• Morbide experimenten

    Morbide experimenten

    Op internet stuit ik op de aankondiging van een debuutroman waarin, zo meldt de aantrekkelijk bedoelde flaptekst, hoofdpersoon met broertje onder meer morbide experimenten uitvoert met dieren. Toevallig is het in dezelfde week waarin ik een passage lees, ook in een debuut, over muizen die in benzine worden gedoopt en aangestoken. De hele week denk ik over die passage na: niet zozeer omdat het zo’n gruwelijk beeld is, maar vooral omdat ik me afvraag wat de functie ervan is.
    Is het belangrijk voor het plot? Nee. Voegt het toe aan een bepaalde sfeer, het decor van het boek? Misschien. Toch zie ik steeds het beeld voor me van een redacteur die de schrijver in de nek hijgt: je moet verder gaan, meer durven, harder zijn.
    Ondertussen denk ik aan Lize Spit – of nee, specifieker, aan het stuk dat Christophe Van Gerrewey over Het smelt schreef in De Gids. Hierin schrijft hij, na een opsomming van alle gruwelijkheden die in Spits debuut plaatsvinden: ‘Niets in dit boek heeft meer dan één functie, en de smerigheid moet maar één ding opleveren: aandacht.’

    Dat is stevige kritiek. Het smelt staat al maanden op mijn twijfellijstje: ik ben nieuwsgierig en vind het interessant om te lezen wat mijn collega-schrijvers en generatiegenoten uitbrengen. Tegelijkertijd is er dat, ja, het experiment, de dieren, de gruwel. Hoe bepaal je wat je wel en niet leest – en hoe bepaal je of je overwegingen daarin zuiver zijn?
    ‘Het is altijd rare dingen met seks of rare dingen met dieren,’ verzuchtte een andere schrijver laatst. En dus dacht ik aan Wij van Elvis Peeters, die opent met de verkrachting en verdrinking van een kat. De scène zegt niet zozeer iets over het plot, maar is een aankondiging, een waarschuwing wellicht: weet waar je aan begint. Vervolgens stapelen de morbide experimenten zich op. Als roman over de gevaren van verveling is hij zeker geslaagd, maar ook hier de vraag: had dit onderzoek anders uitgevoerd kunnen worden? Met, bijvoorbeeld, minder?

    Ik noem nog twee voorbeelden: The wasp factory van Iain Banks en The End of Alice van A.M. Homes. Waar Banks ieder detail, iedere wending, iedere brandende wesp of hond in dienst stelt van het verhaal, van de psyche van de verteller en die van de broer, lijkt het alsof Homes de hele tijd die stem in haar nek hoorde hijgen: dat ze meer moest durven, dat ze alle grenzen over moest. Wat is toch die fascinatie met, in dit geval, seksueel geweld tegen kinderen en daar zo plastisch mogelijk over schrijven?
    Na het zoveelste vervolg op de film Saw werd gesproken over ‘martelporno’: geweld om de heerlijkheid van dat geweld, alles in dienst van het shockeren, niet meer en minder. Doodbeu ben ik dat geshockeer.
    Natuurlijk weet ik niet hoe het zit met die experimenten in het aangekondigde debuut, of en wat de functie ervan is. Hopelijk schrijft Christophe Van Gerrewey er een stuk over. Tot die tijd zijn er nog genoeg andere romans die op me wachten.

     


    Marijn Sikken mijmert en schrijft over lezen, verhalen en literatuur. Ze zit in de redactie van de Optimist en  in 2013 studeerde ze af aan de Schrijversvakschool. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

     

     

  • Write Now! drie winnaars en geen publieksprijs

    “Zijn vader was arts en had meteen gezien dat het een stukje mens was dat Luigi tussen zijn kaken geklemd hield, vastbesloten het aan niemand af te staan. In de dagen erna spoelden er steeds meer stukjes aan. Het strand werd afgezet. De toeristen gingen naar huis. Vanaf die tijd kreeg zijn vader het erg druk.”

    Zo begint het winnende verhaal van Write Now!, de grootste schrijfwedstrijd van Nederland en Vlaanderen waarvan de prijswinnaars dit weekend bekend werden gemaakt. Kyrian Esser (1992) uit Amsterdam schreef dit verhaal binnen drie weken, de tijd die een winnaar van een van de regionale voorrondes gegeven is om mee te kunnen dingen naar de eerste prijs. Maar, en dat is nieuw, sinds dit jaar ook naar een tweede of derde prijs.

