• Amalgaam van stemmen

    Amalgaam van stemmen

    Er zat een haas in het midden van het veld waar ik langsfietste. Fier rechtop berekende Haas zijn kansen. Ik fluisterde, ‘Ik zie je Haas’, stapte af en weg was Haas. Dat ik een haas aanspreek als was het een opperwezen dat een hoofdletter verdient, komt door Paul Biegel. Sinds zijn trilogie over Haas, raak ik betoverd als ik er een zie. De machtige kracht van het gestrekte lijf wanneer Haas ervandoor gaat. Telkens als ik er een zie, geloof ik graag dat het de enige echte is. Haas, waar in een verwilderde tuin door pad en goudvis, de gezusters nachtvlinder en het bijenvolk op gewacht werd. Haas als brenger van het goede. Alleen de mieren geloofden daar niet in.

    In De mierenkaravaan van Mariken Heitman komt ook een haas voor. Maar anders dan in die verwilderde tuin bij een verlaten huis, bezoekt deze haas de groentetuin van tuindersvrouw Kiek. Hij vervult haar met ontzag, maar ziet hem liever gaan dan komen. En dan zijn er de mieren. 

    ‘Stel, je ontdekt drie mieren op de muur. Al snel blijken het er dertig te zijn, honderd, een veelvoud, je ziet dat ze allemaal in dezelfde richting lopen maar ook dat is incorrect: sommige lopen heen en andere terug. Dan zie je dat ze nooit botsen, dat het enige contact eruit bestaat dat ze elkaar soms betasten met hun voorste pootjes. Je zet een stap terug en overziet dan pas hun hele route, die over de muur slingert maar gemiddeld genomen als een stijgende lijn een duidelijke richting heeft, je volgt die machtige zijderoute als een drone en al die moeite, denk je, al dat lopen. Zowel oorsprong als doel ligt buiten beeld.’ 

    Je denkt na herlezing (zo’n boek is het, je leest het nog eens), is dit niet de kern van het boek? Je nergens iets van aantrekken, nergens in geloven, zoals mieren dat doen. Geen doel stellen, niet achterom kijken, het nu is wat geldt. Wat voor Kiek – die met zichzelf te stellen heeft sinds uit een scan bleek dat ze MS heeft – betekent dat ze zal zaaien, oogsten, grond bewerken, teeltplannen maken, opnieuw zaaien. De seizoenen stuwen haar voort. In de vier hoofdstukken Herfst, Winter, Lente en Zomer heeft Kiek te maken met krachtverlies in handen, zwabberbenen, en moe, zo moe. Er is een intens proces gaande.

    Bij eerste lezing was het de reikwijdte van liefde die me trof. Waarom verbreekt Kiek haar liefdesrelatie nu ze MS heeft. Is een ziekte het waard de liefde af te wijzen? Ik denk aan de oudste zus van Jan Fontijn waarover hij schreef in Opgebouwd uit hetzelfde. Ze had hartproblemen waardoor ze, zo zei de arts, niet kon werken. En beter was het, zei de arts, met zo’n hart niet te trouwen. Waarmee hij haar de kans op een partner, die na haar dood om haar zou treuren, ontzegde. Dat is wat ook Kiek doet, zei ontzegt zich het medelijden en zorg van haar vriendin. Omdat ze de eenzaamheid beter verdraagt dan de liefde.

    Wat me bezighoudt, is de ik-verteller. Is het Kieks alterego, is het de tuin? Want als aan groenten, aanvliegende ganzen en een composthoop menselijke eigenschappen worden toegekend, waarom zou de tuin dan niet de verteller kunnen zijn. Hoe de ik de staat van een composthoop beschrijft. ‘Wekenlang gebroeid. In zijn hete buik is materie veranderd, hij is geslonken en inmiddels is de koorts gezakt. Na het smeulen volgt lauw wachten, zijn ademhaling oppervlakkig.’ Hoe mooi je dit vindt.

    Of is de ik bedoelt om bij afwezigheid van Kiek hiaten op te vullen. Kijk, in het volgende fragment stelt de ik zich voor als nettenboeter.  ‘Want dat is wat ik doe, ik vertel en boet het net. Vul gaten op en verknoop draden, zodat het een logisch uit het ander, zodat al die draden samen een weefsel vormen, (…) zodat ook de toekomst weer kloppend klinkt en de samenhang is verzekerd.’ Het fascineert me. Lees hoe rabarber groeit, elke lente opnieuw. Kijk dan toch! ‘de wortelstokken duwen hun toverballen boven de grond. Groen met rood dooraderde drakeneieren, bruin geschubd. Als over een paar dagen die leerachtige schaal barst, verschijnen er stijve bladeren op zuurstokstelen.’ Mooier zag ik de groei van rabarber nog niet eerder omschreven. Een betoverende en rijke roman.

     

     

    De mierenkaravaan / Mariken Heitman / Blz. 206 / Atlas Contact


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks over haar leven met boeken. 

