• Sturende kunst

    Sturende kunst

    Het aansturen van dingen, daar geloof ik wel in. Ik bedoel, als mijn moeder op zondagochtend riep dat er een grote pan soep gemaakt moest worden omdat ze onze oom en tante met hun autootje volgepakt met kinderen uit Groningen verwachtte, dan kwamen ze ook. Dat was nog voordat een huistelefoon gewoon was.
    Ik zoek me een weg door deze februaridagen. Ik ging naar het Nul-Museum Eicas en zag de documentaire over de Belgische kunstenaar Paul Van Hoeydonck (1925 – 2025), The Fallen Astronaut. Ik wilde die helemaal niet zien, kwam voor een andere tentoonstelling. Van die dagen. Een suppoost van het museum hoefde alleen maar te zeggen, ‘Als u voortmaakt, bent u precies op tijd voor de documentaire over Paul Van Hoeydonck.’ En hup, daar ging ik al.’

    Ik kende Van Hoeydonck niet. Toen hij zei, ‘I’m always expected that I become more famous than Picasso.’ It was just in contrary, people hated me.’, werd ik nieuwsgierig. Hij maakte het kunstwerk ‘verloren handschoen’: een gehelmd astronautenhoofd met een losse handschoen ernaast. Hij zei dat kort daarna een astronaut op de maan een handschoen verloor. Hij keek erbij alsof hij het nog steeds niet geloofde, toch was het echt gebeurd.

    In ‘Het blauwe notitieboekje’ van Sander van Leeuwen gebeuren ook zulke dingen. Over een detectiveschrijver die nu eens een ‘boek van betekenis’ wil schrijven. Ter inspiratie leest hij zijn hele boekenkast leest. Capote, Thoreau, Ishiguro. The New York Trilogy van Paul Auster speelt een belangrijke rol in dit verhaal vol onverwachte wendingen. Die beginnen met een blauw notitieboekje gevonden in een ‘eigenaardig soort’ boekwinkel. Op eerste pagina van het verder lege boekje staat, Wees voorzichtig met wat je opschrijft. P.A.. De dingen worden raadselachtig op een geloofwaardige manier.

    Om op gang te komen schrijft hij een paar willekeurige zinnen in het notitieboekje, ‘De telefoon gaat. Verkeerd verbonden. / Een kat schiet voor de tram langs. Verdwijnt in een steeg. / Op de hoek ruikt het naar herfstbladeren en koffie.’ Dan, wandelend met zijn vrouw, ziet hij een kat voor een passerende tram oversteken, in een steeg verdwijnen. Krijgt zijn vrouw een verkeerd verbonden call. Er gebeurt wat hij geschreven heeft. Het verhaal verrast na elke alinea meer. Zal ik verklappen dat de schrijver Paul Auster ontmoet, (of is het toch niet Paul Auster?).

    Deze hele Tirade staat trouwens vol prachtige verhalen en gedichten. Er klopt iets, er verschuift iets.

    Van Elisa Veini een serie getiteld ‘Winter was hard’. Ik lees ze als notities over de tijd waarin we leven, elke regel is raak. Ik bedoel, ik zie, voel het. ‘de krant schrijft wat iedereen allang weet / en wat nu gebeurt // krijgt een stem / pas als het niemand meer treft // dan zullen allen er altijd al tegen zijn geweest’. Dat dat het is, de dingen ongrijpbaar, de dagen gebeuren.

    In het verhaal ‘Cuidado’, van Marijn Sikken gaat een vrouw voor het eerst alleen op vakantie naar de Canarische eilanden. Een man zoekt contact, waar ze niet op ingaat. Hij duikt op waar zij ook gaat (dit is een lijntje in een verhaal over hoe een vrouw gezien wordt als een object). Er komt politie aan te pas om haar te bevrijden van deze man. Al heeft hij haar met geen vinger aangeraakt, het kwaad is al geschied, ‘ook als hij er niet is, niet fysiek, zal ze de rest van de tijd op haar hoede zijn. Ze is niet meer alleen.’ Dat alleen willen zijn ook in de openbare ruimte iets is waar de ander van af moet blijven.

