• Een slang in het paradijs

    Een slang in het paradijs

    De elfde roman van Rachel Cusk (1967) heet De tweede plaats. Het boek is vertaald door Marijke Versluys. Cusk geniet veel bekendheid door haar Contouren-trilogie, waarin ze het plot ondergeschikt maakte aan een bijzondere melange van essayistische uitweidingen en autofictie. Lezers ervaren de trilogie als observerend en objectief. Haar eerdere werk (autobiografisch werk over moederschap en echtscheiding) is veel traditioneler van aard. In haar nieuwste boek heeft ze een aantrekkelijke tussenvorm gevonden.

    Vertelster M, die schrijfster is, neemt de lezer mee in een lange monoloog, waarin ze zich richt tot een zekere Jeffers. Alhoewel de precieze relatie tussen M en Jeffers onbekend blijft is wel duidelijk dat M in het verleden al veel details over haar leven aan hem heeft toevertrouwd. De eerste bladzijden van De tweede plaats zijn nogal omineus: de vertelster beschrijft aan Jeffers hoe ze ooit tijdens een treinreis vanuit Parijs de duivel ontmoette en dat alle aspecten van haar leven vanwege die ontmoeting doortrokken raakten van een kwaad dat gewoonlijk onder de oppervlakte blijft. De onsmakelijke verschijning met zijn groenige en bloeddoorlopen ogen, pafferige voorkomen en gore gebit met in het midden een zwarte tand achtervolgt haar door de trein. De angst die ze aan die ontmoeting heeft overgehouden draagt ze al jaren met zich mee. Vlak voordat ze uit Parijs vertrok blijkt ze een expositie bezocht te hebben van schilder L. Diens schilderijen (met name de landschappen) spraken haar op een bijzondere manier aan. Ze zorgden niet alleen voor een bepaalde sensatie die beeldende kunst kan oproepen, maar ze ‘vonden’ ook woorden in haar.

    Gesprekken over kunst en literatuur

    Vijftien jaar later woont M met haar echtgenoot Tony in een zeer afgelegen streek aan de kust. Aan Jeffers beschrijft ze Tony als praktisch, zwijgzaam en schaamteloos. Tony en M hebben op hun terrein een tweede huisje gebouwd dat soms dienst doet als inspirerend gastenverblijf voor schrijvers, schilders en musici. Op een dag besluit M om het gastenhuisje aan schilder L aan te bieden omdat ze vermoedt dat hij onder de indruk zal zijn van het paradijselijke maar ook desolate gebied waar ze woont. Daarnaast is het overduidelijk dat ze graag binnen het aura van een gevierd kunstenaar wil vertoeven. Ze verheugt zich op diepgaande gesprekken over kunst en literatuur en fantaseert over de aandacht die ze van L zal krijgen tijdens diens verblijf. L reageert direct enthousiast en kondigt aan snel te willen komen. M en Tony doen veel moeite om het huisje in gereedheid te brengen, maar L annuleert het verblijf op het laatste moment. M reageert haar frustratie daarover af op Tony. 

    Irritatie

    Een jaar later blijkt L alsnog te willen komen, wederom tot grote vreugde van M. De lezer voelt inmiddels wel aan dat de verwachtingen van M veel te hooggespannen zijn. Justine, M’s dochter, woont inmiddels met haar vriend Kurt in het gastenhuisje. Zij moeten plaats maken voor L, die tot grote teleurstelling van M arriveert met een ‘verblindend mooi wezen van ergens achter in de twintig, een vrouw die met haar zelfverzekerde, modieuze verschijning detoneerde in deze omgeving en die me haar gelakte vingertoppen toestak alsof we elkaar niet ontmoetten in een uithoek van de wereld maar op een cocktailparty aan Fifth Avenue!’ Dat Cusk haar personages krachtig en beeldend weet neer te zetten moge duidelijk zijn.
    Aan het gezelschap van vriendin Brett went iedereen snel, maar L wordt al snel een bron van irritatie, niet in de laatste plaats voor M. Hij kondigt aan het portretschilderen ter hand te nemen, maar alhoewel M op allerlei manieren laat merken dat ze graag als model in aanmerking komt (en zelfs vindt dat ze daar als gastvrouw alle recht op heeft) kiest hij op het pesterige af steeds voor anderen. Wanneer M na lang aandringen uiteindelijk aan de beurt is en zich nota bene in haar trouwjurk naar het gastenverblijf haast, is er inmiddels al zo veel voorgevallen dat zelfs voor de aimabele Tony de maat vol is. Het portret dat uiteindelijk dan toch tot stand komt is ook nog eens verre van flatteus.
    Ondertussen legt Kurt, de schoonzoon van M, zich in de inspirerende aanwezigheid van zijn schrijvende schoonmoeder en kunstenaar L toe op het schrijven van een roman. Tijdens wat bedoeld was als een gezellig avondje leest hij zijn tot dan toe geschreven werk (een centimeters dikke stapel papier) integraal voor, gekleed in een zwartfluwelen housecoat. De scène vormt een humoristisch hoogtepunt in het boek, maar laat ook de angst zien van iedere kunstenaar die zijn werk aan de wereld toont.