  • Oogst week 38 – 2024

    Roadtrip to Auschwitz

    In Eva Ruttens Roadtrip to Auschwitz bezoeken familieleden uit drie generaties samen Auschwitz-Birkenau. Voor Rutten, die de middelste van die generaties vertegenwoordigt, is het niet de eerste keer dat ze er is. In 2004 maakte ze na de dood van haar moeder een bedevaartstocht naar het kamp waar haar Poolse grootmoeder tegenover Josef Mengele kwam te staan. Het was er ijskoud, hartje winter, en Rutten beloofde haar grootmoeder en haar moeder dat ze ooit, als ze zelf een dochter heeft, zou terugkomen. Roadtrip to Auschwitz is het verslag van die reis: Rutten bezoekt samen met haar tienerdochter en twee zussen van haar moeder de plekken in Duitsland, Polen en Oostenrijk die beslissend zijn geweest voor de geschiedenis van haar familie.

    Rutten is een Belgische journalist. Ze is geboren in Gent en groeide op naast haar grootouders die beiden tijdens de Tweede Wereldoorlog in concentratiekampen zaten — ze hadden banden met het Poolse ondergrondse verzet — en elkaar na de oorlog ontmoetten in een displaced persons camp in Duitsland. Rutten studeerde journalistiek in Hasselt en publiceert in, onder andere, Feeling, De Standaard Magazine, HLN, Sabato (De Tijd). Ze woont met haar man en dochter in Hemiksen. Het verhaal van Roadtrip to Auschwitz is niet alleen verschenen in boekvorm, Rutten heeft er ook een podcast over gemaakt.

    Roadtrip to Auschwitz
    Auteur: Eva Rutten
    Uitgeverij: Pelckmans

    Zwervelingen

    Zwervelingen van Rešoketšwe Manenzhe speelt zich af in Zuid-Afrika in 1927, het jaar dat de Ontuchtwet werd aangenomen, die relaties tussen ‘witten’ en ‘zwarten’ illegaal maakte. Het leven van Abram (Brits) en Alisa (Jamaicaans) wordt erdoor op zijn kop gezet. Voor de invoering van de Ontuchtwet leidden ze een gelukkig en comfortabel leven met hun twee kinderen. Erna worden de kinderen ineens beschouwd als twee ‘bewijzen’ van hun verboden relatie. Op school stellen ambtenaren vragen en er worden lijsten gemaakt van de bezittingen van het gezin, dreiging hangt als een donkere wolk boven hen. Abram weet zich geen raad. Hij wil zijn gezin beschermen, maar hoe? Alisa zakt weg in een depressie met verschrikkelijke gevolgen.

    Manenzhe is dichter en schrijver van korte verhalen en romans. Haar gedichten en korte verhalen zijn verschenen in verschillende tijdschriften en ze heeft een heel aantal prijzen op haar naam, waaronder de Dinaane Debut Fiction Award 2020, de HSS. Award voor Beste Fictie 2021, de UJ Prize 2021 voor Zuid-Afrikaanse Engelstalige fictie, de First-Time Author Award en de South African Literary Awards 2021. Ze is Zuid-Afrikaans en woont in Kaapstad.

    Zwervelingen
    Auteur: Rešoketšwe Manenzhe
    Uitgeverij: Orlando

    De mierenkaravaan

    Kiek is veertig jaar en werkt op een tuinderij. Samen met vrijwilligers kweekt ze groenten en anderen planten. Het ecologische evenwicht is belangrijk op de tuin, ieder levend wezen speelt daarin zijn eigen rol. Toch zijn er levende wezens die niet welkom zijn, zoals de haas die het evenwicht brutaal komt verstoren. In Kieks persoonlijke leven staat er ook een evenwicht op het spel: ze blijkt een chronische ziekte te hebben. In De mierenkaravaan beschrijft Mariken Heitman de veranderingen die de tuin én Kiek gedurende vier seizoenen ondergaan.  

    Heitman is opgegroeid in Gelderland en studeerde biologie aan de Universiteit Utrecht. Naast haar werk als schrijver werkt ze als tuinder en docent groenteteelt. Haar debuut, De wateraap, werd genomineerd voor de Bronzen Uil en de Anton Wachterprijs. Ook stond het boek op de longlist van de Jan Wolkersprijs. Voor Heitmans tweede boek, Wormmaan, ontving ze het C.C.S. Crone stipendium en, in 2022, de Libris Literatuur Prijs. De mierenkaravaan is Heitmans derde boek. Naast romans schrijft Heitman ook artikelen en essays. Deze zijn onder andere verschenen in De Volkskrant, De Standaard en NRC.

    De mierenkaravaan
    Auteur: Mariken Heitman
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Mariken Heitman wint de Libris Literatuurprijs 2022

    Tijdens Nieuwsuur maakte juryvoorzitter Ahmed Aboutaleb gisteravond bekend dat bioloog een schrijver Mariken Heitman met Wormmaan de Libris Literatuur Prijs 2022 heeft gewonnen. De jury sprak van een ‘uitdagende, onconventionele’ roman die ‘zowel actueel als tijdloos is.’ Heitman werd geroemd om haar ‘groot intellect, literair meesterschap en de moed om niet te kiezen voor een conventionele vertelling.’

