• Ortolaan bij de Impromptu’s

    Ortolaan bij de Impromptu’s

    In de prachtig verzorgde catalogus bij de expositie Sag mir wo die Blumen sind, die nog tot 9 juni loopt in het Van Gogh- en het Stedelijk Museum in Amsterdam noemt Simon Schama in dertien pagina’s tekst een achttal schrijvers van wie Anselm Kiefer citaten in zijn monumentale werken opneemt. Daaronder is Ingeborg Bachmann. Bij die vermelding laat Schama het.
    In zijn nieuwe bundel verhalen Namiddagen is Ferdinand von Schirach in drie pagina’s explicieter over de verbinding Bachmann-Kiefer. De twee komen volgens hem samen in hun thema’s eenzaamheid, vertwijfeling en dood. ‘Alle kunst ontstaat doordat de kunstenaar onzeker is over de wereld. Die wereld past niet bij hem en hij past er niet in, hij voelt zich een vreemde, hij denkt dat hij er niet thuishoort’.

    Eenzaamheid

    Eenzaamheid lijkt ook een thema van Von Schirach zelf. In het laatste verhaal van Namiddagen schrijft hij dat er (buiten de literatuur) maar twee kunstenaars waren die hem fundamenteel hebben veranderd: Alberto Giacometti en Caspar David Friedrich. Bij de laatste is dat gevoel overweldigend – denk alleen maar aan zijn Der Wanderer über dem Nebelmeer of Der Mönch am Meer. Maar Von Schirach noemt als voorbeeld Vrouw op de wagen van Giacometti: ‘We delen die eenzaamheid, zij is het die ons verbindt’.

    ‘Verhalen beschermen ons tegen de eenzaamheid, de verwondingen en de kilte’, schrijft Von Schirach in het derde stuk in Namiddagen. Hij vangt ze op in hotels, in treinen, cafés en in ontmoetingen met vrienden en kennissen die hij lang niet meer gezien heeft of over wie hij min of meer bij toeval wat hoort. Vaak vallen ze hem in als een herinnering op een stil moment (verwijst de titel Namiddagen daarnaar?), door een opmerking van iemand of door de wetenschap dat iemand ooit in hetzelfde hotel of dezelfde stad verbleef.

    Motorriksja

    Er zijn zesentwintig van die verhalen in de bundel opgenomen. Geen ervan heeft een titel; ze krijgen alleen voluit geschreven nummers. Daardoor stap je er steeds onbevooroordeeld in. Von Schirach begint elk nieuw verhaal uiterst sober. De eerste zin is niet meer dan een korte uitgeklede vermelding van een locatie of situatie, vaak zonder werkwoord. ‘Tweeëntwintig’ begint bijvoorbeeld zo: ‘Oslo. Interviews in een woning van het Goethe-Instituut, uitzicht op een burgerlijk straatje, op cafés en winkeltjes’.
    De vertellingen – vaak weer een verhaal ín een verhaal – maken de lezer onzeker: ze vermelden nogal wat publieke feiten uit het leven van de auteur zelf (hij was strafrechtadvocaat, zat jaren op een internaat, trad over de hele wereld op) waarop de verhalen aansluiten, maar nemen inhoudelijk soms zo’n verassende wending dat ze sterk de indruk van fictie wekken. De ene keer is het een dromerige bespiegeling van slechts een paar zinnen, zoals in de drie korte alinea’s van ‘Zes’: een fietser raakt gewond door een aanrijding voor een café, de gast en ober spraken er twee dagen over; in de Indiase plaats Nashik vallen 26 doden en 32 gewonden bij een botsing tussen een bus en een motorriksja, niet meer dan een berichtje op de laatste pagina van de krant.

    Oog

    In ‘Drieëntwintig’ is de verteller in Parijs voor zijn Franse uitgever en ontmoet daar onverwacht een vroegere kennis, een concertpianiste, die plotseling was gestopt met haar carrière en gewoon spoorloos verdwenen was. Ze vertelt voor het eerst wat haar bewoog om nooit meer te spelen. Het gebeurde op een bijeenkomst van industriëlen en bankiers, waarvoor ze als beroemdheid was uitgenodigd. Het was een patserige avond die ze ronduit weerzinwekkend vond. Tijdens het diner werd op de achtergrond een opname van haar uitvoering van de Impromptu’s van Schubert gedraaid terwijl iedereen zich tegoed deed aan ortolaan. Dezelfde nacht mailde ze haar agentschap ‘dat ik niet meer beschikbaar was’.

