• Oogst week 37 – 2025

    Scènes uit een giftige relatie

    Vanaf de zijlijn is het makkelijk praten: giftige relatie? Stap eruit! Maar wat als je er middenin zit en dat niet lukt? In Scènes uit een giftige relatie van Diana Tjin, valt Hermine, zeventien jaar oud, als een blok voor Berend, student en vijf jaar ouder dan zij. Ze denkt dat ze in haar relatie met hem de akelige dingen uit haar jeugd zal kunnen vergeten, maar van haar droombeeld van hun leven samen — samen studeren, carrière maken, kinderen krijgen — blijft weinig over zodra ze samenwonen. Berend kleineert haar en Hermine wordt in een traditionele vrouwenrol gedrukt. Wat volgt is een gevecht met zichzelf.

    Diana Tjin (1961) is schrijver en werkt als Erfgoed catalografe bij de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Ze werd geboren in Amsterdam, is van Chinees-Surinaams-Joodse afkomst en studeerde Klassieke Talen aan de UvA. Eerder verschenen er meerdere romans van haar hand, waaronder Het geheim van mevrouw Grünwald en Noem me Calimero; of Carmen zo je wilt. Voor haar nieuwste roman, Scènes uit een giftige relatie, gebruikte ze haar eigen relatie uit de jaren ’80 als voorbeeld.

    Scènes uit een giftige relatie
    Auteur: Diana Tjin
    Uitgeverij: In de Knipscheer


    Geld verdienen

    Handelen met voorkennis. Ellie en Freya, die elkaar nog van de middelbare school kennen, hebben geld nodig en de beurs biedt uitkomst. Dat is het begin van Hanna Bervoets’ Geld verdienen. Een aandeel waarvan Ellie weet dat het waarschijnlijk snel meer waard wordt is te verleidelijk om aan je voorbij te laten gaan. Alleen, waarom wordt iedereen die het bezit getroffen door geheimzinnige en akelige kwalen? De vriendschap tussen Ellie en Freya komt onder druk te staan en Ellie moet een keuze maken, een onmogelijke keuze. 

    Hanna Bervoets (1984) is schrijver, essayist en scenarist. Ze studeerde Media & Cultuur, gevolgd door een master Journalistiek & Research en debuteerde in 2009 met de roman Of hoe waarom. Sindsdien publiceerde Bervoets romans, scenario’s, toneelstukken, korte verhalen en essays. Bervoets’ werk is meermaals genomineerd, voor de Gouden Boekenuil, de AKO Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs. Ook won ze in 2017 de BNG Bank Literatuurprijs voor haar roman Ivanov, en ontving ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Geld verdienen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: De Pluim

    De brievenbezorgster van Puglia

    Het is 1934 als Anna met haar gezin naar Lizzanello verhuist, het geboortedorp in Zuid-Italië van haar man Carlo. Zelf is ze Noord-Italiaanse en een opvallende verschijning in het traditionele dorp, met de broeken die ze draagt, daar voorbehouden aan mannen, haar interesse in lezen en haar nieuwsgierigheid. Hoewel Carlo het afkeurt gaat ze aan het werk als de eerste vrouwelijke postbode van het dorp, gesteund door haar zwager, Antonio, die haar niet alleen begrijpt maar ook liefheeft. Niet zonder strijd bezorgt ze twintig jaar lang de post. Dat houdt meer in dan brieven bezorgen: ze kent alle geheimen van het dorp. 

    Francesca Giannone (1982) is geboren in Lecce, Italië. De brievenbezorgster van Puglia is haar debuutroman, waarin ze historische gebeurtenissen, de Tweede Wereldoorlog, het opkomende feminisme en het vrouwenkiesrecht, verweeft met een persoonlijk verhaal. Giannone won er de Italiaanse boekhandelsprijs mee. Het boek was twee jaar lang de bestverkochte roman van Italië en werd aan 24 landen verkocht, waaronder Nederland.