    Thomas Heerma van Voss schreef ‘Het interview’. Als interviewer in het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij, beschrijft hij de omgeving en reacties van de geïnterviewde, oude schrijvers die in de vergetelheid zijn geraakt. ‘Het interview’ is vanuit de geïnterviewde geschreven, een omgekeerd perspectief. Dat levert sterke beschrijvingen op in hoe de schrijver zichzelf als interviewer waarneemt. De geïnterviewde: “‘Er is hier in geen maanden iemand op bezoek geweest,’ zeg ik. Hij knikt kalm, maar ik zie ook iets anders in zijn blik: gretigheid. De oogopslag van iemand die iets bruikbaars opvangt.’” En dat je denk te weten wie de geïnterviewde, de verteller is. Heerma van Voss is een zuiver balanceerder op het lijntje waar verdichting en werkelijkheid met elkaar oplopen.

    Dan dit nog. ‘Jij kiert zo prachtig / tussen mijn donkerblauwe gordijnen / iedere ochtend opnieuw // Ik ben van jou ik ben van au, / ik ben van koperzeer en van kou, / ik ben van wankelmoed en trouw’, dicht Frans Kuipers in ‘Proloog’.

    Een Tirade met opvallend veel sterke en mooie bijdragen, ook van Lena Claassen, Paul Demets, Lisa Rooijackers, Inge Marleen Anton Minne, Anouk Bosch, Caspar Dulaart, Julien Staartjes, Ingmar Heytze, Daan Doesborgh en Fien Vanderbeke.

    Gun jezelf zo’n literair tijdschrift. Vind in deze februaridagen de weg naar buiten.

     

    Tirade nr. 151 / redactie: Sophia Blyden, Nikki Dekker, Daan Doesborgh e.a. / Van Oorschot / 108 blz. /


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.

     

     

  • Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.

     

     

  • Vliegtuigstrepen

    Vliegtuigstrepen

    Een uur voor de horeca weer opengaat zit ik op het strand. Mensen houden keurig afstand van elkaar, ik zit ontspannen aan de waterlijn. De Noordzee, die ik na mijn huisdieren beschouw als mijn grootste niet-menselijke liefde, is koud en barstensvol kwallen, maar als altijd bij die eerste duik van het jaar voelt het alsof ik eindelijk weer kan ademhalen. Tegen mijn voornemen in laat ik klokslag twaalf uur, als de linten om de terrassen worden doorgeknipt, aan me voorbijgaan. Of nee, het is precies zoals ik me voornam: over de coronacrisis schrijf ik bij voorkeur niet.
    Er vliegt een vliegtuigje over met een luchtreclame voor luchtreclame.

    Hoe kun je als schrijver niet over corona schrijven? Dat gaat makkelijk, om eerlijk te zijn. Het is de enige les die ik trok uit een vakantie, jaren terug, waarbij ik door een Schotse vallei reed en mijn camera in mijn tas hield. Juist dankzij het gebrek aan foto’s, bleef die vallei zo helder bij me.
    Ik ben niet de enige. In Coronakronieken van Daan Heerma van Voss zegt de Italiaanse schrijver Eduardo Albinati: ‘Na zoveel verschillende ideeën te hebben gelezen en gehoord, meningen, interpretaties, profetieën, zou ik graag de enige schrijver of intellectueel van mijn land willen zijn die daar niet aan meedoet. Geen gedachte, geen verhaal. Als ik aan het virus denk, schiet me niks te binnen. Ik ben leeg.’ Naast allesbehalve Albinati ben ik allesbehalve leeg, toch herken ik me hierin. Maar ik ben blij dat anderen, dat Daan, er wel over schrijven. Nu al vormen zijn Coronakronieken een terugblik die soms akelig is en dan weer grappig, die verrast en geregeld ontroert. Intussen, aan het strand, denk ik aan vliegtuigstrepen.

    In Jesus Christ Superstar (1973) komt op zeker moment een vliegtuig over. Verward wordt er naar boven gekeken – acteurs die uit hun rol gehaald zijn of wellicht juist volledig in karakter blijven. Het is een schitterende stijlbreuk. Wat de kijker in theorie uit het verhaal haalt omdat het de gekunsteldheid ervan blootlegt (van film in het algemeen maar van een symboolhysterische rockopera over de kruisiging van Jezus Christus in het bijzonder), zorgt er gek genoeg voor dat het waarachtiger wordt.
    In de roman Station Elf van Emily St. John Mandel, volg je een aantal personages vanaf het begin van een griepepidemie die een groot deel van de mensheid uitroeit tot lang daarna. Een vliegtuig landt op zeker moment op een vliegveld, besmet met het virus. De deuren blijven gesloten, niemand komt naar buiten. Soms menen de mensen op het vliegveld geschreeuw en gehuil te horen, tot ook dat verstomt.

