Mijn heldere afgrond. Tegen een bekende zegt ze ‘dat hij niet gek moest opkijken als ze in habijt terug zou keren.’ Het geeft de lezer te denken. Geeft ze het streven naar goeddoen op? Is dat het begin van het einde? Komt ze terug als non?

    Worsteling met goeddoen

    Van een heiligverklaring is de Clara uit de andere vijftig hoofdstukken met wie we door het ik-perspectief en haar vele overwegingen en twijfels nauw meeleven ver verwijderd. Dat blijkt uit haar gewetensstrijd en -wroeging nadat het voor Rose opgespaarde geld is verdwenen. De dressoirkast waaraan de jeugdige Clara in haar onschuld haar huiswerk maakte is de stille getuige van de diefstal van het voor Rose bewaarde geld. Alleen Rose weet dat dit geld in een kistje op deze kast lag, alles wijst dus naar haar als dader. De vraag naar de schuldige voegt een min of meer spannend ‘wieheefthetgedaan’-element aan de roman toe en geeft vooral vorm aan Clara’s dilemma, haar verlies van onschuld en haar worsteling met goed willen doen. Ze wil de voor de hand liggende dader niet beschuldigen, verwerpt zelfs de gedachte daaraan – maar die gedachtes zijn er natuurlijk wel degelijk.

    De roman gaat over een gelukkig getrouwde vrouw met twee volwassen kinderen die zichzelf ‘oppervlakkig’ en ‘ambivalent’ noem, die wars is van zekerheden en zo nu en dan een knuppel in een hoenderhok gooit. Een vrouw die kritisch kijkt naar een omgeving waarin vrouwen vaak ‘praalvrouwen’ zijn en die vooral veel nadenkt. Zoals ieder mens waarschijnlijk. Over goed en kwaad, over eigen handelen, over stereotypen, vriendschappen, relaties en, heel praktisch in dit geval, over een illegale werkster en hoe zich tot haar te verhouden. Het boek is enerzijds een feest der herkenning en geeft de lezer anderzijds huiswerk over belangrijke eigen en algemene levensvragen. Dat de roman niet zwaar wordt en dichtbij blijft is een verdienste van Pruis’ prettige schrijfstijl met vlotte dialogen en de nodige humor.

     

     

  • Alles wat ik lees

    Alles wat ik lees

    Ik kon niet slapen. Ik dacht aan A.S. Byatt, waarover Marja Pruis schreef in Oplossingen. Hoe zij ontroerd raakte door iets wat Byatt gezegd had, later weer twijfelde ze of ze het wel goed gehoord had. Ik verwar A.S. Byatt vaak (zo werkt mijn hoofd), met A.N. Ryst, de gelijkende initialen, de ‘y’ in de achternaam. Pruis was in 2016 bij de uitreiking van de Erasmusprijs door koning Willem Alexander aan A.S. Byatt. Ze hoorde haar zeggen, ‘This is the happiest moment of my life.’ Van ontroering sprongen Pruis de tranen in de ogen. Later vroeg ze zich af of dat wat ze hoorde ook gezegd was. Of Byatt niet ‘one of the happiest moments’ had gezegd. Maar dat was niet zo. Daarom moest ik naar beneden. Het leek van belang een boek in handen te hebben van een schrijfster die het gelukkigste moment in haar leven beleefde toen ze de Erasmusprijs ontving. En dat ze daar weer ontroering mee teweeg bracht. Met dat boek zal ik de schakel zijn tussen de ontroering van de een en het gelukkigste moment van de ander.

    Ik pakte Obsessie van Byatt uit de boekenkast. In alles wat ik lees, zoek ik naar iets wat ik zelf ontbeer. Terwijl de katten op de bank tegen elkaar aanschurken, het buiten donker is, wil ik gewoon dat personage in de bibliotheek zijn. De jongeman, Roland, in Obsessie, die zijn dagen doorbrengt in de leeszaal van de Londen Library. ‘Roland had het eenpersoonstafeltje waaraan hij het liefst zat, achter een vierkante pilaar, waar je toch goed zicht had op de klok boven de schoorsteen. Rechts van hem was een hoog en zonnig venster, waardoorheen je de hoge groene bladeren van St James’s Square kon zien.’ Ik verbeeldde mij die figuur te zijn, voelde me getroost.

    Ethel Portnoy schreef in Portret, ‘Pas toen hij dood was, begon ik mijn vader te zoeken.’ Sinds mijn broer er niet meer is, lees ik boeken waarin ik hem hoop tegen te komen. Ik las Harnas van hansaplast van Charlotte Mutsearts, Broer van Esther Gerritsen, Big Brother van Lionel Shriver, Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder.

    Moet een boek wat teweegbrengen om een goed boek te zijn? Ja, dat moet. Er zijn boeken die lezen alsof je een warm mes in een pakje roomboter steekt. Er gebeurt niets, het mes blijft heel, het pakje boter splijt niet doormidden. Daarentegen zijn er boeken die je niet zomaar begrijpt, maar zo geweldig goed in elkaar steken als een design meubel waarvan je de verbindingen niet ziet.

