• Uit de hand gelopen

    Uit de hand gelopen

    Een boek lezen en dan de vergelijking met het eten van koekjes, krokant, zoet, met citroensmaak. Je blijft pakken, happen, de tanden in het krokante, het zoet, waarna het licht zure vrijkomt. En dat telkens opnieuw. Ik lag geïsoleerd in mijn kamertje, het hoofd vrij van dingen, en werkte me gretig de wereld van Joost Zwagerman binnen. De biografie is zo nu en dan een verwarrend geheel, het begint enigszins chronologisch, maar dat lijkt algauw niet te werken voor het leven van Zwagerman. Waarna feiten, en jawel, fictie uit het leven van de schrijver, nogal door elkaar lopen. Maar terwijl ik lees, stijgt mijn bewondering voor de biografe die uit de vele verwarrende levenslijnen van de schrijver een geweldig wervelend literair tijdsbeeld heeft opgetrokken. Ondanks de soms overdoses aan informatie, herhaling van feitelijkheden, overviel me hoe knap dit was en nam ik alles voor lief.

    Dat was zondag. Oh oh oh, appte een vriend die gevraagd had of ik ook naar het interview met Zwagermans biografe, Maria Vlaar ging. Snotterend en proestend appte ik hem dat ik wel wilde maar in de lappenmand lag. Dat nu de klus geklaard was, alles verdragen was (verhuizen is de dingen verdragen) stortte het bouwwerk van voortgaan en ‘alles komt goed’ in elkaar. Ik bleef het best in bed. Met Zwaag,  de omvangrijke, krap anderhalf kilo wegende biografie. En stiekem geloofde ik dat ik die dag om drie uur, wanneer het interview met zijn biografe zou beginnen, er bij zou kunnen zijn. Als ik lees lacht de wereld me toe, word ik overmoedig. Ik was al tot pagina 255 gekomen.

    Kruik aan mijn voeten, gefilterd zonlicht door de gordijnen, het geluid van zoevende auto’s door de laan waar ik nu dus woon, las ik verder over de jaren dat Zwagerman debuteerde met de Houdgreep, leurde met gedichten, korte verhalen en ideeën voor een roman bij verschillende uitgevers. Die daar onderling weer onmin over kregen. Een kort verhaal publiceren in het literair tijdschrift van de ene uitgeverij, een contract voor een boek bij een andere uitgeverij. Ruzie maakte met Roderik Six die een slechte recensie (maar dan zijn we opeens in 2014 beland) over Americana had geschreven voor het tijdschrift Knack. Hoe De schrijver op zulke momenten direct in de pen (computer) klom. Schreef dat Six een ‘luie recensent’ was. En, ‘De man verzint, verdraait en marchandeert uit voorbedachte rade.’

    Maar dat ‘unstoppable’ leven van een man die de wereld naar zijn hand wilde zetten. Bij DWDD wilde hij alleen over kunst komen praten als Matthijs van Nieuwkerk hem niet in de rede zou vallen. Een man die als schrijver begon en de literaire wereld wilde veroveren, werd presentator op radio en tv, BN’er, politiek- en kunstduider. En dan was er steeds die ene roman in wording. Hij verspreidde het nieuws dat hij er mee bezig was, maar waarvan geen letter op papier stond. De vetes met recensenten als Michael Zeeman, Arjan Peters. Ruzies met uitgever Wouter van Oorschot, verbroken vriendschappen. Alles omwille van de literatuur. Ik krijg met hem te doen, begrijp het wel. Als je dingen hoog hebt te houden, is de uitputting steeds nabij.

    ‘De zoon, de schrijver, de lezer, de minnaar, de bewonderaar, de zieke en de boetedoener.’ Al die levens vervulde hij met verve, tot het niet meer ging. ‘Om na te denken heb je overzicht een weidsheid nodig.’ Daar ontbrak het Zwagerman aan. Toch, nu ik het geheel overzie, ben ik begaan met deze schrijver die zo zijn best deed maar steeds een verkeerde afslag nam.