    Boven het strand is de lucht heiig, een nieuwe vliegtuigstreep trekt een vouwlijn over de horizon. Ook hier een stijlbreuk: na stilstand starten we weer op, de wereld gaat open – de grenzen, het verkeer. De angst die overblijft is de angst niets van deze tijd te leren. Misschien zijn die strepen daarom zo onheilspellend. Wat als ons geheugen maar anderhalve meter lang blijkt en er na corona niets verandert?

     

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Beste opties

    Beste opties

    Ik herken de vrouw op de achterflap niet. Natuurlijk weet ik wie het is, de boog van de wenkbrauwen, het bruine haar, prima blik voor een achterflap. Ik weet dat ik het ben die glimlacht naar de fotograaf – mijn redacteur destijds, Irwan Droog, ook de verantwoordelijke voor het mooie omslagbeeld. Toch zegt die griet me weinig. Dat lijkt erger dan het is. In zekere zin maakt het een en ander makkelijker, want afstand is precies wat ik nodig heb: ik herlees mijn eigen debuut. Sinds verschijnen deed ik dat nog niet, Probeer om te keren vierde onlangs haar derde verjaardag.

    In het ijzersterke Strovuur van Gerwin van der Werf denkt hoofdpersoon Fay – zeventien jaar ‘en een gaatje in mijn hart’ – aan het schip van Theseus, een gedachte-experiment dat draait om de vraag of dat schip hetzelfde schip blijft als alle originele onderdelen ervan zijn vervangen. Vanaf daar is het een kleine sprong naar het idee dat je lijf er zo’n zeven jaar over doet om al zijn cellen te vernieuwen. Volgens sommigen begin je dus iedere zeven jaar opnieuw.
    De jonge vrouw op de achterflap van mijn boek voelt lichtjaren van mij verwijderd. Ze schreef een roman over, onder meer, de zorg van een moeder voor een gehandicapte dochter. Ze weet nog van niets, die vrouw, niet dat ze een kleine poos later zelf moeder zal worden van een gehandicapt meisje – zo gehandicapt zelfs dat behoeden de beste optie is. De jonge vrouw, laat ik maar weer overstappen op de eerste persoon enkelvoud, kreeg gelukkig ook een fantastische baan, een andere burgerlijke staat, een gezonde en hard groeiende zoon. Maar het is niet overdreven om te zeggen dat ook ik een gaatje in mijn hart heb. In dat gaatje past precies mijn eerste kind.

    Vanaf mijn eerste publicatie nam ik me voor om nooit met schaamte naar eerder geschreven werk te kijken. Dat blijkt geen loos voornemen, want ik lees geregeld in interviews met schrijvers dat er boeken, verhalen of gedichten zijn waar ze amper aan durven terug te denken. In De Groene Amsterdammer worden 21 telkens overwegend dezelfde vragen aan schrijvers gesteld, een ervan is wat iemand zou veranderen aan eerder werk.
    Thomas Heerma van Voss, van wie je naast zijn verhalen en romans gerust ieder interview kunt lezen omdat hij niet alleen wijze maar ook aardige dingen zegt, geeft het antwoord dat ik zelf ooit hoop te geven: ‘Ik vind het oneerbiedig om tegen mijn jongere zelf te zeggen: wat een rare keuzes heb jij gemaakt, want toen vond ik dat echt de beste opties.’

    Herlezen dus. Mijn eigen stem herken ik. Een enkele keer moet ik hardop lachen om iets. En wat ik tijdens het lezen zie, zijn al die bewust gekozen beste opties. Of ik die nu ook zou kiezen maakt eigenlijk niet uit. Als ik het boek uit heb blijft er trots over. Werklust. En mededogen naar die jonge vrouw op de foto, die nog niet wist wat er zou komen – en dat het heel goed afliep.

     

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. Haar debuutroman Probeer om te keren verscheen in 2017 bij Uitgeverij Cossee.

  • Leeslijst

    Leeslijst

    Als tiener was ik altijd verliefd. Dat zeg ik nogal vaak, realiseer ik me, terwijl niets in mij terugverlangt naar de puberteit. Sterker nog, toen iemand eens zei dat je middelbare schooltijd de mooiste tijd van je leven is, sprak ik dat tegen met de kracht van een norse tiener. Ik had het niet slecht op school maar als dit al het hoogtepunt was, zou de rest van het leven nog wel erg lang kunnen duren.
    De middelbare scholieren hier in huis hebben het, zolang ze niet te veel huiswerk moeten maken, behoorlijk naar hun zin. Verliefdheden zijn verboden onderwerpen, al verschijnen er soms mysterieuze lachjes. Maar wanneer ik de oudste hoor zuchten en denk: ‘O hemel, dat is een verliefde zucht’, dan blijkt het vooral zijn frustratie over het saaie boek te zijn dat hij nu weer moet lezen. Theo Thijssen, De gelukkige klas – nee, niets voor hem.