    Nadat ik Deborah Levy’s Living Autobiography had gelezen, dacht ik erover een ‘Birdsongclock’ te kopen. Levy kocht er een nadat ze verlaten was door haar man. In een mail van Koopjedeal (waarom krijg ik mail van Koopjedeal?) werd me onlangs de Birdsongclock met 57% korting aangeboden. Ik was er na aan toe er een te bestellen. Maar bedacht, met een gevoel van opluchting, dat ik er pas een mag kopen als ik verlaten word. Zo zet een boek me tot van alles aan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest terwijl ze leeft.

     

     

     

  • Alles onverwachts

    Alles onverwachts

    Het moet niet gekker worden, dacht ik, toen ik me weer in de badkamer terugtrok met een boek van Marja Pruis. Er was behoefte aan orde, aan een kaart waarop de dingen zich overzichtelijk voordoen. Want je doet maar wat, overziet de gevolgen niet en zit dan weer in de badkamer met een boek op schoot. De toestand Israël/Palestina escaleerde op de ochtend van de verjaardag van de tweeling kleindochters. En de kat at niet meer, was snotverkouden. Je dacht, dat kan er nog wel bij, een kat met een snotneus. De dag daarop fiets je naar het filmhuis. Helen Mirren speelt Golda Meir in de film Golda. Over haar rol tijdens de Jom Kipoeroorlog in 1973. Het was exact vijftig jaar later dat Israël opnieuw werd aangevallen. Alsof ze het erom deden, een film tevoorschijn halen om alles nog eens te verfijnen. 

    Mirren was verdwenen in een pak dat haar het postuur van Meir gaf. Alleen haar mond, tot een streep vertrokken, gaf enig houvast. Met olifantsbenen liep ze zwaarmoedig door de gangen van een ondergronds geheel. Ik zág Golda Meir. Ziek als ze was, onophoudelijk rokend, de ene sigaret met de andere aanstekend. Je dacht, hou daar toch eens mee op. Niemand die er iets van zei. Ze moest een land redden. In de film zei Meir tegen haar militaire staf, ‘Ik kruip niet onder de tafel, maar ik hou jullie niet tegen.’ Ze zei, ‘Toen ik als kind in Oekraïne was, sloegen ze voor de lol Joden dood op straat. Ik ben niet [meer] dat meisje dat zich verstopt in de kelder.’ En dat er altijd gevochten zal worden, vanuit onderdrukking, de hang naar overwinning. 

    En dan is er die foto van een oude vrouw in een open truck, meegevoerd door leden van Hamas. Een onvoorstelbaar gewone vrouw. Je ziet in haar je moeder, je grootmoeder, in zekere zin jezelf. Haar hoofd opgeheven (nee, niet fier), haar rechterarm hangt naar beneden, haar andere rustend in de schoot van een roze schort. Er is iets met dat schort. Het zit rommelig. Misschien is het een tafelkleed. Stond ze op het moment dat ze haar oppakten, in de deuropening van haar huis dat kleed uit te kloppen (denk niet aan de gewoonheid van broodkruimels, druivenpitten die eruit gleden). Het kleed in haar handen geklemd toen ze gedwongen werd in de truck plaats te nemen. In haar gezicht zoek je vergeefs naar sporen van paniek, verdriet.

    In de badkamer lees ik hoe Pruis aan Louis Tas vraagt waar hij met zijn patiënten naar op zoek is. ‘Naar de dingen die ze misschien nog teveel wegstopten en waarom.’, zei Tas. Dingen stop je weg omdat je je ervoor schaamt. ‘Schaamte is niet alleen een onderkennen van wat er aan de hand is. Het is als vorm van zelfminachting een soort ziekte. (…) tegen beter weten in, identificeert de schamer zich met de minachter, als hij zich afhankelijk voelt van diens oordeel.’ Opnieuw kijk ik naar de foto met de oude vrouw in die truck, zie de schaamte om de ongepastheid van alles, het uitgeleverd zijn, het niet weten. Vooralsnog was alles onverwachts. 

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Zinnen die passen

    Zinnen die passen

    Deze zomer was ik omringd door boeken van vrouwen. Hoe prettig is het om zinnen te lezen die zo vertrouwd overkomen dat je ermee wegloopt. Zoals Annie Dillard in haar essay, ‘Totale zonsverduistering’ na een verpletterende zonsverduistering (1979) in hartje Washington, tussen opmerkingen van toeschouwers door, ‘Zag je hoe…? Zag je dat…?’ een jonge student hoort zeggen, ‘Zagen jullie ook de witte ring? het was net een Life Saver, zo’n pepermuntje in de vorm van een reddingsboei.’ ‘Verdomd’, denkt Dillard, ‘Die jongen sloeg de spijker op zijn kop. Zelf had ik zo’n woord op dat moment niet paraat.’
    De paraatheid van woorden op het juiste moment is zo’n ding waar het bij mij aan schort, daarom lees ik, geloof ik.

