• Niets in de wereld zal ooit veranderen 

    Niets in de wereld zal ooit veranderen 

    De figuren in De karaokeoorlog zijn verdoemd of waanzinnig of juist heel erg ‘eenentwintigste-eeuws’. Toestanden die prima samen blijken te gaan.

    Het is een mengeling van bevreemding, slapstick en stiekeme maatschappijkritiek die Ryu Murakami de lezer biedt. Ter verheldering: het gaat hier niet om Haruki. Zijn naamgenoot Ryu Murakami (1952) schijnt in Japan al even beroemd te zijn, en is naast schrijver ook filmmaker. In Nederland verscheen eerder van hem In de Misosoep.

    De uitgangssituatie is opmerkelijk. In een moderne Japanse stad ontmoet een groep jonge mannen elkaar geregeld om karaoke te zingen en steen-papier-schaarwedstrijden te spelen. Allemaal zijn ze hun leven lang genegeerd en onbemind gebleven. De existentiële leegte druipt van deze samenkomsten af, om het zo maar te zeggen. Ligt de oorzaak van deze ellende misschien in de ‘tijdsgeest’, die ‘in wezen een onderdrukkend waardesysteem was, voornamelijk gebaseerd op de absolute zekerheid dat niets in deze wereld ooit zou veranderen’?

    De waanzin loert, of is misschien al overal. Hun activiteiten lijken bizarre rituelen, waarbij ze steeds ‘in abnormale mate’ lachen. De gemiddelde lezer zal denken dat een steen-papier-schaarwedstrijd één van de meest simplistische spellen ter wereld is. Niet bij deze jongens: ‘De deelnemers schreeuwden, sprongen op en neer, lachten hysterisch, rolden over de vloer, sloegen met hun hoofd tegen de muren, kregen stuiptrekkingen in willekeurige ledematen en braakten soms zelfs van te grote opwinding. Het vreemde was dat deze verwoede voorstellingen zowaar de uitkomst leken te beïnvloeden.’

    Tot grote opwinding van de rest begaat één van hen, Sugioka, al snel in het boek een moord. Hij steekt Yanagimoto Midori dood, een ‘tante’, oftewel een ‘oba-san’. Oba-sans zijn: ‘Levensvormen die niet langer evolueren. En iedereen kan in een oba-san veranderen. Jonge vrouwen, natuurlijk, maar ook jongemannen, zelfs mannen van middelbare leeftijd – zelfs kinderen. Je wordt een oba-san zodra je de wil om te evolueren verliest.’ Het lijken Nietzsche’s laatste mensen, die in een eeuwige, schijnbaar comfortabele vegetatieve staat verkeren, en daardoor iets van hun mens-zijn verliezen.

    Ryu Murakami’s schets van de moderne maatschappij stikt van de oba-sans. Verschillenden ervan heten Midori, en zij hebben samen het ‘Midori Genootschap’ opgericht. Alsof veel mensen niets meer gemeen hebben dan een gedeelde naam. Hoe dan ook, de Midori’s betreuren hun vermoorde medelid Yanagimoto. De wil tot wraak brengt deze voorheen zo uitgebluste vrouwen weer tot leven. Het verleent zin, hun ogen schitteren weer en als gevolg daarvan vinden ook de mannen hen weer aantrekkelijk.

    De wreker – dat wil zeggen: één van de Midori’s – komt met een sashimi-mes gebonden op het uiteinde van een swiffer. De Midori’s verenigen samurai en huisvrouwen. Met dit originele wapen wordt aldus Sugioka vermoord. En zo ontstaat er een soort vendetta tussen beide groepen, tot groot genoegen van alle betrokkenen: ‘Wat is dat eigenlijk voor geks met dat wraakgedoe? Je wordt er vanbinnen helemaal wee van!’