    Zelf was ik verliefd op zeer onbereikbare mensen: de Kurt Cobainachtige jongen uit de brugklas; de frontman van Rammstein; een grappige leraar, een bloednerveuze gids bij een buitenlandse reis, enzovoorts. De paar jongens die mij wel zagen staan, stopte ik metersdiep in de friend zone. Het ging dan ook niet echt om iemand willen, eerder om het verlangen. Naast onbereikbare mansmensen was ik altijd verliefd op boeken – personages, verhaallijnen, zomaar mooie zinnen.
    Verlangen is de schitterende drijfveer van alles. Ik zie het aan de irritante bamboestruiken in de tuin: verlangen te overleven; aan dementerende ouderen die ineens weer naar een knuffel grijpen, of naar elkaar: het verlangen vast te houden en vastgehouden te worden. Ik zie het aan de katten, die ’s avonds een voor een op bed druppelen; aan de dreumes, die telkens een lapje voor zijn gezicht houdt en het dan weer wegtrekt, schaterlachend opkijkt: een groot verlangen naar contact.

    De oudste puber slaat zijn boek dicht. Eventuele leesliefde is afgesneden door een verplichte lijst die niet aansluit bij zijn wereld en de dingen waarnaar hij verlangt. De gelukkige klas komt uit 1926. Zelf lees ik Karakter van Bordewijk, eerste druk 1939. Ik loop over van enthousiasme, ben verliefd op de taal en de personages (die moeder!). Maar had ik het op zijn leeftijd moeten lezen, onvoorbereid en met tegenzin, was de kracht ervan volledig aan me voorbijgegaan. Naar sommige dingen moet je groeien, leren verlangen. ‘Het interesseert me echt helemaal niets,’ zegt puber over het boek. Of de middelbare schooltijd de mooiste van zijn leven is, ik weet het niet – ik hoop het niet. Laat het mooiste vooral nog komen, zeker wat lezen betreft.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Ware angst

    Ware angst

    Mijn horrorperiodes bestaan uit het kijken van enge films, al dan niet met mijn handen voor mijn ogen, of het lezen van samenvattingen van enge films. Op deze manier hoef ik Cannibal Holocaust nooit te zien maar heb ik hem ook niet echt gemist.
    Binnenkort verschijnt Schitterend lichaam van de Argentijnse Augustina Bazterrica, een roman waarin onze vleesindustrie wereldwijd is vervangen door mensen. Geen varkenspoten meer, geen kippenvleugels of struisvogelbiefstuk: mensenvlees. Hoe die verwerking eruitziet, wat voor taal daarbij gebruikt wordt en wat voor maatschappij het oplevert, is zakelijk uitgewerkt, bijna klinisch. Juist dat klinische houdt niet alleen Marcos, de hoofdpersoon, maar ook de lezer in eerste instantie op afstand – tot je denkt: ho eens even. En misselijk wordt.

    Daarnaast lees ik de verhalenbundel Growing things van Paul Tremblay. In veel van zijn verhalen, ze wisselen van kwaliteit, zit het enge in wat er niet wordt verteld. Zo interviewt in ‘Something about birds’ een jonge journalist zijn literaire held, naderhand krijgt hij een vogelkopje mee – huid, veren, snavel, geen ogen. Er is iets geks mee (joh!), de vraag is hoever de journalist gaat om erachter te komen wat. Knap gedaan.
    Het enge komt in vele lagen. Spinnen zijn voor sommige mensen een beetje en voor anderen heel eng. Tot op zekere hoogte heeft iedereen angst voor de dood – de eigen of voor die van dierbaren. Sommige mensen zijn bang voor clowns. Terecht. Hoe dan ook is er een buiten-eng en een binnen-eng.