    Conventioneel is Wormmaan zeker niet. Enerzijds is het een aards boek over de ontwikkeling van de landbouw, passages waarin de aarde en de kracht van tractoren voelbaar zijn. Er worden ijzerwaren- en tuinwinkels bezocht, ‘Of ik wel eens met een kettingzaag heb gewerkt, vraag de man van de ijzerwarenwinkel.  (…) Onderzoekend kijkt hij me aan, begint dan een verhaal over tweetaktmotoren, startkoorden, choke, het slijpen van de zaagkettingen en soorten olie. Een tactiek misschien, ik val hem in de rede en schets hem de situatie: de dikte van de boom. Hij knikt en verdwijnt naar achteren.’

    Anderzijds is er het mythische verhaal over de oererwt. Duizenden jaren geleden werd tijdens een dreigende hongersnood een nieuw gewas ontdekt – de erwt – door de zonnegod Ra. ‘Er hadden zich mensen rond de erwtenplanten verzameld. Het zag er allemaal behoorlijk knap uit, vonden ze, zo op een rij met dat rijshout, hoe hoog die planten klommen. (…) Ra zei dat je eigenlijk alleen de zaden at. Dat zijn de erwten, (..) die zitten in de peulen. (…) De mensen telden globaal, keken elkaar aan en fronsten.’ Twee uiteenlopende verhaallijnen die een appel doen op de denkkracht en aannames van de lezer. En zoals de jury zegt: ‘Als lezer word je niet behaagd maar uitgedaagd om de hersenen te laten kraken: de roman is filosofisch, zonder nodeloos zwaarwichtig te zijn.’

    Daarbinnen handelt het over (gender)identiteit, zonder dat Heitman daarover iets in het bijzonder aan de orde wel brengen. Het gaat bij haar meer om het hokjesdenken en hoe we vanuit aannames (jongen/meisje) het sociale leven beschouwen. De belemmeringen die dat opwerpt. In het boek is er dan ook niet voor niks herhaaldelijk sprake van ‘een vrouw die zij niet geworden is’. In Wormmaan wordt het proces van veredeling in de zaadsector vergeleken met het socialisatieproces van de mens. Het handelt over sociale regelgeving, over verlies van krachten, het kiezen voor een andere weg dan de begaanbare. Een belangrijk en prachtig boek dat hopelijk door deze bekroning met de Librisprijs 2022, volop gelezen zal worden.

    Mariken Heitman debuteerde in 2019 met De Wateraap, schreef verhalen voor verschillende platforms en van 2019 tot de zomer van 2021 een maandelijkse column voor Literair Nederland.

    De gelauwerde schrijver wint naast de erkenning en eer, een bedrag van 50.000 euro en een bronzen legpenning ontworpen door Irma Boom. Vorig jaar werd de prijs gewonnen door Jeroen Brouwers voor Cliënt E. Busken. Beide romans verschenen bij uitgeverij Atlas Contact.

    Overige genomineerden waren: Nico Dros met Willem die Madoc maakte, Auke Hulst met De Mitsukoshi Troostbaby Company, Deniz Kuypers met De atlas van overal, Renée Marissing met Onze kinderen en Lisa Weeda met Aleksandra.

     

     

  • Moeilijke boeken

    Moeilijke boeken

    Vorige week fietste ik naar een boekpresentatie aan de Prinsengracht. Eerst fietste ik zes kilometer naar station Dieren, een van de mooiste stations die ik ken. Vandaar met de trein naar Amsterdam. Onderweg las ik verder in het boek dat gepresenteerd zou worden. De openingszin, ‘Het besturen van een trekker is een daad van soevereiniteit.’, is een geweldige zin. Een indrukwekkende oppermacht doemt voor me op als ik over deze trekker lees. ‘Hij komt over het kavelpad aanrijden en draait dan het veld op, klaar om het land overhoop te halen. (…) Grommend komen de schoepen in beweging, ze happen grond, werken in één gang rogge, onkruid en mest onder.’ 

    Ik moest op Prinsengracht 119 zijn. Ik was mooi op tijd. Uit het pand kwam een oudere man naar buiten. Ik vroeg hem naar de uitgeverij op dit adres. De man, die ik herkende als de dichter die ooit debuteerde met de bundel, Mijn broertje kende nog geen kroos, een waarlijk onheilspellende titel, keek me peinzend aan. Hij legde een vinger tegen zijn lippen, zei ‘Maar, dat is verder. Veel verder, op nummer 1119!’ Ik zette een tandje bij, ontweek net behendig genoeg andere straatgebruikers. Een jong vijgenboompje, bestemd voor de schrijver, slingerde heen en weer in een papieren tas aan het stuur. Op nummer 1119 zat geen uitgeverij. Toen dacht ik aan het archiefkaartje in mijn tas, waar ik het adres had opgeschreven. Ik las, Prinsengracht 911. Hoofdschuddend trapte ik de weg terug, over losliggende klinkers, door niet te vermijden kuilen. Tot de bodem van het papieren tasje scheurde, zwarte aarde spatte op straat. Met het boompje in mijn arm geklemd kwam ik net op tijd aan voor de afsluitende woorden van een toespraak. Het boek was er, de schrijver straalde. Er was wijn, er werd over het boek gesproken.

