• Het bewogen leven van Betje Wolff

    Het bewogen leven van Betje Wolff

    Marita Mathijsen heeft dit jaar Een vrije geest, de biografie van Betje Wolff (1738-1804) gepubliceerd, voorbeeldig uitgegeven door uitgeverij Balans. Wolff is vooral bekend van de brievenroman Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart die ze samen met Aagje Deken (1741-1804) schreef. Er is natuurlijk veel meer over haar leven en werk te vertellen en dat doet Mathijsen met veel inlevingsvermogen.

    Mathijsen begint de biografie van Wolff op het moment dat ze op de boot stapt die haar van haar geboortestad Vlissingen naar de Beemster zal brengen als toekomstig echtgenote van de veel oudere dominee Adriaan Wolff (1707-1777). Dat roept meteen de vraag op waarom ze haar familie verlaat en kiest voor een onzekere toekomst bij een veel oudere dominee. Dat heeft te maken met een gebeurtenis die vier jaar eerder heeft plaatsgevonden: Wolff is er als zeventienjarige vandoor gegaan met een geliefde, de militair Matthijs Gargon (1731-1772). Dat is in haar tijd natuurlijk een schandaal en haar vader haalt haar dan ook terug. De orthodoxe protestanten bepalen dat ze niet meer deel mag nemen aan het avondmaal en dreigen met excommunicatie. Ze is opgelucht dat de veel oudere dominee haar verlost uit haar isolement waar ze na haar liefdesvlucht in terecht is gekomen.

    In de Beemster

    Het leven van Wolff in de Beemster is saai, maar ze heeft wel tijd voor wat ze het liefste doet: boeken lezen en schrijven, zoals de Zedenzang, aan de menschenliefde, by het verbranden des Amsteldamschen Schouwburgs. Dat schrijft ze nadat op 11 mei 1772 brand is uitgebroken tijdens een voorstelling in de houten Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht waarbij achttien doden vallen. Rechtzinnige dominees grijpen de brand aan om het theaterbezoek te veroordelen: de brand is een straf van God en wie op zo’n plaats aan zijn einde komt, kan het eeuwige leven wel vergeten. Sinds haar jeugd in Vlissingen koestert Wolff al een wrok tegen dit soort orthodoxe protestanten en ze prijst juist de helden die om zijn gekomen bij de brand omdat ze geprobeerd hebben anderen te redden.

    Het schrijversduo Wolff en Deken

    Deken stuurt Wolff op 29 juli 1776 een brief waarin ze zich erover beklaagt dat Wolff kwaad over haar gesproken zou hebben. Diep beledigd is Wolff en ze antwoordt met een lange brief op 4 augustus. Ruim een maand later, op 13 oktober, ontmoeten ze elkaar voor het eerst en worden de misverstanden uit de wereld geholpen.
    Na de dood van Wolffs echtgenoot op 29 april 1777 komt Aagje Deken bij haar in de Beemster wonen. Wanneer Wolff later dat jaar de pastorie moet verlaten, verhuizen ze naar De Rijp waar ze leven van Wolffs pensioen waar ze recht op heeft als weduwe van een predikant. De Rijp is echter een ongezonde plek om te wonen: er hangt een penetrante stank van de dierenbotten en -huiden die liggen te rotten om er lijm uit te winnen, en van de traankokerijen waarin het vet van walvissen wordt gekookt. Ze krijgen dan ook te maken met ziektes die veroorzaakt of verergerd worden door de ongezonde lucht.

    In 1781 erft Deken ruim dertienduizend gulden en van dat geld kopen ze een kapitale villa in Beverwijk die ze Lommerlust noemen. De ongezonde lucht van De Rijp is nu verleden tijd. Twee jaar later wordt ook Wolff vermogend: haar vader overlijdt en laat haar ongeveer twintigduizend gulden na.