    Buiten-eng zijn de monsters, de aliens, natuurrampen, alles wat gebeurt buiten onze controle om. Binnen-eng is wat mensen zichzelf en elkaar kunnen aandoen wanneer ze in hun eigen donkerte hebben gekeken en die mee naar boven nemen. Donkerte heeft een zekere aantrekkingskracht, daarom maken we er zoveel over: films, verhalen, andere kunstvormen.
    Eigenlijk is The Truman Show een doodenge film. Niet omdat er zoveel gruwelijke dingen in voorkomen, maar vanwege het idee dat er een werkelijkheid bestaat waarin mensen dit zouden pikken – iemand zo filmen is van een ongekende wreedheid. Dezelfde wreedheid zit in de wereld die Bazterrica schetst in Schitterend lichaam en in sommige verhalen van Paul Tremblay (The teacher!). Dat we zelf het monster zijn en weten dat wreedheid bij ieder van ons in kiem aanwezig lijkt, daarin zit de ware angst. Af en toe kijk ik heel even over de rand, de donkerte in, om er dan weer zo ver mogelijk van verwijderd te blijven.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Moeilijke vrouw

    Moeilijke vrouw

    Ik schreef al eens dat de ene dood meer doet dan de ander. Dat Aart Staartjes overleed, jeugdicoon uit Sesamstraat voor zeker drie generaties Nederlanders, overschaduwt bijna de dood van een ander, getroebleerder jeugdicoon van mij: Elizabeth Wurtzel. Begin jaren negentig debuteerde Wurtzel met Prozac Nation, dat direct een cultklassieker werd – en zij dus een cultschrijver. Wat Wurtzel over depressies, verslavingen en opgroeien in Amerika schreef was hardcore autofictie: woest en compromisloos – zoals je, na het lezen van haar werk, verwacht dat ze zelf was.
    Prozac Nation las ik op een leeftijd waarop ik boos was maar niet wist op wie en bovendien droomde van een groots en meeslepend (schrijvers)leven. Wurtzel, met haar seks en drugs, haar dramatische depressies, bood me de suikerversie van iets dat in werkelijkheid behoorlijk moest tegenvallen. Zij was voor mij wat Kurt Cobain voor anderen was: een tragische, geniale halfgod. Het duurde lang voor Kurt Cobain van zijn voetstuk viel (wat na al die dode jaren van die schitterende blonde jongen overbleef, was het beeld van een trillende man op sokken) en misschien nog iets langer voor Wurtzel dat deed.

    Volwassen worden is weinig meer dan erkennen dat je ouders en je helden (deze twee kunnen elkaar gerust overlappen) niet uit een sprookje komen, geen archetypes zijn maar echte mensen, met vele lagen en de noodzakelijke drukfouten. Zo ook Cobain, zo ook Wurtzel. Na Prozac Nation las ik Bitch: In praise of difficult women. Of, eerlijker, ik kocht het en zat er vooral mee in de trein, dat omslag met die wild aantrekkelijke dame en die provocerende middelvinger goed in zicht. Ze schreef dit boek onder invloed van cocaïne en Ritalin. Dat is te lezen. Toch wakkerde het iets aan dat zich vele jaren later zou ontwikkelen tot een feministische inslag. Over het schrijfproces van Bitch schreef Wurtzel weer een ander boek: More, now, again. Dat was vooral more again.

    Jaren later volgde ik haar op Twitter en de magie was weg: een artikel dat Wurtzel schreef over hoe ze er als vijftigjarige beter uitzag dan als twintiger leek me aantoonbare onzin. Mijn grootse en meeslepende schrijversdroom werd een schrijvend en werkend bestaan in een huwelijk, een gezin. De aandacht voor mijn jeugdidool verslapte, vervloog.
    Op 52-jarige overleed Wurtzel aan de gevolgen van borstkanker.
    De meeste dode schrijvers – zoals Toni Morrison afgelopen zomer en enkele jaren terug Renate Dorrestein – nodigen uit tot herlezen. Herlezen is een vorm van herdenken. Blijft Wurtzels werk overeind als ik het nu weer opensla? Ik weet het niet. Naast een beeld om te verwerpen en latent feminisme bracht Wurtzel me nog iets: muziek. Bijna ieder nummer dat ze in haar boeken noemde, en dat waren er heel wat, zocht ik op en vond ik geweldig. Laat ik daar mee beginnen, herluisteren als herdenken. Later, als ik eraan toe ben, pak ik Prozac Nation er weer bij. Of nee, liever toch Bitch: in praise of difficult women. Voor die moeilijke, getalenteerde vrouw.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Tweekoppigkalf

    Tweekoppigkalf

    Het is de tijd van de eindejaarslijstjes. Welk boek was het beste en welke film, welk festival had de meeste bezoekers? Op de uitgeverij vraagt mijn theezakje me naar mijn lievelingsboek, op Twitter iemand naar mijn favoriete film. Ik kom handen en voeten tekort voor alles, maar vooral voor het beantwoorden van die twee vragen. Te veel keuze. Eerder dit jaar stuitte ik op een Twitterdraad waarin lievelingsgedichten werden gedeeld. Zo maakte ik kennis met Laura Gilpin:

    The two-headed calf

    ‘Tomorrow when the farm boys find this
    freak of nature, they wil wrap his body
    in newspaper and carry him to the museum.