    De jury over Kyrians verhaal ‘Grote lijnen, kleine mannen’:

    “(…) Niet alles wordt uitgelegd, maar dat is ook niet nodig. Er is een relatie met het actuele publieke debat, (…). Het is knap om grote thema’s klein te kunnen maken, en zo de vergelijking te trekken naar het persoonlijke. Het was een goede keuze om het verhaal vanuit het perspectief van een kind te vertellen. Vanuit dit perspectief is het opeens vernieuwend en logisch als de structuur niet helemaal klopt.”

    Voorgaande jaren was er sprake van een jury- en een publieksprijs, (die laatste werd mede door de dagblad De Morgen gefinancierd) en kwam het wel eens voor dat een deelnemer met beide prijzen aan de haal ging. Zoals onze columnist Marijn Sikken, die in 2011 de jury- en publieksprijs won, evenals Vincent van Meenen in 2012. Beiden debuteerden onlangs met een roman; Sikken begin dit jaar met Probeer om te keren (Cossee), Van Meenen in 2016 met Licht en geluid  bij Nijgh & Van Ditmar). Ook Lize Spit, won in 2013 de  jury- en publieksprijs en debuteerde in 2016 met Het smelt bij Das Mag.
    Maar ook deelnemers die ooit de regionale aanmoedigingsprijs ontvingen, werden bekende spelers op het literaire veld zoals Wytske Versteeg (aanmoedigingsprijs Amsterdam 2004), Joost de Vries (idem dito in Utrecht 2004) en Jaap Robben (in Eindhoven 2003).

    Een publieksprijs behoort met ingang van dit jaar tot het verleden liet desgevraagd een medewerkster van Passionate Bulkboek – die Write Now! organiseert – weten. In plaats daarvan is er nu, naast de eerste prijs, een tweede en een derde prijs. Hiervoor is gekozen omdat in de afgelopen jaren steeds opviel dat het talent in de finale opmerkelijk hoog lag. Nu worden deelnemers die normaal als tweede en derde eindigden ook beloond. De bijdrage van De Morgen maakt nu deel uit van een groter prijzenpakket.

    Zodoende werd er deze keer een tweede prijs uitgereikt, aan Laurens Duyts (22) uit Arnhem, voor zijn verhaal ‘O-negatief, en de derde prijs ging naar Mattijs Deraedt (23) uit Heverlee (B) voor een serie gedichten. Zij wonnen onder meer een coachingsgesprek met Lebowski hoofdredacteur Jasper Henderson en een Schrijfdag bij de Schrijversacademie.

    Dit jaar stuurden bijna duizend jongeren hun tekst in voor Write Now! In de maanden april en mei vonden er in Nederland en Vlaanderen tien regionale voorronden plaats. De vijftien finalisten die hier uit voortkwamen, schreven ieder binnen drie weken een nieuwe tekst voor de finale. De finalejury bestond uit juryvoorzitter Roos Vlogman (winnaar Write Now! 2016), Erik Brus (eindredacteur Passionate Bulkboek), Ann Jooris (chef Boeken De Morgen), Janneke Siebelink (hoofdredacteur Boeken Bol.com) en Maud Vanhauwaert (auteur). Zij lazen de inzendingen anoniem en kozen Kyrians verhaal tot winnende tekst. Het volledige juryrapport staat op de website.

     

    Hier de verhalen van de drie winnaars: ‘Grote lijnen, kleine mannen’, het hele verhaal van Kyrian Esser; ‘O-negatief van Laurens Duyts en de gedichten van Mattijs Deraedt.

     

    Op de foto: Mattijs Deraedt (L), Laurens Duyts (M) en Kyrian Esser (R).

    Foto: Vera Cornel

     

     

  • Knappe roman in sobere stijl geschreven

    Knappe roman in sobere stijl geschreven

    De debuutroman van Marijn Sikken, die in 2011 niet alleen de publieksprijs van de schrijfwedstrijd ‘Write now!’ won maar ook de juryprijs, speelt in het denkbeeldige dorp Leem. Een plaatsje van vijfduizend inwoners waar iedereen elkaar kent en naar hartenlust wordt geroddeld. Om het honderdjarig bestaan van Leem te vieren, zal er een groot feest gehouden worden.