    De brievenroman Sara Burgerhart van het schrijversduo Wolff en Deken verschijnt in 1782 bij Isaac van Cleef. Het boek is meteen een succes: binnen drie maanden is de eerste druk uitverkocht en in 1786 verschijnt al de vierde druk. Ze geven een Hollandse draai aan het genre van de brievenroman, omdat het milieu en de personages zo door en door Noord-Hollands zijn. Hun volgende brievenroman, Historie van den Heer Willem Leevend, bestaat uit acht delen van in totaal zo’n 3.100 pagina’s en komt uit in 1784 en 1785. Dit boek is een stuk minder succesvol dan Sara Burgerhart: tijdens hun leven wordt het niet herdrukt.

    Patriotten en orangisten

    De denkbeelden van Wolff en Deken over burgerparticipatie en opvoeding sluiten goed aan bij die van de patriotten, burgers uit gegoede huize die het landsbestuur willen democratiseren. Ze eisen hervormingen, bewapenen zich en dringen aan op verkiezingen voor het stadsbestuur. Tegenover de patriotten staan de orangisten: enerzijds regenten die profiteren van hun bevoorrechte positie, en anderzijds het lagere volk dat ervan uitgaat dat de stadhouder door God aangesteld is om het land te leiden. De orangistische regenten maken gebruik van ‘het Oranjegepeupel’ om patriotten te bedreigen.

    De tegenstellingen tussen patriotten en orangisten hebben ook hun weerslag op het leven van Wolff en Deken: ze voelen zich met hun patriottische denkbeelden bedreigd in de Republiek en verhuizen in 1788 naar Trévoux, dat 25 kilometer ten noorden van Lyon ligt. Het is een lieflijk, kalm en overzichtelijk stadje en brengt aanvankelijk de idylle waar de dames op hopen: ze wonen in een prachtig gelegen buitenhuis en genieten van de natuur. De Franse Revolutie van 1789 werpt echter alle zekerheden omver. De Franse koning wordt op 21 januari 1793 publiekelijk in Parijs onthoofd. Rond juni begint de terreur waarbij vijanden meedogenloos worden uitgeschakeld: wie ook maar het minste teken van koningsgezindheid of contrarevolutionair denken vertoont, komt onder de guillotine.

    Wolff en Deken zelf komen in 1794 in hun nieuwe woonplaats onder vuur te liggen: iemand heeft verraden dat de Hollandse dames suiker verborgen houden en dat is verboden. Suiker moet namelijk ter beschikking gesteld worden aan het leger en de ziekenhuizen. Hun huis wordt onderzocht, er worden inderdaad vijf suikerbroden gevonden die in beslag worden genomen. Er volgt geen veroordeling omdat hun voorraden graan, aardappelen, bonen, linzen, meel en noten binnen de vastgestelde normen liggen.

    De Bataafse republiek

    Wanneer Frankrijk bezig is zijn gebied uit te breiden zien de patriotten daarin kansen: de revolutie die in Frankrijk heeft plaatsgevonden, kan zo geëxporteerd worden naar de Republiek. Ze formeren het Bataafs Legioen en trekken met de Franse troepen op naar de Republiek. In 1795 ontstaat de Bataafse Republiek waar niet alleen zeggenschap is voor de burgerij, maar ook godsdienstvrijheid en vrijheid van drukpers. Wolff en Deken staan nu voor de keuze: in Frankrijk blijven of terugkeren? Ze kiezen voor het laatste en vertrekken naar Den Haag. Mathijsen schetst met veel empathie de toestand waarin Wolff en Deken verkeren, wanneer ze daar in 1797 aankomen. Ze zijn als welgestelde dames in 1788 naar Frankrijk vertrokken, ze keren in armoede terug. Ook van hun literaire roem is niet veel meer over. Daardoor zijn ze afhankelijk van vrienden die hun af en toe wat geld toestoppen. Met de nodige zelfspot spreken ze over die vrienden: dankzij het feit dat ze financieel krap zitten, leren ze namelijk hun echte vrienden kennen.

    Een pijnlijk einde

    Wolff ligt vanaf 1801 voornamelijk in bed, verzorgd door Deken, die evenmin vrij van kwalen is: ze lijdt aan jicht. In 1802 brengt Van Cleef een nieuwe uitgave van hen op de markt: Geschrift eener bejaarde vrouw, in twee delen (achthonderd pagina’s). Het is bedoeld als handleiding voor het opvoeden. Een derde deel zal nog volgen. De reacties in de pers zijn vernietigend: het is ‘oude wyven praat’ en gebabbel. Het boek verkoopt dan ook slecht en het in het vooruitzicht gestelde derde deel wordt niet uitgegeven (het is wel in handschrift aanwezig in de Universiteitsbibliotheek Leiden).