    Dat literatuur om betekenis gaat laat Vlaar bovenal zien. Het schrijverschap van Zwagerman wordt op een meer dan betekenisvolle manier geduid. Hoe zijn gemarchandeer, zijn gewenste zelfbeeld (man uit een stuk)  in zijn romans is terug te vinden. En hoe dat hele uit de hand gelopen leven tot stilstand kwam. Bewondering voor de biografe die deze vaardig geschreven biografie afleverde. Biografie als een intense beleving.

     

    Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman /  Maria Vlaar / 768 blz. / Arbeiderspers


    Inge Meijer schrijft over wat zich in de kantlijn van haar leven afspeelt en de boeken die ze leest.

     

     

     

  • Ontregelende scènes in tragikomische verhalen

    Ontregelende scènes in tragikomische verhalen

    Het auteursportret achter op de verhalenbundel Diepe aarde van Maria Vlaar (1964) lijkt wel een spiegelbeeld van de Mona Lisa van Da Vinci: vergelijk de blik, de gekruiste armen, de haardracht, de glimlach. Als het geen opzet is, is de gelijkenis te mooi om aan voorbij te gaan. Vooral omdat het beeld daarmee staat voor een grondthema van veel verhalen in de bundel: Wat gaat er schuil achter de façade van de schone schijn? Zien we iemand werkelijk?
    Eén van de motto’s die Vlaar haar zeventien verhalen meegeeft is van Jan Lauwereyns. Het eindigt met: ‘We hebben een blinde vlek voor de dichtbije dood, de voortekenen van ziekte en ongeluk, de mechanismen van liefde en verraad in ons leven’. Een citaat dat je af en toe te binnen schiet als de verhalen je vanuit een alledaags ogende situatie meezuigen naar een verborgen achterkant daarvan. Vol bedrog, verkeerd ingeschatte effecten, dood, schuldgevoelens en onverwerkte pijn. Vlaar brengt je daar met een plotselinge wending of met subtiele zinnetjes en toespelingen die vooruit verwijzen naar de diepere grond, de diepe aardevan iemands gedrag en levenshouding. De meeste verhalen zijn spannend en humoristisch maar in elk geval tragisch.

    Naïef
    Al meteen in het eerste, ‘Persona’,wordt een herkenbaar gewoon tafereel als een caféterrasje waar mensen even komen zitten voor een drankje ontregeld doordat wordt ingezoomd op de gesprekken en gedachten van bezoekers: twee wielrenners hebben huwelijksproblemen, van twee vriendinnen heeft de één een verhouding met de man van de andere en er is een oude man die een mislukte date met een jonge vrouw heeft. Daartussendoor loopt de serveerster met vers liefdesverdriet. Van de gemoedelijke buitenkant blijft niet veel over terwijl iedereen bezig is de indruk te wekken grip te hebben op het leven.

    In verschillende verhalen laten de hoofdpersonen een aandoenlijk naïeve overtuiging zien van de juistheid van het eigen wereldbeeld. Ze houden zichzelf min of meer voor de gek door hun twijfels niet toe te laten of zichzelf te bedriegen met zoethoudertjes. Sterke voorbeelden daarvan zijn de verhalen ‘De ongeborene’, ‘Het landhuis’ en ‘De stetson’.In dat laatste verhaal denkt Rudolf keurig twee werelden – in de ene is hij getrouwd, in de andere gaat hij vreemd – te beheersen. Of, zoals hij zelf zegt: ‘Dat gebeurt eigenlijk nooit als ik bij Masha ben, dat ik een stijve krijg door aan Larissa te denken. Ik houd dat altijd goed gescheiden.’

