• Personificaties en opgeheven zwaartekracht in romandebuut

    Personificaties en opgeheven zwaartekracht in romandebuut

    Dat Marije Langelaar (1978) zich al lange tijd thuis voelde in de poëzie is duidelijk te merken in haar romandebuut In het jaar van de rode os. Het verhaal staat bol van de personificaties: ‘De schemer trok alle kleuren weg, legde ze elders weer neer’ en de beeldspraak is levendig: ‘eensklaps was het alsof ik in haar lichaam kon kruipen, dwars door de stramme stof van haar jurk.’ Dit maakt haar schrijfstijl intrigerend en opvallend. Ook al wordt er in de roman een verhaal verteld, de schrijfstijl richt de aandacht tevens op de taal waarin het poëtische is terug te zien. Eerder schreef Langelaar de poëziebundels De rivier als vlakte (2003), De schuur in (2009) en Vonkt (2017) waarvoor zij meerdere malen in de prijzen is gevallen.

    De roman bestaat uit de drie delen, ‘Land’, ‘Lasso’ en ‘Brieven aan de condor’, die allemaal zo’n 45 pagina’s beslaan en samen een ‘drieluik’ vormen. Het eerste deel wordt verteld vanuit het ik-perspectief van een jong meisje. Haar moeder is zwanger en moet veel rusten. In de vakantie wordt het meisje naar het huis van haar oma gebracht, die daar samenwoont met haar vriendin Pien. Het meisje, wiens identiteit wat in het verborgene blijft, is veel buiten te vinden, soms met haar vriend Jacob. Ze gaat op zoek naar wormen, zwerft over het land of schommelt hoog in de lucht. Een hevige, maar kortdurende storm teistert het land waardoor niemand naar buiten durft te gaan.

    Een met de natuur

    We volgen het perspectief van het jonge meisje en zo ook haar gedachten, die doordrongen zijn van ernst. Ze denkt na over het kind in haar moeders buik, over haar moeder zelf, en als ze danst met Jacob denkt ze: ‘Ik bedacht dat we net twee holle buizen waren, nauw tegen elkaar aangedrukt, met in elk daarbinnen een trom. Ik dacht aan zijn luchtpijp. Zijn slokdarm.’ Deze diepzinnige en aparte gedachten zorgen ervoor dat je zoekt naar meer, wellicht naar een symbolische betekenis in het verhaal. Het is immers ongeloofwaardig dat een jong meisje over zoiets nadenkt. Het realistische gehalte van het verhaal schuift naar de achtergrond. De vele personificaties in dit deel van het verhaal brengen tevens een diepere betekenislaag tot leven. De natuur krijgt hierin namelijk menselijke eigenschappen toegeschreven: ‘Wanneer dit onbesuisde groeien niet zou stoppen dan kon het niet anders dan dat de tuin dichtslibde op dezelfde manier als de aders vlak voor een hartaanval’. Aan de andere kant zien we ook het omgekeerde gebeuren: ‘We gedroegen ons als struiken’. Mensen worden als natuur voorgesteld. De ik-figuur voelt zich één met de natuur: ‘Ik werd me bewust van de plek waar ik de aarde raakte. Ik voelde elke teen.’ Het dieperliggende niveau van het eerste deel lijk te draaien om de verhouding tussen mens en natuur en de versmelting daarvan in de taal.