    Op 5 november 1804 brengt Wolff nog uit dat ze kramp heeft; daarna is ze rustig, maar met een pijnlijke trek op haar gelaat, gestorven. Aagje regelt de begrafenis op het Scheveningse kerkhof Ter Navolging, het eerste Haagse kerkhof dat buiten de stad ligt. Om hygiënische redenen is er een beweging opgekomen tegen het begraven in of om de kerk en daar hebben Wolff en Deken zich bij aangesloten. De volgende dag is Deken ziek: ze heeft hoge koorts en brengt geen verstaanbaar woord meer uit. Op 11 november weigert ze nog te drinken of medicijnen te nemen en ze overlijdt drie dagen later. Aan een gebroken hart, meent Mathijsen. Het graf ligt nog open wanneer Deken naar het kerkhof gebracht wordt. Daar worden de twee vrouwen in hun kist met elkaar herenigd.

    Na hun overlijden bloeit de belangstelling voor het werk van Wolff en Deken weer op, in de negentiende eeuw verschijnt de ene na de andere herdruk van Sara Burgerhart. Ze staan nu in de Nederlandse canon en de brievenroman is nog steeds, ondanks de teloorgang van kennis over het literaire verleden, een bekend boek. Mathijsen vindt dat ook hun andere boeken zich lenen voor herdrukken, bewerkingen, hertalingen of inkortingen, en zelfs als basis voor tv- of streaming-series. Haar prettig leesbare biografie van een bewogen leven zal daar zeker aan bijdragen.

  • ‘Hertalen die handel!’

    ‘Hertalen die handel!’

    Lang was Marita Mathijsen faliekant tegen het hertalen van boeken die kunnen bogen op een canonieke status in de Nederlandse literatuur. Ze zag niets in het inwisselen van door een schrijver weloverwogen gekozen woorden voor hedendaagse equivalenten. Hertalen deed in haar ogen geen recht aan het origineel. En het inkorten van een verhaal ook niet. Inmiddels is Marita Mathijsen om. ‘Liever een luie lezer dan geen lezer. Hertalen mag. Het is de enige manier om literatuur uit het verleden te redden van de vergetelheid’, liet ze zich vorige maand in een interview ontvallen.

    Ik snap haar oorspronkelijke bedenkingen. Waar Marita Mathijsen bang voor was, is dat literaire meesterwerken teruggebracht worden tot simpele verhaaltjes. Als literatuur staat of valt met de stem en de stijl van de schrijver wordt met het hertalen en/of inkorten van een tekst iets wezenlijks geamputeerd. Ik snap ook waarom ze terugkwam op wat ze vond. Ze wil dat Vondel, Multatuli, Couperus en al die andere voortreffelijke schrijvers uit het verleden gelezen en gewaardeerd worden door nieuwe generaties lezers. Taal mag wat ze te vertellen hebben niet in de weg staan.

    Het belang en de zeggingskracht van letterkundige werken van voor negentienhonderdnogwat wordt in Nederland onderschat. Of het ontbreken van een hertaaltraditie daar de oorzaak of een gevolg van is, laat ik in het midden. Maar betreurenswaardig is het ontbreken van die traditie wel.

    Een tekst die stevig in zijn schoenen staat, kan heel wat hebben. Neem nou Hamlet. Ik hou van Hamlet en die liefde werd tijdens mijn meeste recente verblijf in Londen bekroond met vier versies voor mijn verzameling die inmiddels meer dan honderd exemplaren telt. In lang niet al die exemplaren wordt het toneelstuk van William Shakespeare op de voet gevolgd. Sommige ver- en hertalers veroorloven zich heel veel vrijheden. Maar Hamlet blijft Hamlet. Als Hamlet het kan hebben dat hij grondig onder handen genomen wordt, waarom zouden Gijsbrecht van Aemstel, Max Havelaar en Eline Vere dat dan niet verdragen?