    De brievenbezorgster van Puglia
    Auteur: Francesca Giannone
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    In het midden van een terrein, twee voetbalvelden groot, is een boksring geplaatst, verlicht door schijnwerpers van de luchtafweerinstallatie. Ertegenover acht rijen stoelen waarop tweehonderd SS-ers van allerlei rang uit Auschwitz en kampen in de buurt. Aan de andere kant van de ring honderd tot honderdvijftig kapo’s (de toezichthouders die de SS aanwees uit de kampbevolking zelf). Ze gaan kijken naar een bokswedstrijd van een soldaat van de Wehrmacht tegen ‘Young’ Perez, een Tunesische bokser die in 1931 en 1932 wereldkampioen vlieggewicht was en nu in Auschwitz verplicht wordt om de nazi’s regelmatig te amuseren: ze willen een portie bloed en geweld zien.
    In Bij ons in Auschwitz heeft Arnon Grunberg een kort stuk opgenomen uit De bokswedstrijd. Overleven in Auschwitz van Paul Steinberg, die tijdens het gevecht verzorger was van Perez. In dat stuk wordt het gevecht beschreven, maar veelzeggend is hoe Steinberg zijn verslag karakteriseert: ‘Als er ooit een surrealistische happening heeft plaatsgehad die de verbeeldingswereld van een Breton, Dalí of Magritte zou hebben getart, dan was het die avond wel’. Hij vraagt zich af ‘of die voor het geestesoog van een menselijk wezen met een gezond bewustzijn wel tot leven is te roepen’.

    Die inleidende opmerking raakt aan de onmacht om de werkelijkheid van Auschwitz aan anderen duidelijk te kunnen maken. Arnon Grunberg nam in de door hem ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz – 75 jaar geleden – samengestelde bundel Bij ons in Auschwitz 78 fragmenten op die allemaal in meerdere of mindere mate dat onvermogen illustreren. Grunberg zegt er in zijn inleiding behartenswaardige dingen over. Hij haalt Sem Dresden aan: ‘Als het waar is – het is ongelukkig genoeg waar – dat geen kampbeleving en geen getto-ervaring zich indertijd of naderhand in woorden laat vangen, dan zal elke uitdrukking ervan een vorm van behelpen en van onvermogen moeten zijn. Dan blijft alleen over wat ik niet beter weet te benoemen dan indirectheid’. Steinberg moest daarom wel surrealistische schilders te hulp roepen – en wist dat dat behelpen was.

    Dantesk

    De fragmenten zijn geschreven door dertien schrijvers die allemaal in Auschwitz hebben gezeten. Het merendeel van hen overleefde het kamp en deed later een poging om terug te blikken. Er zijn ook fragmenten opgenomen die in het kamp zelf zijn geschreven. Het zijn niet alleen getuigenissen van Joden, maar ook van bijvoorbeeld een verzetsstrijder. Er zijn beschouwende teksten naast herinneringen. Maar in die verscheidenheid is er één constante: alles heeft zich afgespeeld in één kamp, Auschwitz-Birkenau. Dat betekent dat er soms paralellen zijn. De Hongaar Miklós Nyiszli vermeldt een voetbalwedstrijd in het kamp die aan de bokswedstrijd van Steinberg doet denken. En de Pool Wieslaw Kielar spreekt over ‘danteske scènes’, zoals Steinberg het surrealisme nodig had om beelden op te roepen. Diverse auteurs verwijzen naar elkaar waardoor de stukken elkaar versterken.

    Meerdere schrijvers vragen zich af – in de bewoordingen van Grunberg – ‘of de taal Auschwitz aankan, of niet ook de taal van de mensen vernietigd is in de gaskamers en de crematoria’. Die ontoereikendheid van de taal en tegelijk de noodzaak wél taal te vinden, is het centrale thema van Grunbergs inleidende essay. Schrijven over het vernietigingskamp is volgens hem een literaire onderneming omdat die uitgaat van de verwachting dat de schrijver de lezer iets laat meemaken dat hij niet kent. Bij fictie is dat iets dat de schrijver zelf niet eens heeft ervaren, maar in dit geval is er niets bedacht; de voor de lezer onvoorstelbare realiteit moet worden verwoord. Als je genoegen neemt met de onzegbaarheid wordt Auschwitz iets dat in stilte beleden wordt, ‘zoals je met een god doet: het betekent dat je bijdraagt aan de verheerlijking ervan’. Je moet er dus over spreken, maar hoe? En wie mag spreken?

    Sonderkommando’s

    Grunberg heeft gekozen voor teksten van schrijvers die Auschwitz meemaakten en daarover non-fictie hebben geschreven (wat niet wil zeggen dat zij geen romans op hun naam hebben staan, zoals in het geval van Imre Kertész en Primo Levi). Ook gaat het niet alleen om teksten van overlevenden, maar ook om getuigenissen van omgekomenen. Daaronder de leden van de Sonderkommando’s.

