• Verstrengeld in herinneringen

    Verstrengeld in herinneringen

    In de omvangrijke roman Mordechai neemt schrijver Marcel Möring de lezer mee in een verhaal over afkomst, herinnering en de kracht van literatuur. Het is tegelijk een portret van een eigenzinnige schrijver en een spiegel van een geschiedenis waarin hij verstrikt raakt. Hoofdpersoon Mordechai Gompertz (72) is een literair zwaargewicht: gevierd, omstreden en vaak onderwerp van roddel. Toch blijkt zijn onaantastbaarheid slechts uiterlijk vertoon. Een ogenschijnlijk onbeduidend incident – een enkel woord dat hem uit balans brengt – zet een reeks gebeurtenissen in gang waardoor zijn zorgvuldig opgebouwde reputatie begint af te brokkelen. Wanneer hij tijdens een interview door het lint gaat, valt de façade van onafhankelijkheid uiteen.

    Möring tekent Mordechai als een man die nooit heeft willen knielen of zich voegen. Die houding maakt hem tot iemand die zijn eigen weg kiest, onafhankelijk van anderen, waardoor hij ook in eenzame situaties terechtkomt. In zijn terugblik ontdekt Mordechai bovendien dat zijn werk minder autonoom is dan hij altijd dacht. Elk boek blijkt te zijn ingegeven door echo’s uit zijn familiegeschiedenis: een terloopse opmerking van een tante, een gebaar van een grootvader, een herinnering die hij nooit volledig heeft losgelaten. Het verleden laat zich niet wegdrukken, hoezeer hij zich er ook tegen verzet: ‘Dat er aan het verleden niet viel te ontsnappen wist hij ook wel, maar dat familie die al heel lang niet meer bestond hem achtervolgde, wekte zijn ergernis. Heel precies kon hij er zijn vinger niet op leggen, maar hij was zich vaag bewust van het gevoel niet alleen Mordechai Ephraim Gompertz te zijn, maar ook, misschien wel vooral, een verlengstuk, een schakel, een gevolg.’

    Het onontkoombare verleden

    Daarmee overstijgt Mordechai het persoonlijke relaas. Het is een generatieroman die laat zien hoe trauma’s, overtuigingen en herinneringen van voorouders hun schaduw werpen over het heden. Een terugkerend motief zijn de ‘stoflagen van de geschiedenis’ die in de kleren blijven hangen. Tegelijkertijd verweeft Möring actuele thema’s door zijn verhaal, zoals #MeToo, politieke polarisatie en de vraag hoe ver literatuur mag gaan in het verkennen van seksualiteit.

    De zinnen in Mordechai hebben een zorgvuldig ritme, maar vooral de dialogen vallen op: geestig, doorspekt met subtiele ironie. Sommige scènes blijven onuitwisbaar: de slapstickachtige spanning rond de Nobelprijs, of de intieme en tragische momenten met Klara, de geliefde met wie hij dertig jaar samen was. Leven en schrijverschap weerspiegelen elkaar voortdurend, waardoor de roman een meta-laag krijgt.

    De schaduwzijde van ambitie

    Toch werkt Mörings stijl niet altijd in het voordeel van het boek. Waar hij naar grandeur streeft, kan de lezer eenzelfde vermoeidheid ervaren als Mordechai bij het doorploegen van omvangrijke familiegeschiedenissen. ‘Wat was het waardoor ze een dikke pil van bijna zeshonderd pagina’s over een geslacht van Joodse kaartenmakers kochten?’ vraagt hij zich af – een vraag die soms net zo goed voor deze roman en zijn lezers geldt. Regelmatig kabbelt het verhaal voort zonder duidelijke richting, en blijft het uiteindelijke doel van het relaas vaag en diffuus.

    De roman is opgezet als een mozaïek waarin herinneringen, literaire reflecties en filosofische bespiegelingen elkaar afwisselen. Dat geeft het boek een onmiskenbare rijkdom, én zorgt voor verwarring. Thema’s als geschiedenis, religie, politiek en liefde verdringen elkaar, zonder dat er één echt tot volle bloei komt. Het fascinerende idee dat elke roman voortkomt uit familie-invloeden raakt daardoor vaak naar de achtergrond.

    Ook Mörings eruditie is dubbel: verwijzingen naar schrijvers als Umberto Eco, Hella Haasse of Samuel Beckett en uitstapjes naar kabbalistische tradities voegen zeker allure toe, maar zijn niet altijd op natuurlijk wijze in het verhaal ingebed. Op die momenten hapert de vertelling en overheerst het gevoel van intellectualistisch vertoon. Wie verwacht het boek vlot te kunnen uitlezen, komt bedrogen uit.