    Twee hoofdpersonen, Alma – ex-zweminstructrice, gehuwd met Arthur, moeder van Sandra en Michelle – en Eline – achttienjarige jonge vrouw die na haar middelbare schooltijd in het dorp blijft hangen – geven beurtelings en in opeenvolgende hoofdstukken de belevenissen in Leem, en van hun persoonlijke leven weer. Het verhaal zelf draait om de twintigjarige Michelle, zwakbegaafde dochter van Alma en twee jaar geleden door een onbekende dader verkracht nadat ze met vriendinnen uit was geweest. Sindsdien praat ze niet meer en is indolent geworden. De dader is nooit gevonden maar ene Bauke wordt verdacht. Om Alma te ontlasten, wordt Michelle overdag in de boekenwinkel – waar Eline werkt – ondergebracht.

    Alma heeft er moeite mee dat Michelle niet meer praat. Ze noemt haar liefkozend, ‘schildpadje’, traag en dik als ze is, en is jaloers op andere moeders en op Eline. Deze laatste lijkt beter met Michelle om te gaan dan zijzelf. Haar man vindt dat Michelle in een tehuis beter op haar plaats is, maar Alma kan daar niet aan denken zonder bang te zijn dat anderen haar een slechte moeder zullen vinden. Ze vindt het moeilijk voor zichzelf te  kiezen. De enige vrijheid die ze zich veroorlooft, is in de vroege ochtend naakt te zwemmen in het zwembad waar ze gewerkt heeft en waarvan de sleutel nog in haar bezit is. Als ze betrapt wordt, moet ze de sleutel inleveren en zal ze ook deze uurtjes moeten missen.

    Eline wil niet over de toekomst nadenken: ‘Ik heb heel lang getwijfeld over wat ik wilde doen, begon Eline. Maar ik kwam er niet uit. Het voelde niet goed om zo maar ergens aan te beginnen.’  Ze is wat Sikken een ‘loopvogel’ noemt: ze zal nooit van de grond komen om uit te vliegen. ‘(…) er zijn ook vogels die aan de grond blijven, vogels die eens om zich heen hebben gekeken en concludeerden dat ze niet nieuwsgierig waren naar de rest, maar gewoon besloten het opstijgen te laten en hun vleugels niet uit te slaan. Dat zijn loopvogels.’
    Deze vergelijking is bepalend voor de gebeurtenissen in het verhaal: de personages zijn te verdelen in loopvogels en vogels die wegtrekken. De symbolische betekenis van deze vergelijking wordt duidelijk wanneer Michelle de straat op rent om een gewonde vogel te redden. De vogel wordt door Eline naar de vogelopvang gebracht. Als ze later de man van de opvang tegenkomt, wil ze niet weten of de vogel het gered heeft.

    In de eerste hoofdstukken worden verschillende personages geïntroduceerd die in het  verhaal een rol spelen, waaronder twee oude roddelaarsters, een vermeende dorpsgek, de baas van de boekwinkel, de huisdokter. Eline heeft een verhouding met Fred – vader van haar vroegere klasgenoot Ruben – en voormalig man van Marjolijn, die weer een vriendin van Alma is. Een voorbeeld van de manier waarop iedereen elkaar kent en in dezelfde kringetjes ronddraait. Alleen de moeder van Eline en Alma’s dochter Sandra vallen hier buiten, de een gefocust op haar werk, de ander woont met man en kind in Duitsland.

    De sfeer in het dorp is benauwend: alsof er een grauwe deken over ligt. Als Bauke terugkeert naar het dorp, wordt de sfeer nog beklemmender. De verdenking dat hij de dader is, blijft onderhuids sudderen. Alma onderneemt een halfhartige poging om Bauke tot een bekentenis te dwingen, maar zonder resultaat. Eline gaat een relatie aan met Bauke zonder te weten dat hij wordt verdacht; als ze daar achter komt, wordt ze voor het een keuze te maken.