    Nederland is het bewerken van haar eigen klassiekers niet gewend, maar helemaal onbekend is het fenomeen hier ook weer niet.
    Eerstegraads docente Nederlands en schrijver van de roman Darko’s lessen Michelle van Dijk pakte de door Marita Mathijsen én Ronald Giphart – ‘hertalen die handel!’ is zijn motto – toegeworpen handschoen op en treedt daarmee in de voetsporen van onder andere Ivo de Wijs, Daniël Mok en Gijsbert van Es, die zich ontfermden over De geschiedenis van Woutertje Pieterse, De kleine Johannes en Max Havelaar. Michelle van Dijk maakt zich sterk voor Louis Couperus’ Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. Haar hertaling die het origineel uit 1906 trouw volgt, is werk in uitvoering en verschijnt als feuilleton op haar blog.

    PS. Anders dan Marita Mathijsen suggereert is hertalen niet de enige manier om klassieke literatuur nieuw leven in te blazen. Verstrippen is ook een optie. Kijk maar naar Dick Matena en Viktor Hachmang. Hachmang werkte ruim drie jaar aan de graphic novel Blokken: de mislukking van een heilstaat en gebruikte daarbij gewoon de woorden van F. Bordewijk.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Oogst week 13

    Het genootschap van onvrijwillige dromers

    De Portugees/Angolese schrijver José Eduardo Agualusa kan nogal op overrompelende wijze – waarin droom en werkelijkheid nooit goed los van elkaar zijn te zien – een verhaal vertellen. Dat hij nu een roman heeft geschreven waarin dromen de verbindende factor zijn, belooft een fabuleus avontuur te worden. Al moet de werkelijkheid niet helemaal opzij geschoven worden. Veelal schrijft hij met het regime van Angola in zijn achterhoofd en is veel te duiden als kritiek op dat land.

    Hij schreef veertien romans waarvan er zes vertaald zijn, allen door Harrie Lemmens. In de laatst vertaalde roman Het genootschap van onvrijwillige dromers draait het om vier mensen, vreemden voor elkaar maar verbonden door hun dromen. Zo droomt de Angolese journalist Daniel Benchimol  van mensen die hij niet kent. Een Mozambikaanse kunstenares die in Kaapstad woont, ensceneert en fotografeert haar dromen. Een Braziliaanse neurowetenschapper filmt hen beiden. Een voormalige guerrillastrijder en hotelier met een duister en gewelddadig verleden heeft een geheimzinnige relatie tot zijn dromen. Dromen brengt deze vier personages bij elkaar in een land dat wordt gedomineerd door een totalitair regime dat op de rand van ineenstorting staat. De roman kan gezien worden als een politieke, satirische en onderhoudende fabel maar ook als een pleidooi voor de terugkeer van de droom als wapen van verzet in deze tijd; een en ander geheel op een wijze verteld die Agualusa toevertrouwd is.

     

    Het genootschap van onvrijwillige dromers
    Auteur: José Eduardo Agualusa
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2018)

    Onder de toonbank.Pornografie en erotica in de Nederlanden

    Al sinds 1677 is er gedoe om illustraties van vrouwen van lichte zeden.  De toenmalig uitgever en boekverkoper Timotheus ten Hoorn moest verantwoording afleggen bij de schout voor de illustraties in het boek De dwaalende hoer. Drie eeuwen later vinden tijdschriften als Big Boobs en Cocky in oplages van meer dan 100.000 exemplaren hun weg naar de gretige afnemers. Wel onder de toonbank verkocht uiteraard. Wat ooit begon met een stel ‘vieze’ boekjes die alleen onder de toonbank verkocht werden, groeide uit tot een ware industrie van seksblaadjes die open en bloot bij de sigarenboer verkrijgbaar waren. Hoe veranderde De dwaalende hoer (1677) in de blaadjes Chick (1968‒2009) of Candy (1968-2016)?