    Op zoek naar verzoening

    Tegenover de overvloed aan reflectie staat Mordechais verlangen naar handelen. De roman laat zien dat psychologie en filosofie niet alleen in introspectie zichtbaar worden, maar ook in concrete daden. De hoofdpersoon is het levendigst wanneer hij kookt, iets repareert, schrijft, of zich in de chaos van het bestaan stort. Het slapstickachtige Nobelprijs-hoofdstuk markeert daarin een keerpunt: voor het eerst voelt Mordechai zich vrij temidden van de wanorde.

    Ondanks de zwaarte eindigt de roman verrassend hoopvol. Waar eerdere boeken van Möring vaak kil en somber sloten, gloort hier verzoening. In de tuin van zijn voorouders ontdekt Mordechai dat er een plek kan bestaan die als thuis voelt – een ervaring die hij nooit eerder kende en die de roman een onverwachte zachtheid meegeeft.

    Mordechai is een roman van uitersten: groots van opzet en vaak psychologisch scherp, maar tegelijkertijd soms overladen en fragmentarisch. Het boek balanceert daardoor tussen briljante passages en de valkuilen van eruditie; het volgen van die balanceer-act levert een geheel eigen spanning voor de lezer op.

     

  • Woordnacht met grote namen en beginnende schrijvers

    Woordnacht met grote namen en beginnende schrijvers

    Het afgelopen weekend vond in Rotterdam de vierde editie van literair festival Woordnacht plaats. Het thema van dit jaar was ‘Stilte’. Op de zaterdagavond zijn er zes festivallocaties, verspreid over de binnenstad: Arminius, het Goethe-Institut, Theater Rotterdam en drie zalen in hoofdgebouw TENT. Bij sommige optredens, zoals een interview met Arthur Japin over diens roman Kolja, is een gebarentolk aanwezig. Ook is er een silent poetry slam, met optredens van dove artiesten.

    Bij TENT kunnen vanaf zeven uur de entreekaartjes worden afgehaald. Wie een paar minuten te vroeg is, moet buiten wachten, binnen wordt nog gerepeteerd. Na zevenen worden de bezoekers verwelkomd met koffie en koekjes. Medewerkers delen overzichtelijke, mooi vormgegeven programmaboekjes en plattegronden uit. Een dag eerder, op vrijdag 25 oktober, heeft Nelleke Noordervliet de Anna Blamanlezing verzorgd. Er is een stapel exemplaren van de gedrukte versie over, gratis mee te nemen.

     

    Poëzie op muziek

    In zaal één van TENT trapt dichter Peggy Verzett de avond af. ’s Middags heeft ze de eerste Jana Beranováprijs uitgereikt gekregen in de pas verbouwde boekhandel Donner. Speciaal voor Woordnacht werd een muzikaal programma gemaakt op basis van haar teksten en gedichten. Ze wordt begeleid door Kobi Arditi op de trombone en Mathijn Den Duijf op de piano. Bij haar opkomst vertelt ze dat de zaal veel resonantie heeft. Waarschijnlijk zal het publiek weinig van haar poëzie verstaan, voorspelt ze.

    Inderdaad zijn de woorden niet verstaanbaar, maar de klanken des te beter. Bovendien zet Peggy Verzett haar lichaam in om haar boodschap kracht te geven: ze gooit haar armen omhoog, keert het publiek de rug toe en danst weg bij de microfoon. Af en toe verstaat het publiek een flard van de tekst: een vader loopt met een vaas, een paar seconden later ‘moet hij terug’. Waarom hij terug moet en waar ‘terug’ is, blijft dankzij de akoestiek een mysterie. Juist dat geeft het optreden van Peggy Verzett iets extra’s.

    Avond vol advies

    Daarna begint in zaal drie het ‘debutantenprogramma’. Hierin gaat een gevestigd auteur in gesprek met een aanstormend talent dat nog bezig is met zijn of haar eerste boek. Eerdere aanstormende talenten waren onder anderen Carmien Michels (Europees kampioen poetry slam en inmiddels gedebuteerd als dichter met de bundel We komen van ver) en Bianca Boer (auteur van de recent verschenen roman Draaidagen en zelf ook aanwezig op Woordnacht voor een interview dat later op de avond plaatsvindt).

    Dit jaar mag Vincent Kortmann zich bij hen aansluiten. Hij zal in gesprek gaan met festivaldirecteur Hans Sibarani en Manon Uphoff, die in 1995 debuteerde met de verhalenbundel Begeerte. Voordat het zover is, vertelt Manon Uphoff over de periode waarin zij aan haar debuut werkte. Ze wist toen al dat Begeerte een basis zou worden waarop ze de jaren erna zou kunnen voortbouwen. In elk kort verhaal was namelijk een groter verhaal verborgen. Ze vergelijkt haar schrijfproces met een matroesjka, een pop die je kunt openmaken en waaruit steeds een nieuw figuur tevoorschijn komt.

