• Mahmoud en Mahmoud moeten de machtigen lezen

    Mahmoud en Mahmoud moeten de machtigen lezen

    Rieneke van Tongeren kreeg als docente Nederlands/NT2 in 2018 twee cursisten in haar klas die gevlucht waren uit Syrië: Mahmoud Omar en Mahmoud Ali (niet hun echte namen). Ze raakte al gauw onder de indruk van deze mannen, omdat ze ondanks alles wat ze hadden meegemaakt in hun leven, zo vriendelijk en leergierig waren gebleven, met grote belangstelling voor al het nieuwe om hen heen. Van Tongeren besloot te vertellen over hun verleden in Syrië, hun vlucht naar Europa en hun nieuwe bestaan in Nederland.

    Van Tongeren kon toen nog niet vermoeden hoe de oorlog in Gaza zou gaan woeden en hoeveel slachtoffers er zouden vallen onder het Palestijnse volk. Het deed haar even aarzelen om haar boek uit te brengen, schrijft ze op LinkedIn, omdat ze geen politiek statement wilde maken, maar uiteindelijk besloot ze door te zetten, ‘want dit verhaal moet verteld worden.’

    Ze schrijft het verhaal van twee vrienden, collega’s en buren, Mahmoud Omar en Mahmoud Ali, twee Palestijnen die nog nooit in Palestina geweest waren. Hun ouders moesten vluchten toen in 1948 de Arabisch-Israëlische oorlog uitbrak, die ‘Al Nakba’ genoemd werd: ‘de ramp’. Na vele omzwervingen kwamen alle vier de ouders in 1957 terecht in Kamp Yarmouk. Dit heet ook wel de ‘hoofdstad van de diaspora’, want geen vluchtelingenkamp zou ooit groter worden. Hier werden Mahmoud en Mahmoud geboren, maar ieder aan een andere kant van het immense kamp, waardoor ze elkaar pas ontmoetten in hun twintiger jaren. Ze waren vastbesloten om hard te werken en hard te studeren en ze ‘kozen de weg van de geweldloosheid. Ze zouden geen martelaar worden, maar een strijd voeren met woorden, met kennis, met kunst en muziek.’

    Nuchter en lyrisch

    Hun verhaal begint met een gedicht van een andere Mahmoud, de bekende dichter Mahmoud Darwish. Deze Palestijn dichtte over het verlies van zijn land, de pijn van de verdrijving en de Palestijnse diaspora. Het gedicht nodigt uit om aan anderen te denken, aan mensen die het slechter hebben dan jij. Het werd vertaald door Mahmoud Omar. Na dit indrukwekkende gedicht is de paklijst, waarop staat wat de vluchtelingen moeten meenemen, wel heel prozaïsch: tot de benodigdheden behoren ‘1 set schoon ondergoed en lege flessen om urine op te vangen’.

    In flashbacks wordt de reden dat deze mensen willen vluchten, onthuld tijdens hun gevaarlijke reis: de mannen denken terug aan hun jeugd, de armoe, de hongersnood, de angst, de bommen en de scherpschutters. De geheime dienst en de verraders. Op straat worden jonge mannen ontvoerd om te dienen in het leger van Assad. Zij komen terug in een lijkenzak. Overleven ze het toch, dan sidderen ze nog na van marteling en geweld. In korte zinnen vertelt Van Tongeren hoe het was: ‘De aangewezen schuldigen waren altijd terroristische groeperingen, ook al was het klip-en-klaar dat het regime erachter zat. En zij die in de ziekenhuizen overleden, stierven in de officiële stukken altijd aan een natuurlijke dood: een hartaanval, een beroerte. Maar nimmer noteerde men staatsmarteling als officiële doodsoorzaak.’

    In de geest van…

    Van Tongeren hanteert nog een andere verteltechniek om heden en verleden met elkaar te verbinden en om zowel de vluchtelingen als de achterblijvers tegelijk aan het woord te laten komen. Ze schiep een geest, de ‘schim van Palestina’, die al sinds 1948 door Syrië dwaalt om haar Palestijnse broeders en zusters te volgen. Deze verteller, die boven de verhalen zweeft, stelt Van Tongeren in staat om de gebeurtenissen van lang geleden en van ver weg af te wisselen met het heden. Deze ‘schim van Palestina’ lijkt enigszins op de verteller in Hertog van Egypte van Margriet de Moor en vervult dezelfde rol. Daardoor vernemen we ook rechtstreeks hoe het gaat met de gezinnen van Omar en Ali, die in angst en zorgen achterblijven in het kamp, waar de dagelijkse ellende gewoon doorgaat.

    Van Tongeren beschrijft op treffende wijze hoe de mensen zich voelen, hoe ondanks de ontberingen de hoop op een beter leven blijft bestaan. Haar korte zinnen staan sentimentaliteit of overdrijving niet toe, maar ze weet heel goed inzichtelijk te maken wat er in deze mensen omgaat, of het nu de mensen zijn die in Kamp Yarmouk achterblijven of de vluchtelingen in de bus: ‘Angst overvalt hem. Is er een controle? Waarom duurt het zo lang? Hij probeert het gevoel van paniek te onderdrukken. Twee stemmen schreeuwen in zijn hoofd om het hardst. ‘Er is niks aan de hand. De chauffeur gaat gewoon tanken.’ ‘We worden gecontroleerd, Let maar op, zo meteen gaat de laadruimte open en worden we ontdekt.’

    Na een spannende en gevaarlijke reis komen Mahmoud Omar en Mahmoud Ali aan in Nederland, in Ter Apel, waarmee het tweede deel van het boek begint. In het azc is de verveling groot, het is er nooit stil en ze hebben amper privacy. Maar klagen doen ze niet, want ze zijn blij en dankbaar dat ze ‘in vrijheid, in veiligheid zijn en met vertrouwen hun toekomst tegemoet lopen.’ De volgende stap is het aanvragen van een verblijfsvergunning en de gezinshereniging. Beide processen duren erg lang, veel langer dan verwacht was, waardoor de zorgen om hun achtergebleven gezin stijgen, evenals de angst voor represailles van het leger van Assad op hun families. Een aantal keren moeten ze verhuizen, van Ter Apel naar Gilze, van Gilze naar Onnen. Ze worden gehoord voor hun asielaanvraag en ervaren hoe lastig het is om te bewijzen dat je terecht bent gevlucht. Ze leren de Nederlandse taal, ‘een manier om uit de wachtkamer te ontsnappen.’

    Ten slotte krijgen ze hun verblijfsvergunning. Nog later, na bijna een jaar, mag het gezin overkomen en krijgen ze een huis toegewezen. De mooiste scène wellicht: Mahmoud Ali krijgt een kleindochter. Zij is het eerste familielid in zeventig jaar dat een eigen, legale nationaliteit krijgt: de Nederlandse.

    Actualiteitswaarde

    In een nawoord refereert Van Tongeren aan de strijd tussen Israël en de Palestijnen, al kon zij toen nog niet weten dat de vete vanaf 7 oktober 2023 opnieuw zou losbarsten. Ook spreekt zij de hoop uit dat andere vluchtelingen ‘net als Mahmoud Ali en Mahmoud Omar als ware geluksvinders in het leven zullen staan. Nederig, dankbaar, vol levenslust en altijd oog hebbend voor de mooi, goede, fijne en leuke dingen in het leven. Want de Mahmouds zien en vinden het geluk dat overal om ons heen is. Geluk, dat veel mensen niet meer zien in de waan van alledag.’

    Dat gun je iedereen, maar haar verwachting om ‘nederig en dankbaar’ te zijn komt wel erg moralistisch over. Het is een van de weinige minpunten van dit boek, dat alles in het tweede deel, als de mannen in Nederland zijn, zo rooskleurig beschrijft. Iedereen is even aardig, vriendelijk en bereid om te helpen. In Groningen leren ze een man kennen, Tije, die zelfs voor hun beider gezinnen de vliegtickets betaalt. Alle Nederlanders zijn eerlijk en bereiden hun een warm welkom. Het kan natuurlijk echt zo gegaan zijn, dan hebben de Mahmouds een geluk gekend waarvan je zou willen dat elke vluchteling het mag overkomen. Maar het valt te vrezen dat de andere kant van het verhaal niet vermeld wordt: de overvolle azc’s, het buiten slapen in de kou, de agressie, de uitzichtloosheid, de discriminatie, alles wat de media wel vermelden.

    Twee keer beschrijft Van Tongeren die andere kant: als in een trein een Arabische man in paniek raakt omdat hij niet weet of hij de goede richting opgaat; en nadat Ali ondervraagd is door de IND. Dan komen alle emoties boven: ‘Hij is het nu die de stilte op de kamer verbreekt, die angstkreten uitstoot, die in gierende uithalen huilt alsof hij een klein kind is.’

    Vorige jaar, op 7 juli viel het kabinet over de vluchtelingenpolitiek, de beperking van de asielinstroom en de gezinshereniging. Laten we alle kabinetsleden dit boek cadeau doen en ervoor zorgen dat ze het ook daadwerkelijk lezen. Misschien helpt het om vluchtelingen een veilige plek in Nederland te geven.

     

     

  • Het best op dreef in verhalen die tegen het absurde aanleunen

    Het best op dreef in verhalen die tegen het absurde aanleunen

    In 2000 verscheen Margriet de Moor’s Verzamelde verhalen. Daarna schreef zij tien romans en nu publiceert de Bezige Bij van haar de verhalenbundel Meneer en mevrouw GodToch nog nieuw verhalen na de verzamelde? Vermoedelijk niet echt. ‘Deze uitgave bevat verhalen die niet eerder in boekvorm zijn verschenen’, meldt de uitgeverij. En als lezer merk je ook al snel dat de bundel enigszins een ratjetoe is van verhalen die ooit voor verschillende gelegenheden en publicaties geschreven zijn en nu bij elkaar gebundeld. Negatief hoeft dat overigens niet te zijn, want het komt de variatie wel ten goede.

    De muzikale achtergrond van de schrijfster heeft twee mooie verhalen opgeleverd: ‘Joseph Haydn sterft’ waarin de bejaarde componist op zijn sterfbed geabsorbeerd wordt door zijn laatste gedachten en herinneringen, terwijl de kanonnen van Napoleon bulderen tijdens de verovering van Wenen. Hier, en ook in ‘Woferl’ (een verhaal over de doodzieke Mozart tijdens zijn bezoek aan Nederland als wonderkind) kan de lezer genieten van de lichtvoetige impressionistische stijl die de schrijfster in haar palet heeft: tastenderwijs met woorden  een adequate beschrijving geven van wat er gebeurt.

    Joodse bruidje aan het woord

    Van die mooie stijl is ook te genieten in twee verhalen over schilders: De vrouw die Rembrandt met haar man portretteerde in het bekende schilderij ‘Het joodse bruidje’ komt aan het woord in ‘De rode jurk. En in het verhaal ‘Judith’ schrijft Margriet de Moor over Judith Leyster, de door haar bewonderde schilderes uit de 17e eeuw: `Zeker, ze kijkt naar de ronding van haar wangen, de glim op haar neus, de vorm en kleur van haar lippen, het wit van haar tanden, het netjes naar achteren gekamde haar en terwijl ze kijkt en ook al heeft besloten daar vol goede moed bij te glimlachen, vol goed humeur, dus terwijl ze naar dat alles kijkt, denkt ze aan niets anders dan aan de pigmenten op haar palet en de penselen in haar hand’.

    Op een heel andere, wat kwebbelende manier, zijn de stukken geschreven die spelen in Noordwijk, de stad van de Moor’s jeugd. ‘De tram kwam eraan, scheef hangend in de bocht van de Oude Zeestraat, en stopte met de deuren al open. Onze achterneef sprong regelrecht van de treeplank de zoute wind van de badplaats in. Zo, dat was niet mis, man, echt niet! Ons verre familielid was niet zo’n klein beetje gegroeid en erg breed in de schouders. Zijn haar droeg hij boven de oren opgeschoren – we besloten daar begrip voor te hebben – met nog een rest van de zwarte krullen daar hoog bovenop’. 

    Absurdistische verhalen

    De Noordwijk-verhalen ogen het meest als gelegenheids vertelsels en zijn de minste in de bundel. Het best is De Moor op dreef in de korte verhalen die tegen het absurde aanleunen. Zoals dat van de dorpsburgemeester die een zeventien meter lange afgedankte Mig-straaljager cadeau krijgt op z’n verjaardag. Of het slagersverhaal over de op hol geslagen koe. Het titelverhaal ‘Meneer en mevrouw God’ behoort ook tot die categorie: ‘Laat op de avond toen het leeslampje uit was, sprak God tegen zijn vrouw: ‘’t bevalt me niet.’ Ze draaide zich op haar zij, legde haar hand op zijn buik, dacht: o nee hè, niet weer, en suste: ‘Ga nou maar slapen.’
    Het allerbeste verhaal is ‘Ach! Hoe’, een met perfecte timing geschreven en dieptreurig eindigend verhaal over Harmke Louise, die alles mee heeft in het leven, totdat het noodlot toch toeslaat. Al met al een mooie bundel.

     

  • Twee gesprekken, twee schrijvers

     Jeroen van Kan met Margriet de Moor en Emma Cline, intuïtieve schrijvers die beiden niet op internet zitten, niet googlen maar ‘Real Live Search’ doen voor hun boeken.
  • Niets intiemer dan een tekening

    Niets intiemer dan een tekening

    In deze boeiende historie laat de intieme ontmoeting tussen een oudere Amsterdamse schilder en de Deense Else lang op zich wachten. Eerst heeft De Moor nog het nodige te vertellen over het leven van de hoofdpersonen in de zeventiende eeuw. Mooie sfeerbeelden gebruikt ze daarbij van de oorlogsbodems in de haven ten tijde van de Republiek, de pest, die door de stad rondwaarde en bovendien komen we veel te weten over het wezen van de schilderkunst, namelijk over gebruik van het licht.

    We maken eerst kennis met de bekende, maar niet met name genoemde, meester die op Justitiedag, de dag waarop misdadigers ter dood werden gebracht, vanaf de Rozengracht door de binnenstad naar de Warmoesstraat loopt om daar verf te kopen. Hij mijdt de Dam om geen getuige te hoeven zijn van de ophanging van het meisje Else, dat een pensionhoudster – in zeventiende-eeuwse termen een slaapvrouw – heeft doodgeslagen. U vraagt zich natuurlijk af hoe dat meisje en de schilder elkaar dan konden ontmoeten, maar de oplossing volgt aan het einde van het boek. De oude meester heeft het inmiddels niet gemakkelijk: zijn groepsportret is door de burgemeesters afgekeurd, hij is vanwege geldgebrek uit zijn huis in de Breestraat gezet en zijn tweede vrouw Ricky is niet lang geleden aan de pest bezweken.

    Na enkele hoofdstukken schakelen we over naar Jutland, waar het meisje Else Christians in een stiefgezin woont. Else wordt niet duidelijk gekarakteriseerd, zeker niet in psychologische zin. Ze verlaat haar vriendje en gaat haar stiefzus achterna die al eerder naar Amsterdam is vertrokken.

    Bijzonder aan dit boek is de compositie. Het verhaal wordt niet van begin tot einde verteld, maar eerst wordt de grote lijn neergezet en die wordt stukje bij beetje ingekleurd, waarbij steeds wordt teruggegrepen naar eerdere episoden, hetgeen, met een ontmoeting nog in het vooruitzicht, geen afbreuk doet aan de spanning.

    Details geven een boeiend inkijkje in het dagelijks leven, zoals in dat van de beul, die op zijn slachtoffer staat te wachten. Hij neemt een haal van de pijp van de gevangenisbewaarder en denkt aan een conflict met de Haarlemse chirurgijns. ‘Het gilde maakte er bezwaar tegen dat hij de geneeskunst aan het uitoefenen was. Zo, en wat was daar dan wel op tegen? Laatst, zou hij hen onder de neus wrijven, had hij bij een bijzonder ongelukkig in haar keuken uitgegleden vrouw de schouder weer in de kom gedrukt, akkefietje van niks, nog diezelfde week had hij bij een hevig kermende meneer koeltjes, met wetenschappelijke precisie een dubbele beenbreuk weer volmaakt passend op elkaar gezet.’

    De Moor brengt het verhaal als een verslaggever. Zij ziet onder andere neer op de slaapvrouw en haar belaagster. ‘Twee vrouwen, allebei aan het eind van hun leven. Terwijl de oudste vrouw er al heel slecht aan toe is, maar nog wel de kracht heeft om het op een schreeuwen te zetten, bevindt de jongste zich in haar element.’
    Haar beschrijvingen klinken als het resultaat van een studie: ‘De schilder is er niet bij geweest toen zijn vrouw, in de ochtendschemering van maandag, stierf. Alles wijst erop dat hij niet heeft kunnen aanzien hoe ze tot in haar laatste ogenblikken op redding heeft gerekend.’
    Af en toe loopt ze vooruit op de gebeurtenissen, bijvoorbeeld als Else per schip op weg is naar Amsterdam. ‘Hoe zou ze kunnen vermoeden dat ze in werkelijkheid niet op weg is naar een vertelling, maar naar een tekening, inkt op papier?’

    De Moor neemt het niet zo nauw met de historische werkelijkheid. De tijd is van ondergeschikt belang. Vincent van Gogh komt af en toe langs en ook de vernieler van een schilderij in Leningrad in 1985 wordt genoemd. Ook in de taal veroorlooft ze zich veel vrijheid, bijvoorbeeld als Else tijdens haar reis een Hollandse ontmoet. ‘Ze onderhielden zich met elkaar alsof ze in zo’n handig boekje ‘Deens- Koeterwaalshollands op reis’ het hoofdstukje ‘Vrienden maken’ hadden opengeslagen.’

    Het boek is stijlvol geschreven. De Moor heeft zich bekwaam gedocumenteerd.
    In een aantekening op het eind zegt ze hoe ze aan haar onderwerp is gekomen. Behalve bij verhalen over het meisje vond ze ook haar inspiratie bij Rembrandt van Rijn.