    Eén van de beste verhalen is dat over de vrouw die de verteller ontmoet bij de begrafenis van ene Mero, een Algerijn die door een granaatsplinter een oog miste. Ze zijn naast de uitvaartleider de enige aanwezigen. De vrouw, Christiane, blijkt de erfgename te zijn van Mero en de verteller de executeur-testamentair. Hij krijgt haar bizarre geschiedenis met Mero stap voor stap te horen, culminerend in het korte zinnetje aan het slot: ‘Mero verloor zijn oog niet als kind’.

    Misschien zijn niet alle verhalen in Namiddagen even sterk (‘Achttien’ is bijvoorbeeld tamelijk voorspelbaar), maar de meeste blijven nog even nazoemen.

     

  • Oogst week 13 – 2025

    Het zilveren bot

    Het lot van Oekraïne gaat in het westen velen aan het hart. De populariteit van de schrijver Andrej Koerkov (1961), geboren in Rusland, opgegroeid en woonachtig in Oekraïne, is sinds de oorlog toegenomen. Hij is internationaal een veelgevraagd commentator. Vorig jaar verscheen zijn oorlogsdagboek Onze dagelijkse oorlog (2024), over zaken als wassen als de stroom is uitgevallen, loopgraafkaarsen, het geluid van rijdende tanks op een snelweg, vallende bommen, en de plaats voor kunst, literatuur en muziek in de maar doorgaande oorlog. Eerder verschenen onder meer Grijze bijen (2018) en Dagboek van een invasie (2022).

    Het zilveren bot is deel 1 van The Kyiv Mysteries, drie misdaadromans met een historische achtergrond. In dit eerste deel wordt op klaarlichte dag Samson Kolechko’s vader in zijn bijzijn vermoord. Samson ontsnapt aan de sabel, het kost hem alleen een oor. Het is 1919. In Kiev is het Rode Leger van de Sovjets de baas, het Witte Leger probeert vanuit het westen op te rukken. Overal heerst wantrouwen. Samson is nu als wees alleen in het huis van zijn vader en op een dag wordt dat huis gevorderd door twee soldaten van het Rode Leger. Samson luistert hun plannen af en besluit hen te dwarsbomen, waardoor hij in moorddadige complotten terecht komt. Zijn leven staat geregeld op het spel, maar misschien zal hij een held worden.

    Zoals altijd schrijft Koerkov op een licht ironische toon met oog voor absurditeit. Voor het spannende boek raadpleegde hij de archieven van de misdaadbestrijdingsdienst in Kiev.

     

    Het zilveren bot
    Auteur: Andrej Koerkov
    Uitgeverij: Borgerhoff & Lamberigts 2024

    De bodem van het bestaan – Dagboeken 1976-1980 deel 5

    In deel 5 van de Dagboeken van J.J. Voskuil wordt door de schrijver weer veel geworsteld, met zijn werk op het Meertensinstituut, met andere medewerkers, vrienden, met zijn vrouw L.. Voskuil schildert zichzelf daarbij negatief af, is meestal ontevreden over zijn gedrag en opmerkingen. Tegelijkertijd is hij vaak overtuigd van zijn eigen gelijk en doorziet hij behalve zichzelf ook de mensen om zich heen.

    In 1976 is hij verliefd op de jonge medewerkster Mirjam Lucassen, die wordt gearresteerd in verband met een explosief. Zij verdwijnt uit het Bureau en uit Voskuils leven. Hij raakt gedeprimeerd en schrijft eind 1977: ‘En nog altijd het nu al maanden durende gevoel van zinloosheid dat het onmogelijk maakt indrukken op te doen en neer te schrijven. Om iets waar te nemen heb je een vast punt nodig. Er is geen vast punt.’ Ondanks de ruzies en oeverloze discussies met L. schrijft Voskuil herhaaldelijk: ‘Ik ben niets zonder L.’

    In 1978 noteert hij, naast wat plaatsnamen van wandeltochten, slechts: ‘Marietje [hun kat] is vanmiddag doodgegaan. Ze was al een paar maanden ziek. De laatste weken had ze niet meer gegeten. Een klein, lief, mager scharminkeltje. Toen L. uit Den Haag thuiskwam, om kwart voor drie, leefde ze nog. Een minuut later was ze dood.’
    Begin 1980 gaat hij verder met zijn dagboek. Over het werk: ‘Het komt erop neer dat ze niet geloven dat het een voorstel is. Ze zien het als een overval. Ik wil hen op die manier met een hoop nieuw werk opzadelen. Dat had ik pas mogen doen als er eerst een principebeslissing was genomen. Enzovoort. Ik ben verbijsterd.’
    Voskuil chargeert en relativeert. Met humor, dat wel.