    De term ‘karaoke’ betekent ‘leeg orkest’. Wil Murakami wijzen op het atomisme van de moderne maatschappij, op de spirituele leegte als gevolg van een ontbrekend zingevingssysteem? Het is een verdedigbare interpretatie. De leegte wordt door de hoofdpersonen opgevuld met die zekerheid die enkel waanzinnigen bezitten, nog van extra zin voorzien door de cultus van de wraak: ‘Als je er goed over nadenkt, is moord het enige wat tegenwoordig überhaupt nog iets betekent.’ Vanuit het perspectief van de hoofdpersonen van dit boek – en Murakami impliceert misschien wel: voor de gemiddelde moderne mens – lijkt dit waar: geen waarheid, geen zin, geen ontwikkeling. Enkel ja of nee: te zijn of niet te zijn.

    Maar de afwisseling tussen hilariteit en de waanzin van hij of zij die het zeker weet, is niet het enige dat Murakami biedt. Hij lardeert het met inzichtrijke psychologische observaties, voornamelijk over de banaliteit van de contemporaine mens. En, heel sporadisch, laat hij een van de hoofdpersonen een jeugdherinnering ophalen, één die bij verrassing werkelijk kan ontroeren, zonder door grotesk gelach of door een perverse rationalisatie te worden verpest.

    Het zijn zeldzame pareltjes in een zwijnenstal. Maar die zwijnenstal is vol intrigerende vuiligheid, en dat maakt Murakami’s De karaokeoorlog de moeite waard.

     

  • ‘Zo kwam je overal doorheen’

    ‘Zo kwam je overal doorheen’

    Een stadje aan de Rijn, een klaslokaal met ijsbloemen op de ruiten, zeventien jongens in de schoolbanken en een onderwijzeres die met ze mee springt en rent als ze naar buiten gaan. Een lieflijk verhaal zou het worden. Maar alles verandert met de tijd en plaats: Duitsland, dinsdag 27 februari 1934, precies een jaar na de brand van de Rijksdag. In de klas van de katholieke jongensschool dragen de meeste tienjarige jongens het uniform van de Hitlerjugend met een speldje van de nieuwe vlag op de bruine kraag, de negenjarigen mogen nog geen lid worden en zijn in versleten kleren gehuld.

    De Duits-Amerikaanse schrijfster Ursala Hegi keert sinds haar bestseller Stenen van de rivier weer terug naar het fictieve stadje Burgdorf. In die roman – opgenomen in Oprah’s Book Club – observeerde de dwerg Trudi Montag de wereld om haar heen in de periode van de Eerste Wereldoorlog tot na de Tweede. Trudi komt nog even langs, maar nu leven we mee met de onderwijzeres Thekla Jansen.
    Thekla Jansen (34, ongetrouwd, wel een minnaar) heeft eindelijk een aanstelling als onderwijzeres gekregen. Tien jaar moest ze wachten. Nu heeft ze de kans gekregen om de klas over te nemen van haar eigen lerares Sonja Siderova. ‘Het enthousiasme van onze leerlingen herkennen vormt de helft van ons onderwijs’ was het motto van Siderova. En Thekla weet dat in de praktijk te brengen: ze gooit het lesprogramma om als ze merkt dat haar leerlingen op dat moment nieuwsgierig zijn naar andere kennis, weet biologie, taal, rekenen en literatuur tijdens een excursie met elkaar te verbinden en heeft oog voor wat er omgaat in haar leerlingen. Ze is een droomlerares en alle jongens zijn verliefd op haar.
    Een heldin dus. Maar hoe moedig is de op het eerste gezicht kritische Thekla? Als kind wist ze zich al aan te passen: ‘Ze laat de dingen die haar verontrusten van zich afglijden. Zo kwam je overal doorheen [..]’ En zo gaat ze ook om met de eisen die de Führer aan het onderwijs stelt. Dat gebeurt stap voor stap. Eerst playbackt ze nog de Hitlergroet en doet ze haar arm niet omhoog, maar al snel salueert ze hardop, voor het geval haar leerlingen haar betrappen. ‘Het zijn maar woorden,’ houdt ze zichzelf voor. Gedichten van de verboden Heinrich Heine verruilt ze als dat nodig is voor die van Goethe. ‘Zij kan wel afwachten tot dit overwaait.’ Moeilijke zaken loopt ze uit de weg. Het gebruikelijk bezoek aan haar oude lerares Sonja Siderova blijft ze uitstellen, net als het gesprek met de ouders van Bruno Stosick. Bruno, die zo graag lid wil worden van de Hitlerjugend, maar niet mag van zijn ouders. Thekla wil ze overtuigen dat een lidmaatschap hun zoon goed zal doen; ze gunt hem het kameraadschap: ‘Wat kan het voor kwaad om Bruno een paar bijeenkomsten te laten meemaken? Wij hadden vroeger ook liedjes en vreugdevuren.’
    De keuze voor een onderwijzeres als hoofpersonage is een gouden vondst. Zo kan Hegi in het klein laten zien wat ook op hogere niveaus gebeurt: de groepsprocessen in de klas zijn vergelijkbaar met de meutevorming bij de Hitlerjugend en die van de Duitse bevolking. ‘Toen [Thekla] Bruno naar de bijeenkomst was gevolgd, had ze meteen gezien dat die georganiseerd was door mensen die begrepen wat onderwijs was, hoe ze kinderen moesten respecteren en inspireren. Zo gaf Thekla ook les, instinctief.’