    Moedervlekken
    Humor, zoals in die geciteerde zin, is alom aanwezig in de bundel. In ‘Jouw pijn’ bijvoorbeeld herinnert Florence zich dat haar eerste geliefde drieënvijftig moedervlekken op haar rug telde en haar ex zevenendertig: ‘(…) mijn ex, de vader van mijn zoon. Volgens hem heb ik maar zevenendertig moedervlekken. Hij is zuinig, dat merk ik ook aan het gedoe over de alimentatie’. En in ‘Het Pad van Licht’ wordt een verzamelaar van afbeeldingen van Annunciaties (de aankondiging door de engel van de zwangerschap van de moeder van Jezus) verliefd op een vrouw die Maria heet (‘Ja, ik viel natuurlijk als een getroffene op haar naam’). Zij roept in het café de ober die Gabriël blijkt te heten.
    Een enkele keer schiet de humor wel eens door. In het bijna hilarische ‘Wat weet je van de romantiek?’ neemt de autist Mark deel aan de quiz De slimste mens. Ook dit is een tragikomische vertelling, maar deze keer is de clou toch wat obligaat.

    Minder sterk zijn ook de verhalen die in de toekomst spelen. Dat zijn er drie, ‘Het landhuis’, het dystopische ‘Oefening in nederigheid’ en ‘De tent’. Deze vertellingen passen in de sfeer van de bundel, maar waarom wordt teruggeblikt vanuit hypothetische (politieke) situaties ver na 2014 is niet duidelijk.

    112
    Diepe aarde is het debuut van Maria Vlaar, maar in de literaire wereld is ze allerminst een onbekende. Ze was tien jaar redacteur bij De Bezige Bij en is onder andere recensent voor verschillende bladen en presentator van literaire festivals. Momenteel werkt ze aan de biografie van Joost Zwagerman. En: ze schrijft prachtig in tintelende zinnen en mooie beelden. In ‘Hotelkamer 112’ (let op het omineuze nummer) typeert de ik-figuur een ober als ‘een puisterige jongeman met een veelbelovende bottenstructuur’. Hij is in de bar met Marlène aan wier lot hij al drieënvijftig jaar is gekluisterd. De gaten in hun leven worden raak gesymboliseerd door de achteloze opmerkingen dat hij een atelier bezit dat hij nooit gebruikt en zij een IKEA-keukentje waar ze nooit komt.
    À propos: drieënvijftig jaar. Net zoveel als het aantal moedervlekken in ‘Jouw pijn’.Toeval? Misschien niet, want er zijn meer van dat soort intertekstuele grapjes. In ‘Het landhuis’ bijvoorbeeld blijkt Ernst ineens een zoon van Renske, van wie de man schoenmaker was; een grappige verwijzing naar ‘De ongeborene’ over schoenmaker Jeroen en zijn vrouw Renske.

    Maria Vlaar is ook de weduwe van de schrijver Erik Menkveld die in 2014 stierf aan een hartstilstand. Eén van de kortste verhalen in haar bundel is ‘Wachten’.Het is een ontroerende liefdesbetuiging, met de overledene als verteller.
    Vlaars biografie van Joost Zwagerman wordt in 2020 verwacht.

     

     

  • Oogst week 24

    Diepe aarde

    Maria Vlaar (1964) is (freelance) literair journalist met een lange staat van dienst in de Nederlandstalige letteren. Sinds 2016 werkt ze aan de biografie van Joost Zwagerman. Maar eerst debuteert ze met de verhalenbundel Diepe aarde. Deze week was Maria Vlaar te gast bij Radio Kunststof waar ze vertelde dat ze verhalen is gaan schrijven om de wereld naar haar hand te zetten. In 2014 verloor Vlaar haar man de schrijver en dichter Erik Menkveld, waarna ze is gaan schrijven. Hoewel het verhalen zijn over rouw, verlies en eenzaamheid zijn ze eerder ‘licht op de voet dan zwaar op de hand’. Verhalen over mensen die elkaar dingen aan doen.

    In Diepe aarde gaat het over wat zich verbergt achter alledaagse levens. Een stokoude vrouw koestert bijvoorbeeld haar herinneringen aan gezinsgeluk tijdens een verregende vakantiedag: ‘Alles wat er op de wereld was bevond zich op dat moment in een kleine ruimte van tentdoek, acht vierkante meter, twee grote en drie kleine mensen.’ Vlaar vertelt de levensverhalen en liefdesgeschiedenissen van onder anderen een wetenschapper met obesitas, een man met een dubbelleven en een therapeute die haakt naar seks. Verlangend naar verbondenheid krijgen zij allen te maken met verlies, verraad en rouw.