    Iemand zei het een moeilijker boek te vinden dan haar eerste. Ik zei zomaar dat moeilijke boeken de beste zijn. Dat zogenaamde pageturners zo lekker weglezen omdat er niets nieuws in staat, voelen als een aangenaam briesje op een warme zomeravond. Dat boeken die een duidelijke taal spreken, maar waar je desondanks niet alles van begrijpt, je uit de denkvorm trekken. Dat de schrijver zo’n boek geschreven heeft. Een wordingsverhaal over wie we ooit waren, nooit geworden zijn en wie we wel geworden zijn. Verteld door Elke, ik-figuur in deze wonderlijk mooie, intrigerende roman. Als een refrein in het verhaal komt ‘de vrouw die ze nooit werd’ steeds naar voren. Naast het mythische verhaal over de oorsprong van man, vrouw, landbouw, overlevering, kringloop van de natuur is er de veredeling van groenterassen. De zoektocht van bioloog Elke naar de weg terug van veredeling, door middel van het terugbrengen van een erwtenras naar zijn oervorm. Daartussen de relativerende opmerkingen van de vrouw die ze nooit werd: ‘Kunnen we nu eindelijk naar huis, klaagt de vrouw die ik nooit werd.’ Of, ‘Erg wollig allemaal – ja, ik ben er nog, sist de vrouw die ik nooit werd.’ Wormmaan, is een geweldige roman die aan veel raakt waarmee we nu leven en worstelen. En ja, niet alles is direct te doorgronden, maar dat, beste mensen, zet ons in beweging, maakt het ongekend boeiend. Lees dit boek!

     

     

    Wormmaan / Mariken Heitman / 259 blz. / AtlasContact


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Roesachtige gedachte

    Roesachtige gedachte

    In de twee jaar dat ik op deze plek een column schreef, heb ik maar een enkele keer over het schrijven zelf geschreven. Raar, als je bedenkt dat het een onderwerp is dat mij bovenmatig interesseert. Misschien wilde ik het vuur binnen houden, zodat het feller brandde. Misschien geneerde ik me gewoon. Dat laatste lijkt me, mezelf kennende, niet onaannemelijk. Maar nu kan ik niet meer. Ik wacht op reactie van de persklaarmaker – mijn roman is zo goed als af – en zoek naar middelen om de stroperige leegte te vullen. Ik zal u iets bekennen: het liefst praat ik de hele dag over dat boek. Of het maakproces, maakt niet uit. Zoals wanneer je verliefd bent en het liefst voortdurend praat over die ander, hoe je de zinnen, gebaren en blikken zult interpreteren, de pieken, de dalen. Ieder detail heb je onthouden en wordt tegen het licht gehouden als een uiterst kostbare diamant. En omdat je geen vijftien meer bent en ook weleens de luisterende partij bent geweest, weet je hoe oervervelend dat voor de ander is. Bovendien kan geen enkele reactie de honger stillen. Ik houd het daarom vaak voor mezelf, dat tomeloze. De energie zoekt niettemin een weg. 

    Ik lees en het zal geen toeval zijn, dat het boeken zijn van schrijvers over hun jeugd, één die zich aan het begin van de vorige eeuw afspeelt. Het eerste is De behouden tong van Elias Canetti, het tweede is Jeugd van Tove Ditlevsen (tweede deel uit de Kopenhagen trilogie). De (sociaaleconomische) verschillen tussen de twee zijn groot. Toch zijn het de overeenkomsten die zoveel krachtiger zijn. Beiden weten al jong dat ze schrijver willen zijn. Canetti wellicht aangestoken door zijn moeder en haar liefde voor schrijvers en het theater. Ditlevsen, een meisje uit een arbeidersmilieu, zonder geldige reden, zou ik haast zeggen. In heldere zinnen schetst ze haar bonkige, Deense jeugd. Tweemaal ontmoet ze een man die vaag iets in haar ziet. De eerste overlijdt, de tweede verdwijnt. Natuurlijk is ze bij de derde, een redacteur, bang dat hem ook iets zal overkomen. Dit alles weerhoudt haar niet. De onbegrijpelijke betovering die uitgaat van sommige woorden of zinnen stuwt haar voort. 

    Dat weerbarstige willen van een individu, het uitgroeien boven iedere verwachting, dat is wat me raakt. Ik word verliefd op deze mensen, op Canetti om zijn eerzucht, zijn plotselinge jongenswoede en zijn vermogen om van zijn jeugd niet minder dan een mythe te maken. Op Ditlevsen om de haarfijne beschrijvingen, haar geworstel met het burgerlijke en haar koppige opstaan na vallen. Om hun beider eenzaamheid, die ze met lezen of schrijven op afstand houden. Omdat ze mij laten geloven dat dit hun leven was.
    Ik schrijf niet graag over schrijven omdat het een liefde is die zich moeilijk laat vangen. Je kan hem hoogstens benaderen door iets anders, de contouren ervan, te beschrijven. Daarom vul ik de leegte met de roesachtige gedachte aan het volgende boek dat geschreven wil worden.

     

     


    Dit is de laatste column van schrijfster Mariken Heitman, twee jaar lang schreef zij voor Literair Nederland maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact, haar tweede roman laat niet lang meer op zich wachten.