    Slang

    Bij monde van M worden het uiterlijk en karakter van alle personages op minutieuze wijze weergegeven. Als lezer krijg je het gevoel dat je de personages zou kunnen herkennen op straat. De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende bewoners en gasten van de uithoek komen steeds meer op scherp te staan. M vormt daarbij haar eigen blinde vlek. Ze ziet dat L ongelukkig, humeurig of veeleisend is en bedenkt daar in haar ogen plausibele verklaringen voor. Zelf blijkt M vooral bang dat mensen niet van haar houden. Interessant zijn haar gedachten over ouderschap (‘voor de meeste mensen komt het ouderschap het dichtst bij de gelegenheid om tirannie uit te oefenen’), over taal versus beeld en over kunst die ‘een slang was die in ons oor fluistert’. Het beeld van een slang komt verderop in het boek nog een paar keer terug; het is duidelijk dat de roman op meer niveaus te lezen is. Cusk heeft genoeg puzzelstukjes gebruikt om de lezer in dat opzicht langdurig geboeid te houden. 

    Een zoektocht om het onwerkelijke te vangen

    Al met al schreef Cusk met De tweede plaats opnieuw een interessant boek dat meer dan genoeg stof tot nadenken geeft. Omdat M zich richt tot Jeffers, voelt het bij vlagen wat voyeuristisch om haar leven te volgen. Vanwege de weinig kritische houding van M concludeert de lezer soms vroegtijdig dat zaken uit de hand gaan lopen en dat de dreigende apotheose met rasse schreden naderbij komt. De vooruitwijzingen die M af en toe hanteert (‘Had ik maar beter opgelet tijdens de periode die ik je beschrijf, Jeffers, …’), zorgen ervoor dat de spanning goed opgebouwd wordt. Tussen de verhaallijn door onderzoekt Cusk de wat abstracte stelling dat kunst ons zowel kan redden als vernietigen, terwijl de menselijke ziel worstelt met duistere demonen. Dat doet ze niet alleen in theoretische zin; voor enkele personages wordt de reddende dan wel vernietigende kracht van kunst werkelijkheid. Ze concludeert ten slotte dat ware kunst een zoektocht betekent om het onwerkelijke te vangen. 

     

  • Oogst week 20 – 2021

    Tat tvam asi

    De nieuwe bundel – de twaalfde alweer – zeer korte verhalen van A.L. Snijders draagt de titel Tat Tvam Asi, dat in het Sanskriets betekent, ‘dat ben jij’. Een zegswijze uit de ‘Upanishads’, (gelukkig geeft de uitgever een verklaring over dit begrip op de achterflap van het boek). Het zijn esoterische, filosofische verhandelingen die binnen het hindoeïsme als heilig beschouwd worden, teksten waaraan elke vorm van sektarisme ontbreekt. Net als in de teksten van Snijders, waarin met de beste wil van de wereld geen enkel teken van sektarisme is te vinden. Wel vatten zijn zkv’s het leven geconcentreerd samen, denk daarbij vooral aan het leven van de schrijver zelf.

    Een zkv kan een korte inleiding van de schrijver op een brief van een lezer zijn, zoals in ‘Achter de wolken’. Snijders schrijft: ‘Mijn uitgever stuurde een bericht rond dat A.L. Snijders zou voorlezen op een festival in Twente. Publiciteit, we kunnen niet meer zonder publiciteit. Een lezer uit Thailand reageerde hij schreef:’ Waarna de brief van de lezer uit Thailand volgt, een zkv op zich, geheel in stijl van A.L. Snijders zelf. De lezer schrijft dat het lastig zal zijn het festival te bezoeken, woont al 27 jaar in Thailand, op een uur vliegen van Kunming in China, waarna de lezer een interessant verhaal over het oude China en over Kunming gaat vertellen, komt erop neer: lezer kan niet naar het festival kan komen.

    Veelal spelen de zkv’s rondom het huis van de schrijver, (schaapskudde voor de deur), ontmoetingen in het bos waar dagelijks gewandeld wordt, observaties in de trein, de supermarkt of tijdens boekpresentaties waarvoor de schrijver wordt uitgenodigd.

    De 337 zkv’s, geschreven in 2019 en 2020, zijn eerder gepubliceerd in onder meer de Vlaamse krant ‘De Standaard’, de VPRO-gids en de wekelijks voorgelezen zkv’s op zondagmorgen bij radio 4, die ook verstuurd werden naar de abonnees via de zogeheten ‘Graslijst’.
    Beelden kunstenaar Chantal Rens maakte de omslagillustratie en de prachtige fotocollages in het boek.