    Tijdens het eeuwfeest wordt Michelle vermist. De zoektocht naar haar wordt in korte, staccato-achtige zinnen weergegeven waardoor de paniek voelbaar is. Michelle wordt teruggevonden in gezelschap van de vermeende dorpsgek; het is niet duidelijk of hij haar heeft weerhouden van zelfmoord op het spoor of niet.
    Het voorval is aanleiding om Michelle dan toch in een tehuis te plaatsen. Het dwingt Alma en Eline hun situatie onder ogen te zien. Alma kiest ervoor om haar aandacht niet alleen op Michelle te richten, maar ook op haar man en haar andere dochter en kleinkinderen. Ze beseft dat wonen in een tehuis voor Michelle goed is. Het feit dat Michelle wegliep heeft haar geleerd dat haar dochter een eigen leven moet hebben.

    Ook Eline kiest voor zichzelf. Ze heeft zowel Fred als Bauke aan de kant gezet en gaat in een kroeg werken. Er wordt haar gevraagd: “Is dit wat je wilt, werken in die kroeg?’ ‘Ja.’ Eline klinkt beslist. Sommige vogels komen niet van de grond.”

    Tot een onthulling van wie de dader is van Michelle’s verkrachting, komt het niet. Het leven in Leem gaat door. Eline besluit in Leem te blijven en gaat werken in de kroeg. Alma heeft zich neergelegd bij het besluit van haar man omtrent Michelle en het boek eindigt met de zin: ‘Naast haar wiegt haar jongste dochter tevreden heen en weer.’

    Sikken hanteert een uiterst sobere schrijfstijl: korte, staccato zinnen in de tegenwoordige tijd. Ze weet met weinig middelen een gemeenschap neer te zetten waar de levensvreugde ver te zoeken is. Leem lijkt vol ontevreden en norse mensen met wie het moeilijk is je te identificeren. Toch heeft ze er humor in weten onder te brengen: ‘De burgemeester kucht in de microfoon. Hij gaat rechtop staan en kijkt over het publiek heen met zo’n vage glimlach waar waarschijnlijk een cursus aan vooraf ging. Eline ziet het helemaal voor zich, zo’n docent die dan zegt: ‘Ik tel tot drie en dan proberen jullie allemaal zo te kijken dat anderen precies zien wanneer de valium inslaat. ”

    Het verhaal is afstandelijk beschreven, waardoor het moeilijk is sympathie op te brengen voor een van de personages. Zoals Alma zegt van de kroeg waar ze samen met Eline zit: ‘Deze kroeg. Hij heeft iets deprimerends. Alles klopt en toch is het leeg.’ Toch is Probeer om te keren een knappe psychologische roman waarin Sikken de lezer weinig informatie geeft en deze zelf zijn conclusies moet trekken. De symboliek van de loopvogels is verweven door het hele verhaal, maar uiteindelijk gaat het niet alleen om de keuze van blijven of weggaan. Het is ook een verhaal over de relatie moeder – dochter, over loslaten en vasthouden, en over de moed die nodig is om achter je eigen beslissingen te gaan staan.

     

     

     

  • Er wacht een boek

    Er wacht een boek

    Wat is dat toch dat als ik me ergens op verheug – denk aan een boek lezen van een debutant waarvan je nogal wat verwacht zonder dat je beloofd is dat het een boek zal zijn naar je verwachting en weet je ook wel dat je een debutant alle credits moet geven en gewoon hupakee, boek openslaan en lezen –  er opeens dringender zaken zijn die om voorrang vragen. Eerst moest de ontbijtboel de afwasmachine in, het aanrecht schoongeveegd, waarbij ik opeens allerlei vlekken zag die me niet eerder waren opgevallen; donkergele vlekken van geknoeide kurkuma tijdens het koken, donkerbruine kringen van gemalen koffie en een ondefinieerbare viezigheid langs de randen, nog nooit zo’n smerig aanrecht gezien. Met een ijver die me zelden overvalt maar me een gevoel gaf van: kijk mij toch eens lekker bezig zijn, boende ik met schuursponsje en huishoudzeep het hele aanrecht. Daarna demonteerde ik het espressopotje, poetste de randen en binnenkantjes en verving ook maar even de korrelig geworden rubberen ring – dat we daar koffie uit gedronken hebben – en nam al poetsend meteen de gootsteen mee.