     

    De bodem van het bestaan - Dagboeken 1976-1980 deel 5
    Auteur: J.J. Voskuil
    Uitgeverij: Van Oorschot 2025

    Namiddagen

    De Duitse schrijver Ferdinand von Schirach (1964) is strafrechtadvocaat. Hij heeft vele bekende, beroemde en beruchte cliënten. Op zijn 45e publiceerde hij zijn eerste boek, Misdaden (2009), een bundel met verhalen uit zijn advocatenpraktijk die meteen een bestseller werd. Daarna volgden meerdere verhalenbundels, essays, toneelteksten en romans waarna hij al snel tot de beroemdste Duitse schrijvers ging behoren. Zijn boeken worden in meer dan 40 landen verkocht en er worden films en tv-series van gemaakt.

    In de bundel Namiddagen (2025) spelen Von Schirachs verhalen zich af in velerlei steden, zoals Taipei, Berlijn, Oslo, New York, Marrakech, Tokio, om er een paar te noemen. In Japan is Von Schirach erg populair, hij won daar de Honya Taishō boekhandelsprijs in de categorie internationale literatuur. In een van de Namiddagen-verhalen ontmoet de schrijver in een hotelkamer in Tokio een Amerikaanse advocate. Zij is er voor werk, hij ook – voor interviews en lezingen. Door de vliegreis en het tijdsverschil kunnen ze geen van beiden slapen en zij vertelt hem haar verhaal als advocaat van een beroemde muzikant met wie ze, getrouwd en wel, een paar jaar een relatie had. Bij het einde van de relatie krijgt ze van de muzikant een bijzonder horloge, dat ze later op verrassende wijze tegenover haar echtgenoot weet te ‘legaliseren’.

    In een prettig lezende, onopgesierde maar treffende ‘telling’ stijl laat Von Schirach levens van mensen passeren, met verkeerde beslissingen, toevalligheden, de liefde en de vluchtige aard van geluk en niet te vergeten eenzaamheid. Hij haalt daarbij literatuur, film en kunst aan.

     

    Namiddagen
    Auteur: Ferdinand von Schirach
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2025
  • Een fotograaf op zoek naar waarheid en schoonheid

    Een fotograaf op zoek naar waarheid en schoonheid

    Taboe (2014) van de in 1964 in München geboren Ferdinand von Schirach heeft een motto ontleend aan de kleurenleer van Herman von Helmholtz  (1824-1894). Als het licht van de kleuren groen, rood en blauw zich mengen, dan lijkt dat voor ons wit.

    Kleuren en fotografie zijn belangrijke thema’s in dit boek. Op de eerste bladzijden wordt geschreven over het onstaan van fotografie. Rond 1838 ontstaat een nieuwe werkelijkheid. Louis Daguerre maakt in Parijs zijn eerste daguerreotypie op de Boulevard du Temple. Maar met een belichtingstijd van ruim tien minuten worden bewegingen niet vastgelegd. Alleen gebouwen en huizen staan op de gevoelige plaat. Maar ook twee mensen die nauwelijks bewegen: een man en een schoenpoetser. Alleen zijn hoofd is wazig.

    Na deze inleiding maakt de lezer kennis met hoofdpersoon: ‘Sebastian von Eschburg had vaak aan de bewegingsloze man en zijn vervagende hoofd gedacht. Maar pas nu, pas nadat alles was gebeurd en niemand meer iets kon terugdraaien, begreep hij het: die man was hij zelf.’

    Het boek heeft vier delen met genummerde hoofdstukken, met als titels de kleuren Groen, Rood, Blauw en Wit.

    In Groen maken we nader kennis met de jonge Sebastian die opgroeit in het Zuidduitse stadje Eschburg. Hij neemt kleuren waar op een bijzondere manier. Hij ziet wat andere mensen zien, maar zijn hersenen zetten de kleuren om in kleurnuances en twintig verschillende wittinten. In hem zijn de kleuren anders, maar hij praat er niet over.

    Op zijn tiende wordt hij naar een internaat gestuurd. In de grote vakanties keert hij terug naar het landgoed van zijn ouders. Hij gaat met zijn vader mee op jacht. Zijn vader schiet een hert en Sebastian is er getuige van hoe zijn vader het hert opensnijdt om de ingewanden en de weke delen te verwijderen. Dit maakt een diepe indruk op de jongen. Het verlamt hem, hij kan zich niet meer bewegen. Sebastian voelt zich net als toen hij aan de rand van een ravijn stond en hij er zich er niet van had kunnen losmaken.