     

  • Reuzenooievaar

    Het sedumdak helt licht omhoog, je zou je op een alm kunnen wanen.  Ik ben op mijn knieën het dak aan het wieden, trek voornamelijk vogelmuur en ereprijs uit. De vetplantjes veren onder mijn gewicht. Iets verderop gooien ooievaars in hun wielnest klepperend de kop in de nek. Polder castagnetten. Ik droom weleens over veel te grote vogels. Werkt altijd, een grote vogel wekt ontzag. Waarmee ik niet wil beweren dat ik de boodschap van zo’n droom doorgrond. Die twee daar zijn echt. Notoire stofzuigers, die weilanden en sloten afstruinen en alles, kikkers, muizen, insecten, naar binnen werken, rode lijst soort of niet.

    Het kan groter. Op Flores, een eiland in de Indonesische archipel, leefden ooit reuzeooievaars. Ik kan daar niet teveel over kwijt omdat er zo’n gigant figureert in mijn nieuwe roman. Maar stel je er een vogel bij voor van om en nabij de twee meter. Ingewikkeld inderdaad, de verbeelding bladert door het geheugen, op zoek naar voorbeelden: hoe lang de poten, hoe majestueus de verenborst, hoe angstaanjagend de kop met de kleppersnavel? Want met muizen nam hij vast geen genoegen. Het lukt maar matig me er een voorstelling van te maken. Alsof je naar de ansichtkaart van een imposant schilderij kijkt. Maar nu, met het klepperende stel voor me, snap ik het ineens. Mijn broer, die is ook bijna twee meter lang. En daar verschijnt hij voor mijn geestesoog, een broergrote vogel.

    Verderop loopt een man over het polderpad. Zijn hond heeft overduidelijk iets uitzonderlijks gepresteerd en wordt met complimenten en affectie overladen. Hij overstemt daarmee de ooievaars met gemak. Mensen (en honden) kijken zelden omhoog, een grappig gebrek. Comfortabel ongezien kijk ik naar de vergulde hond en zijn baasje. Mijn therapeut vindt dat ik meer ruimte in mag nemen, dat ben ik met haar eens. Maar op schrift gaat dat makkelijker dan in het dagelijkse. Ik vermijd hier trouwens expres de zinsnede ‘in het echt’ want het geschrevene voelt soms echter. Weliswaar niet van vlees en bloed en weinig interactief, maar getrouwer. In het beste geval: met minder ruis op de lijn.

    Soms schiet mijn ‘schrijf-ik’ mijn ‘dagelijkse-ik’ te hulp. Ik neem me het volgende voor: de eerstvolgende keer dat ik met mijn vriendin over straat loop en er wordt ons een vuile blik toegeworpen (dan volgt het homoseksuele ritueel, we kijken elkaar aan, stellen de (on)uitgesproken vraag; denk je dat hij zo naar ons keek omdat…?), laat ik een broergrote vogel meelopen. Hij schrijdt met grote passen achter ons. Zijn blik is die van een wild dier, de hoornen snavel rijkt tot halverwege zijn flodderige borst. Af en toe schudt hij zijn vleugels, krast met een oude stem. Over onze hoofden tuurt hij de verte in. De stad is van ons.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

     

     

     

  • Vroedmeesterpad

    Er klonk een zachte, korte fluit. We zaten in de tuin van vriendin A. Ik stokte halverwege een zin, verwachtingsvol keken we om ons heen. Waar was-ie? Verderop werd geantwoord met hetzelfde fluitje. Zo’n twee tuinen verderop klonk een toon exact een noot lager, een soundscape van minimalistische muziek. De drie vielen elkaar niet in de rede, maar dat kon toeval zijn. Het waren vroedmeesterpadden, vertelde vriendin A. Deze pad-achtige kikker bleek opvallend toonvast te zijn. 

    Als kind had ik een plastic fluitje in de vorm van een vogel. Je kon het in bad vullen met water. Daarna blies je in zijn staart en trilde de lucht langs het water in zijn buik zo het snaveltje uit. Vulde je hem met minder water, dan klonk de toon lager. De klankkleur van dat fluitje deed me denken aan die van de vroedmeesterpad, maar nooit blies je zo’n heldere en precieze toon. En zo had ik in dit stukje verder zullen mijmeren over achteloze schoonheid en de bedrieglijke exactheid van de natuur. Altijd tien vingers, zes meeldraden, twee borstvinnen, één staart en de vroedmeesterpad fluit geen do of re maar een fa. Over suggestieve orde, die verleidt tot het denken in Een Groter Plan, regels, doelen en – als ik zou doordraven – goed en kwaad en het ogenschijnlijke onderscheid daartussen.

    Maar dat houdt u van me tegoed. Want toen ik gisteren thuiskwam, mauwde mijn sneeuwwitte kat me vanachter het raam opgetogen toe. Ik deed de deur open en vloekte. Op de grond overal veren, besmeurde pagina’s en in het oog van de chaos het lijk van een duif, de buik keurig opengewerkt. Mijn kat was in een vorig leven vast patholoog-anatoom. De rood gekleurde ingewanden vormden een ordelijke verzameling, ik herkende een lever. Ik zal verder niet uitweiden over die besmeurde pagina’s – het manuscript van mijn roman in wording – en de diepere betekenis van dit alles. U zou me kunnen betichten van magisch denken of een overtrokken gebruik van metaforen, nee bedankt.

