• Akelig actuele verhalen over mensen in de oorlog

    Akelig actuele verhalen over mensen in de oorlog

    Onlangs draaide in de filmhuizen de documentaire 2000 meters to Andriivka van de Oekraïense regisseur Mstyslav Chernov. De film gaat over de strijd in 2023 om het door de Russen bezette, inmiddels volledig verwoeste, maar logistiek en psychologisch belangrijke dorp, Andriivka. De route ernaartoe gaat door een smalle bosstrook van twee kilometer. Als kijker zit je midden in de oorlog – de beelden komen van bodycams en filmers ter plekke. Links en rechts liggen lijken van gesneuvelde soldaten. Wie Andreas Latzko’s Mensen in de oorlog leest, beseft dat er in ruim honderd jaar nauwelijks iets is veranderd op het slagveld.

    Niemand kent hem meer, maar de Oostenrijks-Hongaarse schrijver Andreas Latzko werd na de publicatie van Menschen im Krieg (1917) een beroemdheid in Europa. Hij had zich als journalist vrijwillig aangemeld voor het leger, hoewel hij daarvoor was afgekeurd vanwege zijn ‘allesbehalve Herculische lichaamsbouw’, zoals (de voortreffelijke) vertaler Marcel Misset in zijn nawoord uiteenzet. Hij citeert uit Latzko’s autobiografische uitgave Levensreis: ‘Terugkeren naar de dadenloosheid? Als door een bliksemstraal kwam ik tot de ontzettende erkenning dat het ging om veel meer dan alleen om de onvermijdelijke onvrijheid voor de duur van de oorlog. (…) Wanneer ik als onbruikbaar zou worden afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen.’

    Eigen ervaringen

    Tegen de oorlog getuigen, dat is wat Latzko primair voor ogen had met het schrijven van Mensen in de oorlog. Hij koos daarvoor de vorm van een aantal literaire verhalen. Het boek is geen ooggetuigenverslag, maar lijkt wel gebaseerd te zijn op Latzko’s eigen ervaringen op het slagveld. Die waren zo aangrijpend en afgrijselijk dat hij veertien maanden na toetreding tot de ‘wapendienst’ verworden was tot een geestelijk wrak. Hij gaat naar Zwitserland om te revalideren. ‘Uit noodweer waarschijnlijk, zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’

    Het eerste verhaal dat hij ‘met bevende handen’ opschrijft, is Heldendood. Het gaat over de zwaargewonde eerste luitenant der reserve van het veldartillerieregiment Kadar, die in zijn koortsdromen op het lichaam van zijn manschappen geen hoofd ziet, maar een grammofoonplaat van de nationalistische Rákóczi-mars, die ze net nog in hun schuilplaats hadden gedraaid ‘toen plotseling die verdomde granaat kwam aangefloten en alles in een wolk van rook en aarde verdween’. Na Heldendood werkt Latzko verwoed verder aan zijn anti-oorlogsboek, dat op 3 juli 1917 verschijnt. ‘Hij schrijft’, aldus Marcel Misset in zijn nawoord, ‘om de oorlog een halt toe te roepen’. De verhalen zijn geschreven vanuit het directe perspectief van de hoofdpersonen, haast zoals geregistreerd door de bodycams in 2000 meters to Andriivka.

    Opgejaagde huisvaders

    De afmars speelt zich af in de tuin van een militair hospitaal in een Oostenrijks provincieplaatsje, achter het front, waar gewonden en een paar van hun echtgenoten in alle rust met elkaar converseren en filosoferen over de oorlog en het leven, totdat de hysterische uithaal van een getraumatiseerde luitenant de idylle wreed verstoort. De vuurdoop is het verhaal over de goedhartige, besluiteloze kapitein Marschner en zijn jonge, fanatieke luitenant Weixler. Hun compagnie staat op het punt de collega’s in de loopgraven af te lossen. Weixler (een ‘twintigjarige ijzervreter’) kan niet wachten tot het zover is en blaft zijn manschappen af. Marschner heeft vooral ‘een gloeiend, grenzeloos medelijden met deze arme, opgejaagde huisvaders, die zich zo gelaten zwijgend voorbereidden, die hun levens als het ware in hun handen namen als een kostbaar vat om naar het slagveld te dragen en de vijand voor de voeten te werpen alsof het iets waardeloos was wat daar in scherven zou vallen!’