    Ondertussen lag er een boek op de keukentafel – strakke cover, beetje yingyang in donker en licht – en nou ja, het zag er geweldig uit. Maar ik moest eerst maar eens koffie zetten en riep naar de anderen in huis dat er koffie was – als ik me ergens op verheug word ik behoorlijk kletserig en sociaal, wil alles met iedereen delen, ondertussen roepend dat ze niet op me kunnen rekenen. Dat ik zo een boek ga lezen. Zo zaten we dan koffie te drinken toen Mijn Lief zei dat hij geen sokken kon vinden, waarop Zoon liet weten dat er wel een ’teil vol’ van stond boven op de wasmachine. En omdat ik zo enthousiast was met alles omdat er een boek op me lag te wachten, riep ik: ‘Die ga ik wel even uitzoeken.’ Dus legde ik alle sokken naast elkaar op een rij en maakte er aannemelijke paren van. Een klus die tegenviel want na het vijfde setje was er geen match meer te maken met de overige dertig, maar ook Boring things verdienen de aandacht. Opgewekt toog ik naar beneden en was er klaar voor. Nadat iedereen de kamer verlaten had, nam ik het boek van tafel.

    Nu zeggen: “En ik las, en ik las, en las…”. Maar ten eerste houd ik niet van ‘puntje puntje’ teksten en ten tweede… is het wel waar. Vanaf het begin: “Boven slaapt de jongste. Alma brandt haar tong. Ze zet haar kop koffie neer en leunt met haar rug tegen het aanrecht. De laatste druppels chloorwater glijden vanuit haar nek naar beneden: ze heeft gezwommen en is net thuis. (…) Vandaag is het twee jaar geleden.”
    Ontrolt zich langzaam – en puntgaaf geschreven – een verhaal, een geschiedenis die prikkelt en kronkelt langs verschillende gebeurtenissen en achtergronden die elk op zijn tijd worden onthuld. Personages als herkenbare karakters, hoe klein hun rol ook is. En ik wist: Marijn Sikken beheerst het schrijven en weet hoe ze een roman moet construeren.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Oogst week 7

    Hopman

    Mijn jeugd was geen succes. In de jaren waarin ik van jongen opgroeide tot man was ik een bron van zorg voor maatschappelijk werkers, een gezinsvoogd, een toeziend voogd, een voogdijvereniging, kinderrechters, groepsopvoeders, pleegouders, de Raad voor de Kinderbescherming en wellicht mijn biologische ouders.
    Uiteindelijk ben ik toch nog redelijk goed terecht gekomen, …’.

    Zo begint Hopman, het openhartige relaas van Rudie Kagie, een ex-voogdijpupil die op zijn twaalfde een journalist ontmoet die zich opwerpt als zijn mentor, reddende engel en tweede vader. Er groeit een onconventionele vriendschap tussen de verstokte vrijgezel en het naar liefde hunkerende verschoppelingetje. Samen gaan ze op zoek naar de vrouw en moeder die het gezin compleet zal maken. Maar alles loopt anders. Rudie Kagie (1950) schreef al eerder over zijn jeugdervaringen met de kinderbescherming in Schuifkaas (2011). Volgens de Volkskrant was dat ‘een klein meesterwerk’, en Trouw noemde het ‘hartverscheurend mooi’.

    Hopman
    Auteur: Rudie Kagie
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus

    Probeer om te keren

    In haar literaire columns associeert Marijn Sikken (1990) literatuur met het echte leven.
    Nu verschijnt haar eigen debuut. Daarin lijkt ook het ‘gewone’ leven centraal te staan. Het gaat over een moeder die worstelt met haar emoties over de capaciteiten van haar laagbegaafde dochter. Ze is desondanks jaloers op de vriendschap van het meisje met een leeftijdgenote die haar wèl kan bereiken, en ze heeft moeite met het loslaten van haar dochter.

    Op het grote themafeest, het honderdjarig bestaan van het dorp, blijft niets meer ongezegd. Daar, op een geïmproviseerd strand, tussen de parasols en ambachtelijke kraampjes, komt alles en iedereen samen.