    Luister hier Radio Kunststof met Maria Vlaar.

    Diepe aarde
    Auteur: Maria Vlaar
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Varia

    James Joyce (1882-1941) schreef naast zijn grote romans ook kleinere werken zoals gedichten, boekbesprekingen, schotschriften tegen de goegemeente, gaf lezingen over de onrechtvaardige kant van de Ierse geschiedenis en een toneelstuk. Om ze zelf te verzamelen en uit te geven kwam er niet van. Maar gelukkig heeft het vertalers duo Bindervoet & Henkes deze taak op zich genomen. Nu zijn dan de losse stukken van James Joyce verzameld in de bundel Varia. Volgens de uitgever: ‘Een daad van gerechtigheid’.

    Varia bevat: jeugdige opstellen (1900); boekbesprekingen (1902-1903); ‘The Holy Office’ (1904); Chamber Music (1907); de Italiaanse lezingen en krantenartikelen (1907-1912); ‘Gas from a Burner’ (1912); Exiles (1914); Pomes Penyeach (1927); Fluviana (1929) en ‘Ecce Puer’ (1932).

    Varia
    Auteur: James Joyce
    Uitgeverij: Athenaeum

    De verloren toon

    De Weense schrijfster Lida Winiewicz (1928) was deze week in Nederland om over haar boek De verloren toon te spreken. Een memoir over haar jeugd. Haar moeder overleed toen zij één jaar, en haar zus zes jaar was. Haar vader hertrouwt jaren later met een Joodse vrouw en wanneer de nazi’s aan de macht komen, vlucht hij met zijn vrouw naar Prijs en laat zijn dochters achter bij zijn zus in Wenen. Als Lida Winiewicz, zelf voor een kwart Joods, studeert voor klassiek zangeres wordt het haar door de nazi’s verboden op te treden. Vanaf dat traumatische moment haalt ze de hoge G niet meer. Achteraf relativeert de schrijfster dit met humor en scherpe ironie. ‘Het schijnt dat je ook kunt leven zonder te kunnen zingen.’

    Naast schrijver is Winiewicz vertaalster, (van onder meer Colette, Graham Greene en Alberto Moravia). In 2017 werd Winiewicz bekroond met de Literaturpreis der Stadt Wien, (na o.a. Elias Canetti en Elfriede Jelinek).

     

    De verloren toon
    Auteur: Lida Winiewicz
    Uitgeverij: Querido
  • Recensie door Hilde van Vlaanderen

    Recensie door Hilde van Vlaanderen

    Had het anders gekund?

    Rudi van Dantzig wilde zijn herinneringen aan Sonia Gaskell schrijven. Hij had een voorlopig manuscript liggen toen hij in januari 2012 overleed. Maria Vlaar, journalist en redacteur, heeft het manuscript gelezen en bewerkt. In haar nawoord geeft zij – gelukkig – een uitgebreide toelichting van het materiaal dat zij aantrof en hoe zij het boek vormgegeven heeft.

    In dit nawoord schrijft zij o.a. Dat Van Dantzig aan het eind geen grip meer had op zijn tekst en dat zijn ‘driesporenbeleid’ geen goede greep was, bleek bij lezing al snel. Er zat goud in het manuscript verborgen, maar dat zou wel zorgvuldig uit het ruwe materiaal opgediept moeten worden. Dat was mijn taak en daarbij heb ik vooral, paradoxaal genoeg, hulp gekregen van de schrijver zelf. Door zijn prachtige roman Voor een verloren soldaat te herlezen, raakte ik opnieuw onder de indruk van zijn heldere, geciseleerde stijl en zijn gevoeligheid voor details.’ 

    Van Dantzig kon dus wel degelijk schrijven. De vraag dringt zich op hoe voorlopig het manuscript was dat ze na zijn dood vonden. Hoeveel zou hij zelf nog geschrapt en bijgeschaafd hebben?