    Dystopische werkelijkheid

    In het tweede deel van het verhaal zijn we terechtgekomen in een voorstadium van de Apocalyps, waarin de zwaartekracht voor een groot deel van de tijd niet meer werkt. De lezer wordt meegenomen in een dystopische werkelijkheid: ‘Een zwiep in het zwaartekrachtveld, zo ging die dag de geschiedenis in. Het was raar, ineens viel ik naar boven. Het was een radeloze val in de lucht. Het was een afgrond en een hemel tegelijk.’ In dit deel is de ik-figuur een vrouw geworden. Ze is in de ban van een man, Roan, die ze ‘Vogel’ noemt omdat ze hem op een vogel vindt lijken. Samen met deze Vogel zoekt ze naar houvast. De ik-figuur, die zich in dit deel voorstelt aan de Vogel als ‘Effi’, komt in aanraking met een radicale milieuactiviste, Julia. Deze Julia ziet in het verdwijnen van de zwaartekracht een schreeuw van de aarde; de menselijke wetten moeten weer plaats maken voor die van de natuur. De ik-figuur geeft haar gelijk: ‘We hadden met onze roofklauwen alles wat miljoenen jaren nodig had gehad om op te bouwen uit de aarde gegraaid, gestrooid met de giftige resten om er nu in te stikken.’ De storm uit het eerste deel van het verhaal is in dit deel uitgegroeid tot een regelrechte nachtmerrie. De verhouding tussen mens en natuur is hier in de figuur ‘Vogel’ verder tot een versmelting gekomen. De taal die in dit deel klinkt, vraagt ook weer aandacht voor zichzelf door de vele Engelse zegswijzen: ‘no kidding’, ‘face’, ‘whatever’. Het laat zien dat de ‘ik’ is opgegroeid.

    In ‘Brieven aan de condor’, ziet de wereld er weer anders uit. De ‘ik’ maakt nu gebruik van Spaanse woorden, heeft een baby en is in Zuid-Amerika beland, op een plek waar ze zich niet vrij voelt. Ze schrijft brieven aan een condor, een vogel, omdat ze gelooft dat ze zelf ook ten diepste een vogel is, dat ze bij de condor hoort. De werkelijkheid waarin de ‘ik’ met haar baby leeft is een postmoderne, maar haar realiteit is anders dan die van anderen. Het postmoderne zien we terug in de grensvervaging tussen mens en dier en de onbepaaldheid van tijd en ruimte. Haar dochter is ook meer dan mens alleen. De hoofdpersoon zegt over de regels die horen bij de menselijke systemen het volgende: ‘Niet dat ik me aan die restricties ga houden natuurlijk. Ik zou een steen worden, een stuk hout of een stuk papier krakend in de wind.’ De systemen die op aarde regeren zouden de ik-figuur in een levenloos object doen veranderen, mits ze zich daaraan onderwerpt. Het laatste verhaaldeel lijkt zo nog meer de nadruk te leggen op de eenheid van mens en natuur, mens en dier. De mens gaat aan de door mensen gemaakte, niet-natuurlijke wetten en systemen ten onder en moet zich aan de natuur geven, iets dat de hoofdpersoon ons voordoet.

    Engagement en ecokritiek

    Dit alles maakt het romandebuut van Langelaar een geëngageerde roman, die oproept anders om te gaan met de natuur en de aarde. Het werk is goed te lezen vanuit de theoretische benadering ecocriticism, die de natuur centraal stelt en in onderzoek steeds meer terrein wint. ‘Niets op dit stukje land was zeker, de grond slechts geleend van het arme water dat aan ons trekt, dat aan de dijken vreet, het gras ontwortelt en zwammen in het hout jaagt.’ Ga goed om met wat aan je uitgeleend is. Een indrukwekkende roman die prettig leest, aandacht vraagt voor de taal waarin het is geschreven en de lezer prikkelt na te denken over de relatie tussen mens en natuur. Een knap debuut waar nog tal van interessante dingen over te zeggen zijn en doet verlangen naar meer.

     

     

  • Laatste VSB Poëzieprijs voor ‘Binnenplaats’ van Joost Baars

    Laatste VSB Poëzieprijs voor ‘Binnenplaats’ van Joost Baars

    Vanavond werd voor de laatste maal de VSB Poëzieprijs uitgereikt, en wel aan dichter en Amsterdamse boekhandelaar Joost Baars voor zijn bundel Binnenplaats. Volgens de jury is het debuut van Joost Baars (42 jaar) een ‘hallucinante, mystieke bundel (…)’ die tijd vraagt om ‘erin door te dringen maar bij elke herlezing groeien deze gedichten en trekken ze je mee in hun zoektocht naar of confrontaties met het transcendente.’