    Opgroeiende meisjes in de literatuur

    De telefoon van Hans Sibarani piept. ‘Momentje,’ zegt hij tegen het lachende publiek. ‘Ik dacht dat ik hem had uitgedaan.’
    De telefoon blijft de rest van het gesprek piepen, maar Manon Uphoff trekt zich er niets van aan. Ze vertelt over het schrijfproces rondom Vallen is als vliegen, haar recentste roman: ‘Ik denk niet dat iemand anders dit boek kon maken.’ Het gesprek gaat verder over recensies. Na haar debuut las Manon Uphoff  in een recensie dat wel heel veel verhalen uit het boek over opgroeiende meisjes gingen. ‘Het was precies de helft,’ zegt ze. In de jaren 90 kregen opgroeiende jongens meer aandacht in de literatuur en áls het al over meisjes of vrouwen ging, bleef dat vaak braaf. Manon Uphoff schreef destijds bewust over niet alleen begeerte, maar ook de woede die daarbij kan komen kijken: ‘Ik wilde laten zien dat woede ook een kracht is, een energie, een motor.’

    Vincent Kortmann betreedt het podium. Zijn boek – het zal verschijnen bij uitgeverij Atlas Contact en een titel heeft het nog niet –  gaat over een negentienjarige jongen die door alle vrouwen in zijn leven is verlaten. Dan krijgt de jongen plotseling een stiefzus, die steeds extremere streken uithaalt. Manon Uphoff heeft de eerste vijfenzeventig pagina’s van het manuscript mogen lezen, maar het publiek krijgt alleen het begin te horen. Het is dapper dat Vincent Kortmann voordraagt, aangezien hij benadrukt dat het redactieproces nog bezig is. De eerste zin is alvast indrukwekkend: ‘Vanaf het balkon schoot mijn stiefzus Fay haar luchtbuks leeg op conservenblikken in de tuin.’ Een verschijningsdatum is nog niet bekend, maar het voorgedragen fragment smaakt naar meer.

    Schrijfprocessen

    Jammer genoeg wordt er niet ingegaan op het schrijfproces van Vincent Kortmann. Wél prijst Manon Uphoff de toon en de vertelstem in zijn manuscript. Ook is ze onder de indruk van de dialogen, zelden zijn die bij beginnende schrijvers zo naturel. Ze is van mening dat ‘de innerlijke motor van de hoofdpersoon’ belangrijker voor het verhaal is dan een plot.
    ‘Het moet wel echt ergens over gaan,’ werpt Vincent Kortmann tegen. Hij vindt het belangrijk om naar een bepaald punt toe te werken. ‘Het verhaal mag niet uitgaan als een nachtkaars.’

    Manon Uphoff geeft advies, niet alleen aan Vincent Kortmann, maar aan iedereen die een boek wil schrijven: ‘Ga aan de gang met je eigen stem en geloof erin. Het maakt niet uit of je uiteindelijk goede of slechte kritieken krijgt. Je hebt daar geen invloed op, dus geloof vooral in wat je kunt.’ Vincent Kortmann vraagt hoe Manon Uphoff haar personages, die vaak bizarre handelingen verrichten, geloofwaardig kan neerzetten. ‘Je moet het zelf geloven,’ is haar antwoord. Na het optreden verlaat het publiek de zaal, maar zij blijft achter om nog even met Vincent Kortmann over zijn boek-in-wording te praten, zonder toeschouwers.

    Grote thema’s

    Hierna interviewt Alek Dabrowski de schrijvers Bianca Boer en Christiaan Jongeneel. Hij vindt Magda is overal  van Christiaan Jongeneel, ‘een complexe roman’, en voegt eraan toe dat het is bedoeld als compliment. Het is namelijk ‘de eerste grote 9/11-roman’. Ook in dit gesprek is plot een discussiepunt. Voor Bianca Boer, schrijver van Draaidagen, is plot niet belangrijk: ‘Ik wil mensen maken en ze op elkaar laten reageren.’ Haar roman gaat enerzijds over Auschwitz en anderzijds over Judith, die figureert in een film die zich afspeelt tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Bianca Boer draagt een fragment voor waarin de verhaallijnen samenkomen: de filmset voelt als bezet Nederland. Zowel de voordracht als de inhoud wekken de roman tot leven voor het publiek. Over Draaidagen vertelt ze: ‘Sommige geschiedenissen gaan generaties lang door. De hoofdpersoon krijgt geen kind, omdat ze niet wil dat de geschiedenis zich herhaalt.’ Ook Christiaan Jongeneel mag voordragen. Magda is overal blijkt inderdaad complex: de roman telt drie delen en uiteindelijk draait het boek om de vraag of Magda wel bestaat. Hoewel beide auteurs uit Rotterdam komen en voor een groot thema hebben gekozen, hebben ze compleet verschillende boeken geschreven.

