• ‘O, Heer Jezus, schenk ons het eeuwige leven in saecula saeculorum, amen’

    ‘O, Heer Jezus, schenk ons het eeuwige leven in saecula saeculorum, amen’

    Frédéric Beigbeder is in Frankrijk een bekende tv-persoonlijkheid en schrijver: non-conformistisch en kritisch. In Een leven zonder einde voert hij zichzelf op als hoofdpersoon in, wat hij noemt, een ‘science-non-fiction’-roman, d.i. een roman waarin alle genoemde wetenschappelijke ontwikkelingen, in het tijdschrift Science of Nature zijn gepubliceerd.

    De ontwikkelingen in de natuurwetenschappen en de genetica hebben zo’n duizelingwekkende vlucht genomen dat de science fiction van vandaag gisteren al achterhaald was. Prachtig voorbeeld hiervan is te zien in de documentaire ‘Dokteren met DNA’, in maart vorig jaar uitgezonden in het onvolprezen VPRO-programma Tegenlicht. Daarin wordt de nieuwe CRISPR-technologie behandeld waaraan ook Beigbeder in zijn boek refereert. In antwoord op de opmerking van zijn tienjarig dochtertje, Romy, dat zij het niet leuk vindt dat papa ooit dood zal gaan, belooft Beigbeder haar dat dat ook niet zal gebeuren en dat er vanaf nu niemand meer dood gaat. Deze roman is het resultaat van zijn zoektocht naar de onsterfelijkheid.

    Brave New World
    Deze zoektocht leidt Beigbeder langs alle gezaghebbende wetenschappelijke instituten ter wereld op het gebied van de genetica en de biotechnologie en brengt hem in contact met de meest prominente onderzoekers aldaar. Ethische vragen, bijvoorbeeld omtrent het sedert de experimenten van nazi’s als dr. Mengele besmette begrip eugenetica, komen daarbij wel aan de orde, maar worden weinig uitgediept. Ze passeren hooguit de revue. Er wordt wereldwijd volop geëxperimenteerd onder het motto: ‘Als wij het niet doen, doet een ander het wel. Zo komt de Brave New World van Aldous Huxley wel erg dichtbij in de woorden van dokter André Choulika, befaamd pionier van de ‘DNA-schaar’ en één van de geleerden die door Beigbeder met een bezoek worden vereerd. Als Romy hem vraagt of er binnenkort een mens geprint kan worden, antwoordt Choulika daarop bevestigend en vervolgt hij met: ‘De voortplanting onder medische begeleiding met reparatie en verbetering van het embryo zal de norm worden.’

    Houellebecq
    In Israël brengt Beigbeder, samen met Romy een bezoek aan dokter Buganim, een specialist op het gebied van onderzoek naar stamcelvernieuwing. In hun vrije tijd bezoeken zij religieuze hoogtepunten als de Klaagmuur en het graf van Jezus. In zijn gesprekken met haar komt hij steeds dichter bij de vraag naar het waarom van zijn zoektocht naar de onsterfelijkheid. Bijvoorbeeld als Romy op haar smartphone de tien geboden heeft opgezocht en hem daarmee confronteert:

    ‘Gij zult niet echtbreken…’. ‘Heb jij echtbreking met mama gedaan?’
    ‘O nee. Nee. Nooit.’
    ‘Papa, mag ik wel even zeggen dat in het achtste verbod staat dat liegen verboden is?’
    Moeilijke vragen.
    ‘Jezus is dood gegaan, maar ook weer opgestaan uit de dood, als ik het goed begrijp….., toch?’
    ‘Ja schatje.’
    ‘Eigenlijk wil jij net zo doen als Jezus.’

    Romy wordt gegrepen door de mystiek van de eredienst, van de onleesbare inscripties en de religieuze overgave van pelgrims, zelfs zodanig dat zij later bekent dat zij in de kerk in Jeruzalem een ontmoeting met Jezus heeft gehad. Beigbeder refereert aan een uitspraak van Houellebecq: ‘Steeds meer mensen zijn niet meer in staat om zonder God te leven. Het consumeren is hun niet meer genoeg, evenmin als persoonlijk succes.’ De aanblik van de vervoering van zijn dochtertje, breng zijn atheïsme aan het wankelen. Toch zet hij zijn zoektocht naar de onsterfelijkheid door en blijkt hij bereid zichzelf daarvoor ter beschikking te stellen. Dit voert hem naar het medisch welzijnscentrum Viva Mayr in Oostenrijk waar hij zijn bloed laat zuiveren door middel van een geavanceerde lasertechniek. Tussen de behandelingen door geeft hij zich over aan droefgeestige bespiegelingen over het verleden, bedenken van formats voor absurdistische tv-shows en relationele onderonsjes met zijn dochtertje.