    De poëzieprijs en het daarbij behorende bedrag van 25 duizend euro werd hem in Diligentia in Den Haag overhandigd door juryvoorzitter Maaike Meijer. Met het uitreiken van de VSB poëzieprijs is tevens de poëzieweek van start gegaan.

    Overige genomineerden voor deze poëzieprijs waren Charlotte Van den Broeck met Nachtroer, Marije Langelaar  met Vonkt, Tonnus Oosterhoff met Ja Nee en de bundel Leger van Mieke van Zonneveld genomineerd. De uitreiking van de VSB Poëzieprijs was ook gelijk de start van de Poëzieweek 2018 die als thema ‘Theater’ heeft.

    Recensent Hettie Marzak over Binnenplaats: “Baars toont zich kwetsbaar, durft persoonlijk te zijn, diepe emoties te laten zien en kan deze uitdrukken in weloverwogen zinnen met originele beelden. Hier is iemand aan het woord die het vak van dichter verstaat.” Lees hier de hele recensie.

     

  • Dichterbij met Marije Langelaar

    DichterBij is een poëzieserie van de VPRO over eigentijdse Vlaamse en Nederlandse dichters. Elk filmpje bestaat uit een visuele schets uit het leven van de dichter en een gedicht. Marije Langelaar leest een gedicht uit haar bundel Vonkt voor.

     

  • Het echte vuur van deze bundel zit in het ongemak

    Het echte vuur van deze bundel zit in het ongemak

    Marije Langelaar weet hoe ze een gedichtenbundel moet beginnen, in: ‘Ik werd wakker dat jaar aan het strand / mijn vogellichaam / sterk vermagerd. // Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. / Volledig van zand. / Begon hem zachtjes te graven.’ In de eerste zes regels van ‘Zand’ worden al veel intrigerende lijnen uitgezet, eigenlijk vooral door vragen op te roepen. Is de ‘ik’ een vogel geworden of altijd al geweest, en wat doet ze hier op het strand, dus op de grond? Prachtig gevonden is de formulering ‘hem zachtjes te graven’: moet hier ‘[in] hem’ gelezen worden, ‘hem zachtjes [in]/[uit] te graven’, of zelfs ‘te [be]graven’? De laatste drie opties zijn logisch, gezien de strandsetting, maar de eerste lijkt minstens zo mee te spelen:

    Wij vonden vele zaken, voorwerpen, substanties, / het allervieste en eveneens een woord / tussen de zandhersens geklemd’.

    ‘Zand’ is de opmaat voor het vaak beklemmende eerste deel van Vonkt, ‘Een afgrond omsingelen’. Langelaar laat daarin de taal én beelden ontsporen – want hoe moet je eigenlijk een afgrond omsingelen? – om een surreële, ongemakkelijke sfeer neer te zetten. Formuleringen zijn vaak voor verschillende uitleggen vatbaar, zoals ‘Tellen de dagen dat het zin heeft’: is dit een ‘[We t]ellen’ of moet je ‘m parafraseren als ‘De dagen tellen (als in: meetellen) dat het zin heeft’? Het mooie is dat beide invullingen naast elkaar lijken te kunnen bestaan. Met een paar woorden weet Langelaar veel betekenis te genereren. Ook neologismen als ‘wolvenschrik’ of hard aankomende regels als ‘Had ik maar een nek en een bijl en een schuur’ dragen bij aan een donkere, mysterieuze sfeer: in het geschetste gezin is iets niet goed in de haak, al wordt nooit helemaal duidelijk wat precies.