    Aan de hand van opruiende en prikkelende illustraties vertelt Onder de toonbank de geschiedenis van de Nederlandse erotica en pornografie. De belangrijkste periodes van de Nederlandse pornografie werden door Inger Leemans, Marita Mathijsen en Bert Sliggers onder de loep genomen. Waarbij er ook aandacht is voor thema’s als pornografische strips, homo-erotica en kolonialisme in de pornografie. Kortom een rijk geïllustreerd overzichtswerk van de Nederlandse pornografie.

     

    Onder de toonbank.Pornografie en erotica in de Nederlanden
    Auteur: Bert Sliggers; Jos van Waterschoot
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Door alle honderd harten wit te kalken

    Henk van der Waal (1960) ontving in 1996 de C. Buddingh’-prijs voor zijn debuutbundel De windsels van de sfinx. Zijn bundel De aantochtster (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Deze week kwam zijn tiende bundel, Door alle honderd harten wit te kalken uit. De dichter baant zich volgens de uitgever ‘in de tien meanderende gedichten – zijn het klaagzangen, zijn het liefdesliederen? – een weg naar licht.’

    Hoe dat licht te karakteriseren?

    ‘Je kunt dat zijn noemen, of geluk, of doordesemde aanwezigheid / het is in ieder geval iets wat van buiten komt, maar / gek genoeg diep van binnen in je brandt / iets wat je gekregen hebt / iets wat je te zijn hebt / iets wat je te geven hebt: / liefdesgemoed’.

     

    Door alle honderd harten wit te kalken
    Auteur: Henk van der Waal
    Uitgeverij: Querido

    Ik, J. Kessels

    Schelmenromans worden ze ook wel genoemd, de romans over J. Kessels van P.F. Thomése. Voor deze Kessels stond een vriend model verklaarde Thomése onlangs in de nieuwsshow op zaterdagochtend en ook vertelde hij erbij, dat hij inmiddels geen contact meer heeft met die vriend.

    J. Kessels was het favoriete personage van Thomése met wie hij vele avonturen beleefde: van Tilburg tot Hamburg, van New Orleans tot aan de San Francisco Bay. Ontgoocheld neemt de auteur zich voor om nooit meer een letter aan hem te wijden. Zijn ex-beste vriend zelf dacht er anders over. Lezen dus, om te weten hoe een vriendschap (niet geheel ongestraft) tot onderwerp kon zijn van een romancyclus. En komisch is het ook.

    Ik, J. Kessels
    Auteur: P.F. Thomése
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Het heden als barrière voor het verleden

    Het heden als barrière voor het verleden

    Je hebt van die boeken die je meteen bij de strot pakken. En er zijn boeken die je langzaam veroveren. Die tijd vragen. Zoals de bundel Vroeger is ook mooi van Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse literatuur en biograaf van Harry Mulisch. Haar essays over onze omgang met het verleden grijpen je misschien niet meteen, maar nestelen zich wel langzaam in je hoofd. Stuk voor stuk creëren ze een herinnering, waaraan je steeds weer moet terugdenken als je het boek al weer lang heb weggelegd.

    Het openingsessay is ontleend aan de Huizinga-lezing die Mathijsen in 2009 in de Leidse Pieterskerk gaf. De achterflap van de bundel verraadt reeds de eerste zin van dit essay: ‘Ik heb een oud hondje. Binkie. Hij is blind.’ Mathijsen gebruikte de blindheid van haar hondje om de noodzaak van historisch bewustzijn te onderstrepen. Een bewustzijn dat volgens haar niet vanzelfsprekend is. ‘Als voetbalhooligans tribunes van De Kuip slopen, beseffen ze niet dat ze daarmee een monument van voetbalhistorie verwoesten.’ Mooie gewone-mensen-taal om duidelijk te maken dat het verleden alom en van iedereen is. Meer dan een intellectuele hobby. Vervolgens fileert Mathijsen de tegenwoordige interesse in geschiedenis. De groeiende interesse voor ons verleden is voor haar vooral een vorm van gecultiveerd herinneren. Het gaat vaak niet om de essentie, maar om kitsch en nostalgie. Van de Amsterdamse Stadsschouwburg worden alleen de gevels bewaard, maar erachter verrijst een geheel nieuw en modern gebouw. Nephistorie noemt Mathijsen dat. Ze  ontwaart dat ook in het vernieuwde Letterkundige Museum, waar geen enkel origineel handschrift te zien is. En in de ‘treurigmakende geschiedenis van het Nationale Museum’. Mathijsen oordeelt dan ook dat er in Nederland weliswaar tegenwoordig veel aandacht is voor de nationale herinnering, maar dat dat weinig zegt over de waardering van onze nationale geschiedenis. Dat vereist volgens haar meer dan louter oppervlakkig herinneren. Ze verwijst in dit verband naar Nietzsche, die benadrukt heeft dat te veel historische kennis, te veel waardering voor de geschiedenis, het leven doet ‘wegkwijnen en ontaarden’. Geschiedeniskennis is volgens hem alleen heilzaam als deze in dienst staat van een nieuwe levensstroming, zoals een cultuur in wording. Een vereiste waaraan volgens Mathijsen meestal niet echt wordt voldaan: ‘Als ik het blingbling-deel van die aandacht ‘historische sensatiezucht’ noem, dan staat het er heel wat minder rooskleurig voor.’