    In een dorpje achter het front zijn onder leiding van een niet met name genoemde ‘Zijne Excellentie’ enkele honderden stafofficieren ingekwartierd. Hij is de overwinnaar in het gelijknamige verhaal, omdat hij ooit als opperbevelhebber de slag bij ‘***’ had gewonnen. Nu zit hij zich te verbijten in het gezellige plaatsje, waar in de verte de oorlog te horen is. Hij wil het slagveld op. ‘Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te verwachten? Begreep zo’n burger [een journalist die hem had gevraagd wanneer er op vrede gehoopt mocht worden [RL] dan niet dat een commanderende generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met goudgalon op zijn kraag: een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan de longen uit zijn lijf brult?’ Dan eindelijk: het trommelvuur. ‘Godzijdank! Het was nog oorlog.’

    De waanzin van de oorlog

    In De Kameraad – Een dagboek is de ik-figuur met shellshock opgenomen in het hospitaal. Hij mijmert over alle verschrikkingen die hij heeft meegemaakt. Hij wordt als krankzinnig beschouwd, terwijl hij de enige is die de waanzin van de oorlog ziet. Zijn observaties zijn verrassend actueel: ‘Ik zie de hele meute! De schreeuwers, die te hol en te traag zijn om hun eigen ik te ontwikkelen, maar zich koesteren in de glanzende lof die niet hun maar hun kudde toekomt. De schurken, die beschermd en gesteund door de massa schijnheilig opkijken naar een door henzelf opgeroepen spookbeeld dat ze er bij miljoenen brave lieden inhameren tot die massa hart noch verstand meer heeft, alleen nog razernij en een blind geloof.’ het was nog oorlog’

    De thuiskomst is het tragische verhaal van Johann Bogdán, wiens toegetakelde gezicht door zeventien operaties alleen maar afstotelijker is geworden. Voor de oorlog had hij, ‘de mooiste man van het dorp’, een vriendin, de aantrekkelijke Marcsa, en een baan met aanzien als koetsier van het slot. Nu wil niemand meer iets met hem te maken hebben. Ook hier schildert Latzko het lot van ‘mensen in de oorlog’, omdat hij weet dat zijn lezers minder geraakt worden door grote getallen, kille statistieken en uitvoerig beschreven veldslagen, dan door verhalen over mensen als zijzelf, over wat er met hen kan gebeuren zodra ze zelf met de oorlog van doen krijgen. Uitgeverij Jurgen Maas verdient alle lof voor het aan de vergetelheid ontrukken van dit indrukwekkende, akelig actuele document humaine.

     

     

  • Oogst week 3 – 2026

    De Jood Süss

    De roman De jood Süss van Lion Feuchtwanger (München 1884 – Los Angeles 1958) is ruim honderd jaar geleden voor het eerst verschenen. Hij werd indertijd in Duitsland enthousiast ontvangen. Ook in de Nederlandse vertaling was het boek indertijd een succes.
    De Jood Süss vertelt het verhaal over de opkomst en ondergang van de historische figuur Josef Süss Oppenheimer aan het hof van het hertogdom Württemberg. Als hoffinancier had hij een belangrijke en invloedrijke functie, maar hij bleef desondanks ‘maar’ een Jood, met alle narigheid van dien.

    Toen de Nazi’s in ’33 de macht overnamen in Duitsland was Feuchtwanger toevallig in het buitenland. Hij had de machtsovername niet zien aankomen. Hij besloot niet meer naar Duitsland terug te keren maar naar Frankrijk te reizen waar hij in 1940 alsnog gearresteerd werd. Tocht lukte het hem om naar de Verenigde Staten te vluchten.

    Let op: de film die Joseph Goebbels in 1940 liet maken heeft niets te maken met het boek van Feuchtwanger. Goebbels maakte een antisemitische film. Dat is het boek zeker niet.
    De jood Süss is deel 25 in de reeks Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland. De Nederlandse vertaling werd herzien door Hermien Manger en Nils Buis.