    Het brengt hem tot bespiegelingen over het vaderschap, verantwoordelijkheid voor de kinderen die je lief zijn, over zijn leeftijd van 50-er en, in relatie daarmee, natuurlijk over de dood.

    Age Reversal
    Degene die Beigbeder uiteindelijk het dichtste bij zijn verlangen naar het eeuwig leven brengt, is Georg Church van het Human Longevity Institute in San Diego, befaamd op het gebied van het antiverouderingsonderzoek. Deze werkt aan een project genaamd ‘Age Reversal’, waarbij het gaat om omkering van de veroudering en bijvoorbeeld een levend wezen van zestig weer twintig kan worden. Dit is wat Beigbeder zoekt. Als zijn vrouw, Leonore, zegt dat zij zwanger van hem is en Church c.s. voorstellen het DNA van de toekomstige baby te perfectioneren door een mutant gevrijwaard van genetische ziekten te genereren, gaat Beigbeder daar graag in mee, maar Leonore niet. De knallende ruzie die hieruit ontstaat blijft niet zonder gevolgen.

    Oproepen van verbazing
    Frédéric Beigbeder heeft een lekker boek geschreven dat vlot wegleest. Hij weet zijn fascinatie voor de schijnbaar onbegrensde mogelijkheden van de biotechnologie en de genetica goed over te brengen. Toch blijft het boek steken in het oproepen van verbazing over die verbluffende mogelijkheden. Het stemt bijna nergens tot nadenken over de waarde van het leven. Dit is te wijten aan het vrij oppervlakkige liefdesverhaal dat als leidraad dient voor zijn bezoeken aan de diverse wetenschappelijke instituten. Je kunt je ook afvragen in hoeverre hier nog sprake is van een roman of meer van een documentaire. Het boek roept het verlangen op het prachtige Niemand is onsterfelijk van Simone de Beauvoir te gaan herlezen, een boek dat wel stemt tot nadenken over de waarde van het leven.

     

  • Gelukkige jeugd geen garantie voor goed boek

    Gelukkige jeugd geen garantie voor goed boek

    De Franse toneelschrijver en regisseur Marcel Pagnol (1895-1974) richtte in de jaren 30 van de vorige eeuw een filmmaatschappij op waarvoor hij een echte Cinestad wilde bouwen. Hij liet een makelaar voor hem op zoek gaan naar een geschikte plek in zijn geliefde Provence. Louter op basis van diens beschrijving van een landgoed, ging Pagnol akkoord, zonder vooraf een kijkje te nemen. Het lag in de buurt van La Treille, in de buurt van Marseille. Pagnol kende het dorp. In de omgeving had hij de vakanties in zijn jeugdjaren doorgebracht. Toen hij de bouwwerkzaamheden inspecteerde, zag hij ‘in de verte, boven op een wal, een haag van heesters (…) Mijn adem stokte en zonder te weten waarom begon ik als een dolleman te rennen, dwars over de weide en door de tijd’.

    Dat ‘zonder te weten waarom’ is een misplaatste toevoeging. Pagnol wist maar al te goed wat hem beving. Hij had daar zijn mooiste kinderjaren beleefd, ongeveer van zijn achtste tot zijn tiende. Gelukkige jaren met zijn ouders en broertje Paul en met zijn jeugdvriend uit die periode Lili. Die paradijselijke tijd beschreef hij in twee boeken De gloriedagen van mijn vaderen Een kasteel voor mijn moeder. Ze werden in Frankrijk dertig jaar na Pagnols dood uitgegeven en zijn nu gebundeld in één band in Nederland verschenen onder de titel Mijn kinderjaren in de Provence. Terecht gebundeld, want de twee delen vormen één doorlopend verhaal.