    But tonight he is alive and in the north
    field with his mother. It is a perfect
    summer evening: the moon rising over
    the orchard, the wind in the grass. And
    as he stares into the sky, there are
    twice as many stars as usual.’

    Wat is een goed gedicht? Die vraag lijkt zoveel moeilijker te beantwoorden dan de vraag wat een goed verhaal is. Of is dat maar schijn, is het bij nader inzien even moeilijk te vatten wat een verhaal goed maakt?
    Giplins enjambement roept eveneens vragen op. Is iedere regelafbreuk even functioneel of stond het wel gewoon lekker zo, een entertje na north? Gaat het over meer dan alleen deze anekdote of ligt de morele superioriteit er juist te dik bovenop? Freak of nature is een afhaakwaardig cliché, een en ander is niet vrij van sentiment. Maar dat newspaper maakt het schrijnend, levensecht, net als de wind in het gras. In het levensechte zit mijn betrokkenheid.

    Nergens staan de woorden death of die, die aangekondigde dood verzin je er in de witregel zelf bij. Maar zover is het nog niet, het dier leeft: kijk maar, het ligt in de boomgaard met zijn moeder – mother, niet cow – en het is een perfecte zomeravond. Ze gaan elkaar verliezen maar zij weten dat nog niet. Wij wel.
    De uitsmijter is er een van strijkorkest en vioolmuziek. Na alles wat niet uitgesproken wordt, smeert Gilpin op het laatst het verdriet uit in je gezicht. En waarom ook niet, het is toch ook gewoon droevig, die twee in het veld?
    Zoals een freak of nature voor iedereen iets of iemand anders behelst, zo weet ik niet zeker of dit goede poëzie is. Misschien is dat de verkeerde vraag. Ik vind het een prachtig gedicht, een van mijn favorieten.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Reizen

    Reizen

    Ik reis van Amerika naar IJsland, Irak en weer terug naar Amerika. Al die tijd bevind ik me aan de Italiaanse kust: mijn huwelijksreis gaat naar Sicilië. De eerste dagen zit mijn hoofd bij de personages die Tommy Orange in zijn debuut tot leven schiep. Tony Loneman, geboren met foetaal alcoholsyndroom, blijft het langst bij. Zijn eigen afwijking kan hij niet uitspreken: ‘Het enige wat ik hoorde was ‘Droom’, en daar zat ik, voor de tv die uitstond, en staarde ernaar. Mijn gezicht breeduit op het scherm. De Droom’. Orange schept een Amerika dat ik niet ken, niet alleen omdat ik er nog nooit geweest ben, maar vooral omdat ik niet afstam van de Indianen en hun verlies nooit ten volle zal begrijpen. Er is geen daar daar gunt me een glimp.
    Ondertussen leert de baby, ook mee op vakantie, zichzelf kruipen. Zijn wereld wordt groter, wij zijn getuige.

    Friday Black van Nane Kwame Adjei-Brenyah toont eveneens een onbekend Amerika. In verhalen die zich deels in de toekomst afspelen laat Adjei-Brenyah de vele verschrikkelijke gezichten van racisme, hebzucht en de menselijke drang naar geweld zien. In het IJsland dat Gerwin van der Werf in Een onbarmhartig pad schetst is het landschap even angstaanjagend als de situatie van de hoofdpersoon. Tiddo voelt de afstand tot zijn vrouw en zoon toenemen. Een reis moet de redding van het gezin zijn. Maar zoals het gaat met dingen die iets moeten goedmaken – notitie: lekker laten staan, die lifters.
    Aan het Italiaanse strand hoeft gelukkig niets gered te worden. De baby onderzoekt het zand, wij proosten maar weer eens ergens op.