    Na de jacht speelt hij onder het oog van zijn drinkende vader een partijtje biljart.  Kort daarop pleegt zijn vader zelfmoord. Met 12 loden kogels schiet hij zijn hoofd eraf. Het huis wordt ontmanteld, zijn moeder vindt een andere partner en Sebastian moet terug naar het internaat. Daar brengt hij veel tijd door in de bibliotheek. De paters vinden hem maar een vreemde jongen als ze hem in zichzelf zien praten met de hoofdpersonen uit de boeken die hij leest.
    Volgens de paters van het internaat lijdt hij aan ‘visuele hallucinaties’. Sebastian denkt in beelden en kleuren, niet in woorden. Tot zijn achttiende zit hij op het internaat.

    De jaren verstrijken. Sebastian gaat in de leer bij een fotograaf en hij vestigt zich later als zelfstandig fotograaf in Berlijn. Hij maakt naam met portretten en naaktfotografie. Hij experimenteert met zijn afdrukken net zo lang totdat zijn foto’s de warme toon krijgen die alle andere kleuren in zijn hoofd tot rust brengen. Zijn foto’s zijn veelal in sepia, felle kleuren kan hij als synestheet niet verdragen. Met zijn vriendin Sofia richt hij de expositie ‘Maja’s mannen’ in. De foto’s zijn geïnspireerd door pornofilms zoals ‘Venus in het spermabad’ in combinatie met twee beroemde schilderijen van Francisco Goya van Maja, de naakte (La maja desnuda) en de aangeklede versie (La maja vestida).

    Sebastian heeft met zijn internationale exposities van foto- en videoinstallaties veel succes. Hij denkt dat hij de schoonheid heeft gevonden in symmetrie. Maar in het laatste hoofdstuk van deel Blauw komt hij tot het inzicht dat hij zich heeft vergist, dat schoonheid geen waarheid is, dat de waarheid lelijk is. ‘Ze is het opengesneden lichaam, het weggeschoten hoofd van mijn vader’. Zoals zijn vader de buik van het hert opensnijdt, zo snijdt Sebastian diep in de rug van zijn hand.

    In de volgende delen komt  het verhaal in een stroomversnelling met een moord, een aanklacht, een rechtszaak en een uitspraak. Dat gebeurt in delen met een wisselend perspectief. In Rood openbaar aanklager Monika Landau, in Blauw de eigenzinnige advocaat Konrad Biegler. En in het slotdeel Wit komt alles samen:  de kleuren rood,  groen en blauw zijn gemengd.

    Het belangrijkste thema draait om waarheid en werkelijkheid, niet alleen in de kunst maar ook in het dagelijks leven. In de rechtspraak zijn werkelijkheid en waarheid verschillende dingen. Dé waarheid bestaat niet, er zijn meerdere waarheden.

    In het boek worden diverse taboes doorbroken. Over de zelfmoord van de vader spreekt de familie na de begrafenis niet meer. Een ander taboe is pornografie in de kunst. De naakte Maja van Goya is het eerste naakt waarop schaamhaar te zien is. Sebastian ziet voor het eerst porno als hij de nieuwe vriend van zijn moeder met een videocamera in de slaapkamer in de weer ziet.

    Het boek bevat  kritiek op de wijze waarop soms bewijs wordt verkregen in verhoren. Mag een agent een verdachte onder druk zetten door te dreigen met marteling, door ‘verscherpte verhoormethoden’ toe te passen? Is het gerechtvaardigd te ‘folteren’ als daarmee een mens of meerdere mensen gered kunnen worden? Valt een ontvoerder of een terrorist te allen tijde onder de grondwet? Hoe lang wordt de menselijke waardigheid gerespecteerd en gewaarborgd?

    Het verhaal laat zich lezen als een ‘Krimi’, maar het is meer een boek over literatuur, kunst, fotografie, werkelijkheid en illusie. Als kind leest Sebastian vertaalde gedichten van Dylan Thomas, Windabgeworfenes Licht. Als fotograaf gebruikt hij in een videoinstallatie een regel uit het gedicht Fernhill: ‘op de stromen van het door de wind afgeworpen licht’. In de oorspronkelijke tekst: ‘Down the rivers of the windfall light’.  Voor Sebastians fotowerk zijn de Maja schilderijen en de zwarte schilderijen die Goya in zijn laatste levensjaren maakte een belangrijke inspiratiebron. Net als in de foto’s van Sebastian is het kleurgebruik beperkt tot zwart, grijs en bruin.

    Op een knappe manier komt het verdwenen hoofd van Daguerre op meerdere plaatsen terug in het boek, bij de zelfmoord van de vader en in de videoinstallaties van Sebastian. Dit alles is verweven met beelden ontleend aan kunst en fotografie.