    Jacht
    Met de titel rekt de Nederlandse uitgever de periode overigens wel erg ruim op, want in feite bestrijken de twee boeken niet meer dan de twee jaren die zich afspelen rond een vakantiehuis van het gezin Pagnol, La Bastide Neuve, op een paar uur gaans van La Treille.
    Marcel, die zich voortdurend identificeert met oerwoud verkennende indianen uit de boeken die hij las, fleurt zijn herinneringen op met veel couleur locale in de vorm van landschapsbeschrijvingen en details van de flora en fauna van het gebied. De fauna wordt door de kinderen trouwens vooral gebruikt om mee te spelen als het gaat om insecten of door vader Joseph en Marcels oom Jules, vaak vergezeld door Marcel, om op te jagen. Vooral patrijzen vormen een trotse buit.
    Je kunt je goed voorstellen dat die periode een sensationele ervaring was in Marcels jonge leven die hem zijn leven lang bijbleef. Maar of hij dat weet over te brengen op elke lezer is maar de vraag. Pagnol oogstte veel lof voor zijn toneelstukken, maar in deze autobiografische productie betoont hij zich geen groot schrijver. Veel dialogen zijn nogal gekunsteld en uitleggerig (wat je van een toneelauteur juist niet zou verwachten). Dat is vooral het geval in de gesprekken tussen de ouders en kinderen met hier en daar zelfs ronduit flauwe grapjes.

    Zandman
    Pagnol is verder nogal breedsprakig in zijn beschrijving van handelingen. Zo heeft hij, als het gezin op het punt staat naar het vakantiehuis te vertrekken, bijna drie pagina’s nodig om te vertellen wie welke stukken bagage draagt en of dat gebeurt met de linker- dan wel rechterarm of op de rug, en wat die bagage precies inhoudt. Ook zijn taalgebruik is nogal obligaat: ‘met frisse tegenzin ging ik naar het grote schoolgebouw’. Of: ‘het lukte me niet in dromenland te komen’. Of  ‘Maar de zandman kwam langs en gooide een flinke handvol in mijn ogen’. Om tegen het einde, terugkijkend, nog op te merken: ‘Zo is het leven van de mens. Luttele vreugdevolle momenten die zeer snel worden uitgewist door onvergetelijk verdriet.’ (Pagnol doelt op de dood van zijn moeder, broertje en vriend in een periode van dertien jaar na de zomervakanties).

    In het boek valt dus niet de toneelschrijver te herkennen, maar des te meer de regisseur Pagnol. Zijn verhalen over de jacht, de omzwervingen met Lili en een in het laatste jaar beschreven incident met een landgoedeigenaar, zijn zeer filmisch. De vriendschap tussen Marcel en Lili en de beschrijving van de aanloop naar het incident zijn daarmee de enige stukken die deze herinneringen nog iets van spanning geven. Het boek als geheel blijft echter te oppervlakkig en eendimensionaal.

     

  • Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

    Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

    In De oppermachtigen (2017) van de Frans-Tunesische auteur Hédi Kaddour raken twee jonge mensen in de Maghreb begeesterd om hun eigen positie te herzien als er een Amerikaanse filmploeg neerstrijkt in hun fictieve stadje Nahbès. Waar de plek precies is in Noord-Afrika blijft in het midden, maar het zou zomaar in het Tunesië kunnen zijn waar Kaddour een deel van zijn wortels heeft. Het zijn de broeierige jaren twintig (één wereldoorlog is net voorbij, maar de rimpelingen naar een nieuw conflict hangen al in de lucht) als de jonge weduwe Rania en haar neef Raoef aanhaken bij het societygezelschap rond de Hollywoodvedette Kathryn. De actrice is een vrijgevochten persoonlijkheid die binnen haar open relatie met haar echtgenoot Neil ruimte laat voor seksuele affaires met andere mannen. In haar kielzog verkeren een bitter-ironische criticus op het koloniale regime (de Franse journaliste Gabrielle) en een nostalgische mijmeraar die het einde van een glorieus tijdperk voelt aankomen (de Franse landeigenaar Gathier).

    De westerlingen en de twee jongeren uit Nahbès ontmoeten elkaar in een chique uitgaansgelegenheid – het Grand Hôtel –  dat als een fysiek testament van verlopen westerse grandeur past in een tijdsgewricht waarin ‘de oppermachtigen’ geleidelijk aan hun macht verliezen. Deze uitdragers van de vroegere koloniale macht voelen dat het tij is gekeerd en dat de plaatselijke bevolking roept om diens onafhankelijkheid van het moederland. Ondertussen winnen onafhankelijkheidsbewegingen aan macht en zit er een gewapende escalatie aan te komen. Maar in het Grand Hôtel komt men om de turbulente politiek te vergeten, of in ieder geval om er vanaf een veilige afstand over te praten als luchtige borrelpraat. De alcohol vloeit hier rijkelijk, de mannen dansen er met de vrouwen op nieuwerwetse jazzmuziek, en ongetrouwde stellen beginnen gepassioneerde liaisons.