     

    Tat tvam asi
    Auteur: A.L. Snijders
    Uitgeverij: AFdH uitgevers

    Plint

    Wie denkt  bij het horen van de naam Plint niet aan poëzie? Gedichten als raamposters, op kussenslopen, (zodat al slapende de poëzie in je dromen verschijnt), dichtregels op servies en speciale dichtbundels, dat alles om kunst en poëzie onder de aandacht te brengen. Dit jaar bestaat Plint 40 jaar. In die jaren las de redactie van Plint ‘duizenden en duizenden gedichten’, waaruit ze de mooiste gedichten samenbrachten met het werk van beeldend kunstenaars of illustratoren.

    Voor het eerst zijn de mooiste combinaties uit 40 jaar Plint verzameld en op onderwerp gezet in 14 hoofdstukken. Gedichten van grote namen als Rutger Kopland, met illustraties van Co Westerik, en minder grote namen. Klassiekers en splinternieuw werk. Het boek is prachtig uitgevoerd, met vier leeslinten om niet tot een keuze beperkt te zijn. Ook een robuust boek, van minstens een halve kilo, met op het voorplat de dichtregel: ‘een pond veren vliegt niet als er geen vogel in zit’, van Bert Schierbeek.

    Het begin van Plint is overigens een uit de hand gelopen initiatief van een groep bevriende leraren uit Eindhoven. Die wilden in 1979 theatervoorstellingen maken en zochten naar middelen dit te financieren. Ze maakten posters voor scholen, dat werd zo’n succes dat er van die theatervoorstelling niets terecht kwam, maar Plint nu dus al zo’n 40 jaar bestaat.

    Leuk weetje is dat in de theaterwereld Plint een ander woord is voor ‘opstapje naar het podium’. En dat is wat Plint is, een opstapje, een eerste kennismaking met het werk van een dichter.

    In het boek zijn registers op dichter, kunstenaar en op titel.

     

     

    Plint
    Auteur: Samenstelling Mia Goes
    Uitgeverij: Uitgeverij Plint

    De tweede plaats

    In de nieuwe roman van Rachel Cusk  De tweede plaats, nodigen de naamloze schrijfster M en haar excentrieke echtgenoot, de beroemde schilder L uit om naar een afgelegen streek aan de kust te komen. De kunstenaar neemt het aanbod aan, maar brengt onaangekondigd een mooie jonge vriendin mee. L neemt met zijn vriendin de intrek in een buitenhuisje, de Tweede Plaats, naast het huis van M en haar gezin. M hoopt met hem te kunnen discussiëren over zijn werk en de kunst, maar de aanwezigheid van de mooie jonge vriendin blijkt een ontwrichtende invloed op de omgeving te hebben. Het wordt een logeerpartij die het hele gezin ontregelt.

    Het boek is een vertelling, M vertelt, als een achteraf navertelde gebeurtenis, het verhaal aan ene Jeffers, die de rol van toehoorder heeft. ‘Ik heb je weleens verteld, Jeffers, dat ik uit Parijs vertrok en in de trein de duivel ontmoette, en dat na die ontmoeting het kwaad dat gewoonlijk rustig onder de oppervlakte ligt, opwelde en zich uitstortte over alle aspecten van het leven. Het deed denken aan een besmetting, Jeffers: alles raakte ervan doortrokken en werd erdoor bedorven.’

    Voor wie bekend is met de boeken van Rachel Cusk, is dit een echt Cuskiaanse vertelling, scherp observerend brengt ze de positie van de vrouw ten opzichte van de man in beeld. Daarbij altijd nieuwe inzichten vrijgevend.

    De tweede plaats
    Auteur: Rachel Cusk
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Enige betekenis

    Enige betekenis

    Als ik over rellen, plunderen en vernielen hoor denk ik, sukkels. ’s Nacht zet ik me in een gemakkelijke stoel in mijn kamertje, lees Rachel Cusk alsof dat het enige is dat telt. Als kind ben ik wel eens tegen geldende regels in gegaan. Op de leeftijd waarop je nog denkt dat niemand je ziet, stopte ik in een winkel een zakje snoep in mijn jaszak. Ik weet nog hoe het knisperde, voelde me een houtenklaas, weet niet meer hoe ik buiten ben gekomen. Ik nam wel eens een schriftje weg bij de Hema. Eén keer een boek in een antiquariaat op een grijze januaridag. Januaridagen zijn sowieso dagen die het best zo snel mogelijk voorbij gaan. Er was niemand die me tegenhield, ik stak het onder mijn jas, eenmaal daar kon het niet meer terug. Er is nooit een weg terug. Vraag me niet wat me bezielde. Toegegeven, ik was in een bepaalde stemming, had teveel Strindberg en Büch gelezen, was beïnvloedbaar. 