    Deze Sonderkommando’s behoorden tot wat Primo Levi in zijn De verdronkenen en de geredden de ‘grijze laag’ noemt. ‘Een extreem geval van collaboratie’ noemt hij deze Kommando’s. Ze waren samengesteld uit kampbewoners, grotendeels Joden (gevangen Duitsers en Polen kregen de ‘respectabeler’ functie van kapo), die in ruil voor bepaalde voorrechten dienst deden in de crematoria. Die dienst hield onder andere in: orde handhaven, lijken uit de gaskamers halen, gouden tanden uit de monden breken, de ovens stoken, de as eruit halen en die begraven. Hun privilege was dat ze een paar maanden wat meer te eten kregen (en hoopten te overleven). Maar de SS zorgde ervoor dat er om de paar maanden nieuwe Sonderkommando’s kwamen die hun voorgangers alsnog de ovens injoegen. Eén van de gedachten die er volgens Levi achter zat was ‘een paroxisme van doortraptheid en haat; de Joden moesten de Joden in de ovens stoppen, het bewijs moest geleverd worden dat de Joden, Unterrasse, Untermenschen, zich tot elke laagheid lenen, zelfs tot het vernietigen van zichzelf’.

    Beschrijvingen

    Dat de SS de Sonderkommando’s om de paar maanden verving was mede om te voorkomen dat iemand het zou kunnen navertellen. Daarin is de SS niet geslaagd. Grunberg heeft fragmenten opgenomen van twee overlevende Sonderkommando’s, de al genoemde Nyiszli (die zich vrijwillig had gemeld) en Filip Müller. De meest macabere beschrijvingen van het werk die zijn opgenomen zijn van de hand van de hiervoor eveneens al genoemden Kielar – geen lid van de Sonderkammando’s, maar Blockältester – Müller en Nyiszli. Met hen waad je als lezer door de stank en verminkingen van de lijken die moesten worden opgeruimd; cynisch soms, zoals wanneer Nyiszli een recept geeft voor diarree.

    Er zijn zelfs verslagen opgenomen van Sonderkommandoleden die het kamp niet overleefden, Zalmen Gradowski en Zalmen Lewental. Ze begroeven hun handgeschreven getuigenissen in de as bij de crematoria. Daar werden ze na de oorlog gevonden. De sporen zijn zelfs nog tastbaar in de gedrukte versies in de bundel van Grunberg waar streepjes en puntjes aangeven wat niet meer leesbaar is (mogelijk gewist door inwerking van vocht, as en aarde).

    Mogelijkheid

    Grunberg velt geen moreel oordeel over de Sonderkommandoleden, dit in navolging van Levi die vraagt ‘om de geschiedenis van de “aasvogels van het crematorium” met piëteit en een onvertroebelde blik te overdenken, maar het oordeel over hen op te schorten’. Hij schrijft dit na een gedachtenexperiment rond de vraag wat ieder van ons in zo’n barre situatie zou hebben kunnen doen.
    De fragmenten in Bij ons in Auschwitz zijn gerangschikt in vier thematische delen: Aankomst, Bed, straf en selectie, Sonderkommando en Schuld, schaamte, wrok en verlangen. In het derde deel vliegt de weerzin je als lezer soms aan, zozeer dat je niet méér binnen kunt laten. Grunberg realiseerde zich dat: ‘Wie het zich gemakkelijk wil maken heeft hier niets te zoeken’, waarschuwt hij. In die zin vraagt het lezen van de bundel doorzettingsvermogen. Je realiseert je dat je niet weg mag lopen als Grunberg toevoegt: ‘Auschwitz is een mogelijkheid, die weer bestaat uit talloze mogelijkheden, men leze wederom de getuigenissen, maar het is wel een mogelijkheid die geen onmogelijkheid is geworden, Auschwitz hangt nog altijd in de lucht’.