    Hédi Kaddour schreef genuanceerd maar zwoel proza waarin een lappendeken van verschillende Westerse en Oosterse invloeden bij elkaar komen. Het is in wezen een klassieke realistische vertelling waarbij de gezichtspunten van de diverse personages zijn ingebouwd in het raamwerk. Op die manier wordt het effect gecreëerd van verschillende perspectieven – vanuit de Franse kolonialen, vanuit de Amerikanen, of vanuit de inwoners uit Nahbès – die naar elkaar kijken of terugkijken. Soms wordt het perspectief verlegd naar mensen uit de lagere of middenklassen, voor wie de inmenging van deze westerlingen een nog grotere schok teweegbrengt. Desalniettemin werkt Kaddour niet toe naar de oplossing van een overkoepelend conflict tussen de betrokkenen, maar hij schetst in drie delen hoe deze leden van de ‘high society’ verkeren in een bubbel van zorgeloosheid en levensvreugde, die steeds meer barstjes krijgt als de grote wereldgeschiedenis doorsijpelt in hun bevoorrechte levens.

    Zo vinden Gabrielle, Kathryn en Rania elkaar dan wel in cultuuroverschrijdende punten van herkenning, zoals in het verhaal van Fatty Arbuckle – een groot misbruikschandaal waarbij een geliefde komedie-acteur stelselmatig jonge vrouwen misbruikte en daardoor uit de gratie viel, bijna honderd jaar voor #metoo. Raoef reist op zijn beurt in het tweede deel met zijn Franse vrienden af naar het Europese continent en ondervindt aan den lijve dat de verschillende grensconflicten een broeihaard vormen voor een nieuwe oorlog.

    En toch maken Rania en Raoef andere ontwikkelingen door dan hun Westerse vrienden. De vrijages, de openlijke discussies, hun westerse levensstijl en het gezellige samenzijn, vormen zowel een cultuurschok als een punt van herbezinning over een eigen identiteit. Hoe verhouden deze jonge Noord-Afrikanen zich tot de levenskeuzes en de moraal van hun nieuwe Westerse vrienden? Rania kan weinig met de adviezen dat ze zich vrij en los moet opstellen naar de mannen toe, terwijl ze zelf nog steeds loyaliteit voelt naar haar gestorven echtgenoot uit een liefdeloos en gearrangeerd huwelijk. Op zijn beurt voelt de tienerjongen Raoef een tegenstrijdigheid als hij belangrijke beslissingen moet nemen als studieloopbaan en huwelijkskeuze, omdat zijn vader dit van hem verlangt. Maar wat doet hij met zijn verlangens naar een begeerlijke Hollywoodvedette als Kathryn, die zonder schroom of gène aanstuurt op een seksuele relatie buiten het huwelijk. Wil hij hier eigenlijk wel aan toegeven? De westerse geneugten lonken en stoten tegelijkertijd af.

    Een nadeel van de verhaalconstructie – waarin de focus vooral ligt op verveelde conversaties of zorgeloos rondhangen op uitgaansgelegenheden – is dat de passieve rol van de hoofdpersonages tevens een afstand schetst tot de wereld waar ze zich in bewegen. Kaddour bouwt op naar externe conflicten die in de derde akte tot gewelddadige uitbarstingen komen, maar meestal meanderen de verschillende verhaallijnen voort rond liefdesperikelen en overpeinzingen van deze bevoorrechten vanuit hun eigen cocon. Die opzet is functioneel als schets van hoe deze geprivilegieerden zich verhouden tot de grote geopolitieke rimpelingen des tijds; ze zijn verbaasde toeschouwers naar hoe snel de maatschappelijke ontwikkelingen zich ontvouwen en hun levens beïnvloeden. Dezelfde insteek levert echter niet vierhonderd bladzijdes lang beklijvend proza op, omdat het narratief – mede door haar vele omtrekkende bewegingen – onvoldoende inzet op de individuele ontwikkelingen die de belangrijkste karakters doormaken. De oppermachtigen is vakkundig opgezet maar blijft ietwat statisch.