    Taboe is een rijk boek met een heldere structuur. De kleuren rood, groen, blauw en wit komen terug in de delen van het boek en in laatste zin wanneer een visser zijn hengel uitgooit in de rivier:  ‘Heel even lag de vlieg op het water, ze glansde groen en rood en blauw in de zon. Toen trok de rivier hem met zich mee.’

    Ferdinand von Schirach (1964) is schrijver en straf-advocaat in Berlijn. Voor Taboe laat hij zich volgens een recent interview inspireren door de zaak Gäfgen.  In 2002 ontvoert en vermoordt Magnus Gäfgen Jakob von Metzler, het elfjarige zoontje van een bankier. Twee politiemannen dreigen Gäfgen te zullen martelen als hij niet vertelt waar hij de jongen vasthoudt. Gafgën geeft na de dreigementen toe waar hij het kind heeft verborgen. Maar hij heeft de jongen daarvoor al gedood. In 2011 klaagt Gäfgen de Duitse deelstaat Hessen aan voor bedreigingen tijdens zijn verhoor. Het gerechtshof in Frankfurt bepaalt in 2012 dat Gäfgen recht heeft op 3000 euro schadevergoeding voor ‘zware schending van de menselijke waardigheid’. Het Europees Hof voor de Mensenrechten stelde al in 2010 vast dat dreigementen van marteling een onmenselijke behandeling is en zonder uitzondering verboden.

    Von Schirachs eerste verhalenbundel Misdaden verscheen in 2009, Schuld in 2010 en De zaak Collini in 2012.

    Hans Driessen en Marion Hardoar maakten wederom voor de Arbeiderspers de vertaling. Ze kregen hiervoor een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

     

  • Recensie door: Machiel Jansen

    Recensie door: Machiel Jansen

    Ongeveer een jaar geleden debuteerde de Duitse schrijver Frederich von Schirach in Nederland met zijn verhalenbundel Misdaden. In Duitsland was het eerder al een ongekend succes geweest en werd het snel gevolgd door een tweede verhalenbundel, Schuld, die nu in Nederlandse vertaling is verschenen.

    In Duitsland is Von Schirach inmiddels een beroemdheid. Zijn verhalen worden verwerkt tot televisieseries, hij heeft een column in Der Spiegel en er is zelfs sprake van een talkshow. Dat succes is wel enigszins te verklaren want zowel het grote publiek als de literaire kritiek vinden in Von Schirachs werk iets om enthousiast over te worden. De verhalen bevinden zich in het grensgebied tussen het misdaadgenre en het literaire, korte verhaal. Het zijn kleine literaire thrillers, een genre dat het bij het grote publiek toch al goed doet. Daarbij komt nog dat het literaire gehalte van de verhalen toegankelijkheid niet in de weg staat. Integendeel, Von Schirachs zinnen zijn zo eenvoudig, zo leesbaar en zo effectief dat lezen geen enkele moeite kost.

    Zoals zo velen was ik destijds dan ook behoorlijk enthousiast over Misdaden, over de sobere taal en de misdaadverhalen, geïnspireerd door zaken uit Von Schirachs praktijk als strafadvocaat, die nu eens niet draaien om de vraag wie nu precies iets vreselijks gedaan heeft. Ben ik ook zo enthousiast na het lezen van Schuld? Ja en nee.

    Ja, omdat de korte verhalen niet of nauwelijks verschillen van die in Misdaden.

    Nee, omdat de korte verhalen niet of nauwelijks verschillen van die in Misdaden.

    Eén van de beste verhalen in Schuld gaat over een echtpaar dat besluit anderen te betrekken in hun seksuele relatie. De man kijkt graag toe hoe anderen seks hebben met zijn vrouw. Beiden lijken er van te genieten maar Von Schirach weet zonder te oordelen meteen duidelijk te maken dat hier iets wringt, dat hier iets onderhuids op een ongezonde manier tot ontwikkeling komt. Als lezer kijk je naar een man die zijn vrouw bekijkt maar zichzelf niet ziet. Hij is zichzelf verloren, waarschijnlijk tijdens het kijken naar anderen die het met zijn echtgenote doen. Pas als een oude bekende, een vroegere schoolvriend zich meldt voor de gratis seks, gaat er iets mis. Of beter, er gebeurt iets dat laat zien dat er al die tijd al iets is misgegaan. De man slaat zijn oude schoolkameraad in een vlaag van opgekropte frustratie net niet dood, maar het scheelt niet veel.

    Von Schirach is op zijn best in het beschrijven van de aanloop naar de onvermijdelijke misdaad, niet zozeer in het beschrijven van de misdaad zelf, of de juridische afhandeling. Het is hem om de motieven te doen, de persoonlijke geschiedenis van een dader. De misdaad is in de beste verhalen een bijna noodlottig gevolg van eerdere gebeurtenissen.