    We volgen Thekla Jansen die ene dag in februari, van ’s ochtends vroeg in het klaslokaal tot ’s avonds laat als ze bedenkt welk gedicht ze haar jongens de volgende dag zal voordragen. Deze beschreven dag wordt afgewisseld met hoofdstukken die zich in het verleden afspelen tussen 1899 en 1933. Zo ontstaan er twee niveaus. De dag zelf die steeds abrupt midden in een scène wordt afgebroken, in wisselwerking met de terugblik die we krijgen op het verleden van Thekla en haar ouders. Ursula Hegi bouwt door middel van van deze structuur de spanning op.

    Maar helaas ontwikkelt Jongens en vuur zich tot een pageturner die tegenvalt. De gekozen structuur weet Hegi niet vast te houden. De ene dag uit het leven van Thekla bestaat voornamelijk uit fragmenten innerlijke monoloog (herinneringen, mijmeringen en voornemens ) – dus ook weer sprongen in de tijd. En daarbij wisselt ze regelmatig van vertelperspectief. We kijken plotseling door de ogen van een specifieke leerling, de hele groep jongens, en soms brengt ze zelfs een ouderwetse alwetende verteller naar voren. De wisseling van perspectief is op zichzelf natuurlijk geen bezwaar, maar Hegi laat op deze manier weinig werk voor de lezer over. Alles wordt uitgelegd en verteld (ook bijvoorbeeld het verhaal van Icarus, het belang voor de geschiedenis van de Rijksdagbrand), voor het geval we het nog niet doorhadden. En zo lijkt Hegi ook haar eigen personage te behandelen. De roman werkt naar een climax toe die voor de lezer al snel duidelijk is, en het is niet overtuigend dat de intelligente Thekla de uitleg van haar docente Sonja Siderova nodig heeft.

    De grote onderwerpen en thema’s (buitenechtelijke zwangerschappen, verloren kinderen, zelfmoord) tegen de achtergrond van nazi-Duitsland en de vragen en dilemma’s die daarbij horen, maken Jongens en vuur tot een pageturner die je op sommige momenten met een brok in je keel moet lezen, maar die uiteindelijk niet overtuigt.

     

  • Geen diepgang maar wel met humor

    Geen diepgang maar wel met humor

    Wat gebeurt er als twee pubers en een moeder op het randje van de menopauze samen in een huis wonen? Inderdaad, dat kan weinig goeds opleveren. Behalve dan als Dawn French, de grand lady van de Britse komedie, met dit gegeven aan de haal gaat. Haar debuut Een klein beetje geweldig is een hilarisch portret van het gezinsleven anno 2011 waarin disfunctionaliteit tot een hogere kunstvorm lijkt te zijn verheven.

    Hoewel soms een tikkie over – de – top, gooit French hoge ogen met haar roman. Een klein beetje geweldig is extreem grappig, zonder twijfel. IJzersterk is French vooral in de uitbeelding van de personages. Stuk voor stuk zijn alle familieleden, die elk in hun eigen woorden en idioom de gebeurtenissen becommentariëren, zo gek als een deur. Leuk gek, welteverstaan. Want uiteindelijk heeft iedereen wel zijn hart op de juiste plek.