    Vivian Gornick schrijft in Verstrengeld, het boek over haar wandelingen door New York met haar moeder, over haar pogingen tot iets te komen. ‘Ik ging aan mijn bureau zitten en deed mijn best om na te denken.’ Het leek of ze dit voor mij had opgeschreven. Jarenlang deed Gornick haar best om na te denken. ‘Net zoals mijn moeder zei dat ze haar best deed om te leven. Zij vond dat ze een medaille verdiende omdat ze ‘s morgens haar benen over de bedrand zwiepte en ik vond dat ik er een verdiende door alleen al aan mijn bureau te zitten, geloof ik.’ Dat het afwassen, uit het raam kijken, het nog eens koffie zetten terwijl je schrijft, zin heeft, in feite een medaille verdient, dat past me wel.
    Ik hou van Gornick en haar moeizame relatie met haar moeder. Ze zien elkaar het liefst lopend. ‘Ik ben nu vijfenveertig en mijn moeder is zevenenzeventig. (…) Zonder moeite doorkruist ze met mij het eiland Manhattan. De liefde voor elkaar spat er niet vanaf op onze wandelingen, we gaan vaak tegen elkaar tekeer, maar wandelen zullen we.’  

    In Onroerend goed schrijft Deborah Levy over een dossier waarin ze de dingen die bij haar lijken te horen, (of waar zij bij wil horen), dingen die je ‘moet hebben’ opslaat. Zo creëert ze haar toekomstige leven, het is een dromendossier. In het dossier zit een huis in Griekenland met een granaatappelboom in de tuin. Later voegt ze daar een herenhuis in Parijs aantoe. Daarin wil ze een ingebouwde haard in de vorm van struisvogelei die ze in Santa Fé Nieuw-Mexico in een hotel had gezien. Gemaakt van adobe (hier raadpleegde ik internet om te weten dat adobe niet alleen een hulpprogramma voor mijn computer is, maar in zijn oudste betekenis leemsteen is). Levy raakte verknocht aan ‘dit brandende ei’, ze moest het hebben, daar is zo’n dossier dan handig voor.

    De dingen vormgeven met wat je ziet en hoort. De deze week overleden Jean-Luc Godard had een voorliefde voor raadselachtige, abstracte zinnen. Wat ik niet wist is dat hij die zinnen ‘plukte uit films, proza, poëzie en filosofische verhandelingen’. Soms citeerde hij zonder het te beseffen, zo eigen werden die zinnen hem. In een interview zei Godard eens, ‘Zo’n zin moet iets met mij te maken hebben, maar ik weet niet precies wát. Het is als een kleur maar dan met woorden.’ Ja, daar herken ik mij in, gekleurde woorden, woorden die passen als een jurk van goede snit. 

     

    Bron: Volkskrant, Postuum Jean-Luc Godard (1930-2022) door Kevin Toma.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

  • Indrukwekkende essays getuigen van noodzaak

    Indrukwekkende essays getuigen van noodzaak

    De Amerikaanse auteur Annie Dillard (1945) schrijft proza, poëzie en literaire kritieken, maar is vooral bekend vanwege haar non-fictie. Haar essaybundel Pelgrim langs Tinker Creek uit 1974 leverde haar de Pulitzerprijs op. In 2020 won Henny Corver de Filter Vertaalprijs voor de Nederlandse editie van dit boek. Corver vertaalde ook De overvloed, een verzameling van wat Dillard zelf haar beste essays noemt. In haar voorwoord introduceert Marja Pruis de persoon Dillard en noemt stukjes uit de essays die in het boek voorkomen, precies genoeg om nieuwsgierig te maken naar meer.

    De essays in De overvloed schreef Dillard op verschillende momenten in haar leven, grofweg tussen halverwege de jaren zeventig en het begin van de jaren negentig. De onderwerpen lopen uiteen. Zo beschrijft Dillard in het essay ‘Disneyland’ hoe een gezelschap van Chinese auteurs en critici een bezoek brengt aan de Verenigde Staten voor een schrijverscongres. De locatie is Disneyland. Op enkele bezoekers zoomt ze in. Zo beschrijft ze Liu Binyan, bekend van zijn artikelen over corruptie in China: ‘Hij oogt jong, thuis in de wereld; zijn donkere kostuum zit hem wonderwel als gegoten. Na zijn beroepsverbod heeft hij tweeëntwintig jaar dwangarbeid verricht. Nu wandelt hij door Disneyland.’

    Dwangarbeid en Disneyland

    Het heeft iets absurds, de literaire elite in een pretpark vol cartoonfiguren. De bijna terloopse zin over dwangarbeid is vergeten wanneer het gezelschap gaat lunchen in het park en Dillard de taalbarrière beschrijft: wanneer hostess SUSI – zo staat het op haar badge – beleefd aan iemand van de Chinese overheid vraagt of hij Disneyland leuk vindt, is zijn antwoord prompt ‘nee’. Hij dacht dat ze vroeg of hij er al eerder was geweest. Hier zijn complimenten voor Henny Corver op zijn plaats, want de taalkundige misverstanden zijn ook in het Nederlands geslaagd.