    Hoe presteert Mathijsen zelf, als we haar essays langs Nietzsche’s maatlat leggen? Glansrijk!  Ze beperkt zich niet tot louter weergave van herinneringen, maar analyseert ze in hun context, om zo uiteindelijk het historisch bewustzijn van de Nederlander te wegen. Waarbij ze dat meestal als ‘onvoldoende’ beoordeelt. Zoals in het essay De afwezigheid van het verleden, waarin Mathijnsen genadeloos de kitsch en nostalgie van de Nacht van de Geschiedenis, de aandacht voor de cold case Willem van Oranje of het glossy Maarten! neersabelt. Het is kitsch en nostalgie die volgens haar vaak wordt verward met historisch bewustzijn. Het gaat volgens haar in de basis al mis. ‘Men koestert niet eens het éigen verleden. Als de kinderen groot geworden zijn, worden de relicten uit de kindertijd weggewerkt. De inhoud van de speelgoedkast is goed voor koninginnedag, als die moeite misschien nog genomen wordt.’  Natuurlijk heeft ze gelijk als ze stelt dat je niet kan verwachten dat Nederland zijn geschiedenis eervol behandelt, als de Nederlander niet eens zijn eigen verleden eert!

    Mathijsen heeft een voorliefde voor wat je ‘fysieke aandacht’ voor geschiedenis zou kunnen noemen. Aandacht voor de dingen uit het verleden zelf, als aanknopingspunt voor hoe het echt geweest moet zijn. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het essay Ergernissen van een archiefbezoeker. Geschiedkunde staat of valt uiteindelijk voor haar met de eigen studie van historisch materiaal. Liefst de oude brieven of documenten zelf, want daarin wortelt voor haar de historische ontroering. ‘De zandkorrels die uit oude brieven vallen die je opent, de bloemetjes en insecten die je als mummies tussen oude boeken verdroogd aantreft’. Een ontroering die echter niet makkelijk tot je komt. De historicus moet hiervoor wel het één en ander overwinnen: de andere bibliotheek- en archiefbezoekers. Maar hoe vervelend deze ook zijn, Mathijsen beschrijft hen liefdevol. Vooral de neusophalers, de laptoppers en fotografen irriteren haar. Of de bezoekers die het archief als afwerkplek beschouwen en in één keer dertig boeken doornemen. Ook de mompelaars en raadplegers kunnen op weinig liefde van Mathijsen rekenen. Allemaal hinderen ze haar doordat ze de geschiedenis met te veel lawaai tot zich nemen. . Volgens Mathijsen kun je dat verleden blijkbaar alleen in stilte, of beter gezegd, zonder hinderlijke ruis uit het heden, tot je nemen.

    Hetzelfde geldt ook voor haar bundel Vroeger is ook mooi. Begin er pas aan als je tijd hebt om te lezen en tot rust te komen. Want pas dan zullen de essays je overrompelen en blijkt het verleden van Mathijsen precies wat ze belooft: mooi.