    De Jood Süss
    Auteur: Lion Feuchtwanger
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2025)

    Mensen in de oorlog

    De Oostenrijks-Hongaarse schrijver en pacifist Andreas Latzko (Boedapest 1876 – Amsterdam 1943) groeide op in Boedapest maar vertrok in 1901 naar Berlijn. Niet omdat hij nou zo graag naar het front wilde maar omdat hij uit eigen ervaring wilde kunnen getuigen, meldde hij zich aan als vrijwilliger. Hij stelde zich ten doel om de oorlog zodanig reëel te beschrijven dat het voor de lezer invoelbaar werd wat oorlog betekent: waanzin, onrecht en menselijk lijden.
    In 1916 moest hij noodgedwongen het front verlaten. Hij was volledig ingestort. Hij herstelde in Davos. Daar begon hij aan het schrijven van Mensen in de oorlog, een anti-oorlogsboek dat in 1917 gepubliceerd werd en daarna in vele talen werd vertaald. In alle oorlogvoerende landen werd het boek verboden.

    In 1920 verhuisde Latzko naar Salzburg, daarna, vanaf 1931 woonde hij in Amsterdam, waar hij in 1943 overleed. Samen met het veel bekendere Van het westelijk front geen nieuws van Erich Maria Rilke is Mensen in de oorlog een van de meest indrukwekkende anti-oorlogsboeken uit die tijd.

    Hij opende zijn boek met de zin: ‘Ik weet zeker dat eens de tijd zal komen waarin iedereen net zo denkt als ik’. Je zou willen dat hij gelijk had gekregen.

    Mensen in de oorlog
    Auteur: Andreas Latzko
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2025)

    Uit tallozen, jij

    Welke boeken hebben je zo geraakt dat je kan zeggen dat ze je gevormd hebben? Het is een uitdagende vraag en kan in menig clubje boekenliefhebbers tot boeiende gesprekken leiden.

    Columnist en schrijver Eric de Rooij maakte er een boek van: Uit tallozen, jij gaat over boeken die hem sinds zijn vroegste jeugd geïnspireerd en geraakt hebben, en hem gemaakt hebben tot wie hij is. En waarom dat zo is.

    De Rooij schreef columns voor Literair Nederland en voor Tzum. Deze en andere stukken bewerkte De Rooij, zij vormen de basis voor Uit tallozen, jij, maar het boek bevat ook veel nieuw werk. Zijn homoseksualiteit is aanwezig in zijn eerdere werk (bijvoorbeeld in De wensvader en Augustus), maar ook weer in de stukken in Uit tallozen, jij.
    Schrijvers die o.a. voorbijkomen in Uit tallozen, jij zijn o.a. Jacques Martin, Edgar Rice Burroughs, Willem Elsschot, Etty Hillesum, Mohammed Mbougar Sarr, Tove Ditlevsen, Louis Couperus, Andrew Holleran, Tom Lanoye, J.J. Voskuil, Didier Eribon, Natalia en Carlo Ginzburg, Ismael Kadare, Joke Hermsen, Hans Warren, Michael Ignatieff, Bart Moeyaart, Bryan Magee, Maaike Meijer.

    Uit tallozen, jij
    Auteur: Eric de Rooij
    Uitgeverij: Uitgeverij Kleine Uil
  • Vredig berustend met de dood in zicht

    Vredig berustend met de dood in zicht

    Het late leven is geen autobiografische roman die de succesvolle auteur Bernhard Schlink schreef over ouder worden, maar het thema zal hem na aan het hart liggen. Dat thema is, kort gezegd: hoe worden we oud en wat en hoe laten we als – figuurlijke – erfenis na? Schlink brak als schrijver laat door, naast een loopbaan als jurist. Maar dan wel meteen met een geweldig mooi boek, De voorlezer (1995), over de holocaustverwerking in Duitsland dat een paar jaar na verschijnen geleidelijk aan een bestseller werd, mede door de verfilming. Eerder schreef hij misdaadromans. In zijn latere werk bleef Schlink dicht bij de actualiteit, laatstelijk in De kleindochter (2022) over rechts radicalisme in het voormalige Oost-Duitsland, en de verhalenbundel Afscheidskleuren over, hoe kan het anders, afscheid. Schlink is tachtig, leidt een actief bestaan in afwisselend Duitsland en de VS (New York) en is emeritus hoogleraar rechten. Op die leeftijd zul je weleens gedachten hebben over het (aflopende) leven en hoe je herinnerd wilt worden.