    De vakantieanekdote, gezellig en herkenbaar, maakt plaats voor een scène waarin Dillard met mevrouw Fran, de secretaris van het gezelschap, buiten staat. Een Amerikaans jongetje van een jaar of vijf, met een pistoolriem om zijn middel, komt op hen af en vuurt met maar liefst twee pistolen denkbeeldige kogels af op de twee vrouwen. Hij weigert op te houden tot Dillard een idee krijgt: ‘Ik opper dat mevrouw Fan naar haar borst moet grijpen en zogenaamd moet sneuvelen om hem ter wille te zijn en om een einde te maken aan de slachtpartij; zo gezegd, zo gedaan.’ 

    Het essay eindigt met een herkenbaar scenario voor iedereen die ooit op schoolreisje is geweest. Toneelschrijver Chen Baichen is  zoekgeraakt, midden in Disneyland. De droge humor van Dillard komt hier om de hoek kijken. ‘Sommigen in het gezelschap zijn van mening dat Chen Baichen, die twee wereldoorlogen, bezetting, bevrijding, hongersnood, de campagne tegen rechts en de Culturele Revolutie heeft overleefd, Disneyland waarschijnlijk ook wel aankan.’ Wanneer hij wordt gevonden, omhelst Dillard hem spontaan, alle etiquetteregels vergetend. Hij is zo ontroerd dat hij huilt. Een treffende vergelijking: de huilende Chinese man en het Amerikaanse jongetje dat kogels bleef schieten tot zijn slachtoffers deden alsof ze getroffen waren.

    Kritische kijk op rijkdom

    Geweld is een terugkerend thema in Dillards werk, net als de natuur. In het essay ‘De wezel’ staat ze opeens oog in oog met dat dier, waarna ze aan het leven van de wezel denkt (‘alles opmerken, niets onthouden’) en vervolgens aan de vraag hoe zij moet leven, hoe wij mensen moeten leven. ‘De wezel laat zich leiden door noodzaak en wij door keuze; wij haten noodzaak en sterven uiteindelijk onwaardig in zijn klauwen.’ In tegenstelling tot de Amerikaanse mentaliteit is Dillard kritisch op het rijke westen, onder meer in het essay ‘Tsunami’. ‘We doen ons in restaurants tegoed terwijl overal mensen verzwakken en verhongeren, mensen die stuk voor stuk zonen en dochters zijn.’ Alle essays, hoe verschillend ook, ademen noodzaak. Dillard móést dit opschrijven, voor haar was er geen andere keuze. Hoewel de teksten meer dan dertig jaar oud zijn, zorgt deze achterliggende noodzaak ervoor dat het lijkt alsof ze gisteren zijn geschreven.

    Een ander indrukwekkend essay is ‘Zo moet je leven’, waarin Dillard op hypnotiserende wijze een blik werpt op het fenomeen ‘cultuur’. De dichter in haar komt naar boven wanneer ze over mensen schrijft. ‘Ze bidden; ze werpen mensen in veenmoerassen; ze helpen de zieken en gewonden; ze doorboren hun lippen, hun neus, hun oren; ze maken dezelfde fouten, in weerwil van religie, geschreven taal, filosofie en wetenschap. Ze bouwen, ze doden, ze behouden, ze tellen en schatten, ze koken de pot, ze houden het vuur gaande; ze vertellen hun verhalen en gorden zich aan.’ 

    Fluisterend en schreeuwend

    De variatie in taalgebruik is kenmerkend voor Dillard. Een essay kan relatief rustig beginnen, op een soortgelijke toon als ‘Disneyland’, en vervolgens versnellen als Dillard op stoom komt en de woorden om zich heen smijt. Dat levert prachtige zinnen op, zoals: ‘Bewonder de wereld omdat ze nooit het bijltje erbij neergooit – zoals je een tegenstander zou bewonderen, zonder je blik van hem af te wenden of weg te lopen’, en ‘Een van de weinige dingen die ik van schrijven weet is dit: zet alles in, schiet, speel, verspeel alles, zonder nadenken, elke keer opnieuw’. Dit combineert Dillard met nuchtere adviezen, zoals: ‘Zinnen van een recept componeren is niet minder lastig dan zinnen van Moby Dick componeren. Dan kun je net zo goed Moby Dick schrijven.’ De inhoud van Dillards teksten is boeiend, maar haar taalbeheersing voegt veel toe. De overvloed leest alsof Dillard op het podium staat, soms fluistert en soms schreeuwt, vertraagt en weer versnelt, haar publiek daarmee zo in haar ban houdt dat niemand na haar laatste buiging aan klappen denkt.

     

     

  • Verbinden zonder te versmelten

    Verbinden zonder te versmelten

    De Amerikaanse Vivian Gornick (1935), bekend als feministe, criticus, journalist en essayist, heeft verschillende werken geschreven. Voor haar essaybundel uit 1997, in het Nederlands vertaald in 2020, Het einde van de liefdesroman, werd zij genomineerd voor de National Book Critics Circle Award. Dit interessante werk, dat werd vertaald door Caroline Meijer en wordt ingeleid door journalist en schrijver Marja Pruis, laat je nadenken over de relatie tussen vrouwen en mannen, leven en werk, over het huwelijk, en over deze thema’s in de literatuur.