    Spil van het gezin Battle is moeder Mo, negenenveertig, en kinderpsychologe. Ze is een kei in haar vak. Haar eigen kinderen heeft ze alleen iets minder goed in bedwang. Engeltjes van kinderen heeft ze dan ook niet. Dochter Dora is zeventien en compleet gedesinteresseerd in zowat alles. Haar enige doel in het leven is om zoveel mogelijk Facebook-vrienden te verzamelen. Zoonlief Peter doet meer zijn best. Maar alles helemaal op rijtje heeft hij evenmin. Aangesproken worden wil hij alleen met Oscar, naar Oscar Wilde, zijn grote voorbeeld, die hij tot in detail imiteert. En dan is er ook nog de vader, die zoals een goede echtgenoot betaamd zich overal buiten houdt.

    Erg gezellig is het niet in huize Battle. Vooral Dora en moeder liggen constant overhoop. Elke wanhopige poging van moeder om aansluiting te vinden bij haar dochter, loopt uit op ruzie.
    French, zelf moeder geweest van een puberdochter, kan niet anders dan inspiratie hebben gehaald uit haar eigen leven. De herkenbaarheid van de beschreven situaties is groot.

    Het familieleven gaat, ondanks de vele strubbelingen, zijn gangetje. Moeder gaat naar haar werk waar ze het naar haar zin heeft ook al toont haar baas meer belangstelling voor de borsten van zijn vrouwelijke collega’s dan voor zijn werk, en transformeert de secretaresse elke dag meer in een vrouwelijke Steve Irwin. Oscar, oftewel Peter, doet weinig anders dan zijn dandy-eske voorkomen te perfectioneren. Bij dochter Dora staat het eindexamen voor de deur. Zorgen erover maken doet ze niet. Wel over haar aankomende auditie bij X-Factor en de staat van haar uitgroei.

    Dan opeens verschijnt Noël op het toneel en hell breaks loose. Oscar valt als een blok voor de Australische stagiair van zijn moeder en is er heilig van overtuigd dat de liefde wederzijds is. Noël heeft echter meer oog voor moeders. Mo, dodelijk onzeker over haar uitgezakte lijf, weet niet wat haar overkomt. Na een afspraakje in een smoezelige hotelkamer, neemt ze een rigoureus besluit. Ondertussen stort Dora haar hart uit bij de mysterieuze X-man op Facebook met wie een afspraakje snel gemaakt is.

    Een noodlottig einde lijkt onafwendbaar. Toch is het niet alleen maar kommer en kwel. Niet in de laatste plaats door toedoen van oma Pamela, die als een baken van rust de familieleden met haar eigengebakken taarten- waarvan de recepten achterin het boek staan- op probeert te beuren.

    Hoe leuk ook, het verhaal stelt weinig voor. Met diepgang hoef je niet aan te komen zetten bij French. Neemt niet weg dat ze weet ze doet. Een klein beetje geweldig is meer dan alleen lachen, gieren en brullen. De omgang tussen de leden van de familie is pijnlijk herkenbaar. En dat niet alleen. De onzekerheid van zowel moeder als dochter over hun uiterlijk, is eveneens angstaanjagend werkelijkheidsgetrouw. Want de gebeurtenissen mogen dan hilarisch en bijna bespottelijk zijn, de gevoelens van elk personage zijn wel degelijk levensecht. Ieder voor zich probeert zich krampachtig staande te houden in de sleur van alledag. Dat niemand hier echt in slaagt, maakt het des te pijnlijker. En bijna tragisch bovendien.

    Zover komt het alleen niet. De luchthartigheid en de humor blijven ten alle tijden de baas. Erg? Allesbehalve. Zware kost, waar diep en langdurig over gepeinsd moet worden, is er al genoeg. Leuke, grappige boeken verschijnen daarentegen maar zelden. En dat is nu juist Een klein beetje geweldig ten volle uit. Plus vrolijk, warm, gezellig én vermakelijk tot de laatste bladzijde.