    We liepen naar de schuur, de kat voorop met parmantig gestrekte staart. Met de spade groef ik in de achtertuin een diep gat voor de dode. Vanaf het dak van de schuur keek de kat misprijzend op me neer. Als-ie kon fluiten, de uitslover, dan was het vast iets geworden uit Die Dreigroschenoper. ‘Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral’. Ja, ja, maar fluiten kan hij niet. 

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Losgezongen

    Losgezongen

    April is inderdaad een wrede maand. Niet alleen volgens dichters en schrijvers, ook boeren weten dat het de maand is die hen de nekslag kan geven. De onrijpe, prille gewassen op het veld en de voorraden geslonken. En christenen, met hun vrolijke Pasen, voorafgegaan door niets minder dan de kruisdood van hun Messias: rond april, het zal allemaal geen toeval zijn. Het ontluiken van leven gaat niet zomaar. Ik ben op weg naar de bieb, buig mijn hoofd tegen de sneeuw en luister naar de soundtrack van Jesus Christ Superstar. De film heb ik zo vaak gezien, dat ik de dorre woestijn en felle ogen van Judas in zijn zon-gebleekte rode hippie tenue moeiteloos voor me zie. Als vijftienjarige verlangde ik van boeken en films dat ze zo echt mogelijk waren. De straaljagers en het zingen leidden me daarom af. Grommend keek ik de film uit.

    Het jaar erna was ik verkocht, ik weet nog steeds niet precies waarom. Luisterend naar de soundtrack valt me op hoezeer de focus op Judas ligt, zijn worsteling en verraad, iets wat me eigenlijk weinig interesseert en ook vanuit bijbels perspectief raadselachtig is. Voor Judas en zijn tijdgenoten zal het verraad reëel geweest zijn, maar als je zoals wij, bijna tweeduizend jaar later, het brein achter het plan kent, dan blijkt dat die hele verraders soep veel minder heet gegeten wordt. God had het allemaal zo voorzien.

    In de straten bloeien roze ribessen, overdadig witte magnolia’s, kitscherige sierkersbomen. Gelaten vangen ze sneeuw, ze hebben maar even. Her en der ligt bloesem op de stoep bruin te worden. Uit het niets verschijnt de zon, het plotselinge licht is rauw. Ik kan de mensen weer aankijken, denk aan de documentaire die ik een paar weken geleden zag, I am Greta. Zelfs omringd door gelijkgezinden, aan kop van klimaatmarsen, lijkt ze losgezongen van de rest. 

    Het gaat allemaal over eenzaamheid. Over weten dat de ondergang of het sterven nadert en dat je vrienden zingen over hoe ze altijd al een apostel hadden willen zijn, zodat ze straks het evangelie over jou kunnen schrijven. En ze menen het zo, ze zijn zo ontwapenend en eerlijk in hun verering van J.C. Ze bewonderen zo hard, dat ze de man en zijn eenzaamheid niet meer zien. Niet kunnen zien, misschien. Mijn bibliotheekbezoek duurt kort, je kunt alleen gereserveerde boeken afhalen. Ik mis de bieb, of val ik nu in herhaling? Ik leen David Vann, Legende van een zelfmoord, aangewakkerd door collega columnist Inge Meijer, omdat het soms inderdaad een tijd duurt voordat je een boek kunt lezen. Op de terugweg sneeuwt het alweer. Dit schrille voorjaar lijkt me er het perfecte moment voor.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraapbij AtlasContact.

     

  • Dassenburchten

    Dassenburchten

    Op een kleine Duitse berg stond het hotel. Indrukwekkend door zijn massieve omvang, niet zijn grandeur. Een bescheiden entree, drie traptreden, in de hal lagen schoongeboende marmeren vloertegels. De receptie ontbrak omdat dit solide hotel, gebouwd om tenminste een eeuw te doorstaan, al na enkele decennia was verlaten door de uitbaters. De streek was niet meer interessant voor toeristen of zakenmensen. Een club nieuwe-tijdsmensen was er neergestreken. Ik volgde er een stilteretraite en had een prima week. Praten is niet mijn sterkste kant. Natuurlijk weet ik dat gesprekken over koetjes en kalfjes niet echt over koetjes en kalfjes gaan, maar over de schemerige signalen erachter, het bepalen van hiërarchie en mogelijke banden. Met andere woorden: zit je in mijn team of niet? Het maakt het er niet makkelijker op. Nu het allemaal non-verbaal moest, viel er een last van me af. Geen holle beleefdheidsfrasen, maar des te vaker werd er vriendelijk geknikt of vond ik herkenning in de wat stuurloze blik van de ander. 

    Onze retraitegroep was veel kleiner dan het hotel zou kunnen herbergen en als ik naar de cursusruimte liep was ik vijf minuten onderweg. Zo moest een vos zich in een verlaten dassenburcht voelen. Dassenburchten kunnen eeuwen oud worden en – gelijktijdig of na elkaar – verschillende bewoners huisvesten. Eén van de gangen van deze burcht leidde naar een bibliotheek, ontdekte ik op een middag. Niet te beroerd om me in oude én nieuwe tijden te verdiepen, scande ik de boekenplanken die thema’s droegen als engelensignalen, auralezen of oude beschavingen. Tot mijn oog landde op het plankje ‘tuinieren’. Ik viste er een dun, Engelstalig boekje tussenuit, ongetwijfeld om de sprekende titel: Gardening without work. Voor de goed orde, ik hou van spitten, gesjouw met water en geknield wieden. Fysieke tuinarbeid schrikt me niet af, integendeel: het gevoel van vermoeide spieren ontspant de geest. Maar lopend door een bos bijvoorbeeld, een soeverein systeem bij uitstek, bekruipt mij toch vaak het gevoel dat wij mensen werken om het werken.