    Los van het huwelijk

    Het einde van de liefdesroman is opgedeeld in hoofdstukken of essays en in ieder hoofdstuk staat een roman, een auteur of een thema zoals ‘Teerhartige mannen’ centraal. De bundel begint met Diana of the Crossways, een roman van George Meredith uit de late negentiende eeuw. In deze roman wordt niet het traditionele verhaal verteld over ontluikende liefdesgevoelens tussen een intelligente vrouw en een wilskrachtige man waarbij de strijd pas is beslecht als de vrouw zwicht voor haar gevoelens voor hem, maar juist het tegenovergestelde. Hetzelfde zien we in bijvoorbeeld The House of Mirth van Edith Wharton en Mrs. Dalloway van Virginia Woolf. In deze romans vechten vrouwen zich los van het huwelijk. Ze streven naar onafhankelijkheid, in plaats van romantische verbondenheid. Gornick stelt dat deze romans, en die van Meredith in het bijzonder, opvallend goed aansluiten bij de actualiteit. Maar wij kennen tegenwoordig toch heel andere sociale omstandigheden en een meer egalitaire verhouding tussen man en vrouw? Allemaal waar, maar waar het Gornick om gaat, is dat de sprong die hoofdpersoon Diana naar zichzélf maakt, ook een kenmerk is van onze eigen tijd: de gerichtheid op de individuele behoeften en ontwikkeling, en het besef dat de liefde daar niet voor nodig is.

    Literatuur als reflectie van het leven

    Veel van de werken die Gornick bespreekt, verbindt ze aan het leven van de auteur van het desbetreffende werk. Deze biografische inslag, die voor Gornick gerechtvaardigd is in de verbondenheid tussen het leven en werk van een kunstenaar, geeft een extra laag aan het geheel en zorgt daarmee voor meer diepgang. Zo gaat ze in op het huwelijk van Marian Hooper Adams (Clover) en Henry Adams, Henry’s boeken en de zelfmoord van Clover, of de beruchte relatie tussen de filosofen Hannah Arendt en Martin Heidegger. Gornick poogt te laten zien dat veel liefdesromans gebaseerd zijn op de eigen ervaring; literatuur als reflectie van het leven. De essaybundel is daarmee een vlechtwerk van biografische gegevens van auteurs en narratieven van de romans, die samen vertellen over gebroken huwelijken, affaires, passiviteit en bovenal: de zoektocht naar je innerlijke persoonlijkheid. Gornick zelf is tevens onherroepelijk aanwezig in iedere analyse die ze schrijft; ieder inzicht laat zich lezen als een zelfonderzoek van de auteur.

    Moeder-dochterrelaties

    Als feministe hadden we van Gornick ook niet anders verwacht: ‘de vrouw’ staat in haar werk centraal. Zij gaat in Het einde van de liefdesroman op zoek naar de manier waarop voornamelijk vrouwen, echte en fictionele, liefdesrelaties aangaan, en stelt daarbij dat álle intieme banden die mensen onderhouden geërotiseerd zijn. Het gaat er altijd om hoe je je met de ander kan verbinden zonder volledig in elkaar op te gaan, ‘hoe je tot de ander te verhouden zonder opgeslokt te worden, hoe afstand te nemen zonder je terug te trekken.’ En daarmee is het, zoals altijd, ook een zoektocht naar en worsteling met de eigen identiteit. Het gaat om de vrouw in relatie tot de man in het huwelijk, maar interessant genoeg gaat Gornick ook in op de meedogenloze verhouding tussen moeder en dochter. ‘Van Oedipus tot Freud wordt de strijd om een plaats in de wereld naar ons idee bepaald door een vader-zoonconflict, een geschiedenis van geweld en dadendrang die de verbeeldingsvolle handeling die zelfbeschrijving heet eeuwenlang heeft gevoed.’

    Gornick laat, eerdere denkers zoals D.H. Lawrence volgend, zien dat juist de moeder-dochterrelatie, in het bijzonder het (niet of moeizaam) loskomen van de dochter van de moeder, betekenisvol is in de literatuur. Volgens Gornick ligt dit aan de ‘dubbelzinnigheid’ die de vrouw eigen is. Hier schiet haar analyse wat tekort. Deze bestempeling doet geen recht aan de vrouw, het duwt haar weer in het hokje met connotaties als ‘onpeilbaar’, ‘grillig’ en ‘mysterieus’, waar we juist zo graag vanaf willen. Hoewel Gornick zich ervan bewust is dat er nog heel wat vastgeroeste patronen tussen man- en vrouwbeeld bestaan, stelt ze op andere momenten in de bundel de scheiding tussen man en vrouw strikter voor dan nodig, wat afbreuk doet aan haar algehele analyse.

    Betwistbaar standpunt

    De prikkelende titel van de bundel zien we terug in de titel van het laatste hoofdstuk, waarin ze betoogt waarom de liefdesroman niet langer zal bestaan. Het hele werk beweegt namelijk richting deze stelling: de liefde had niet het effect op ons dat we verwacht hadden, of waar we op hadden gehoopt, en daar getuigen vele romans van. De liefde maakte ons niet zachtaardig of empathisch, zij belemmerde ons in de zoektocht naar onszelf. We moeten volgens Gornick onder ogen zien dat het liefdesverhaal ons geen inzicht oplevert; het is niet het enige verhaal dat ertoe doet.