    In het verhaal Vereffening mishandelt een man zijn vrouw. Ze heeft niet de kracht bij hem weg te gaan. Ze hebben samen een dochtertje en dat lijkt de belangrijkste reden te zijn om het geweld te blijven ondergaan. Het wordt steeds erger en de noodzakelijke vereffening komt steeds dichterbij. Op een gegeven moment wordt de man in zijn bed doodgeslagen. De misdaad ligt zo onontkoombaar in de lijn van het verhaal dat het er nauwelijks nog toe doet wie het precies gedaan heeft.

    Als Von Schirach op zijn best is, is misdaad noodlottig en onafwendbaar. Schuldig zijn is dan niet veel meer dan een etiket dat juristen en buitenstaanders hanteren. Het boek heeft dan ook een motto van Aristoteles meegekregen: ‘De dingen zijn zoals ze zijn.’

    Maar Von Schirach is niet altijd een meesterlijk schrijver en soms zit de misdaad hem in de weg. Dat wil zeggen, een enkele keer leidt de beschrijving van allerlei verwikkelingen tot een modaal misdaadverhaal. In De sleutel bijvoorbeeld, wordt gevochten, in drugs gehandeld, een auto gestolen, door een hond een belangrijk sleuteltje opgegeten, een man ontvoerd en net niet gemarteld, een ander hardhandig gearresteerd en wordt er langdurig een pistool in een mond geduwd. Het is allemaal spannend, bij vlagen ook nog hilarisch, maar we kennen zulke verhalen al zo goed. We hebben iets dergelijks al zo vaak langs zien komen op TV of film.

    Iets anders wat mij niet beviel bij het lezen van Schuld is dat ik de opbouw van Von Schirachs verhalen soms moeiteloos kon voorspellen. Zo maakt hij vaak gebruik van een enkele zin die de spanning opvoert door alvast een voorschot te nemen op de misdaad waarvan we weten dat die komen gaat. Bijvoorbeeld in het openingsverhaal Volksfeest komt de volgende zin voor: ‘Het waren hele gewone mannen, en niemand had verwacht dat zoiets zou gebeuren.’

    Op het moment dat we dit lezen hebben we nog geen idee wat met ‘zoiets’ bedoeld kan worden. Met een dergelijke zin is op zich niets mis, maar wel erg veel van Von Schirachs verhalen bevatten zo’n spanningsopbouwende zin, die zinspeelt op het naderende noodlot. In het verhaal De Ander bijvoorbeeld staat de zin ‘Maar toen was die kwestie in de hotelsauna voorgevallen en die had alles veranderd,’ waarbij de lezer nog geen idee heeft wat er in welke sauna is gebeurd. Ook de zin ‘Vlak na de kerstvakantie betrapten ze hem’ uit het verhaal De illuminaten is er zo één. Waarop de hoofdpersoon betrapt wordt is op het moment dat we de zin tegenkomen nog totaal onduidelijk. Kortom, de structuur van de verhalen wordt af en toe wat voorspelbaar en zo is de herhalende kracht van de verhalen tegelijkertijd hun zwakte.

    De verhalen in Schuld zijn iets harder, iets gewelddadiger dan die in Von Schirachs debuut. Maar Schuld is in alle opzichten een voortzetting van Misdaden, waarbij het gevaar van teveel van hetzelfde soms waarheid wordt. Wat echter steeds de moeite waard blijft, is om te zien hoe Von Schirach met kleine, eenvoudige zinnen grote effecten kan bewerkstelligen.

    Tijdens het lezen van Schuld had ik dezelfde gedachte als tijdens het lezen van Misdaden, alleen was de gedachte nu wat dwingender: ik zou Von Schirach zich wel eens willen zien wagen aan iets anders dan het korte misdaadverhaal. Aan iets dat niet gebaseerd is op de zaken uit zijn juridische praktijk, iets van meer omvang. Misschien een roman, misschien iets over zijn grootvader.

    Baldur von Schirach, de grootvader van de schrijver van Schuld en Misdaden, was jarenlang hoofd van de Hitlerjugend. Een dergelijke familierelatie kan een schrijver in zijn werk nauwelijks negeren, zou je denken. En inderdaad, op het moment dat Schuld in Nederland verschijnt, is in Duitsland Der Fall Collini uitgekomen, over de moord op een Italiaanse officier tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een roman waar in ook de grootvader een kleine rol schijnt te spelen. Zo kan voorspelbaarheid ook iets zijn om naar uit te kijken.