    Het boek uit de jaren zestig blijkt in bepaalde kringen een klassieker te zijn. Ruth Stout, de schrijver, is een begenadigd verteller en haar methode is even simpel als doeltreffend: ze bedekt haar groentebedden met dikke pakken hooi of ander dood plantmateriaal, ‘mulch’ voor de kenner. Terwijl dit verteert, blijft ze aanvullen, het jaarrond. Het voedt de bodem, daardoor indirect de planten en houdt onkruid weg. Maar om haar methodiek gaat het me niet, het is haar kordate en eigenzinnige stijl die me jaren geleden in de dassenbibliotheek hield. Met uitzicht op het glooiende landschap, grasland met her en der naaldbomen, in die milde stilte vermaakte ik me met Stout’s vitaliteit. Als haar cynisch wordt gevraagd of ze soms denkt dat zij mulchen heeft uitgevonden, antwoordt ze: ‘nee natuurlijk niet, dat deed God toen hij besloot dat de bomen ieder jaar hun bladeren laten vallen.’ Wat zou ik dit boek graag vertalen.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column.
    In 2019 verscheen haar debuutroman
    De wateraap bij AtlasContact.

  • Gestrand

    Gestrand

    Het dak van de stationshal was hoog en de deuren stonden wagenwijd open. De wind ging zijn gang. Als stuifsneeuw had hij de mensen tegen muren en banken aangewaaid. Ik was voor het eerst sinds lang op pad, maar het was inmiddels zondag en ik wilde naar huis. Op het planningsbord stonden alle treinen die uitvielen. Een vijftal spreeuwen wachtte roerloos aan de voeten van een man die patat at. Hier zou vandaag niets meer gebeuren, ik verliet het station. Gisteren had ik nog geluisterd naar het gezang van vogels die een voorschot op de lente namen. Ploegend door de sneeuw vroeg ik me af of ze nu spijt hadden van hun overhaaste aankondiging. Waar ze überhaupt gebleven waren.

    Dat ik gestrand was, zei ik tegen de jeugdige receptioniste met de paardenstaart. Met enig genoegen, want zo vaak komt het niet voor dat je dat zonder overdrijving kunt zeggen. Ze glimlachte professioneel, vroeg of het dus om één nacht ging. Terwijl ze het papierwerk regelde, keek ik over de rand van mijn mondkapje naar de enorme lobby en de aangrenzende bar. Ik vroeg me af of wij de enigen waren, hier. De barkrukken stonden er voor niemand. Een uitnodigende tekst prees cocktails aan. Je kon ze hier ophalen, begreep ik later, en dan drinken op je kamer. De receptioniste gaf me de sleutelkaart en wees naar achteren. De lift ging naar de elfde verdieping. Zonder muziek, ook in de donkere gang was het stil. Ik passeerde elf identieke deuren. Aan de deurkruk van de kamer naast de mijne hing een deurhanger met de tekst ‘niet storen’. Ik dacht opgewonden Spaans te horen.

    De kamer was licht. Ik keek door het geluidsdichte dubbelglas naar buiten. De lucht hing zwaar en beneden was alles gesmoord in sneeuw. Alleen het luchtsysteem ruiste. Ik nam een bad en las daarna op de sofa bij het raam De uitvinder van de natuur van Andrea Wolf. Het boek gaat over Alexander von Humboldt, een ten onrechte enigszins vergeten 18e -eeuwse wetenschapper en ontdekkingsreiziger. Hij was het, die voor het eerst de samenhang in de natuur zag, iets wat wij nu als vanzelfsprekend ervaren. Misschien is dat, vergeten worden, het wonderlijke lot van geniale geesten die onweerlegbare inzichten voortbrengen. Een rusteloze man, Humboldt, met een onstuitbare reislust, die doorlopend overliep van ideeën en velen aanwakkerde met zijn kennis en enthousiasme.

    Buiten was alles, behalve de wind, tot stilstand gekomen. Ik bevond me op de maan. Of in de film Lost in translation, maar dan zonder mensen en met sneeuw. Alleen Humboldt joeg me voort, op vulkaan-jacht, in een bootje op de Orinoco, voorbij de sidderalen, luisterend naar het melancholisch schreeuwen van aapjes in het regenwoud.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Wrijving

    Wrijving

    Stel je een schaatser voor op een spiegelgladde ijsbaan. Het ijs is zo glad, dat er geen enkele wrijving is. Wat er dan gebeurt met die schaatser, is helemaal niets. Die komt nooit in beweging. Dit is, vertelde mijn natuurkundeleraar ooit, alleen theoretisch mogelijk. In de echte wereld is er altijd wel ergens wrijving.