     

     

  • Schimmige scheidslijnen tussen goed en fout

    Schimmige scheidslijnen tussen goed en fout

    Eindelijk een roman die speelt in de Eerste Wereldoorlog. Bovendien in Italië, een gebied dat hier nauwelijks onder de aandacht is geweest.
    Duitse en Hongaars-Oostenrijkse troepen rukken op en fusilleren Italiaanse militairen, die gevangen genomen zijn. Bovendien roven ze bezittingen en kwartieren hun soldaten in bij de rijkere Italiaanse adel, die over grotere villa’s beschikt.

    Dit lot valt ook de familie Spada ten deel. Ze krijgen Pruisische militairen in huis onder  leiding van baron von Feilitzsch. Hij vertegenwoordigt een wereld van adel en vergane glorie, die langzaam door de industriële revolutie op instorten staat. De grootmoeder van de Spada’s heeft echter diepgaande gesprekken met hem en er ontstaat een wederzijdse sympathie. De gesprekken doen denken aan Gloed van Sandor Marai. Ze overvleugelen de tegenstellingen.
    Wat Von Feilitzsch niet weet, is dat de grootmoeder de sieraden heeft verstopt op een geheime plaats zodat de plunderende soldaten alleen wat prularia bemachtigen. Ze is hem te slim af.
    De grootvader is  maar matig  ingenomen met de verhouding van zijn vrouw met de Duitser. Hij werkt in zijn zolderkamer aan een klassieke roman, die niet afkomt. Is dit een symbool voor de klassieke Europese beschaving, die op zijn grondvesten trilt? Zijn kamer is een plek waar de Duitsers nog niet komen.
    Hij deelt het geheim met zijn kleinzoon Paolo. Deze heeft contacten met het verzet, dat actief is tegen de bezetters. Zijn gedachten komen in de ik-vorm tot ons. En vormen een aangename afwisseling.

    Verder  worden we getrakteerd op de wandaden van de bezetters, maar evenzo van het verzet.
    De grootvader heeft het zelfs over ‘de bezetters van buitenaf  en de ‘bezetters van binnen.’ Ook de ratten in het verhaal hebben deze functie. Ze zijn een plaag voor de soldaten maar ook voor de muizen, die eigenlijk in de streek thuishoren. Zo creëert Molesini, die één van de belangrijkste literaire prijzen ontving voor dit boek, een niemandsland. Wie zijn er schuldig aan wandaden? Welke gevaren bedreigen de familie Spada? Wat is ware liefde? Hoe zit het met solidariteit?

    De andere zoon des huizes Renato helpt een Britse piloot, een daad die bestraft kan worden door de bezetter met de doodstraf. Op een listige manier weet de familie de troepenbewegingen van de vijand door te geven aan de Britten. Om de Duitsers af te leiden, zet de familie – met tegenzin – de mooie donna Maria in. Aan de ene kant keurt men haar uitdagende houding af aan de andere kant is ze vaak onmisbaar om de soldaten af te leiden, wanneer het verzet actief is. De spanning neemt toe. Zullen de Duitsers ontdekken, dat de familie het verzet helpt?

    Aanvankelijk blijft de villa gespaard voor het geweld en de ellende van de oorlog, die in alle heftigheid op het dorp neerstort. Daar vallen doden en gewonden door bommen en granaatvuur en worden deserteurs gefusilleerd. Het stinkt er naar dood en verderf. Maar wanneer ook de kamer van grootvader wordt geconfisqueerd door de bezetter is het laatste stukje privacy ook voor de familie Spada niet meer veilig. En gaan ze hun ondergang tegemoet. Maar dat gedeelte mag de lezer zelf gaan beleven. De vertaling van Marieke van Laake is sober maar zeer adequaat. Een gelaagd boek van een begenadigd verteller.

     

     

  • Niet alle smeerlappen komen uit Wenen – Andrea Molesini

    Gesignaleerd

    Bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschijnt eind januari 2014 Niet alle smeerlappen komen uit Wenen, waarmee de Italiaanse schrijver Andrea Molesini de Premio Campiello, een van de belangrijkste literaire prijzen in Italië won.

    ‘In november 1917 vorderen oprukkende Oostenrijkse en Duitse troepen in het noordoosten van Italië het landhuis van de familie Spada. Enkele officieren worden er ingekwartierd. Aanvankelijk verloopt dit gedwongen samenleven harmonieus want de Spada’s en de commandant van de Duitsers, baron von Freilitzsch, zijn van adel en zij gedragen zich naar de omgangscodes die de Europese adel deelt.