    Intussen reis ik af naar Irak. Het is oorlog. Wie let er op wie, wie redt wie? Ook hier een wereld, leger en land, die ik nooit zal kennen. Vriendschap en machteloosheid ken ik wel. De gele vogels van Kevin C. Powers krijgt me in tranen. Het einde van de vakantie nadert. Het valt me altijd zwaar, afscheid nemen van de zee. Mijn man zegt dat die ene cocktail meer iets voor mannen is, dus drink ik er twee. Hij heeft gelijk.
    Nog een keer naar Amerika dan. Jori Stam tekent in Oregon een wereld en verwarring die aan Fargo doet denken. De sneeuw, de voetstappen, de haas, ik blijf er lang op kauwen en dat is goed. Thuis, in Nederland, ben ik moe maar voldaan. Ik ging naar Sicilië maar maakte een wereldreis.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Aangeraakt

    Aangeraakt

    ‘Lees drie maanden lang goede boeken en je bent een ander mens,’ stelt schrijver Roxane van Iperen in een interview in HP/de Tijd. Het is haar versie van een boodschap die al langer rondzingt: dat we fictie nodig hebben om de wereld, en dus elkaar, beter te begrijpen. Het is ook een noodkreet van een groep die van die veranderende mensen leeft: de schrijvers zelf. Daar bedoel ik niets cynisch mee. De lezer die een ander mens wordt (of ten minste een vermáákt mens) kan prima samengaan met een schrijver die, naast zijn of haar nobele ambities, graag wat aan het geschreven woord verdient.
    Waar het om gaat en waar de schoonheid van lezen in zit, is de aanraking. Iemand die leest, is op zoek naar wijsheid, naar nieuwe inzichten, afleiding, plezier, maar wil bovenal geraakt worden, betrokken worden. De schrijver steekt met zijn of haar woorden een hand uit, kom, ik neem je mee, raakt je aan – of nodigt daar toe uit. Iedere ontmoeting verandert je, ook een ontmoeting op papier.

    Daar moest ik aan denken tijdens het lezen van Kleine brandjes overal van Celeste Ng en De onsterfelijken van Chloe Benjamin. Twee lijvige wervelwinden van romans met een veelheid aan personages, stemmen, het grote vlechten van thema’s. Ng werpt een paar grote lijnen uit – adoptie, immigratie, de druk en verwachtingen van het Amerikaanse gezinsleven (ook wanneer dat gezin afwijkt van de norm) – maar de kern van het verhaal is ontroerend klein: een moeder en een dochter die elkaars uitgestoken hand steeds maar weer mislopen. Als je niet oppast, lees je er overheen. En blijft er nog steeds genoeg over.
    Benjamin gebruikt een intrigerende onderzoeksvraag – wat als je weet wanneer je sterft? – als ketting om de kralen van het verhaal, twee zussen en twee broers, aan te rijgen. Maar het gaat helemaal niet om die vraag, het gaat over familie en hoe die kralen tegen elkaar aanliggen of juist niet. Over de afstand ertussen en wat het betekent om met elkaar verbonden te zijn. Over aanraken, dus.

    Nu kan ik me niet voorstellen dat beide schrijvers zichzelf met een opdracht aan het schrijven zetten, dat zou de lezer immers direct doorhebben: o, hier komt een Boodschap of een Moraal aan, nee hoor, dank je, daar heb ik er thuis ook al een van rondlopen. Wanneer zou Ng, tijdens het schrijven van dit verhaal, erachter zijn gekomen dat het om Mr. Richardson gaat? En om Izzy? En op welk moment zou Benjamin hebben beseft dat ze, tussen al die schitterende sprongen door, een familieverhaal schreef? Jezelf zo te verrassen, wat een feest moet dat zijn. Minstens zo groot als het feest, lijkt me, te ontdekken dat je uitgestoken hand wordt aangenomen. Je hebt en bent aangeraakt. In mijn geval voel ik nog de afdruk die de Goldkinderen, de Warrens en de Richardsons achterlieten. Ze gloeien. Wie weet word ik door hun ontmoeting weer een ander mens.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

     

     

     

  • Een Tirade waardig…

    Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.

     

  • Succesvolle twintigste editie GDMW

    Literair feestje met sterke voordrachten

    Zaterdagavond in Katendrecht Rotterdam. Literair festival Geen Daden Maar Woorden vierde zijn twintigste editie met optredens verdeeld over drie sfeervolle gelegenheden. Ruim vierhonderd bezoekers lieten zich verrassen door Spoken word artiesten, laafden zich aan voordrachten van jonge schrijvers en genoten van interviews en muzikale optredens.