    Overvloed aan optredens

    Woordnacht kent een erg vol programma. Om half negen ’s avonds zijn bijvoorbeeld de volgende optredens bezig: ‘Silence of the Slam’ met diverse spoken word-artiesten; een gesprek met Marcel Möring; ‘Dat soort volk’ met Jan Oudenaarden, Erik Brus en Alek Dabrowski; ‘Debutanten’ met Manon Uphoff, Vincent Kortmann en Hans Sibarani; en ‘Reprise: Montere weemoed’ met Thomas Verbogt en Beatrice van der Poel.

    Het is voor een bezoeker onmogelijk meer dan drie programmaonderdelen op de avond te zien zonder halverwege een optreden weg te gaan. Daardoor is er bij sommige optredens slechts een handjevol mensen aanwezig. Het is mooi dat Woordnacht zowel aanstormend talent als grote namen een podium biedt, maar de vraag rijst of het festival niet nóg beter tot zijn recht zou komen met minder locaties of een grotere tijdspanne.

     

    Beeld: Annaleen Louwes

  • Dagboek: vingeroefening of volwaardig genre

    ‘Het hoort natuurlijk toch bij mijn werk, omdat het in die tijd niet lukte met fictie.’ Dat hoorde ik Mensje van Keulen vorige week halverwege een gesprek met Marcel Möring over Neerslag van een huwelijk: dagboek 1977 – 1979 zeggen. Meer dan twaalf jaar geleden, toen Mensje van Keulen met Alle dagen laat: dagboek 1975 voor het eerst dagboekaantekeningen prijsgaf, vroeg zij zich deze keer tijdens het uittikken af: ‘Waarom doe ik dit?’ Eigenlijk wist ze dat wel: ze had het beloofd, en ze wilde ook niet dat iemand anders het na haar dood zou doen. Dus tikte ze dapper door.

    Als haar huwelijk goed geweest was, was Mensje van Keulen nooit een dagboek bij gaan houden. Maar na twee romans en een verhalenbundel –  Bleekers zomer (1972), Allemaal tranen (1972) en Van lieverlede (1975)stokte het schrijven door de huiselijke omstandigheden.
    Hans Warren, Heere Heeresma én haar uitgever adviseerden: ‘Als je wilt blijven schrijven, moet je vingeroefeningen doen. Houd dan een dagboek bij. Vandaar dat ik er met de nodige tegenzin aan begon.’
    Het is logisch dat iemand die zoveel reserves heeft over het bijhouden van een dagboek pas na enig aandringen bereid is om haar dagboeken als onderdeel van haar oeuvre te beschouwen.

    Hoewel de bedenkingen van Mensje van Keulen alleen met de ontstaansgeschiedenis van de dagboeken te maken lijken te hebben, is het niet uitgesloten dat er nog iets anders meespeelt. In haar terughoudend toegeven klinkt ook twijfel door over de statuur van haar dagboeken. Zijn ze wel literair genoeg om een eigen plek op te eisen naast haar romans, verhalen en kinderboeken?

    Mensje van Keulen hoopte dat het bijhouden van een dagboek haar op ideeën zou brengen voor een volgende roman. Publiceren was niet aan de orde, ook niet op de lange termijn. Haar dagboeknotities waren hooguit voorbestemd om secundaire literatuur te worden. Zo iemand al kennis zou nemen van wat ze over zichzelf schreef, dan pas na haar dood, en dan nog alleen in het kader van onderzoek naar het leven en werk van de schrijfster Mensje van Keulen.

    Schrijvers houden doorgaans geen dagboek bij om dat vervolgens integraal te publiceren. Zelfs Het Achterhuis zou waarschijnlijk nooit in dagboekvorm verschenen zijn als Anne Frank de oorlog had overleefd.
    Wie zoals Mensje van Keulen haar dagboeken alsnog prijsgeeft aan een publiek maakt zichzelf kwetsbaar. Oké, de schrijver kan zich wapenen. Zij kan proberen de waarheid zo mooi mogelijk op te schrijven. Haar opzettelijk mooier maken dan zij zich haar herinnert, is uit den boze. Maar ze heeft enige speelruimte, want ‘dagboek’ suggereert dan wel authenticiteit, maar ‘het bedrieglijke aan de narratieve belofte van dagboeken, logboeken, memoires en autobiografieën, is dat ze eerlijk zijn, dat ze de waarheid vertellen’ (dat laatste schrijft Connie Palmen in het zorgvuldig gecomponeerde Logboek van een onbarmhartig jaar, waarin 2011 een schrikkeljaar is).

    Voor de fictieschrijver die Mensje van Keulen is, kan de eigen naakte waarheid, zoals mooi maar vrij meedogenloos opgetekend in Alle dagen laat en Neerslag van een huwelijk, hard aangekomen zijn. Misschien zat dat haar dwars en maakte dat haar aan het twijfelen over de toegevoegde waarde van haar dagboeken.