     

    Schuld

    Auteur: Frederich von Schirach
    Vertaald door: Hans Driessen en Marion Hardoar
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 148
    Prijs:  € 16,95

     

     

  • Debuteren met indrukwekkende korte verhalen

    Debuteren met indrukwekkende korte verhalen

    Het is maar een klein boekje, Misdaden van Ferdinand von Schirach met elf korte verhalen, maar de indruk die het maakt is groot en bij vlagen zelfs indrukwekkend.

    Frederich von Schirach werkt als strafadvocaat in Berlijn. Een aantal van de strafzaken uit zijn praktijk nam hij als basis voor zijn debuut dat in Duitsland vorig jaar een bestseller werd. Zijn tweede boek is daar inmiddels verschenen.

    Laat ik eerst zeggen wat voor boek de verhalenbundel Misdaden niet is. De titel en omslag suggereren spannende verhalen, de achterflap heeft het over ‘beknopte thrillers’ en toont in rode letters de zin ‘de waarheid en niets anders dan de waarheid’. De indrukken die deze informatie achter laat zijn onjuist.

    Het boek is geen appel. Dat staat op de allerlaatste bladzijde, na het laatste verhaal. Het is een citaat van de schilder Magritte: ‘Ceci n’est pas une pomme’. Op zich is het waar dat het boek geen appel is. Toch doet zo’n zin wat merkwaardig aan. Dat is nu net de bedoeling. De waarheid kan vreemd zijn, onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig klinken.  Daarentegen kunnen gewone, alledaagse verhalen verzonnen en misleidend zijn.  Na bijna 170 bladzijden is dat zinnetje van Magritte vrij eenvoudig te duiden.

    De verhalen in Misdaden zijn ook geen case studies. Weliswaar zijn ze gebaseerd op verhalen van bestaande cliënten, maar ze zijn aangepast. Niet elke cliënt wil zijn misdaden of levensloop immers in een boek terug vinden. Bovendien is de taal te helder en te persoonlijk voor een zakelijke gevalsbeschrijving.

    Korte thrillers zijn de verhalen ook niet. In slechts één verhaal  komt de vraag wie de moord gepleegd heeft centraal te staan, en het valt om die reden ook een beetje uit de toon.  De misdaad is niet het hoogtepunt of de sleutel van het verhaal. Het mag een reden zijn om het verhaal te vertellen maar het is niet het misdrijf dat de meeste indruk maakt.

    De gepleegde misdaden zijn voor Von Schirach aanleiding om op de huid van zijn personages te gaan zitten en zo te laten zien wat hen beweegt. Het zijn de verhalen die zij met zich meedragen die hij vertelt. De manier waarop hij dat doet is indringend. Het is even beknopt als effectief proza.

    Het indrukwekkende, eerste verhaal draagt de naam van de hoofdpersoon Fähner. Hij is huisarts, lid van de Lions club, geen strafbare feiten, 2800 ziekenfondspatiënten per jaar.

    Over Fähners leven viel eigenlijk niets te vertellen.

    Behalve die kwestie met Ingrid.

    Ingrid is de vrouw op wie hij verliefd wordt en aan wie hij plechtig en diepgemeend trouw belooft. In de veertig jaar die volgen behandelt ze hem als vuil, scheldt hem uit en maakt het huwelijk tot een kleine hel. Hij verlaat haar niet, maar blijft trouw aan zijn belofte. Op een dag scheldt ze hem voor de zoveelste keer uit en hakt hij haar met een bijl in stukken. Zoals op een dag de zon achter de wolken schuil gaat, of de post een brief komt brengen, zo komt het geweld langs in dit verhaal. Het gebeurt, eigenlijk is daar alles mee gezegd. De lezer staat er bovenop en de schrijver heeft het niet mooier of lelijker gemaakt dan het was. Kaal en direct staat het er.

    In dit verhaal shockeert het misdrijf, het geweld. Er is begrip en ook medelijden voor de dader. Maar ook afschuw voor de gruwelijkheid  van de daad en verbazing over de trouw die Fähner toch nog voelt voor zijn vermoorde vrouw. Het is een indrukwekkende start van de verhalenbundel.

    Het is niet allemaal moord en doodslag in Misdaden. In het verhaal De doorn bestaat de misdaad uit het kapotgooien van een museumstuk, in De egel weet een man zijn broer, die verdacht wordt van een overval, vrij te pleiten. In Geluk overlijdt een man aan een hartstilstand bij een illegale prostituée en haar vriend probeert in paniek het lijk op te ruimen. In De cello is er nauwelijks sprake van een misdaad. Een vrouw brengt haar broer uit liefde om. Hij lijdt aan de gevolgen van een zwaar verkeersongeluk en een bijkomende infectieziekte. Regelmatig moeten delen van zijn lichaam geamputeerd worden. Zijn hersenen zijn aangestast. Hij herkent haar niet meer. Haar besluit om zijn leven te beëindigen kun je haar, na hun gezamenlijke leidensweg gelezen te hebben, onmogelijk kwalijk nemen.