    Singer-songwriter Janna Lagerström opende de avond om 20.00 uur in muziekcafé Kopi Soesoe, in Kantine Walhalla startte om 20.10 uur Spoken word artiest Guus van der Steen en in Theater Walhalla begon om 20.20 uur het interview door Ellen Deckwitz met Hanna Bervoets en Murat Isik begon. Help oh help daar wil je bij zijn. Het niet overal bij kunnen zijn was wel de grootste crime die avond. Voor het overige was het een heerlijk genieten en werd er al snel gekozen voor een locatie en dat was Kantine Walhalla.

    Van der Steen nam, ondanks een – zo verklaarde hij – fikse oorontsteking waarbij zijn eigen stem nogal in zijn hoofd geresoneerd moet hebben, het publiek mee in een van zijn verhalen op rijm over Timo, een zonderling figuur waar de schrijver als kind uit bewondering achteraan ging. De voordracht maakt deel uit van een cabaretvoorstelling waarmee hij de komende maanden op tournee gaat. Pakkende taalfragmenten, al was het publiek nog niet helemaal op gang.


    Onderkoeld proza
    Gerda Blees las voor uit haar verhalenbundel Aan dood gaan dachten we niet. Haar proza was als een onderkoeld waterstroompje. Met personages die het passeren van de tijd op de staart willen trappen, de overgang van regen naar geen regen hopen waar te nemen. En waarin de enige actie het zoveelste kopje koffie is en het zitten in een tuinstoel onder een afdak. Fantastisch, een bundel die gelezen dient te worden.

     

    Indrukwekkende statements
    Na een muzikaal intermezzo van Gerson Main (met muts) die deze zomer nog met zijn theatervoorstelling ‘Ga weg, maar blijf’ op Oerol en de Parade stond, betrad de volgende spoken word artiest,
    Mariana Hirschfeld het podium die in haar laatste gedicht over haar moeder spreekt, die eerst haar verzorgde en waarvan zij nu de zorg overneemt en haar rode rozen meebrengt en daar voor de doornen afsnijdt. Over het lezen van Filosofie voor dummies dat ze als kind las met dank aan haar moeder die haar altijd meenam naar de bibliotheek. Haar voordrachten zijn een prachtig statement waar geen ontkomen aan is. Je gaat er in onder en komt weer boven met hernieuwde inzichten en bracht het publiek in een staat van bewondering.


    Theatermaker en schrijver Nhung Dam las voor uit haar debuutroman, Duizend vaders. Voorafgaand gaf ze een inkijkje in wat er zoal op je af komt na de publicatie van je boek. Ze had er vier jaar aan gewerkt en dacht nu eens op reis te kunnen, naar Bali bijvoorbeeld. Maar toen begon het pas: de interviews. En de recensies. En dat dan bij de eerste recensie je eindredacteur je sms’t: ‘Wow! Stop die maar in je zak. Gefeliciteerd!’ En een halve minuut later iemand van p.r. je sms’t: ‘Nhung, kop op! We gaan gewoon stug door. Laat je niet kisten.’ En wat je daar dan van maken moet.

     

    Interview Ariel Levy
    De Amerikaanse schrijfster Ariel Levy, die in haar nieuwste boek, The Rules Do Not Apply (De regels gelden niet) onthult hoe zij als feministe dacht op alles recht te hebben dat het leven te bieden heeft, ontdekte door nogal wat tegenslag in haar leven, dat ‘alles’ eigenlijk wel wat veel gevraagd is. Hoe haar leven drastisch veranderde. Het interview met Ariel Levy door Ellen Deckwitz, had iets van een gezellig onderonsje tussen twee schrijvers die aan elkaar gewaagd zijn. Geheel passend in de sfeer van het festival waar toegankelijkheid voorop staat.

    Een zeer fijn festival met de sfeer van een (groot) huiskamerfeest. Literatuur van jong talent dat nog (net) niet het grote publiek heeft bereikt. Met uitzondering van Ariel Levy die voor een promotietour Europa aandeed en op het festival de meest beroemde schrijver was. ‘En Marijn Sikken’, klonk het in de wandelgangen, ‘van Probeer om te keren, is toch ook wel een bekend auteur’, waarvan hier akte. Jonge schrijvers voor een jong publiek. Hoewel, er bevonden zich onder het publiek verrassend veel veertigers, vijftigers en zelfs zestigers.

     

    Foto’s interview Ariel Levy en Ellen Deckwitz, Nhung Dam: Marco de Swart,
    Foto Gerda Blees: Vera Cornel