     

    Neerslag van een huwelijk: dagboek 1977-1979 van Mensje van Keulen werd voor Literair Nederland besproken door Els van Swol.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Liter, ook zonder het c-woord geïnspireerd

    Liter, ook zonder het c-woord geïnspireerd

    Toen Liter een paar nummers geleden besloot het woord ‘christelijk’ uit de naam te schrappen en voortaan als Liter. Literair tijdschrift door het leven te gaan, leidde dat tot reacties van verontruste lezers. De grootste vrees was dat het tijdschrift met het veranderen van de naam wezenlijk van karakter zou veranderen en het levensbeschouwelijke definitief tot het verleden zou behoren. De redactie voelde zich geroepen haar besluit toe te lichten en de lezers gerust te stellen. Zij was niet van plan overtuigingen overboord te gooien. Ze sprak de hoop uit dat Liter zonder het woord ‘christelijk’ in de titel potentiële lezers welwillender tegemoet kan treden. Minder veroordelend zal zijn. Dat recht gedaan wordt aan een breder levensbeschouwelijk perspectief dan alleen het protestants-christelijke.
    Eerst zien en dan geloven, zal een deel van die lezers gedacht hebben. Inmiddels hebben die lezers hun conclusies kunnen trekken.

    Dat de redactie van plan is woord te houden, bleek uit het themanummer waarmee het twintigjarig bestaan van het tijdschrift gevierd wordt. Een nummer geheel gewijd aan G’d, met de gedichtencyclus Quarantaine van Malachi Black als bonus. Een cyclus waarin de getijden leidend zijn; gedichten gebeden lijken en zelfinzicht tot stand komt in gesprek met iemand die het meer dan een mens voor het zeggen lijkt te hebben.
    Een gevarieerd nummer – proza, poëzie en beschouwende stukken – waarin geloof, religie en godsdienst nog net zo letterlijk en figuurlijk aanwezig zijn als voorheen.
    Het nummer opent met 95 Stellingen, een bonte verzameling beweringen over God opgetekend uit de monden van voor de hand liggende en verrassende ‘volgers’.
    De signatuur van het tijdschrift komt ook duidelijk tot uitdrukking in het gesprek met Joost Baars over zijn bundel Binnenplaats, de analyse die Frans Berkelmans maakt van het gedicht Johannes 1:14 van Jorge Luis Borges en de papieren tweespraak tussen Malachi Black en Ruben Hofstra. Speels verwijzend naar de vorm en inhoud van de Bijbel is het gedicht Kohelet of Adviesgroep van Pauliene Kruithof, en ook Koos Geerds geeft een hedendaagse draai aan een Bijbels verhaal, in dit geval dat van Noach. Het minst door religie aangeraakt lijken de bijdragen van gastschrijver Tommy Wieringa. Hij mag dan geen uitgesproken door een geloof geleid schrijver zijn, zijn werk getuigt van een levensinstelling die verre van vrijblijvend is.

    In het ‘kerstnummer’ – nummer 88, eind december verschenen – treedt het levensbeschouwelijke minder nadrukkelijk op de voorgrond, al begint het met een kerstverhaal van Len Borgdorff en een interview met Mieke van Zonneveld voor wie woorden in eerste instantie nog steeds een Bijbelse connotatie hebben.
    In zijn analyse van drie gedichten van Martinus Nijhoff – Soldatenkerstmis, Zingende soldaten en De soldaat die Jezus kruisigde – schrijft Mark de Haan toe naar de Bijbelse werkelijkheid waar de dichter aan refereert. De vraag is alleen of het close readen van De Haan zoveel toevoegt aan de gedichten dat het de ruim zes pagina’s rechtvaardigt die het stuk beslaat, terwijl de gedichten zelf niet zijn afgedrukt.

    Actueel is deze Liter als het gaat om de poëzie van Pierre Boskma. Van hem is een fragment opgenomen van een nog te verschijnen langer gedicht. De gedichten van Hester Knibbe hebben niet alleen iets tijdloos, maar laten zich ook vanuit verschillende invalshoeken lezen. Dat geldt ook voor Man, hond.

    Veel aandacht in dit nummer voor de scheidende gastschrijver Tommy Wieringa. Christely van Mourik herleest Joe Speedboot en Els Meeuse leest De heilige Rita. Deze roman neemt ook een belangrijke plaats in, in het dagboek van Tommy Wieringa.
    Het gedicht De haas van Benno Barnard en een stuk over een haas uit De heilige Rita van Wieringa sluiten wonderlijk mooi op elkaar aan. Het fragment laat bovendien zien hoe zintuiglijk het schrijven van Wieringa is. En hoeveel daarvan verloren gaan als er in recensies in algemene zin over een roman gesproken wordt. Zijn gastrol zit er definitief op na het laatste deel van het vakinhoudelijke edoch baldadige gesprek met Marcel Möring, net als Benno Barnard ook een voormalig gastschrijver.