    Hoewel Gornick goede punten aandraagt, helder schrijft en meestal goed te volgen is, is het goed mogelijk dat ze je niet overtuigt van haar standpunt over de stand van de liefdesroman en de liefde in het algemeen. Het werk laat immers maar één zijde van de munt zien: die van ongelukkige huwelijken en relaties, van voornamelijk vrouwen (uit bijna louter Engelstalige literatuur) die er niet in slagen zichzelf te vinden dankzij de ander. Ook is het karakter van de hedendaagse literatuur met Gornicks inzicht in tegenspraak, omdat deze jongste literatuur juist laat zien dat personages op zoek zijn naar (niet zelden romantische) verbinding met anderen. De liefde leidt wellicht inderdaad niet altijd tot een geïntegreerde persoonlijkheid, toch is het vaak de relatie met anderen die tot zelfinzicht leidt.

    Denken als doel

    Het einde van de liefdesroman stelt interessante vragen, waarop Gornick gewaagde antwoorden geeft. Naast het feit dat je veel leert over Engelstalige auteurs en hun romans, leer je ook veel over Gornick. De zoektocht naar jezelf, en de realisatie van je innerlijke zelf, wordt volgens haar niet langer gevonden in de romantische liefde: eeuwenoude romans getuigen daar van. Een interessante stelling, en of je het er mee eens bent of niet het zet je hoe dan ook tot denken aan. En dat kan nooit kwaad.

     

     

  • De positie van vrouwen in de maatschappij

    De positie van vrouwen in de maatschappij

    Marja Pruis is geen onbekende in het Nederlandse schrijverslandschap. Haar romans worden steevast genomineerd voor literaire prijzen. Het meest echter wordt Marja Pruis gewaardeerd omwille van haar gevatte columns en essays. In De Groene Amsterdammer schrijft ze al ruim tien jaar over het leven, de zin en onzin van onze dagelijkse riten, de plaats van de vrouw in de maatschappij of gewoon de dingen die zich in haar leven afspelen. In de bundel Oplossingen zijn haar al eerder gepubliceerde stukken aangevuld met nieuw materiaal. Een bundel in vijf hoofdstukken, of liever thema’s, en kreeg als ondertitel Het leven, mijn handreiking. Wie echter kant-en-klare oplossingen verwacht voor existentiële problemen, kan zich de moeite besparen.

    Pruis snijdt nogal wat onderwerpen aan die een probleem kunnen vormen. Ze doet dat in haar eigen ironische, maar onvervalste en eerlijke stijl met ironie en humor, waardoor de stukken licht te verteren zijn en een glimlach om de mond brengen. De stukken confronteren de lezer met zeer herkenbare situaties en initiëren soms een plaatsvervangend gevoel van ongemak dat gelukkig in de pointe van het stuk of in de laatste zin wordt weggelachen.

    Over liegen en liefde

    Het eerste thema dat Pruis aanpakt is getiteld Liegen. Daarin legt ze via een aantal stukjes uit dat zaken achterhouden of iets niet vertellen niet hetzelfde is als liegen. Ze gaat er vanuit dat haar kinderen en haar man haar stukken niet lezen zodat ze niet geconfronteerd wordt met deze problematiek. Hetzelfde thema komt ook nog aan bod in het hoofdstuk Liefde. Ook in de liefde hoeft niet alles gezegd te worden. Er wordt volgens Pruis teveel aandacht gehecht aan het analyseren van situaties, aan het uitpraten. Sommige zaken moet je voor jezelf kunnen houden, ook in een goede relatie.  Het mooiste aan de stukjes uit Liefde is de vertedering die naar boven komt. Hier verlaat Pruis vaak het spottende en kritische pad, maar zoomt ze in op de relaties met haar moeder, man, kinderen. Door de herkenbaarheid en de  manier waarop het gebracht wordt, raakt Pruis hiermee een gevoelige snaar.

    Vrouw in de maatschappij

    Pruis schrijft over vrouwen en hun positie in de maatschappij. Daarom zijn haar stukken niet direct zo duidelijk voor mannelijke lezers, waarbij dit niet speelt. Vrouwelijke lezers daarentegen begrijpen ongetwijfeld direct waarover ze het heeft. In Slimste mens slaat Pruis de nagel op de kop. Ze haalt enkele clichés over vrouwen aan – autorijden, oriëntatie, talenkennis –  en vraagt zich af waarom vrouwen niets van de wereld kennen. Ze verwijst naar het tv-programma De Slimste Mens waarin vrouwen vaak het onderspit delven. Uiteindelijk komt ze uit bij een emotie dat ook in andere stukken aan bod komt: angst – de angst om beslissingen te nemen, angst om volwassen te worden, angst om alles door elkaar te halen en om verantwoordelijkheid te nemen – een gevoel dat bij haar, en vrouwen in het algemeen, vaak aanwezig is.