    Al wordt de oorlogssituatie steeds grimmiger, toch ontstaat er tussen de baron en de vrouw des huizes een zeker respect en wederzijdse waardering. Maar de verhoudingen komen op scherp te staan wanneer de zeventienjarige Paolo, een van de leden van de familie, in contact komt met mensen van het verzet. Zonder dat hij daar echt voor kiest, wordt zijn rol in dat verzet steeds belangrijker.

    Wat voor Paolo begon als een spannend avontuur, wordt bittere ernst wanneer hij en enkele van zijn familieleden worden verraden en opgepakt.

    Andrea Molesini vertelt een verhaal over de betrekkelijkheid van het goede en de dictatuur van het kwaad. Zijn roman over een adellijke familie speelt zich af in de Eerste Wereldoorlog, de periode dat de teloorgang van de oude wereld onafwendbaar was geworden.’

     

    Niet alle smeerlappen komen uit Wenen

    Auteur: Andrea Molesini
    Vertaald door: Marieke van Laake
    Verschijnt eind januari 2014 bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 19,90

  • Het ontstaan van een vriendschap in een armoedig Napels

    Het ontstaan van een vriendschap in een armoedig Napels

    ‘Als je nog niet zo lang op de wereld bent, is het moeilijk om te zien welke rampen ten grondslag liggen aan wat wij als ramp ervaren, en misschien heb je er ook geen behoefte aan. In afwachting van morgen bewegen grote mensen zich in een heden waarachter een gisteren ligt of een eergisteren  [….]: aan de rest willen ze niet denken. Kleine kinderen kennen de betekenis van eergisteren niet, en evenmin die van morgen, alles is dit, nu: dit is de straat, dat is de voordeur, dit zijn de trappen, dit is mama, dit is papa, dit is de dag, dit is de nacht. Ik was klein en als het erop aankwam wist mijn pop meer dan ik. Ik praatte tegen haar, zij praatte tegen mij.’

    Op een kwade dag wordt Elena gebeld door Rino, de zoon van Lila, haar hartsvriendin uit haar kinds- en puberteitsjaren, met de mededeling dat zijn moeder is verdwenen zonder een spoor achter te laten. ‘Ik was verschrikkelijk boos. Laten we maar eens zien wie dit keer zijn zin krijgt, zei ik bij mezelf. Ik zette de computer aan en begon onze geschiedenis op te schrijven, alles wat ik me ervan herinner, tot in de details.’

    Elena en Lila groeien op in de jaren 50 en 60 in een Napolitaanse volksbuurt, door Ferrante prachtig beschreven in sfeervolle beelden: de armoede van de jaren 50 tegenover de eerste verschijnselen van de consumptiemaatschappij in de jaren ’60; de langzaam eroderende Napolitaanse masculine machocultuur gebaseerd op het verdedigen van de eer van de familie; het losbreken uit de verstikkende sociale beslotenheid van de familie en de wijk, het ontluikende zelfbewustzijn van vrouwen. Ferrante slaagt er heel knap in de typisch lokale Napolitaanse werkelijkheid van die tijd te transformeren naar de meer universele werkelijkheid van de jaren ’50 en ’60. Ook voor ons in Nederland is deze heel herkenbaar in de opkomst van de nozems, de rock and roll, de TV en de auto, en de botsing tussen generaties.

    Als Lila de pop van Elena weggooit achter het gaas van het souterrain van de in de ogen van de kinderen meest boosaardige man van de wijk, beantwoordt Elena deze gemene streek met het op haar beurt weggooien van de pop van Lila. In plaats van te huilen om het gebeuren, sluiten ze een bondgenootschap en spreken af samen de poppen terug te halen. Dit is het begin van een levenslange vriendschap, waarvan de verhoudingen meteen duidelijk zijn. Beiden zijn voortdurend op zoek naar de grenzen van hun mogelijkheden, waarbij Lila het voortouw neemt en Elena niet aflaat te volgen. Door het verhaal in de ik-vorm te vertellen, is het mogelijk intens mee te leven met de gevoelens van Elena: gevoelens van bewondering voor Lila tegenover eigen minderwaardigheid, gevoelens van wrok en haat tegenover solidariteit en liefde. Elena leeft in voortdurende concurrentie met Lila. Lila is de geniale vriendin van Elena. Lila is wat Elena wil zijn. Beiden trotseren de benepen wereld van hun omgeving door weliswaar ieder hun eigen weg te gaan, maar voortdurend in contact met elkaar. Uiteindelijk blijken zij beiden er niet in te slagen zich hieraan te ontworstelen. Lila treedt in het huwelijk met iemand die haar op haar eigen huwelijksdag al weet te verraden, terwijl Elena beseft dat ook zij niet in staat is te ontsnappen uit de gevangenis van haar achtergrond door zich te voegen naar de conventies van haar omgeving.