  • De dood op afstand houden

    De dood op afstand houden

    Volgens Toussaint wordt het belang van het voetbal bepaald ‘in de wereld van de verbeelding en alleen daar op waarde geschat’. Als kleine jongen wil je bij een potje straatvoetbal graag Johan Cruijff zijn. Je droomt van schitterende schijnbewegingen, maar de realiteit valt doorgaans tegen. Op de kinderjaren, de tijd van de dromen, volgt onvermijdelijk de pubertijd, de tijd van de teleurstellingen en uiteenspattende dromen. Vandaar dat hij het voetbal elders ook  wel ‘bederfelijke waar’ noemt. ‘Dromen zijn bedrog’, zouden wij zeggen, maar om te leven heb je dromen nodig.

    Als een mens een bepaalde tijdsspanne te leven heeft, kan hij dit alleen maar welgemoed volbrengen door te dromen. Dromen zijn voor Toussaint eigenlijk een intensivering van de tijd. Zo ook dus de voetbalwedstrijd. Deze duurt, inclusief de pauze, exact anderhalf uur. Dat is de tijd om (mee) te leven met het spel van 11 van de 22 artiesten. In die tijd mag je ongegeneerd chauvinistisch zijn. Je laat toe dat het verstand ‘op nul gaat’, je laat je agressieve driften de vrije loop en maakt de scheidsrechter en de tegenstander uit voor rotte vis. De spanning kan hoog oplopen en leiden tot tranen van vreugde en verdriet. Het is een soort catharsis, een klaarkomen in de schoot van een vrouw. Na de wedstrijd is er weer de echte tijd. De wedstrijd houdt de dood eventjes radicaal op afstand.

    Voetbal is nauw verbonden met de seizoenen. Je kijkt uit naar het begin van het nieuwe seizoen. De spanning: hoe zal jouw club of land het dit jaar doen? De teleurstelling aan het eind: je club is weer niet verder gekomen dan de grauwe middenmoot. Het voetbalseizoen bepaalt het ritme van het leven van alledag. Het voetbal is ook nauw verbonden met de weemoed van de kinderjaren: in het gezelschap van je vader en je broers maakte je elke veertien dagen de gang naar het stadion en luisterde naar de voetbaluitslagen opgelezen door Frits van Turenhout.

    Aan de hand van vijf Wereldkampioenschappen voetbal schrijft Toussaint over het leven en de dood, over de tijd, over hartstocht en bezinning en over de spanning tussen deze dingen. Zo begint hij bewust met het door zijn jaartal al haast mythische WK van 1998, toen hij voor het eerst enthousiast over voetbal begon te schrijven. 1998, een jaartal verzonken in de nostalgie van de tijd van een vorig millennium, prehistorisch bijna, een zwartwit foto nog. Hij eindigt met het WK in Brazilië van 2014. Hij heeft het eigenlijk helemaal gehad met het voetbal. Dit gevoel van teleurstelling valt samen met een crisis in zijn leven: de dood van zijn vader en het eind van een periode van tien jaar schrijven aan zijn romancyclus. Hij gaat zich vragen stellen naar de zin van het leven en van zijn literaire betrokkenheid. In die zin is het boekje van Toussaint sterk autobiografisch. Het boek Overleven van de vuurvliegjes van Georges Dibi-Huberman en het werk van Hannah Arendt zetten hem weer op het juiste spoor. Hij begint te beseffen dat de dagelijkse dingen alleen betekenis voor hem krijgen als hij bezig is met het schrijven van een boek, zijn verdikking van de tijd, zijn persoonlijke voetbalwedstrijd om ‘de dood eventjes radicaal op afstand te houden’, en dat het belang van zijn werk ligt in het belang van vuurvliegjes in de nacht, nl. het afgeven van een signaal, iets kleins en zeldzaams zoals die schitterende schijnbeweging van Cruijff of dat wonderschone doelpunt van Maradonna, kortom, het scheppend bezig zijn om anderen wellicht een moment van gelukzaligheid te schenken in hun persoonlijke voetbalwedstrijd.

    Het boekje van Toussaint is een fraai gecomponeerd kleinood. Je leest het en herleest het, niet omdat het moeilijk leesbaar is, maar wel om de schoonheid van de gedachte goed tot je te nemen en je te laten nadenken over je eigen kijk op het leven.

     

     

  • ‘Wie kan weten wat de waarheid is?’

    ‘Wie kan weten wat de waarheid is?’