    Om daar vanaf te komen verwijst ze naar een bij Petrowskaja gevonden woord Luftmensch, wat niets anders betekent dan sukkel of schlemiel. En daarmee eindigt ook haar betoog, met enige zelfspot. Marja Pruis is een kei in zelfspot en het ondermijnen van haar eigen talenten. Doordat ze naar eigen zeggen overal de beste wil zijn, botst ze vaak op de grenzen van haar kunnen. Vooral in het hoofdstuk Over ouder worden speelt ze hiermee en is haar ironie in elke zin aanwezig.

    Intertekstualiteit

    Waar de lezer moeite mee kan hebben, zijn Pruis’ vele verwijzingen naar en citaten van andere schrijvers. Een belezen iemand zal deze quotes kunnen plaatsen in de grotere context, voor anderen kan het storend werken. Als zou Pruis willen uitpakken met haar grote literaire kennis, toch is het geen etaleren. Ze gebruikt deze verwijzingen vaak om een punt te maken en aan te tonen dat zij niet de enige is die er zo over denkt. Het orgelpunt van de bundel is het stukje Tiptop, een schijnbaar banale opsomming van wensen en raadgevingen en een passend slot voor haar Oplossingen. Een bundel om in te kuieren, om af en toe een stukje in te lezen en te mijmeren. En je af te vragen of jij ook zo over het leven denkt. Vooral als je vrouw bent.

     

  • Oogst week 28 – 2018

    De verzuimcoördinator

    De verzuimcoördinator: over beeld, afwezigheid, bedrog is het vierde boek van beeldend kunstenaar Nicole Montagne. Ook in deze essaybundel geeft Nicole Montagne blijk van een nauwkeurig registrerende blik en het vermogen wat zij ziet in woorden te vangen.
    Rode draad in De verzuimcoördinator is het verlangen om een door bedrog aangetaste werkelijkheid te restaureren. Zelf bedrogen door haar echtgenoot – daar wijdt zij de nodige woorden aan – zoekt ze in beeldende kunst en literatuur naar tekenen van (aanstaand) liegen en bedriegen.
    Niet alle onderwerpen liggen vanuit de thematiek even voor de hand. Een aantal essays waarin Nicole Montagne terugkijkt op haar verblijf in het Praag voor de val van de lijkt meer op zijn plek haar vorige bundel Een makelaar in Pruisen: essays en verhalen (2104).

    De verzuimcoördinator
    Auteur: Nicole Montagne
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek (2018)

    De Nijhoffs en ik of de gevolgen van een genre

    Toen De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk in 1999 uitkwam, zorgde het boek voor ophef vanwege de onconventionele wijze waarop Marja Pruis het leven van A.H. Nijhoff beschreef. De omtrekkende bewegingen die zij noodgedwongen moest maken, leidden tot een indirect portret van een schrijfster en haar huwelijk dat volgens velen de benaming biografie niet verdiende.
    Bijna twintig jaar na dato kijkt Marja Pruis in een inleidend artikel terug op haar drijfveren en de totstandkoming en ontvangst van het boek dat integraal is opgenomen in De Nijhoffs en ik – of de gevolgen van een genre.
    Dat het boek vanwege de vorm omstreden was, is nauwelijks nog voorstelbaar. Wat nu veel meer in het oog springt is de manier waarop de debuterende Marja Pruis haar onwelgevallige eigenschappen van de mensen die haar aan een verhaal moeten helpen beschrijft.

    De Nijhoffs en ik of de gevolgen van een genre
    Auteur: Marja Pruis
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2018)

    The New Jerusalem

    Als Rob Riemen naar New York reist om Patti Smith te verleiden deel te nemen aan een Nexus-conferentie over tegencultuur, treft hij haar schrijvend aan. The New Jerusalem, het prozagedicht in wording, is haar reactie op de beslissing van Donald Trump om de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem te verplaatsen.
    In een inleidend essay dat ongeveer even lang is als het gedicht probeert Rob Riemen vat te krijgen op de visie van Patti Smith op de samenhang tussen kunst, tegencultuur en religieus bewustzijn.
    The New Jerusalem leest vervolgens als een eigentijdse openbaring, waarin in elk geval sporen van Arthur Rimbaud te traceren zijn.

     

    The New Jerusalem
    Auteur: Patti Smith
    Uitgeverij: Nexus Institute (2018)
  • Vrouwen die het heft in eigen hand nemen

    Vrouwen die het heft in eigen hand nemen

    Het is natuurlijk niet evident om een bloemlezing samen te stellen van de beste verhalen van een van ’s werelds grootste auteurs. En toch was dat de uitdaging die Marja Pruis en dochter Greta Le Blansch zichzelf oplegden toen ze besloten dé verhalenbundel samen te stellen van Alice Munro, een van de ‘grande dames’ van de literatuur. Toegegeven, de Canadese schrijfster wordt niet door iedereen gesmaakt, als te feministisch opzij geschoven, maar mag toch beschouwd worden als een van de meesters van het kortverhaal in de moderne literatuur. Dat ze voor haar oeuvre in 2013 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, hoeft dan ook niet te verwonderen.