    Ik heb ook wel eens het fietsen van een ander gesaboteerd, draaide het ventiel van de fiets van een buurjongetje open. Dat gaf een bepaald gevoel van macht. Daarop volgde een gevoel van ontheemding, ik kon er niet van slapen. In een interview zei Rachel Cusk dat in haar schrijven alles eindigt met de thuiskomst. Als je een geliefde verliest door dood of scheiding, ben je iets kwijt. Ze zei, ‘mij interesseert het Griekse idee dat het lijden eervol is. Dat je iets wint. De waarheid. Wat dat ook is.’ In die zachte stoel in de hoek van mijn kamertje, lees ik het laatste deel van haar scheidingstrilogie, Kudos. Over haar alter ego Faye die in het eerste deel van de trilogie gescheiden is, in het laatste hertrouwd. Ze omringt zich met verhalen van anderen, mensen die even met haar mee oplopen. Zoals de jongeman die op het literair festival schrijvers begeleidt haar vertelt dat het Griekse woord Kudos, ‘eerbewijzen’ betekent. 

    Een medepassagier in een vliegtuig vertelt over zijn dochter, als kind overgevoelig voor clichés. Wanneer er gasten waren, rende ze gillend het huis door. Ze speelde als kind hobo. Hij kon het niet aanhoren, vond het aanstellerig klinken. Tot hij haar bij een optreden op het podium ziet, perfect in balans. Hij begint te huilen, niet om haar spel, maar omdat hij nooit in haar geloofd heeft. Er is de eens gelukkige vrouw die haar vertelt dat haar leven in puin ligt, omdat ze moeilijkheden ontliep. ‘Als kind zag ik dat mijn zus, twee jaar ouder dan ik, altijd de ergste klappen opving, terwijl ik alles aankeek vanaf de veilige schoot van mijn moeder, en elke keer dat zij in de fout ging of iets verkeerds deed nam ik me voor het anders te doen als het mijn beurt was.’
    Ik lees Rachel Cusk alsof ik er enige betekenis in kan vinden over deze tijd. Zo die er is, is een ‘veilige schoot’ wel iets voor oproerkraaiers, thuis een gelegenheid tot beschouwen.

     

     

    Kudos / Rachel Cusk / 200 blz. / De Bezige Bij (2018) / vertaling Marijke Versluys


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

  • Bevoorrecht in de jaren zestig

    Bevoorrecht in de jaren zestig

    Hilary Mantel won twee keer de Man Booker Prize, voor Wolf Hall (2009) en voor Bring up the Bodies (2013), vertaald als Het boek Henry. Vorig jaar bestond de Booker Prize vijftig jaar en ter gelegenheid van dit jubileum werden er vijf boeken genomineerd voor de Golden Man Booker Prize. Wolf Hall was een van de vijf genomineerden voor deze ‘special one-off award to celebrate the 50th anniversary’. Helaas viel Wolf Hall buiten de prijzen; de prijs ging naar de The English Patient van Michael Ondaatje.

    Nu Hilary Mantel weer volop in de belangstelling staat – veel lezers wachten met spanning op het laatste deel uit de Cromwell-trilogie – is het een goede zaak dat uitgeverij Atlas Contact haar boek An Experiment in Love uit 1995 opnieuw heeft uitgebracht onder de titel Liefde verkennen.

    Liefde verkennen vertelt het verhaal van Carmel, Karina en Julianne die na hun middelbare school in de provincie, gaan studeren aan de universiteit in Londen. Het boek begint zo: ‘Vanmorgen zag ik in de krant een foto van Julia.’ Julia heette vroeger Julianne. Carmel kent haar al vanaf haar negende. Julia is psychotherapeut geworden. Zij behandelt mensen met vermageringsziekte. De ik is Carmel MacBain. De foto en het krantenartikel zetten het verhaal in gang. Ze schrijft: ‘Ik tuurde vanmorgen zo ingespannen naar die krant dat de letters leken te versmelten, alsof ik ergens in de structuur van het papier, ergens in het weefsel ervan, een draad hoopte te ontdekken die me door mijn leven zou leiden, vanaf het punt waar ik me toen bevond tot aan waar ik nu ben.’

    Het is alsof je als lezer aanschuift bij Carmel. Zij vertelt je over haar leven en dat van haar studiegenoten. ‘Nu wil ik verdergaan en je vertellen hoe Karina en ik Julianne Lipcott hebben leren kennen, uitleggen hoe onze levens onlosmakelijk verweven zijn geraakt. Maar als ik te snel ga raak ik de draad kwijt, of krijgt het verhaal iets van een breisel dat in een boze bui is gemaakt.’

    Carmel is net als Karina afkomstig uit de arbeidersklasse, als enig kind van oude ouders; Julianne noemt haar een ‘werkstersdochter’. Bij Carmel thuis, in Lancashire (Noord Engeland), is het troosteloos. Weinig geld en eten. Haar moeder naait de kleren voor het gezin. Carmel moet de dromen van haar bozige moeder waarmaken; het liefst premier worden. ‘Er gaat niets boven een goede opleiding,’ zei ze, ‘maar die was voor mij niet weggelegd.’ Carmel is een dromerig kind, houdt van lezen en dichtregels. Karina is haar gezette buurmeisje met wie ze van haar moeder moet oplopen naar school. Niet echt een vriendin, maar een meisje dat hatelijke opmerkingen maakt: ‘ze doet aardig in je gezicht, maar toch akelig.’

    Ze vertelt over de belevenissen op de basisschool, de Nonnenschool (Christus Verlosser) en de universiteit (Tonbridge Hall). Het hoofdverhaal is dat van Tonbridge Hall, tussendoor blikt Carmel terug op de tijd op de twee andere scholen. De tijdsaanduidingen in het boek zijn vaag – de geschiedenis van de meisjes speelt zich af in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Soms zijn er verwijzingen die houvast geven: ‘Het was het jaar na Chappaquiddick, het jaar dat Julia en ik het huis uitgingen.’ Carmel droomt nog vaak over die ‘afschuwelijke gebeurtenis’. Haar dromen geven een aanwijzing waar dat over gaat: ‘als ik wakker werd kon ik me de dromen nog herinneren: het longweefsel en het water, het uitwaaierende haar en de zuigkracht van de kou.’ De naam van het eilandje is de geschiedenis ingegaan door het verkeersongeluk van Edward Kennedy in 1969. Hij reed met zijn auto van een brug; zijn medepassagiere verdronk in de rivier. Een andere aanwijzing: ‘De invoering van het decimale muntstelstel stond voor de deur.’ Dat was op 15 februari 1971. Zo valt te herleiden dat de meisjes in 1970 en 1971 op Tonbridge Hall studeerden.

    De periode op de basisschool typeert zij als het ‘vroegere leven.’ Carmel en Karina slagen voor hun toelatingsexamen voor de katholieke middelbare school, de nonnenschool Christus Verlosser. Dat is in de jaren zestig uitzonderlijk voor kinderen uit de arbeidersklasse. Nadat zij het toelatingsexamen voor de nonnenschool hebben gehaald, kijken klasgenootjes hen met de nek aan; zij worden beschouwd als de ‘bevoorrechten’. Zij zijn van alle basisscholen de eerste meisjes die naar de Christus Verlosser komen. Voor arbeiderskinderen is het ook niet makkelijk zich te handhaven tussen de kinderen uit de hogere klasse. Julianne is zo’n meisje, een ‘doktersdochter’.

    Het meest verhaalt Carmen over hun studietijd op Tonhall Bridge. De meisjes zijn dan achttien, negentien jaar oud. Onderwerpen die bij die leeftijd horen zijn de ontdekking van de liefde, mannenbezoek, zorgen over al dan niet zwanger zijn, wel of niet aan de pil, wel of geen abortus. Dat laatste was een belangrijk onderwerp in die tijd. Engeland liep eind jaren zestig voorop met een nieuwe abortuswet. Op de nonnenschool hadden de meisjes allerlei verwachtingen voor de toekomst, diploma halen, moeder worden, verpleegster of lerares; op de universiteit strijken de meisjes de overhemden van hun vriendjes.

    De Carmen van het ‘verhaalheden’ reflecteert op de Carmen van toen: ‘Als ik in de tijd kon reizen zou ik terugvliegen, terug in de tijd naar de strijkkamer; ik zou naar die meisjes terugvliegen en ze een klap geven. Ik zou ze tot bezinning willen brengen en zeggen: hoe komt het dat je, na al die jaren leren en studeren, niets anders ambieert dan de wastobbe? Laat liggen dat karweitje en ga het land besturen.’ De directrice van Tonhall Bridge zei toen al tegen Carmen: ‘Voordat je aan en man en een gezin gaat denken, moet je jezelf op de eerste plaats stellen en iets zien te bereiken in het leven. Wie weet zien we jou nog eens in het parlement.’

    Vertaalster Marijke Versluys heeft haar vertaling uit 1995 herzien. An Experiment in Love vertaalde ze als Liefde verkennen. Op pagina 189 komt letterlijke vertaling van de Engelse titel voorbij: ‘Het kwam bij me op dat ik wellicht het onderwerp was van een experiment, een experiment in de liefde, bij wijze van spreken: dat ik mijn leven leidde onder Juliannes onderzoekende blik en bepaalde beproevingen voor haar doorstond opdat zij ze zelf niet hoefde te doorstaan.’

    Versluys’ vertaling leest net zo vlot als het origineel. Het is knap hoe ze het ritme van Mantels zinnen in het Nederlands heeft weten over te brengen. Een voorbeeld:

    ‘I place my forefinger on the knots in de wood, those knots that, though they run against the grain, seem more satin-like, more glassy than the wood itself: I think of my life, and the lives of the women I knew, and I say, tapping softly, tapping decisively on the dark and swirling node, that is where we went wrong, just there, that is the very place.’