    In het tweede deel lijken die problemen van tijdelijke aard te zijn geweest. Het surreële wordt eerder mythisch of religieus van aard, zoals in ‘Trommel’ waarin muziek aan het begin lijkt te staan van het leven als een soort letterlijk de la musique avant toute chose:

    ‘Bij elke slag vlogen de vogels op. / Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan. / Bij elke 16e noot wierp ik een kind. […] Paf paf paf! De vogels vliegen op. / Paf Paf Paf! / Een nieuw seizoen. / Paf Paf Paf! / Weer een kind. / Paf Paf!’

    Echter, het blijft niet goed gaan: ‘Maar het kind bleef uit.’ De trommel wordt niet meer geslagen en er volgt uiteindelijk een fragment dat aan Adam en Eva herinnert op het moment dat ze zich bewust worden dat ze naakt zijn:

    ‘En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats de trommel gegeven? / Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen?’

    Muziek en dieren blijven een rol spelen in deze afdeling, maar het donkere blijft. In een gedicht over een pratende kat wordt de lezer bijvoorbeeld heerlijk ruw aangesproken: ‘Aha denkt u weer zo’n sprookje waarin de dieren / met elkaar praten’.

    Het derde deel, ‘Love songs for the Absolute’, overtuigt minder. De beklemming van de eerste twee afdelingen maakt plaatst voor een vaak geëxalteerde toon, inclusief uitroeptekens. Een overgang daartussen is te vinden in het mooie gedicht ‘Het Oog’, dat sterk herinnert aan Odilon Rendons tekening waarin een oogbol een luchtballon is geworden en zo een alwetende uitstraling heeft gekregen. In Langelaars gedicht hangt er een oog in de kamer, en dat roept vragen op als ‘Is het god?’ Het is niet duidelijk hoe met dat oog om te gaan:

    ‘Ik wist niet wat te doen, mocht ik opstaan? Moest ik / spreken? Pleiten voor iets? Mijn leven verdedigen of / toelichten?’

    Maar tegen het slot van heet gedicht smelt de ‘ik’ samen met het oog (of zoals Langelaar het zegt: ‘ik smolt in het oog’), stijgen ze tezamen op en kijken naar alles dat er te zien is. Het blijde uitroepen dat daarop volgt is in ‘Het Oog’ nog vrij beheerst, maar Langelaar zit in andere gedichten vaak echt op het randje. Neem bijvoorbeeld het bijna-titelgedicht ‘Vonk’:

    […]
    Vlammend en trillend begaf ik mij naar huis, ging
    vlammend en trillend in mijn bed liggen. Viel in een
    vlammende en trillende slaap werd vlammend en
    trillend weer wakker.
    […]
    Ik wilde alle mensen aanraken en bevestigen er is
    een vonk in u schreeuwen. En zo slijt ik mijn dagen
    tegenwoordig ja nogal een contrast met hoe ik ooit
    doof blind stom en leeg begon.
    Nu bedenk ik hinkel- en andere kinderspelletjes en
    bij elke sprong op de stoep roep ik hard en
    eenvoudig Vonk! Vonk! Nu!

    Het enthousiasme van de verteller is zo aanwezig dat het niet helemaal wil overslaan. Om in de terminologie van ‘Vonk’ te blijven: veel gedichten in ‘Love songs for the Absolute’ willen net niet vonken of vlammen. Woorden worden minder economisch ingezet, gedichten waaieren uit en de taal stokt minder. Bovendien: het ongemakkelijke en het donkere ontbreken vaak, terwijl zij een goed contrastpunt voor het al te geëxalteerde hadden kunnen zijn. De subtiele metamorfoses in een hert of in een stoel zijn fraai, maar halen het uiteindelijk niet helemaal bij het panische, angstige ‘Houd je schil vast’ (uit de eerste afdeling), dat nog eens laat zien dat het echte vuur van Vonkt in het ongemak zit:

    Laat je niet lichten houd je schil vast
    houd je bril vast laat je billen niet los en houd de hand
    van de tijd vast en één twee drie kramp nu.
    Laat je niet ontkleden houd al je gebeden, hoofdsteden
    regels vast, zet je hart in een klem ja zo
    bind je hersens vast,

    prik wat met je stok
    één twee drie kramp nu

    ik pas deze jas.