    Vergeleken met het themanummer over God lijken de bijdragen in het 88e nummer van Liter. Literair tijdschrift een minder grote noodzaak te hebben. Willekeuriger gekozen te zijn. Dat is vanzelfsprekend als er geen thema is dat bijdragen bindt, maar op een of andere manier ontbreekt er een evenwicht. Hoe inhoudelijk en lezenswaardig de afzonderlijke bijdragen ook zijn, Liter is niet meer dan de som van de afzonderlijke delen. Waar hem dat precies in zit, laat zich na het lezen van de laatste drie nummers niet zo eenvoudig vaststellen. Misschien speelt het feit dat zowel een redactie als de gastschrijver een stem hebben in het samenstellen van de nummers die samen een jaargang vormen een rol. Misschien is de diversiteit te groot en wreekt een aantal vaste rubrieken zich louter en alleen door de plaats die ze in het tijdschrift innemen. Maar misschien heeft het ook te maken met de verwachting dat een papieren tijdschrift coherenter is dan een digitale verzameling stukken die onder één noemer verschijnt. Het ligt vooralsnog niet aan het het schrappen van dat ene woord uit de ondertitel.

    Het jubileumjaar van Liter. Literair tijdschrift is voorbij. Volgend jaar is Abdelkader Benali gastschrijver.

    De papieren versie van Liter. Literair tijdschrift verschijnt vier keer per jaar.
    Een abonnement kost € 40,00.

    Liter heeft ook een digitale divisie, die de papieren editie aanvult.

  • De stijl


    Van Schuberts Fantasie in F mineur voor piano 4-handen, gespeeld door Maria João Pires en Ricardo Castro, is op youtube een uitvoering te beluisteren. De achtergrond daarbij, die aldoor in beeld is, wordt gevormd door De rode boom van Mondriaan (1908-1910). Een beeld dat wat mij betreft niet beter gekozen had kunnen worden: een treurwilg die prachtig samenvalt met de melancholieke sfeer van de Fantasie. Een schilderij uit het Haags Gemeentemuseum waarmee Mondriaan de weg insloeg naar abstractie én evenwicht. Dat laatste wordt wel eens vergeten, maar het is juist dáárin dat het zo mooi samenvalt met de muziek van een classicistisch romanticus als Schubert. Mondriaan schildert de horizontale takken van de boom met als tegenwicht verticale strepen die nauwelijks opvallen, en Schubert laat zijn gevoelens beteugelen door de ratio. Ik herken het, want zelf zit ik ook zo in elkaar.

    Mondriaan op weg naar abstractie én evenwichtig, zoals Léon Hanssen de periode na het ontstaan van deze boom beschrijft in zijn biografie van de schilder die verscheen onder de titel De schepping van een aards paradijs. ‘Hij droomde’, zei Hanssen onlangs in een interview, ‘van een nieuwe fase van harmonie en conflictloosheid in de twintigste eeuw (…). In zijn kunst zocht hij naar een nieuwe beeldtaal om uiting te geven aan dat ideaal.’

    Afgelopen jaar, het feestjaar van 100 jaar De Stijl, hebben we er veel van kunnen zien, maar de mooiste, onbedoelde en onverwachtste bijdrage hieraan zag ik op Canvas. Op 10 september interviewde filosofe Alicja Gescinska in een aflevering van het programma ‘Wanderlust’ de schrijver Marcel Möring. De aan De Stijl verwante bijdrage bestond uit de schitterende cameravoering van Kris Van der Voorde. Plekjes werden op zo’n manier uitgelicht en belicht als waren het abstracte schilderijtjes van Mondriaan. Adembenemend mooi.

    Er bestaat een zekere verwantschap tussen Mondriaan en Möring: hun liefde voor jazzmuziek. Of zoals de schrijver eens in een interview in Bunker Hill zei: ‘Door te improviseren kom je op een bepaalde sequentie en zie je hoe het moet. En dán kun je gaan denken.’ Gevoelens laten beteugelen door de ratio. En dan zie ik weer die boom voor me, of kijk ik met de camera van Van der Voorde mee die scheert over de inrichting van Mörings huis in Rotterdam.

    Misschien net zo mooi als de dromen waar Hanssen het in bovengenoemd interview over heeft. Dromen over muziek, ‘die hoor ik dan kristalhelder in mijn hoofd, nog mooier en helderder dan je die ooit in werkelijkheid ervaart’, zegt hij. Ik vraag me af waar die muziek dan het meest op lijkt: op Schubert of op een stukje jazzmuziek. Zelf hou ik het op dit moment even op zoiets als de Fantasie in F mineur van Schubert.