    ‘Ik leg mijn wijsvinger op de knoesten in het hout, van die knoesten die weliswaar tegen de draad ingaan maar satijnachtiger en doorschijnender lijken dan het hout zelf; ik denk aan mijn leven en aan het leven van de vrouwen die ik heb gekend, en ik zeg, terwijl ik zacht, gedecideerd op die donkere, kringelende knoest tik: daar zijn we in de fout gegaan, daar, op die plek.’

    Het citaat is afkomstig van de laatste bladzijde. Het sluit aan op het citaat uit het begin van het boek over het lezen van de krant waarbij Carmel in de structuur van het papier, ergens in het weefsel ervan, een draad hoopte te ontdekken die haar door haar leven zou leiden.

    Liefde verkennen is geen verhaal over het kostschoolleven zoals bijvoorbeeld Enid Blyton dat beschreef in haar Mallory Towerreeks. Carmel tegen haar medestudenten: ‘Dit is Mallory Towers niet’. Ook is het geen verhaal over anorexia, eerder een boek over ‘eetlust in alle facetten en aspecten, te veel of te weinig trek.’ Bovenal is het een verhaal over keuzes maken in het leven en hoe je als vrouw een onafhankelijke en zelfstandig leven opbouwt.

    Mantels boek heeft een strakke structuur. Het is knap hoe ze bijvoorbeeld de angst voor verdrinking uit de Chappaquiddickdroom in het begin van het boek laat terugkomen. Carmel: ‘/…/ verdrinking is de manier van doodgaan die ik het meeste vrees.’ Dit sluit aan op de literaire verwijzingen naar de dichtregels uit The Rime of the Ancient Mariner.
    ‘En versregels schoten door mijn hoofd: Onder water rommelde het voort, / steeds luider, dreigend als de dood; / ’t Bereikte ’t schip, het spleet de baai; / ’t Schip ging ten onder als lood.’
    Hierdoor verwacht de lezer dat er wellicht iets ergs kan gebeuren, alleen hij weet nog niet wat.

    Daarbij heeft het boek een goed tijdsbeeld van de grote veranderingen in jaren zestig en zeventig voor de positie van meisjes en vrouwen in de maatschappij. Liefde verkennen is het verhaal van Carmel en dat van haar generatie. De kracht van het boek zit hem vooral in het reflecterende commentaar van de vertelster op keuzes die in het verleden werden gemaakt.

    Tot slot: het boek bevat meerdere verwijzingen naar Jane Eyre. Een goede reden om naast Liefde verkennen dat boek te herlezen.

     

  • Twee verschillende landen

    Twee verschillende landen

    Het feit dat het dit jaar vierhonderd jaar is geleden dat William Shakespeare overleed, gaat niet ongemerkt voorbij. Naast de vele opvoeringen van zijn toneelstukken zitten er af en toe ook originele bijdragen tussen, zoals The Hogart Shakespeare Series van Penguin Random House. In deze serie komen maar liefst acht hedendaagse adaptaties uit van beroemde stukken van de grootmeester. Nederlandse vertalingen ervan worden op de markt gebracht door Nijgh & Van Ditmar.

    Tot nu toe zijn er drie boeken verschenen: van Jeanette Winterson (naar The Winter’s Tale), Howard Jacobson (The Merchant of Venice) en recent van Anne Tyler (The Taming of the Shrew). Drie totaal verschillende boeken zijn het, die één ding gemeen hebben: ze trekken Shakespeare naar het hier-en-nu en benadrukken daarmee zijn actualiteit.
    Er zijn uiteraard ook grote verschillen. Winterson schrijft minder tobberig dan we uit eerdere boeken van haar kennen (op het essay aan het slot na misschien) en Jacobsons boek valt wat tegen (is de Koopman van Venetië wel zo antisemitisch als hij beschrijft?). Eigenlijk spreekt het derde boek in de reeks, van Anne Tyler, tot nu toe het meest aan.

    Shakespeare en Tyler
    Tyler blijft van de drie auteurs het dichtst bij het originele stuk van Shakespeare. En toch weet ze, gelijk in het tragikomische origineel, een gelaagdheid in het verhaal aan te brengen die tot nadenken stemt. Ze transformeert het verhaal over seksisme tot een emancipatoir verhaal over etikettering van vrouwen én mannen.
    Het eigenlijke stuk van Shakespeare, The Taming of the Shrew, gaat over de vernedering van een kijvende vrouw (Katharina), die door echtgenoot Petruchio als het ware wordt getemd. In het pocketboek Engelse letterkunde van T.A. Birrell, dat als lesmateriaal wel op scholen werd en misschien nog wel wordt gebruikt, komt dit vroege stuk van Shakespeare er niet goed af: ‘Het is een uitgesproken onaangenaam stuk om te lezen of naar te luisteren.’ Nog los van de vraag of dit werkelijk zo is, geldt dat in ieder geval niet voor de bewerking van Anne Tyler, de Amerikaanse schrijfster die door haar aandacht voor wat buitenissige personages, tragiek en humor bij uitstek geschikt is om juist dit stuk te bewerken.