    ‘Hier woonde Charlotte Salomon, geboren in 1917. Vlucht 1939 Frankrijk, 1940 kamp Gurs. Geïnterneerd Drancy. Gedeporteerd 1943. Vermoord in Auschwitz’.

    Haar leven kort en zakelijk samengevat op een struikelsteen voor haar ouderlijke woning in de Wielandstraße 15 in Berlijn. Struikelstenen  – Stolpersteine  –  zijn kleine vierkante steentjes met een bovenplaatje van messing met een korte tekst. Zulke steentjes worden geplaatst in het trottoir voor de huizen ‘waaruit de Joden verdreven en vermoord zijn.’ (bron: struikelstenen.nl).

    De Duits-Joodse kunstenares Charlotte Salomon is bekend geworden door Leven of Theater? Haar leven in de vorm van een kunstwerk. Haar gouaches werden begin jaren zestig voor het eerst tentoongesteld in Amsterdam. Kort daarop kwam Charlotte, A Diary in Pictures (1963) uit. De eerste volledige uitgave van al haar werk verscheen in 1981. De film Charlotte ging in hetzelfde jaar in première.

    ‘Mijn leven begon toen mijn grootmoeder zich het leven wilde benemen, toen ik te weten kwam dat ook mijn moeder zich het leven benam, evenals haar hele familie, toen ik te weten kwam dat ik zelf de enige overlevende ben en diep in mij dezelfde neiging voelde, dezelfde hang naar wanhoop en dood.  

    Dit schreef Charlotte in Villefranche-sur-Mer. Zij was op advies van haar ouders in 1939 voor het nazi-geweld vanuit Berlijn naar haar grootouders in het dan nog veilige zuiden van Frankrijk gevlucht. Daar hoorde ze van haar grootvader dat haar moeder en haar tante zelfmoord hadden gepleegd: ‘ze probeerde het eerst met vergif en uiteindelijk sprong ze uit het raam. Je tante Charlotte is het water ingelopen.’ Charlotte wist dat tot dat moment nog niet. Haar was altijd verteld dat haar moeder aan een zware griep was overleden.

    Zelfmoord blijkt een terugkerend noodlot in de familie van Charlotte. Nadat haar grootmoeder  in de lente van 1940 zelfmoord pleegde, voelde Charlotte zich voor een keuze gesteld. In navolging van ‘haar moeder en hele familie’ ook uit het leven stappen of aan deze doem ontsnappen door ‘iets heel krankzinnig bijzonders te ondernemen.’
    Ze koos, mede op advies van haar Franse dokter Moridis, voor het laatste en dat resulteerde in Leven of Theater? 

    Uitgeverij Cossee heeft twee boeken van en over Charlotte in de najaarscollectie 2015 opgenomen. Een nieuwe uitgebreidere editie van Leven? of Theater? (met twee vraagtekens) en de Nederlandse vertaling van Charlotte, de roman uit 2014 van de Franse schrijver David Foenkinos. Foenkinos (1974) schrijft dat zijn Charlotte (2015) is geïnspireerd op haar autobiografische werk Leven? Of Theater? Hij vertelt dat hij jaren aantekeningen heeft gemaakt, maar dat het hem maar niet lukte het boek te schrijven.

    Welke vorm moest ik mijn obsessie geven?
    Ik begon, ik probeerde, dan gaf ik het op.
    Het lukte me niet twee zinnen achter elkaar te schrijven.
    Op elk punt voelde ik dat ik vast zat.
    Onmogelijk om verder te gaan.
    Het was een fysieke gewaarwording, een beklemming.
    Ik merkte dat het nodig was steeds op een nieuwe regel te beginnen, om lucht te krijgen.

    Toen begreep ik dat ik het zo moest schrijven.’

    Foenkinos gebruikt deze vorm het hele boek door. Zijn roman begint op het kerkhof: ‘Charlotte ziet haar voornaam staan op een grafsteen.’ Tante Charlotte is in 1913 van een brug in het ijskoude water gesprongen. Hij beschrijft de familiegeschiedenisvan de familie Salomon. Hij begint met Charlottes jeugd in Berlijn. Hij wisselt haar levensverhaal af met verslagen van zijn bezoeken aan de plaatsen waar zij verbleef, haar ouderlijk huis, haar school. In het trottoir voor haar huis ziet hij drie struikelsteentjes, van Charlotte, haar stiefmoeder Paula en haar vader Albert. Hij legt de route van en naar haar school af.