    Vlaar heeft ruim een kwart van de oorspronkelijke tekst geschrapt, een indeling in hoofdstukken gemaakt en de verhaallijn chronologischer gemaakt. Met alle waardering voor haar consciëntieuze bewerking is er een boek uitgekomen, dat toch gemengde gevoelens oproept.

    Rudi van Dantzig wilde zijn herinneringen aan Sonia Gaskell schrijven. Dat heeft hij zeker gedaan. Maar dat niet alleen. Hij schreef ook een stuk balletgeschiedenis van Nederland. Hij beschreef ook de start van zijn eigen loopbaan. Daarnaast beschreef hij de ontmoeting met Sonia Gaskell, de lessen, de samenwerking, het gedeelde enthousiasme voor de dans, zijn bewondering voor haar tomeloze energie en doorzettingsvermogen. Maar vooral beschreef hij ook de verwondering, het ongemak, het vaak terugkerende onderlinge onbegrip. ‘Gaskell kon een schaduw over onze levens laten vallen of een felle lichtstraal op ons richten, ons opzwepen, deprimeren, verhelderen of versomberen, hoopvol laten zijn of diep zwartgallig. Ze kon ons ons nietige schepsels doen voelen en soms liet ze ons dat ook zo ervaren. Gaskell was onze ochtend en avond, in die tijd. Donker en licht. (pag. 163) (Maria Vlaar had nog wel meer mogen schrappen).

    Het boek geeft een beeld van een gedreven, soms niets ontziende, vaak wispelturige vrouw die maar één doel voor ogen had: een uitstekende balletopleiding en daaruit voortvloeiend een professioneel corps de ballet. Enerzijds wilde iedereen les bij haar hebben, anderzijds werd er gemopperd over haar strenge optreden. Nu eens koesterde zij haar favoriete leerlingen, dan weer werden ze geschokt door onverwachte beslissingen. Die voortdurende wisselingen in stemmingen, in reacties over en weer heeft Van Dantzig goed beschreven. Zo goed, dat je al lezend ook boos wordt, maar ook denkt: ‘waarom kon niemand op redelijke wijze met deze vrouw omgaan?’ Waren het karakterverschillen of ook cultuurverschillen?

    Het hoofdstuk, dat Rudi van Dantzig aan de levensloop van Sonia Gaskell wijdt is nogal feitelijk opgezet, heeft weinig kleur. Dit zal mede veroorzaakt zijn door het feit, dat zij vermoedelijk zelf weinig heeft losgelaten en hij meer van haar zus gehoord heeft. Toch ontstaat de vraag, of hij als leerling en later collega wel voldoende afstand had om dieper door te vragen, door te zoeken. Bij veel biografen, die niet zo verbonden zijn met de persoon over wie zij schrijven, zie je toch vaker meer inkleuring. Juist die afstand creëert dan de mogelijkheid om dichter bij de persoon te komen.

    Het boek is interessant voor mensen, die willen lezen over de ontwikkelingen in de Nederlandse balletwereld. Het biedt echter vooral een boeiend inkijkje in botsende karakters en de onmogelijkheid om tot elkaar te komen, terwijl er toch een gezamenlijke wereld is. Hoe tragisch was het uiteengaan na een inhoudelijk conflict, waarbij mevrouw Gaskell ogenschijnlijk de grote verliezer is en alleen achterblijft. Zeker, het is duidelijk dat Rudi van Dantzig gekweld werd door alle misverstanden en bleef schommelen tussen bewondering en verwondering. Misschien komt er ooit een biografie, zowel over Rudi van Dantzig als over Sonia Gaskell. Maar op de vraag, of het niet anders had gekund, zullen we wel nooit een antwoord krijgen.

     

    Herinneringen aan Sonia Gaskell

    Auteur: Rudi van Dantzig
    Redactie en van een nawoord voorzien door: Maria Vlaar
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 360
    Prijs: € 24,95