    Het verhaal
    Zelfs qua naamgeving van haar personages blijft Tyler dicht bij het origineel, zodat de intriges voor mensen die dit kennen makkelijk zijn te volgen: Katharina, de feeks, heet nu Kate. Haar vader, Baptista is Louis Battista geworden. Kates vrijer, Petruchino wordt Pjotr gedoopt, en haar zus Bianca wordt Bunny genoemd. De karaktertekeningen zijn zowel bij Shakespeare als Tyler raak. Petruchio/Pjotr is verre van de onbehouwen kinkel die men er meestal in wil zien en die er op het toneel vaak, soms nog wat dikker aangezet, van wordt gemaakt
    Het verhaal van Tyler is snel verteld. Vader Battista lokt zijn dochter Kate naar zijn laboratorium met de smoes dat hij zijn lunchpakket is vergeten. Hier laat hij haar kennismaken met Pjotr Tsjerbakov, door de vader consequent Pjoder genoemd. Battista roemt de huishoudelijke capaciteiten van Kate en het gemak waarmee zijn dochter volgens hem met kinderen omgaat. Omgekeerd roemt hij de capaciteiten van zijn Russische assistent, die met een speciaal visum zijn land heeft verlaten omdat hij over zeldzame, bijzondere capaciteiten beschikt. Maar dat visum is slechts drie jaar geldig, en het zou zonde zijn als die kennis verloren ging. Een huwelijk zou ervoor kunnen zorgen dat hij een definitieve verblijfsvergunning krijgt.

    De dagen van de week
    De eerste ontmoeting tussen Kate en Pjotr in het laboratorium vindt op zondag plaats. Op maandag doopt de aandachtszieke Bunny haar oudere zus, die haar uitbundige gedrag met jongens een beetje in toom moet houden, tot ‘una bitcha.’ En op dinsdag komt Pjotr al thuis bij de Battista’s eten. Pa maakt met zijn mobieltje alsmaar foto’s van Kate en Pjotr samen, die hij later als bewijs voor hun al enige tijd durende verliefdheid aan de Immigratiedienst wil laten zien. Bovendien is hij complimenteuzer dan anders tegen Kate.
    De structuur van de dagen wordt niet aangehouden, want het verhaal springt na dinsdag telkens met enkele dagen vooruit, zodat het moment van het huwelijk opeens daar is, net als het vertrek van Battista’s dochter uit het ouderlijk huis. Zij is volgens Battista opeens wel erg snel volwassen geworden.
    Aan het eind van het boek maakt het verhaal een verrassende wending, een techniek die Shakespeare zelf trouwens ook als geen ander beheerste. In het origineel houdt Katharine een monoloog waarin ze (in de vertaling van Willy Courteaux) zegt:

    Uw man is uw bewaker, heer en leven,
    Hij is uw hoofd, uw vorst, hij zorgt voor u
    En voor uw onderhoud. Zijn lichaam geeft
    Hij prijs aan hard labeur, op zee, te land;
    Bij nacht houdt storm hem wakker, kou bij dag,
    Terwijl u thuis u koestert, warm en veilig;
    In ruil vraagt hij van u geen andre tol
    Dan liefde, een blij gezicht en volgzaamheid:
    Te klein bedrag voor zulke grote schuld.

    Bij Tyler sluit Kate ook het boek af, op een Epiloog na. Zij zegt in de vertaling van Marijke Versluys:

    Het valt niet mee om een man te zijn. Heb je daar ooit over nagedacht? Als mannen ergens last van hebben, dan vinden ze dat ze dat moeten verbergen. Ze denken dat ze moeten doen alsof ze alles goed in de hand hebben, ze durven hun ware gevoelens niet te tonen. Of ze nou pijn hebben of wanhopig zijn of diep verdrietig, als ze liefdesverdriet of heimwee hebben of gebukt gaan onder een enorm duister schuldgevoel of ze dreigen faliekant te mislukken … “O, het gaat goed met me hoor,” zeggen ze. “Alles gaat prima.” Als je erover nadenkt hebben ze veel minder vrijheid dan vrouwen. Vrouwen bestuderen andermans gevoelens al van kleins af aan, ze perfectioneren hun radar, hun intuïtie en hun empathie of hun intermenselijk hoehetookmagheten. Zij weten wat er onderhuids speelt, terwijl de mannen vastzitten aan sportwedstrijden en oorlogen en roem en succes. Het lijkt wel of mannen en vrouwen in twee verschillende landen wonen! Ik kruip niet in mijn schulp, zoals jij het noemt, ik verleen hem toegang tot mijn land. Ik gun hem ruimte in een oord waar we allebei onszelf kunnen zijn. Grote genade, Bunny, snáp dat dan!’