     

  • Nagelaten gedichten uit de jaren zestig en zeventig

    Nagelaten gedichten uit de jaren zestig en zeventig

    ‘Zonder mijzelf heb ik geen toekomst’ schreef de dichter Hans Faverey. Maar met deze uitspraak deed hij zijn gedichten, en daarmee indirect zichzelf, enigszins te kort. Want van enig Nachleben kan men intussen wel spreken, nu de vierde druk van zijn ‘verzamelde gedichten’ zojuist van de pers is gerold. Wat de toekomst betreft kan de dichter, die 20 jaar geleden stierf, voorlopig weer even vooruit. Maar met deze vierde editie is iets bijzonders aan de hand, hetgeen ze bij De Bezige Bij bijzonder genoeg vonden om er middels een buikbandje gewag van te maken: in deze editie staan niet alleen de Verzamelde Gedichten zoals we die uit de eerdere edities kennen, maar zijn er ook 193 ‘niet eerder gepubliceerde gedichten’ uit Faverey’s nalatenschap in opgenomen.

    De hierboven geciteerde regel is afkomstig uit zo’n nagelaten gedicht. Nu behoeft de toevoeging ‘niet eerder gepubliceerde gedichten’ de nuancering dat een klein deel van deze gedichten reeds was opgenomen in de door de weduwe van Faverey in 2000 samengestelde bundel Springvossen. Maar soit. Het blijft een bijzondere uitgave waar veel poëzieliefhebbers naar hebben uitgekeken. Niet dat deze uitgekeken raakten op de acht reguliere bundels die Hans Faverey (1933 ? 1990) bij leven publiceerde, maar de reeds eerder gedane onthulling dat er nog zoveel typoscripten, manuscripten zouden liggen, maakte begerig naar meer.

    Marita Mathijsen, die in 1993 ook tekende voor de totstandkoming van de Verzamelde Gedichten van Faverey, lost met deze speciale vierde druk, haar zeventien jaar geleden gedane belofte om ook het nagelaten werk uit te geven, met glans in. Vol overgave dook ze in de papieren. En wat bleek? Faverey liep in zijn aanvangsfase ook vele blauwtjes op met zijn inzendingen van gedichten naar literaire tijdschriften. Zelfs een complete bundel werd door uitgeverij Querido in 1964 afgewezen. Achteraf lach je erom. De betrokken redacteuren worden er liever niet meer aan herinnerd. De drieëndertig gedichten uit die afgewezen bundel komen nu volledig binnen bereik van de lezer (de helft ervan had overigens al een plaats gekregen in ander regulier uitgegeven werk). Mathijsen beperkte zich tot de voltooide, ongepubliceerde gedichten. Waarbij zij aantekent, dat voor de editietechniek het onderscheid tussen ‘voltooid’ en ‘publicabel’ niet telt. Versies die naderhand door de dichter ten dele verbruikt zijn voor een naderhand gepubliceerd gedicht vielen af. Uiteindelijk blijken 193 nagelaten gedichten aan haar criteria te voldoen. Ze sluit intussen niet uit dat een andere editeur tot een andere selectie was gekomen.

    In deze vierde druk volgt het nagelaten werk op het gepubliceerde werk, en wordt het, voor zover te achterhalen, in chronologische volgorde gepresenteerd. En passant zinspeelt Mathijsen zelf op de zinvolheid van een editie die ook kladversies en varianten zou bevatten.

    Door de chronologische presentatie van dit nagelaten werk (en de bijgeleverde lijst van dateringen) laat dit werk zich mooi vergelijken (‘spiegelen’ noemt Mathijsen het zelf) met het gepubliceerde oeuvre. De meeste opgenomen nagelaten gedichten dateren uit de 60’er en 70’er jaren. In de jaren tachtig was Faverey wellicht zo volleerd dat hij minder tussenstappen nodig had tot het volmaakte gedicht.
    Wie verbaast het dat in dit ‘spiegeloeuvre’ dezelfde tendens te bespeuren valt als in het ‘echte’ werk: gaandeweg raken de gedichten meer gestoffeerd, worden ze minder kaal, minder basic. De gedichten zijn voltooid genoeg om de sporen van zijn techniek na te laten: de witregels, als bakens voor het ritme, ontbreken dan ook niet. Het poëtisch bindmiddel van de herhaling van woorden, van delen van een zin, evenmin. We treffen hier woorden aan die het opnemen tegen hun betekenis, tegen de onmogelijkheid het mogelijke tot stand te brengen. Taal die aan het begrip voorbij scheert tot waar schoonheid soeverein is.