     

    Odilon Rendons tekening

     

     

  • Oogst week 22

    Overvloed en onbehagen

    Van een ontstellende eruditie is dit nu dertig jaar oude werk – Overvloed en onbehagen – van historicus Simon Schama. Een helderder inzicht in ons verleden kun je niet krijgen.

    ‘Het boek betekende zijn wereldwijde doorbraak en groeide uit tot een klassieker over de culturele en sociale geschiedenis van Nederland in de zeventiende eeuw. Het boek verschijnt nu in een fraai uitgevoerde, gelimiteerde jubileumeditie. Schama belicht vertrouwde dingen op ongebruikelijke wijze. De cultuur in de ruimste zin van het woord vormt zijn bronnenmateriaal: kookboeken, faillissementsinventarissen, prenten, schilderijen en gebrandschilderde ramen. Ook kunst, bijgeloof, de opvoeding van kinderen en de zedenleer in de tijd dat Nederland een supermacht was, neemt hij onder de loep. Hij beschrijft de zeden en gewoonten van een volk dat zijn eigen onafhankelijkheid niet zocht, maar die opgedrongen kreeg door de meedogenloze Spaanse monarchie, waartegen het uiteindelijk in opstand kwam, een volk dat in twee generaties een indrukwekkend wereldrijk opbouwde.’

    Overvloed en onbehagen
    Auteur: Simon Schama
    Uitgeverij: Atlas Contact, Uitgeverij

    Vonkt

    Een nieuwe bundel van Marije Langelaar, toch ergens de geheimtip van de Nederlandse poëzie.

    ‘Het verlangen tot samensmelting met alles om haar heen komt telkens terug in deze derde bundel van Marije Langelaar. Alles vonkt. Dat die vonken niet zonder gevaar zijn, lezen we in de eerste afdeling van deze bundel, ‘De afgrond omsingelen’, een verontrustend verslag van een persoonlijke strijd. ‘Een slag op de trom’ zet de toon voor een crescendo en de bundel sluit af met ‘Love songs for the Absolute’. Langelaars taal is spannend en precies, in elke regel gebeurt er iets.
    ‘Wat zijn wij toch eenvoudig mompelde ik, / terug op de achterbank / we verdrinken in water / en gaan dood aan de zon’.’

    Vonkt
    Auteur: Marije Langelaar
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen

    Bibeb

    Hoe deed ze het? de beste interviewster, niet van de botte bijl, maar van de zachte hand geportretteerd.

    ‘Ze interviewde Roald Dahl, Martin Luther King, Andy Warhol, Brigitte Bardot, Pablo Picasso en ruim zeshonderd bekende Nederlanders. Haar naam klinkt even raadselachtig als cartoonesk: Bibeb. Nederlands markantste interviewster viel samen met haar pseudoniem: zelfs haar kinderen noemden haar zo. Maar wie was zij? In Bibeb gaan Roos Menkhorst en Adinda Akkermans op zoek naar de vrouw die als uitvinder van het portretterende vraaggesprek iedereen het hemd van het lijf vroeg, maar zelf tot haar dood in 2010 een mysterie bleef. De twee journalisten spraken tijdens hun zoektocht met een dertigtal door Bibeb geïnterviewden, onder wie Willeke van Ammelrooy, Jan Cremer, Mensje van Keulen, Ruud Lubbers, prinses Irene en Erica Terpstra, maar ook met vrienden, familie en vroegere collega’s van Vrij Nederland. Het resultaat is een even ontroerend als ontmaskerend portret.’

    Bibeb
    Auteur: Adinda Akkermans ; Roos Menkhorst
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen