• Door Margot Zuidema

    Door Margot Zuidema

    Hoever kan een schrijver gaan in zijn zoektocht naar inspiratie? In de debuutroman Grammatica van een obsessie van Jolien Janzing heeft de hoofdpersoon, de schrijver Alex Meijer, een niet alledaagse kijk op het schrijverschap waardoor hij bijzondere paden bewandelt om ideeën op te doen voor zijn literaire werk.

    Maar naast het verhaal over de schrijver Meijer telt de roman nog twee verhaallijnen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben. Ieder verhaal speelt zich af in een andere tijd: het verhaal over juffrouw Olga in de jaren ‘50, het verhaal over het meisje Eddy in de jaren ’60 en het verhaal over de schrijver Meijer in het heden. Deze drie verhaallijnen lopen in het boek door elkaar. In de drie verhalen gaat het over macht en machtspelletjes; over het ge- en misbruiken van macht, tussen ouders en kinderen, tussen vrienden en tussen geliefden.

    Het verhaal over juffrouw Olga speelt zich af in een psychiatrische inrichting in de jaren vijftig. In de kliniek worden onthutsende behandelingen toegepast op patiënten: insulinetherapie tegen schizofrenie en malaria aanvallen bij de behandeling van syfilis. Een psychiater wordt onder druk gezet om bepaalde behandelingen toe te passen.

    De tweede verhaallijn gaat over het meisje Eddy en haar ouders in de jaren zestig. Eddy ontsnapt aan de greep van haar autoritaire moeder en sluit zich aan bij een groep dichters. Zij schrijft over haar ellendige jeugd.

    De derde hoofdpersoon is de vijftigjarige schrijver Alex Meijer. Wanneer zijn vrouw hem verlaat plaatst hij een contactadvertentie. Op deze manier leert hij de kunstzinnige Eda, een fotografe, kennen. Eda woont samen met Herve, een bekende seksuoloog. Meijer is zeer ingenomen met zijn vriendin Eda. ‘Ze is aantrekkelijk en excentriek en dus de perfecte geliefde voor een schrijver. Er wordt naar hen gekeken en Meijer geniet.’ Ook al krijgen Alex en Eda een liefdesrelatie, Eda wil Herve niet verlaten.

    Meijer publiceert een verhalenbundel “Eddy en andere verhalen” en wordt genomineerd voor een prijs. In het juryrapport zegt men over zijn “verhalen”: ’Ze voeren ons naar een wereld die tegelijkertijd vertrouwd en verontrustend is.’

    Maar de obsessie van Meijer voor het schrijven neemt zulke buitenproportionele vormen aan dat het hem tot daden brengt die de mensen waar hij van houdt in gevaar brengt.

    Jolien Janzing slaagt erin om in een compacte roman (215 pagina’s) drie totaal verschillende milieus op te roepen. De drie verhalen zitten vol met wonderlijke, excentrieke personages. Veel hoofdpersonages, maar ook veel bijpersonages. Dit betekent dat er enerzijds het hele boek door steeds weer nieuwe personages opduiken, anderzijds dat er veel personages zijn die niet goed uit de verf komen. Ook kost het in het begin moeite om de verschillende verhaallijnen te plaatsen, maar halverwege het boek komt langzamerhand alles op een plek en is er een verband tussen de drie verhalen te ontdekken. De roman wordt steeds spannender en naar de climax toe wordt het zelfs moeilijk om het boek weg te leggen. Er volgt een schokkende ontknoping waarna al het voorgaande met andere ogen beken kan worden. Want in de roman is niets zoals het op het eerste gezicht lijkt!

    Janzing heeft een vlotte stijl van schrijven en spitsvondige vondsten: ‘Ik zit in de gang met mijn rug tegen het vergeelde papier ? niet door de jaren vergeeld, we hebben het zo gekocht, maar dat vonden we zo bijzonder …’
    Olga’s moeder was niet dik, “nee, enkel grof en uitgezakt; hoewel ze het ongetwijfeld heerlijk gevonden zou hebben om vet te kweken, leek ze hem daarvoor gewoon te gierig.”

    De roman geeft met een originele invalshoek een kijkje in de wereld van schrijvers en artiesten en bevat opmerkelijke uitspraken: ‘Het leven is een eeuwige worsteling met jezelf, met je natuurlijke instincten en de menselijke instincten zijn zoveel lager, gemener dan die van het dier.’
    En wat te denken van de volgende uitspraken over literatuur en literaire prijzen:
    – ‘Hou op met dat autobiografische gewauwel, ’zei Ruyslinck. ‘Zoek je inspiratie elders. Open je ogen en kijk: zuig de ziel uit de wereld, zuig de ziel uit de mensen om je heen.’ (En dat is wat de schrijfster Janzing haar personage de schrijver Meijer laat doen… )
    – ‘Schrijver Meijer is niet jong en trendy, heeft geen aids en hij is ook niet dood, dus zijn kansen (op een literaire prijs) zijn nihil.’
    – ‘De dertiger kijkt hem aan en er ligt onverholen afgunst in zijn ogen … hij staat, loopt naar het podium en krijgt een banaal boetseerwerkje en een cheque …’

    Of de schrijfster zich door middel van deze uitspraken door haar literaire personages al bij voorbaat wil distantiëren van het literaire prijzencircus is niet bekend. ’Grammatica van een obsessie’ is in ieder geval een ambitieuze, gewaagde, ideeënrijke debuutroman die zich na enige inspanning vlot laat lezen.

    Jolien Janzing (1964) werkt als journalist voor Vlaamse en Nederlandse bladen als Humo, Revu, Libelle en Feeling. Verder geeft ze literaire workshops. “Grammatica van een obsessie” is haar debuutroman. Eerder schreef ze de essaybundel ”Je kind of je dromen” over het moederschap. Ze werkt momenteel aan haar tweede fictieboek.

    Jolien Janzing, Grammatica van een obsessie. Arbeiderspers, 215 p., € 18,95

  • Debuutroman die je in een adem uitleest

    Stel je bent een 24-jarige studente filosofie en je woont in een sporthal. Het is je derde studie; wis- en natuurkunde en de kunstacademie pasten toch niet helemaal bij je, maar je bent nog jong en de hele wereld ligt voor je open. Dan krijg je een telefoontje uit Frankrijk: je geëmigreerde moeder van 51 jaar, ligt op sterven. Wat doet dat met je? Een ontsnapping is niet meer mogelijk: je moet meteen als een volwassene beslissingen nemen. Lena heeft wel een vriend, Michael, maar ze kent hem nog niet zo lang. Wil ze wel met hem door? Je voelt haar worsteling: “stuur ik hem een sms met: ‘ik wil je niet meer zien’ of ‘vergeet mij, ik vergeet jou ook’ of ‘ik bel je nog’ of toch ‘ik denk dat het beter is dat we elkaar niet meer zien’.”

    De roman De mooiste dagen zijn het ergst gaat over de rouwverwerking van Lena, en haar zoektocht naar geluk. Vroeger waren de ingelijste rapportcijfers van Lena en haar broer Sasja moeders ‘ingelijst geluk’.

    Lena keek in haar jeugd uit naar de dag waarop zij op kamers zou gaan wonen, maar na het overlijden van moeder gaat ze terug naar het ouderlijke huis. De huisarts vindt haar depressief en schrijft therapie voor. En of alles al niet erg genoeg is, ontvangt ze een bericht over haar vader, die al lang uit haar leven was verdwenen.

    Op een prachtige manier wordt beschreven hoe Lena met hulp van de therapeute weer grip krijgt op haar leven. Zo krijgt ze de opdracht afstand te doen van dingen. Lena laat het Michael zien: een kapotte stofzuiger en een ingeklapte strijkplank, weckflessen met stickers. ‘Ambitie’, ‘ansichtkaarten van plaatsen waar ik nooit heen zal gaan’, ‘beautytips’, ‘medelijden’ en ‘zware dagen’ staat op de etiketten. Door ‘dingen’ weg te gooien kan haar leven weer overzichtelijker worden.

    Na een proces van ontkenning naar acceptatie verandert Lena van een hulpeloos en doelloos dobberend eendje in een jonge volwassen vrouw die beseft dat zij het leven zelf in de hand moet nemen. Ook al hangt het leven van tijdelijke oplossingen aan elkaar, je moet op zoek blijven naar geluk. Geluk is bijvoorbeeld “zien hoe aandoenlijk de kreukels in de huid van je geliefde zijn.”

    De roman wordt verteld vanuit hoofdpersonage Lena, maar door de mails die Lena verstuurd aan een door haar bewonderde wetenschapper en door brieven die opduiken krijgt het verhaal diepgang en er is een verrassende wending.

    Anke Scheeren laat haar personages uitspraken doen die de lezer bijblijven. Wie loopt er nog argeloos een huishoudelijke zaak binnen na het lezen van “Serieus worden betekent volgens mijn broer spullen aanschaffen waarvan je niet wist dat je ze nodig had. De Blokker is het walhalla voor spullen waarvan je niet wist dat je ze nodig had. Afdruiprekjes. Handdoekrekjes. Strijkplankhoezen. Eiersnijders. Notitieblaadjeshouders.”

    ‘De mooiste dagen zijn het ergst’ is een ontroerend, spannend, maar ook geestig boek, ondanks de serieuze thematiek. Anke Scheeren heeft een licht ironische stijl van schrijven en heeft originele uitspraken: “…veertien eenkopszakjes thee van 1,5 gram, eenentwintig gram dus in totaal. Het verhaal gaat dat de menselijke ziel 21 gram weegt. Wat je in je hand houdt, is dus het gewicht van mijn ziel.’ en … ‘als God ons geweten is, waar is dan het geweten van God?’ Haar dialogen zijn prachtig:’ ‘Hoeveel geluk past er in een schoenendoos?’ vraag ik Sasja (….). ‘Ik denk dat geluk in theorie oneindig is wanneer het in cijfers wordt uitgedrukt…’

    De grootste angst van Anke Scheeren was dat haar debuutroman onopgemerkt zou blijven, ‘als het maar niet wordt doodgezwegen’ (interview in tijdschrift Boek). Grote kranten bespreken immers zelden debuten, had haar uitgever gezegd. Maar de debuutroman is tot dusverre lovend besproken in zowel de Volkskrant, als het NRC als in Trouw. De schrijfster, autismeonderzoekster, werkt aan een promotieonderzoek aan de VU. Het is te hopen dat ze voldoende tijd overhoudt voor het schrijven van een volgend boek… !