    De mooiste delen uit het boek hebben zelfs niets met misdaad te maken. Prachtig en bijna sierlijk beknopt wordt bijvoorbeeld in De egel beschreven hoe de Turkse Karim, afkomstig uit een gezin waarin niemand echt wil deugen, zich opzettelijk dommer voordoet dan hij is. Al zijn broers zitten in de misdaad, behalve Karim die doet alsof. Stiekem leest hij, studeert hij, verbergt hij zijn intellegentie en bouwt hij aan een keurig, bijna intellectueel dubbelleven, compleet met Duitse vriendin en belastingaangiftes.

    Een andere voorbeeld van een prachtig geschreven fragment komt uit het laatste verhaal De Ethiopiër. Een man raakt volstrekt aan de grond, pleegt een overval  en vertrekt naar Addis Abeba waarvan hij niet eens weet waar het ligt. In Ethiopië aangekomen blijkt daar de wereld opnieuw een vuilnisbelt. Uiteindelijk weet hij daar een leven op te bouwen, maar de beschrijving van zijn Afrikaanse omzwervingen deed me denken aan J.M. Coetzees roman Life & Times of Michael K. Toen viel het me pas op dat de man Michalka heet.

    Al de verhalen in Misdaden hebben hetzelfde patroon. In korte paragrafen maken we kennis met de hoofdpersonen waarbij het steeds verbazingwekkend is hoe Von Schirach met zo weinig middelen zoveel effect weet te bereiken. Zijn stijl is bedrieglijk eenvoudig en uiterst effectief. Het begin van elk verhaal lijkt te worden verteld door een alwetende verteller. Na enige tijd, meestal is de misdaad dan gepleegd, neemt de verteller plotseling deel aan het verhaal. De ik-figuur is in alle verhalen, net als Von Schirach zelf, strafadvocaat.

    Die verschuiving van vertelperspectief stoort niet, maar verzwakt soms toch de opbouw van de verhalen. Zo treedt in het openingsverhaal de ik-figuur pas op als het verhaal van Fähner en de moord op zijn vrouw verteld is. De ik-figuur handelt nu als advocaat de nasleep van de moord af. Met terugwerkende kracht blijkt de alwetende verteller dan Fähner’s advocaat te zijn en dus een belang te hebben bij een bepaalde visie op de gebeurtenissen. Dat besef doet wel iets aan de verhalen af.

    Von Schirach ziet dat probleem zelf ook en hij maakt ook regelmatig opmerkingen over de objectiviteit van verhalen en getuigenissen.  De zin op de achterflap De waarheid en niets anders dan de waarheid is dan ook zeker niet zijn motto. Integendeel zelfs, het boek begint met een citaat van de fysicus Heizenberg, bekend om zijn onzekerheidprincipe: ‘Die Wirklichkeit, von der wir sprechen können, ist nie die Wirklichkeit an sich’.  Ook in de verhalen zelf komt Von Schirach regelmatig terug op wat nu objectief gebeurd is en wat gekleurd is door waarnemingen, belangen en vermoedens. Zo ook in het laatste verhaal: ‘Niemand is zo objectief dat hij vermoeden en bewijs altijd uit elkaar kan houden. We denken iets heel zeker te weten, we gaan de verkeerde kant op, en vaak is het allesbehalve eenvoudig de weg terug te vinden.’

    Een ander kenmerk dat alle verhalen uitdragen is een lichte sympathie voor de dader. Nooit zijn het monsters, of anonieme, gezichtloze figuren. Steeds zijn het mensen, al zijn ze soms dom, erg gewelddadig of zelfs waanzinnig. Van goedpraten van de misdaad is geen sprake, maar begrip voor de dader verandert toch het oordeel over de daad. Het is overigens zeker niet zo dat de lezer zich kan identificeren met elk personage uit Von Schirachs Misdaden.  De Turk Pocol in Tanata’s theekopje is angstaanjagend gewelddadig en ook de jongen uit Liefde die er naar verlangt zijn vriendin op te eten, is nu niet iemand met wie je je identificeert. Wel brengt Von Schirach ze dichtbij.

    Misdaden is een indrukwekkend debuut. Wie een thriller verwacht, krijgt iets anders, maar zal niet teleurgesteld worden. Een vreemde lezer die dit boek niet uit wil lezen.