    Eigenlijk ligt hierin ook de oorsprong van het verhaal. Elena kan niet accepteren dat Lila er uiteindelijk toch in zal slagen zich aan haar omgeving te ontworstelen door te vertrekken zonder een spoor achter te laten.

    Elena Ferrante heeft een heerlijk boek geschreven dat leest als een trein. Het biedt een prachtig inkijkje in de geesteswereld van een onzeker pubermeisje in een overgangstijd. Ook compositorisch zit het boek knap in elkaar: het heden dwingt volwassenen tot terugkijken, het verleden werkt door in het heden met het oog op morgen: Elena is woedend omdat Lila alsnog lijkt te slagen waar zij faalde.

     

     

     

  • Hoe de droom de werkelijkheid inhaalt en verstikt

    Hoe de droom de werkelijkheid inhaalt en verstikt

    Uitgeverij Wereldbibliotheek heeft Il Disprezzo (1954) van Alberto Moravia opnieuw uitgegeven in een voortreffelijke vertaling van Marieke van Laake. De roman was al eens eerder in het Nederlands vertaald als Het spoor der herinnering. Een vreemde titel die op het eerste gezicht geen lading dekt.

    Moravia ontvouwt er een verhaal van groeiend groot verdriet dat mensen gevangen houdt die niet meer van elkaar houden of, beter omschreven wellicht, waarbij de ene niet meer van de andere houdt om niet meteen duidelijke redenen.

    Het boek verscheen in 1954, even na de ondermeer geestelijke ontreddering die de Tweede Wereldoorlog met zich had meegebracht en die we meestal als existentialisme omschrijven wat dat (nu) ook nog mag betekenen.

    Alberto Moravia (1907-1990) schrijft schitterend en laat zijn personages een duiksprong maken in de poel van het menselijke streven, het geestelijke verlangen, het lichamelijke begeren.

    Riccardo Molteni houdt van Emilia en huwt haar. Hij droomt ervan een beroemd theaterauteur te worden. Voorlopig houdt hij zich financieel in stand door het schrijven van filmscenario’s voor filmproducent Battista die vrij attentievol is ten aanzien van Emilia. Riccardo is een en al bezorgdheid en wil nog wel even zijn grote droom opzij schuiven opdat Emilia zich goed zou voelen. Maar zij verwijdert zich blijkbaar steeds duidelijker van hem. Wanneer zij besluit niet meer in dezelfde kamer met hem te slapen, start zijn radeloos piekeren pas echt omtrent wat gebeurd zou kunnen zijn, om wat hij ongewild verkeerd  heeft gedaan. Er komt geen antwoord, tot zij uiteindelijk bekent dat zij hem minacht zonder weliswaar te preciseren waarom. Heel even denkt hij dat alles is orde komt als beiden op het eiland Capri in de villa van Battista hun intrek kunnen nemen. Het is de bedoeling dat hij er zich met zijn collega Rheingold zou terugtrekken om het scenario voor een film over de Odyssee te bedenken en te schrijven.

    Battista , Rheingold en Riccardo huldigen elk een verschillende visie omtrent de lange zwerftocht die Odysseus onderneemt vooraleer hij naar zijn vrouw Penelope terugkeert. De discussies daaromtrent zijn een belangrijk onderdeel van de subtiele en suggestieve manier waarop Moravia de relatie tussen Riccardo en Emilia onderbouwt en er een mythologische dimensie aan geeft. Drie benaderingen van een mythe reveleren drie karakters en drie levenshoudingen. De meest poëtische is tevens de meest schrijnende.

    Op enkele vreemde plotwendingen na aan het einde van het verhaal, is dit een krachtige en serene roman die bijwijlen fel beroert.

    Jean-Luc Godard heeft het boek in 1963 verfilmd als Le Mépris met Brigitte Bardot en Michel Piccoli in de hoofdrollen.