     

    Beluister  hier  Schubert’s Fantasy in F mineur


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • De kracht van verhalen

    De kracht van verhalen

    Wie ben ik? Waar voel ik me thuis? Universele vragen die iedereen zich op een moment stelt. Vragen ook die Marcel Möring stelt in zijn nieuwe roman Eden. In deze roman staan twee verhalen centraal. In het ene verhaal is een jongen constant op pad. Door bossen en langs kloosters trekt hij, maar nergens komt hij aan. In het andere ziet psychotherapeut Mendel Adenauer zich geplaatst voor de vraag waarom een van zijn patiënten voor de trein is gesprongen. In Eden zoekt iedereen geluk en geborgenheid, het paradijs waaruit de mens is verdreven. Na Dis (2006) en Louteringsberg (2011) is deze roman het sluitstuk van Mörings ‘Dante-trilogie’.

    Donker woud
    De jongen onderweg heeft geen naam. ‘Niekas’ wordt hij genoemd, Litouws voor ‘niemand’. Op een ander moment heet hij weer De Zwart, of een variant daarop. Hij is geboren in een oerbos, een ‘woud zonder grenzen’. Nadat hij verdacht wordt van een misdrijf dat hij niet heeft gepleegd, vlucht hij. Niekas trekt het hele continent over, door vele eeuwen heen. Hij belichaamt de Wandelende Jood, een bekend motief in het werk van Möring. Deze legendarische Ahasverus zou Jezus geen rust gegund hebben op weg naar Golgotha. Hierop werd hij veroordeeld om tot het eind der tijden zelf rusteloos over de wereld te zwerven.

    In de tweede grote verhaallijn van Eden voert Marcel Möring Mendel Adenauer weer op, het personage uit zijn debuut Mendels erfenis. Adenauer krijgt te maken met een zelfmoord van een van zijn patiënten en hij krijgt een apart geval toegewezen: een onbekende man die aan amnesie lijkt te lijden. Tegelijk zoekt Adenauer naar zijn eigen plek in de wereld. Zijn psychoanalyse past niet meer in deze tijd waarin de zorg gericht is op een heldere diagnose en een goedkoop behandelplan. ‘Niemand neemt meer genoegen met de ambiguïteit of de mogelijkheid dat het leed dat wordt gevoeld misschien wel bij het leven hoort.’

    In feite maken beide verhalen een tegengestelde beweging: Niekas verlaat het woud en reist met de tijd mee. De freudiaan daarentegen probeert met zijn cliënten terug te keren naar het verleden. ‘Ik merk dat ik de tocht die de cliënt en ik afleggen vaak zie als een soort queeste naar het binnenste van een donker woud,’ zegt Adenauer. Een donker bos als voorstelling van een persoonlijke crisis: een bekend beeld natuurlijk waarmee Dante zijn Commedia opent. Gaandeweg wordt in Eden duidelijk wat die twee verhalen met elkaar te maken hebben.

    Gemiste kans
    Opvallend aan Eden is de vormgeving. De twee verhaallijnen hebben elk hun eigen letter en tussen de hoofdstukken zitten weer aparte documenten. Een tekening, reisverslag, of kaart maar ook een essay geschreven door Marcus Kolpa, een bekende uit de eerdere delen van deze trilogie. Zo worden de twee hoofdverhalen weer uitgebreid met andere verhalen. Möring maakt van het vertellen expliciet een belangrijk thema in Eden:

    Ik herinnerde me wat Jakub had gezegd: iemand moet de verhalen bewaren, en toen ik had gevraagd welke verhalen hij bedoelde, had hij gezegd: ‘Alle. Die van de een en de ander en jouw eigen verhaal. Misschien vertel je mijn geschiedenis verder en wordt mijn verhaal deel van het jouwe en dat van jou weer het begin van dat van iemand anders.’

    De zoektocht naar identiteit, het belang van verhalen: daar zit een interessante roman in. Maar ondanks de vele verhalen en bijzondere vormgeving, blijft Eden flets. Marcel Möring vraagt veel van de welwillendheid van zijn lezers. Hij wil veel vertellen, maar laat na zijn lezer voldoende te verleiden met treffende beelden of scherpe zinnen. Zeker in de eerste helft van de roman zijn de sterke passages een uitzondering.

    Daarbij blijven ook de personages vlak. Möring schetst hun contouren maar kleurt verder nauwelijks in. Dat past misschien bij de thematiek – de zoektocht naar identiteit – maar daardoor blijven ze ook op afstand. Dit staat de betrokkenheid in de weg van de lezer bij de vragen die Möring opwerpt. Dat maakt Eden tot een gemiste kans. Het is jammer dat deze roman zelf geen voorbeeld is van wat het wil: laten zien wat de kracht van verhalen is.