    Marijn Sikken is columnist voor Literair Nederland en redacteur bij De Optimist. In 2011 won zij zowel de jury- als de publieksprijs van Write Now!. Uit het juryrapport: ‘We werden van onze sokkel geblazen en we kunnen niet luid genoeg trompetteren dat er een overduidelijke winnaar is …’ en ‘Het is een hartverscheurend verhaal, maar er is ook ruimte voor humor…

    Probeer om te keren
    Auteur: Marijn Sikken
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Liefde in Pangea

    Bekende titels heeft ze op haar naam staan, Tessa de Loo (1946). De bekendste zijn De meisjes van de suikerwerkfabriek, De tweeling en Kenau.

    De Loo woont en werkt in Portugal, geeft er o.a. schrijfcursussen, en reist graag naar exotische oorden als Mexico, Marokko, Australië en Zuid-Afrika. Op haar eigen website schrijft ze dat ze op reis vooral oog heeft voor de natuur en de mensen.

    Haar nieuwe roman brengt de hoofdpersoon Fidel iets minder ver, naar de zuidwestkust van Europa. Daar doet hij onderzoek naar het leefgebied van kameleons.

    Hij was ooit verliefd op een excentriek meisje dat voor de ogen van haar klasgenoten in Rome zelfmoord pleegt. Hij blijft zich afvragen wat er met haar aan de hand was. Jaren later spoort hij haar familie op.

    Liefde in Pangea
    Auteur: Tessa de Loo
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen, De Arbeiderspers
  • Voorbijgangers

    Voorbijgangers

    Vanaf de eerste keer dat ik in de hoofdstad kwam – er echt voor mezelf kwam, als jonge vrouw die hier dingen te doen had in plaats van als kind mee met een uitje – wist ik: dit is waar ik moet zijn. Een vriend, globetrottend wereldburger, immer nieuwsgierig en nog ongeaard, niet-honkvast, vond het ietwat beperkt. ‘Er zijn wel meer plekken waar ik zou kunnen wonen,’ zei hij, en noemde er een paar. Uit een andere mond had dat minachtend geklonken, bij hem niet, hij is er te aardig voor.
    Ergens kunnen wonen, het willen, ik zag het mezelf op weinig plekken doen, en zei wat ik altijd zeg wanneer het over de aard van het al dan niet rondtrekkende beestje gaat: ‘Ik ben geen reiziger.’
    Amsterdam dus. Nadat ik me de stad routegewijs eigen maakte, niet meer via Centraal Station van Rembrandtplein naar de Reestraat fietste omdat die ingebouwde TomTom bij mij nooit met succes wilde opstarten (en dit nog net het pre-Googlemaps op je smartphonetijdperk was), begon ik dingen te herkennen. Eerst op tv. De Dam natuurlijk, het Vondelpark, the usual suspects, ik begon ineens overal het Amstelveld te zien. Later in de literatuur.
    In een van zijn prachtige teksten in de verzamelbundel ‘Het volmaakte kleine stukje’ noemde Kees Fens de Witte de Withstraat. Ik, amper twintig en misschien net iets minder blue dan eerst, realiseerde me twee dingen: 1) Dat ik wist waar dat was, er zonder problemen naar toe zou kunnen fietsen, hooguit een straatje te vroeg zou afslaan. 2) Dat mijn man zo’n beetje naast de Kees Fensbrug woonde. Fens was nog nieuw voor me, zoals de stad dat eerst ook was, zoals de liefde waaraan ik moest wennen, nog nieuw was.
    Alles viel op zijn plaats.

    Vanmorgen, in bed nog, las ik Het jasje van Luis Martin uit. Sindsdien ben ik volkomen bedroefd tevreden. In een recensie over de nieuwe roman van Gilles van der Loo kwam de kritiek dat de lezer de echte Gijs, om wie het net zo goed gaat als om de charmante Spanjaard, nooit echt leert kennen. De verteller, Issa, doet dat ook niet, dat is nu juist het punt, de schoonheid ook, dat je elkaar kruist maar nooit kent, nooit tot op het bot – dat je, zoals Thomas Verbogt schrijft, voorbijgangers blijft. Voor dat soort inzichten lees ik, ben ik schrijvers als Verbogt en Van der Loo dankbaar.
    Leert “Fred” Holly Golighthy echt kennen, of Nick Carraway Jay Gatsby? Misschien is er een verschil tussen kennen en alles van iemand weten. Naar mijn idee kende Issa Gijs wel degelijk, zoals iemand Amsterdam kent zonder alles van de stad te hoeven weten. De hoofdstad wordt in deze roman met net zoveel aandacht beschreven als al die personages waarvan ik in minder dan 250 pagina’s ben gaan houden. De wegen die Gijs en Issa fietsen, de wandelingen die Issa maakt, de horeca, ik ken het allemaal. Lezend viel ik opnieuw verliefd voor de stad. En de literatuur. Wat een dankbare combinatie.