    Plezier
    Het plezier waarmee Tyler dit boek moet hebben geschreven, en Versluys het heeft vertaald, spat van elke pagina af. Tyler is met de personages dan ook in haar element: een gezin bepaalt meestal haar boeken, de toon van haar verhalen is vaak humoristisch, en ze heeft aandacht voor de compositie van een verhaal. Kenmerkend, ook hier, is verder dat zij niet van een negatieve inborst houdt. Cultuurverschillen spelen ook in deze adaptatie van Shakespeare een rol, net zoals in Tylers boek Het heimweerestaurant. De auteur kent dit verschijnsel uit ervaring; ze was getrouwd met een Iraanse kinderpsycholoog, die in 1997 overleed.
    Met dit derde deel heeft The Hogart Shakespeare Series er een mooie bijdrage bij. Het volgende stuk dat zal worden bewerkt is The Tempest. Die bewerking komt op naam van Margaret Atwood, de grande dame van de Canadese literatuur. Benieuwd wat zij ervan maakt, net als wat het Shakespeare Theater Diever volgend jaar gaat doen met De getemde feeks. 

     

  • Moord op een huisgenoot

    Moord op een huisgenoot

    De 26 jarige Frances Wray woont met haar moeder in een grote villa in een deftige wijk van Zuid-Londen, Champion Hill. We schrijven 1922: de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zijn in de stad voelbaar, net als in het leven van Frances. Haar twee broers zijn gesneuveld, haar vader was voor de oorlog al overleden. Frances is lesbisch, heeft een relatie met Christina gehad, die nu met een andere vriendin elders in Londen woont. De verhouding is door toedoen van Frances’ moeder beëindigd. Frances zoekt Christina, Chrissy, nog geregeld op omdat zij de enige persoon is met wie zij kan praten. In de twintiger jaren waren lesbische relaties taboe, ze werden niet alleen maatschappelijk veroordeeld, er werd ook niet over gesproken, hoogstens indirect. Met haar moeder heeft Frances een moeizame relatie: ze zorgt voor haar, doet het huishouden, gaat iedere woensdagmiddag met haar naar de film, maar heeft eigenlijk geen contact met haar.

    Frances en haar moeder wonen op stand, willen dat zo houden en zijn daardoor gedwongen huurders in huis te nemen om de rekeningen te kunnen betalen.De nieuwe huurders zijn een jong echtpaar, Lilian en Leonard Barber. Hij werkt bij een verzekeringsmaatschappij.
    In het begin moet iedereen aan de situatie wennen, ook al omdat het jonge echtpaar van lagere komaf is dan Frances en haar moeder. Maar gaandeweg raken ze gewend aan elkaar, worden de huurders huisgenoten en krijgen Frances en Lilian een verhouding. Deze geheime verhouding wordt uitvoerig beschreven; het feit dat ze hevig naar elkaar verlangen maar altijd rekening moeten houden met de aanwezigheid van Frances’ moeder en Lilians man brengt een broeierige sfeer in het huis teweeg. De ontlading volgt wanneer er een moord wordt gepleegd.

    Hierna begint het verhaal steeds meer thrillerachtige trekken te vertonen. Je wordt meegesleept in de gebeurtenissen, die met groot gevoel voor detail en sfeer worden beschreven. Sarah Waters weet het leven in Londen zo vlak na de Eerste Wereldoorlog treffend te beschrijven.
    Het knappe is dat ook na de moord de spanningsboog die Sarah Waters heeft opgebouwd niet knapt: het blijft boeien en dat komt vooral doordat zij de beschrijving van het politieonderzoek spannend weet te houden. Door dit deel van het verhaal heen weet Waters fijntjes de lesbische relatie van Frances en Lilian te weven waardoor lange tijd onduidelijk blijft wat het uiteindelijke resultaat van dat politieonderzoek zal zijn. De maatschappelijke waardering van lesbische relaties speelt een belangrijke rol in het verhaal, dat eindigt in de rechtbank. Meer kan daarover niet worden gezegd zonder de plot te verraden.

    Dit is de zesde roman van de uit Wales afkomstige schrijfster Sarah Waters (1966). Het boek is tot stand gekomen vanuit haar belangstelling voor een aantal bekende moordzaken in Engeland begin van de twintigste eeuw. Ze heeft er 5 jaar aan gewerkt en er veel historisch onderzoek voor gedaan.

    Het boek is dik maar lijdt daar niet onder, wat onder meer komt doordat de uitgebreide uitweidingen in het verhaal niet ten koste gaan van de spanning. De schrijfster weet je te boeien tot het eind. Ook de situering van het verhaal in het Engeland van de jaren twintig, geeft de loop der gebeurtenissen diepgang en draagt bij aan het begrijpen ervan. Het is met name deze verwevenheid die de schrijfster erg knap heeft weten te verwoorden en die het lezen van dit boek tot een groot plezier maakt.