     

     

  • Oogst week 51

    Argus

    Dit is de laatste ‘Oogst’ van dit jaar. De komende twee weken zullen we – onregelmatig- bijdragen publiceren in het kader van de Winterrubriek 2016, met daarin de reacties van onze recensenten op de vraag: ‘Wat zijn jouw leeservaringen van het afgelopen jaar. Uit welke boeken heb je citaten genoteerd? Van welke boeken heb je genoten?’
    Er zitten inspirerende bijdragen tussen!

    Dan terug naar de Oogst, de rubriek waarin wij u attent maken op nieuwe uitgaven. Ik wil beginnen bij Argus, een nieuwe twee-wekelijkse krant door ‘oude rotten’. Hij ligt nog niet op onze burelen, maar is wel de moeite van het vooraankondigen waard: een krant, zoals ze zelf schrijven ‘zonder content, maar met inhoud’ en ‘vanuit een eigenzinnig perspectief’ over binnenlandse en buitenlandse ontwikkelingen, economie, cultuur en sport. Artikelen geschreven door ervaren, maar gepensioneerde journalisten die voor uiteenlopende kranten en tijdschriften geschreven hebben.

    Rudie Kagie en Kees Schaepman vormen samen de hoofdredactie, het boekengedeelte staat onder leiding van Anton de Goede. Hans Vervoort is een van de medewerkers. Het zal in deze rubriek vooral gaan om herinneringen aan en de boeken van oudere schrijvers.

    Argus gaat van start als er ten minste 1.500 Argusvrienden gevonden zijn die iets zien in het blad en bereid zijn een jaarabonnement van € 50,- te nemen. Die start zal plaats vinden op 1 maart 2017.

    Ga naar de website www.argusvrienden.nl  voor meer informatie en een 0-nummer. Vanaf het eerste nummer is Argus alleen op papier verkrijgbaar.

    Argus

    Eden

    Eindelijk is het er dan bijna, Eden, de nieuwe roman van Marcel Möring en het derde deel van de DIS-trilogie. Het kan los van de andere twee (DIS en Louteringsberg) gelezen worden, maar maakt van de drie titels één geheel. In maart 2014 zei Möring in het NIW (Nieuw Israëlitisch Weekblad) over dit boek:

    Het eerste deel bestrijkt de periode eind 15e eeuw tot onze tijd; het lijkt op een historische roman. Het tweede deel speelt zich af in een psychiatrisch ziekenhuis in Drenthe. Dat zijn twee volstrekt verschillende boeken met verschillende schrijfstijlen. Maar hoe verder je in het boek bent, hoe meer je de verbondenheid ziet. Meer kan ik er niet over zeggen, anders haal ik de angel eruit.’

    Op 5 januari a.s. zal Petra Possel in het programma Kunststof Radio (19:00 uur) in gesprek gaan met de auteur over Eden. Een dag later zal Connie Palmen het eerste exemplaar in ontvangst nemen in boekhandel Donner in Rotterdam.

    Eden
    Auteur: Marcel Möring
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Amerika of de verdwenen jongen

    Amerika of de verdwenen jongen verscheen in 1927 voor het eerst in Duitsland, maar in een door Max Brod bewerkte vorm. Pas in 1983 verscheen een editie in de vorm zoals Kafka het geschreven had.

    Kafka is nooit in Amerika geweest, maar dat heeft hem er niet van weerhouden om dat land wel als decor te gebruiken, zij het in een naar zijn eigen hand geschetste werkelijkheid.

    In de roman komt een jonge Duitse immigrant Karl Rossmann in Amerika terecht. Hij wordt in eerste instantie liefdevol ontvangen door een rijke oom, maar als hij op straat gezet wordt, is dat het begin van een lange zwerftocht door het onbegrijpelijke land. Hij heeft een baantje als liftboy in een enorm hotel en ontmoet bizarre randfiguren. Uiteindelijk verdwijnt hij op een lange treinreis in het niets.

    Hoewel het veel minder bekend is dan Het proces en Het slot behoort het nooit voltooide Amerika ook tot de grote werken van Franz Kafka.

    Amerika of de verdwenen jongen
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum

    Oden voor komende nacht

    Van Jacques Hamelink (1939) is onlangs een bloemlezing uit zijn beste werk verschenen: Oden voor komende nacht. Hierin spelen zowel de natuurwereld als het erotische en het seksuele een toonaangevende rol.

    Jacques Hamelink (1939) schreef altijd over Zeeuws-Vlaanderen en heeft diverse grote literaire prijzen gewonnen (o.a. de Busken Huetprijs, de Herman Gorterprijs en de Constantijn Huygensprijs, of was er voor genomineerd (o.a.VSB Poëzieprijs).
    Hij publiceerde in onder meer Merlyn, Nieuw Vlaams Tijdschrift, Ons Erfdeel, Podium, Raster en Tirade.

     

     

     

     

    Oden voor komende nacht
    Auteur: Jacques Hamelink
    Uitgeverij: Querido