    Vele malen trad ik in haar voetstappen.
    Heen en terug, in de sporen van het kind dat Charlotte eens was.’

    Charlotte is negen jaar als haar moeder overlijdt. Aan een fatale griep, vertelt haar vader haar. Albert Salomon is van plan te verhuizen, maar Charlotte weigert, want haar moeder heeft beloofd een brief te sturen vanuit de hemel: ‘Anders zou mama ons niet meer kunnen vinden.’  Stiefmoeder Paula Lindberg komt in haar leven. En Alfred Wolfsohn, de zangpedagoog van Paula. Hij komt bij Charlotte kijken als ze zit te tekenen. Ze is diep onder de indruk van deze man en ontwikkelt diepere gevoelens.

    Ondertussen komen in 1933 de nazi’s aan de macht. Voor Charlotte en haar familie neemt de dreiging toe. Haar vader wordt opgepakt en geïnterneerd in Sachsenhausen. Sterk vermagerd komt hij weer vrij. Haar grootouders vluchten datzelfde jaar naar Villefranche-sur-Mer in Zuid-Frankrijk. In 1939 voegt Charlotte zich bij hen. Vele jaren later legt Foenkinos dezelfde weg af. De villa waar Charlotte met haar grootouders woonde blijkt afgebroken. Maar de spreekkamer van dokter Moridis is nog intact. Foenkinos beschrijft zijn ontmoeting met diens dochter Kika:

    Dankzij haar heb ik door de entourage van 1940 kunnen lopen.
    Door mijn roman kunnen wandelen.
    Het bordje op de deur is er nog.’

    De afgebroken zinnen passen bij het haastige en onrustige leven van Charlotte. Haar familiegeschiedenis met de zelfmoorden. Charlotte realiseert zich dat zij moet leven om te scheppen, ‘schilderen om niet gek te worden.’ Ze wil haar kunstwerk afronden, voordat de nazi’s komen. Ze zijn al in Parijs. Hoe lang duurt het nog voordat zij het zuiden bereiken?  ‘Ze moet handelen zonder tijd te verliezen.’
    Charlotte herbeleeft haar jeugd. Ze herinnert zich de intieme gesprekken met Wolfsohn. ‘Degenen die een rol in haar leven hebben gespeeld worden personages.’ Zo ontstaat Leven of Theater? Foenkinos beschrijft de bezetenheid waarmee Charlotte werkt: ‘een creëren op de rand van de afgrond’.

    In een grote terugblik tekent Charlotte het verhaal van haar leven en haar familie. Ze maakt meer dan 1300 gouaches met tekstbladen. Met de woorden ‘dit is mijn hele leven’ levert ze haar werk af bij dokter Moridis. Leven of Theater? heeft de vorm van een muziektheaterstuk met akten en scenes, een ‘zangspel’.

    Hiermee stopt de roman niet. Foenkinos’ zoektocht gaat verder. Wat is er met Charlotte en haar familie gebeurd nadat haar kunstwerk voltooid was? Hij werkt het verhaal achter de tekst op haar struikelsteen uit. Gurs, Drancy, Auschwitz. Op de stenen van Paula en Albert staat o.a.: ‘Geïnterneerd Westerbork. Vlucht 1943. Overleefd’. Zij hebben de oorlog overleefd. Er zijn ook struikelstenen met ‘überlebt’ erop. Ze dachten er goed aan te doen Charlotte naar Frankrijk te sturen. Zelf vluchtten ze in 1939 naar Amsterdam. Toeval bepaalde hun lot, het verschil tussen leven (überlebt) en dood (ermordet). Charlotte was zesentwintig jaar toen zij werd vermoord.

    ‘Haar leven is mijn obsessie geworden’, schrijft Foenkinos. Hij heeft een passend motto van Franz Kafka aan zijn boek toegevoegd: ‘Degene die tijdens zijn leven zijn leven niet kan aanvaarden, heeft een hand nodig om de wanhoop van zijn lot enigszins af te weren.’

    Na de oorlog zien Paula en Albert al haar gouaches en teksten voor het eerst. ‘Zij hadden geen idee, van alles wat er in haar omging.’

    ‘Waar is het leven?
    Waar is het theater?
    Wie kan weten wat de waarheid is?’

    David Foenkinos heeft met zijn ingetogen roman een papieren monument opgericht voor de bijzondere kunstenares die Charlotte was.