    In de inleiding van Familiestukken lezen we de correspondentie tussen Marja Pruis en haar dochter. In een uitgebreide briefwisseling motiveren ze hun keuzes. Bizar is wel dat elf van de twaalf verhalen in deze bloemlezing eerder te lezen stonden in de Engelstalige bundel met dezelfde titel, Family Furnishings, uit 2014. De verhalen draaien nagenoeg allemaal rond vrouwen met een tragische levensloop. In de selectie blijkt dochterlief een stuk strenger te zijn dan moeder die het moeilijk vindt om te kiezen. Toch komen ze er samen uit en presenteren ze twaalf zeer verschillende, en toch ook gelijkende verhalen. Dat Pruis en Le Blansch discussies hadden over welke verhalen nu de beste waren lijkt een evidentie. Elk verhaal geeft de lezer immers het gevoel van een roman te hebben verteerd. De manier waarop binnengekeken wordt in het leven van de personages is zo waarachtig, ontdaan van alle luister en sensatie, een spiegel van de eigen maatschappij waarin niet alles goud is wat blinkt.

    Verweesde personages en idem dito lezers
    Een goede keuze maken uit al die fantastische verhalen is ontzettend moeilijk. Geeft men de voorkeur aan een eerder alledaags verhaal als De kinderen blijven of kiest men eerder voor het schokkende Dimensies. Voor beide keuzes valt iets te zeggen. In het eerste geval verlaat een vrouw haar man en kinderen voor haar theaterregisseur, in Dimensies blijft een vrouw haar man opzoeken in de gevangenis nadat hij haar jarenlang fysiek en mentaal heeft mishandeld en om haar te ‘straffen’ hun drie kinderen heeft vermoord. In De Droom van mijn moeder vertelt een dochter over haar wedervaren als baby. Haar moeder, duidelijk lijdend aan een postnatale depressie, kan niet omgaan met het gehuil en ze wordt dan maar bemoederd door een zwakbegaafde tante die helemaal opgaat in haar nieuwe rol. De lezer wordt constant geconfronteerd met tegenstrijdige vormen van empathie, nu eens voor de moeder, dan weer voor de tante. In Amundsen wordt een jonge lerares plotseling en zonder enige aanwijsbare reden in de steek gelaten door haar aanstaande, die zelf eerst op een huwelijk had aangedrongen. Ook hier blijft de lezer verweesd achter.

    Wat de verhalen kenmerkt
    Het oproepen van tegenstrijdige gevoelens, het spelen met de emoties van zowel personages als lezers lijkt een van de handelsmerken te zijn van Munro. Haar verhalen vertonen nog meer gelijkenissen. Zo staat steeds een vrouw centraal, jonger of ouder, die op de een of andere manier vastzit in een dagelijkse sleur. Ze verlangt naar een ander, beter leven en tracht haar miserabele leven te ontvluchten door een radicale beslissing te nemen. Op naar de vrijheid, maar al te vaak staan de vrouwen niet stil bij het verlies van de zaken die ze achter laten. Vaak toont de toekomst dat de beslissing niet de juiste was of is het lot hen niet gunstig gezind. Een ander weerkerende techniek is dat Munro het verhaal traag op gang laat komen. Ze schetst het leven van een vrouw en werkt dan plots een herinnering uit het verleden uit die een enorme impact heeft gehad op het verdere leven van de hoofdfiguur. De sfeer die Munro schetst heeft steeds iets sombers en weemoedigs. Misschien heeft het te maken met de desolate landschappen van het Canadese platteland waarin ze zelf is opgegroeid en die ze met grote precisie beschrijft, maar wellicht heeft het meer te maken met haar schrijfstijl. In lange beschrijvende zinnen, met heel veel oog voor detail, kabbelt het verhaal langzaam verder. De lezer moet met voortdurende aandacht de woorden in zich opnemen en kan niet anders dan zelf langzaam voort te schrijden in het verhaal, samen met de zich traag ontwikkelende personages. Munro slaagt erin om in haar kortverhalen toch karakters van vlees en bloed neer te poten, karakters waarmee vele vrouwen zich kunnen vereenzelvigen. De mannen in haar verhalen zijn eerder of ‘quantité négligeable’ of blijken de monsters van dienst te zijn.

    Tijdloze verhalen
    De verhalen zijn niet van deze tijd, maar toch tijdloos. Sommige verhalen spelen zich af kort na de Tweede Wereldoorlog, andere in de jaren zestig van vorige eeuw, en hoewel tijd een belangrijke rol speelt in de verhalen, is het tijdperk waarin ze zich afspelen niet van belang. De gebeurtenissen zijn immers van alle tijden, en dat bepaalt precies de sterkte van haar verhalen. De verhalen zijn vaak herkenbaar, vaak tragisch. Vrolijk wordt de lezer er niet van, maar ze laten een diep indruk na en blijven vooral in het achterhoofd spoken als voer voor verdere gedachten en analyses, als grond van een nieuwe slapeloze nacht waarin de lezer de keuze van de hoofdpersonages telkens weer in vraag stelt en herkauwt : ‘Wat als …?’ , ‘Had ze maar …’