    Dat alleen wrijving beweging geeft, bewijst ook het boek De jaren van Annie Ernaux, in 2008 verschenen en geweldig vertaald door Rokus Hofstede. Het boek is een chronologische verzameling van observaties, persoonlijke herinneringen, politieke en maatschappelijke gebeurtenissen. Dit wordt verteld vanuit het perspectief van een vrouw in Frankrijk, over een periode van 1941 tot 2006. Het schijnbaar onbenullige en particuliere wisselt ze moeiteloos af met de wereldgeschiedenis zoals we die allemaal in grote lijnen kennen. Zoals herinneringen zich voordoen als een beeld of  ultrakort filmfragment, soms met terugwerkende kracht aan betekenis winnen of verliezen, hoe ze in of uit hun context geplaatst kunnen worden, dat ze bij ons blijven of juist verdwijnen en dat die hele warrige optelling ons maakt tot wie we zijn, zo schrijft Ernaux het op.

    Niets nieuws, zou je denken. De recente geschiedenis, die kennen we. We waren erbij, of, als we jonger waren dan leerden we erover tijdens geschiedenislessen. Maar Ernaux’ kracht schuilt in het onvermoeibaar stapelen van herinneringen waardoor de fragmenten met elkaar in gesprek gaan. Er ontstaat wrijving. Het stuwt het lezen voort. En passant wordt er iets ongrijpbaars, maar diep menselijks blootgelegd. Want ik lees en denk: dit had ook over mij kunnen gaan, zonder dat details direct overeenkomen. Dit is hoe een leven is, hoe we onszelf uit herinneringen samenstellen.

    Ik fiets naar het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik een jaar geleden ook had. Sinds dat jaar lijkt het soms alsof ik los ben komen te liggen van mijn eigen geschiedenis, een onprettig gevoel. Ernaux eindigt: ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’ Het fletse heden zadelt je soms op met observaties die geen wrijving opleveren. Niets komt in beweging. Misschien laat zoiets abstracts als tijdgeest zich enkel vangen door het contrast met een andere. Een klein steentje in het ijs, meer is niet nodig. Daarbij helpt leeftijd vast ook, meer ervaringen om uit te putten. Ik kreeg spontaan zin om, net als Ernaux tijdens het schrijven, alvast eind zestig te zijn.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Winternest

    Winternest

    Er valt een grijze ochtendregen. Ik poets mijn tanden en kijk naar buiten. Er scharrelt een egel in de tuin. Hij is de enige: katten en mensen zitten achter het raam en wachten af. Dit dier trotseert niet alleen de regen maar ook het daglicht met zijn bijziende oogjes. Hij stiefelt langs de heg, duikt onder stengels door, klimt het stoepje op en weet exact het gat in het hekwerk te vinden. Daar verdwijnt hij naar de buren. Ik loop naar de wastafel en spoel mijn mond. Een egel hoort thuis in de schemer. Ik keer terug naar het raam. Daar is hij weer, zijn puntige bekje vol dorre bladeren. Hij kuiert dezelfde route terug en verdwijnt in de uiterste hoek van mijn tuin. Egels houden van georganiseerde chaos. Dode takken, bladeren, vergeten hoeken en bosjes om in te schuilen. Dit vat mijn manier van tuinonderhoud redelijk samen.

    De tuin geeft aan, ik stuur hoogstens bij. De els die een paar jaar geleden uit zichzelf ontsproot, liet ik staan, al knot ik ieder jaar zijn pruik. Van zijn takken maak ik wallen. Ondanks die kaalslag zijn de tenen ieder jaar dikker. Over niet al te lange tijd zal hij het van mij en mijn handzaagje winnen. Het zevenblad, dat meerdere zomers op rij in steeds krachtiger golven de kop opstak, liet ik ongemoeid. Het kriebelde zich onder terrastegels een weg van west naar oost, maar lijkt sinds een jaar of twee op zijn retour. De fut is eruit. Dit jaar werd er niet eens gebloeid. Alsof de tuin zichzelf genas. Je zou mijn aanpak ook als lui kunnen bestempelen, het is maar hoe je ernaar kijkt. Wat telt is dat ik de egel een plezier doe. Hij sjouwt af en aan met dor blad. Ik voel me schuldig.

    Gisteren snoeide ik de laurierkers, de enige tuinbewoner waar ik het niet zo op heb, met zijn onbuigzame, leerachtige blad. Ik snoeide om komend voorjaar iets meer zon te vangen. Van de giftige takken maakte ik een vlechtwerk voor de composthoop. Misschien dat ik tijdens het snoeien een voet op het egelhol zette en moet de zoolganger daarom restaureren, bij daglicht nog wel. Hij schudt zich uit als een hond, verstapt zich bij het stoepje, een achterpootje glijdt weg. IJverig klimt hij er alsnog op. Die redt zich wel.

    Het is een fijne eigenschap van planten, dat ze tegen de klippen op groeien en dat bijsturen volstaat. Nergens groeit niets. Maar het verhaal waar ik al een tijd aan werk, stagneert. Ik kan aan weinig anders denken. Niet dat het helpt, dat denken. Er duikt geen plotselinge els op, ook geen egel. Al zit er natuurlijk wel een egel in het verhaal want als je het echt niet meer weet, kun je altijd nog over egels schrijven. Een waarheid die ik niet op een papiertje boven mijn bureau hoef te prikken. De nijvere egel werkt ondertussen onverstoorbaar door. Zijn winternest is bijna af.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.