     

     

  • Andere Kluger Hans

    Andere Kluger Hans

    Het scheelt nauwelijks een halve centimeter aan de zij- en bovenkant, maar toch, je ziet het. Hij is smaller. En dunner, veel dunner. Eens even tellen. Ja, de december editie bedroeg 70 pagina’s en deze, de voorjaarseditie 48 pagina’s. Dat maakt een flink verschil. Het ligt ook niet zo soepel in de hand. En waar is het stukje omslag van de cover gebleven waardoor het zo stevig oogde en aanvoelde? Ge-cut op de maat van de bladzijden. En er staan geen afbeeldingen in, op een enkele groene grafische krabbel na.

    Mijn handen herinneren zich een andere vorm. Het tijdschrift, dat ze met een driemaandelijkse regelmaat vasthouden, doorbladeren, het smalle ruggetje doorbuigen, kwam ze vertrouwd maar toch anders voor.Het was ook anders. Ik zelf had het niet direct in de gaten. Ik bladerde, las wat, probeerde het ruggetje te buigen, tot mijn handen me lieten weten dat het literaire boekje erg dun was, te dun om te buigen. Het zou kunnen scheuren!, dacht ik. Maar dat was een overdreven gedachte.

    Ik begon te onderzoeken wat er anders was en ontdekte het gemis van minder dan een halve centimeter en de afgesneden coverflap in vergelijk met de vorige edities. Nog meer wilde ik ontdekken en onderzocht bladzijde na bladzijde en vond geen enkele afbeelding, alleen die grafische krabbels, die ook wel iets hadden.

    Denk de afbeeldingen weg en wat je overhoudt is een tijdschrift vol tekst. Bladzijden vol woorden die hun eigen choreografie bepalen en dansend een verhaal neerzetten en rijen poëzie.

    Zoals de mooie prozastukjes van Xavier Roelens over onder meer, een pelgrim. ‘je zoekt zingeving in stof, maar stof toont alleen dat het leven al lang niet meer langsgekomen is.’ 

    De bladzijden steeds verwoeder openvouwend (pas op het scheurt!) lees ik het verhaal Bal, van Marijn Sikken. Over Joost, een gehandicapte buurjongen, Dirkje en een duif die zich kapot vliegt tegen een raam. Dirkje wil met gewone kinderen spelen maar die kinderen, die eerst wel om zijn anders zijn hebben kunnen lachen, krijgen al gauw genoeg van hem. “Later pas zou ik de woorden vinden voor wat ik toen al wist: dat mensen die anders zijn dan wij altijd maar voor even  leuk zijn. Dat ze daarna alleen maar vervelender worden.” Wat het beeld weergeeft dat in een leven niets op zijn plaats blijft, zelfs meningen en ideeën niet. Hier wordt aan de kern van de noodzaak tot het onhoudbare veranderen geraakt. Ach en wat zeur ik dan over formaat enzo, als de inhoud maar goed is.

    Poëtisch werk is er van Philippe Cailliau, Chris Ceustermans en J.De Vries. Van Jonas Beckers één kort gedicht:

    De hand van de meester

    Vraag aan de meester
    welke kleur hij ziet
    wanneer de nacht eindigt
    en de dag begint.

    hij zal een lichte streep trekken
    naast een donkere
    maar nooit zijn geheim prijsgeven.

    stel dezelfde vraag
    aan de knecht van morgen
    hij zal door een lensnaar de wereld kijken.

    in zijn graf rust geen geheim.

    Alles om gewenning tegen te gaan. Dit is een andere Kluger Hans met verrassende inhoud.