    Faverey’s woorden zijn stuk voor stuk begrijpelijk (en waar hij een nieuw woord verzint als ‘springvossen’ levert dat geen probleem), ook de syntaxis wordt geen geweld aangedaan en het leestempo wordt door de witregels tot een serene rust gemaand. Het is apollinische poëzie in pure evenwicht met zichzelf. Schoonspringen meer dan zwemmen. Spel meer dan sport. De zin is het speelveld van Faverey en hij kan in die zin opeens gaan versnellen, zoals een voetballer met de bal aan de voet opeens versnelt en een of twee tegenstanders het nakijken geeft. Door de buitenspelval van de mimesis te ontlopen, komt hij, daarvan gezuiverd, in het strafschopgebied van de schoonheid terecht, om daar zichzelf eerst als een stervende zwaan te omspelen, alvorens toe te slaan.

    Maar waar de perfect gepleegde misdaad verschoond blijft van sporen, stuit je in de nagelaten gedichten hier en daar op een enkele onvolkomenheid, die eigenlijk alleen opvallen omdat ze niet ten volle delen in de glans van de omringende woorden, waardoor de zin waarvan ze deel uitmaken, net niet dat uitgebalanceerde krijgt die de ‘echte’ gedichten kenmerkt. Alsof de concrete aanleiding nog niet afdoende was weggezuiverd. Als voorbeeldje de tweede strofe van een nagelaten gedicht: ‘Ach, dat de dood zich / maar eeuwig fixeerde / in zijn ijzeren spiegel.’

    De Favereylezer zal instemmend knikken bij woorden als ‘dood’, ‘eeuwig’, ’spiegel’ en‘fixeerde’ (indachtig zijn ‘credo’: ‘De roekeloze, de meedogenloze schoonheid te fixeren.’), maar het woord ‘ijzeren’ (in combinatie met spiegel) voelt zich niet zo thuis in het Faverey-idioom; Daar komt het woord ‘ijzigst’ meer voor. Of ‘suizende oxyden’, dat omwille van zijn schoonheid haast geen begrip van node heeft. Maar het lezen van een gedicht dat het nèt niet helemaal heeft, is allerminst schadelijk voor de reputatie van deze dichter. Eerder verschaft het de poëzie van Faverey een handvat, een vingerwijzing. Het geeft aan dat de poëzie die door een god geschreven leek, in een mensenschrift zijn oorsprong vond. Men lijkt het raadsel van de ongenaakbaarheid van de geheimzinnige schoonheid in zijn gepubliceerde werk zo een klein beetje op het spoor te komen. En natuurlijk zijn er met deze publicatie pareltjes boven water gekomen. Wat te denken van:

    ‘Spijkerwit:
    een nagelschim.

    Zijdevast:
    een maanpluim.

    Tot in de grond
    vervlinderd,
    tot in de hemel
    verpulverd:

    een meidoorn,
    een stokroos.’

    Dit zou vóór 1970 al geschreven zijn. Tot slot wil ik een van de mooiste gedichten van Faverey citeren, eentje van een verontrustende schoonheid. Uit de bundel Tegen het vergeten:

    ‘De weg die het volbrengt
    zijn weg te zijn, die zich voortzet
    en zich tot een hinderlaag wordt,

    en die telkens, op het heetst
    van de middag, versmachtend,

    het haast opgeeft, de berm opzoekt,
    naar zijn revolver tast: terwijl

    intussen de enige weg die hem
    overblijft, al maar voortgaat
    op de weg die hij inslaat
    en inslaat, de ijzigste
    leegte ontregelt.’

    Faverey wilde gedichten schrijven die eeuwen meegingen. Nu, twintig, dertig jaar later, kunnen we constateren dat hij keurig op schema ligt.