    Dat is dus precies het thema van het mooie, rustige en evenwichtige Het late leven. Net als in het laatste verhaal uit Afscheidskleuren is hoofdpersoon Martin zesenzeventig en getrouwd met de veel jongere Ulla van begin veertig. Anders dan in dat verhaal met een heel optimistisch en vitaal perspectief, heeft Martin nu net de aanzegging gekregen van een ongeneeslijke alvleesklierkanker. Hij heeft nog rond zes maanden te leven. Zijn kalme, evenwichtige bestaan waarmee hij heel tevreden is, met een paar wetenschappelijke klusjes, het naar school brengen en halen van hun nog jonge David van zes, de tuin, de boodschappen en het koken, alles staat op zijn kop. Hoe verhoudt hij zich tot dat opeens zo andere perspectief? Zijn vrouw werkt als succesvol kunstenaar en galeriehoudster. Hun romance was voor hem en voor haar een verrassing en biedt met de duidelijke taakverdeling ondanks het grote leeftijdsverschil een prettig vastomlijnd levenskader.

    Na de schok

    Direct na de onheilstijding komen vragen op, vooral bij Martin die meer tot contemplatie is geneigd dan Ulla. Wat gaan we deze maanden nog doen, wat laat ik hen en met name David na? En op welke manier? Moeten het voorwerpen zijn, maar welke? Die waaraan hij hecht? Maar zal dat ook voor David zo zijn? Wat is een geschenk en wat wordt tot last? Ulla dringt aan op een video bij de begrafenis, maar Martin kiest voor brieven over de grote thema’s in het leven, zoals goed en kwaad, werken en leven, de liefde. En later voor een – zwaar symbolische – composthoop die David en hij samen maken.

    Hun leven lijkt nog verder ontwricht te worden door de verhouding die Martin met enig detectivewerk ontdekt van Ulla met een andere, jongere man. Hij wordt niet werkelijk boos maar berust daarin en gaat zelfs constructief in gesprek met de man in kwestie over een toekomst zonder hem maar met Ulla en David. Dat is wel erg berustend en wijs, maar ook wel in lijn met het kalme en zachtmoedige karakter van Martin.

    Ulla en hij kiezen voor de vlucht vooruit en vertrekken met David voor een paar laatste weken in intiem gezinsverband naar de Duitse kust. Hoewel hij lichamelijk steeds zwakker wordt, beleeft Martin rijke weken. Hij lijkt de kunst van het loslaten goed te hebben geleerd en toegepast. Dit deel van het leven is het ‘voorlaatste hoofdstuk’ dat Martin vult met een vrede die optrad na de eerste schok van de medische diagnose en de heftige ontdekking van Ulla’s vreemdgaan. Hij rust en slaapt veel. Ook bezoekt hij het strand en hoewel eten moeilijker wordt eet hij zo lang mogelijk mee. Hij geniet van de steeds sterker wordende David die op school wordt gepest, droomt niet alleen over het verleden maar heeft ook beelden van een leven voor Ulla en David zonder hem. Boosheid en verongelijktheid zijn hem vreemd, wel huilt hij – eindelijk – meer dan vroeger. ‘Hoe zwakker hij werd, hoe vaker hij huilde. Als jongen vond hij dat hij zijn tranen moest bedwingen en was het verleerd. Tientallen jaren had hij niet kunnen huilen, en al verlangde hij er nu naar, het was een vloek. Nu gebeurde het als hij een merel hoorde zingen, als het geluid van spelende kinderen tot hem doordrong of als de zon onderging.’ Treffend opgeschreven, zeker als deze passage wordt bekroond door een dichtregel van Heinrich Heine: ‘dat het leek alsof zijn brekend hart van vreugde zou kunnen bloeden.’

    De kunst van het loslaten

    Het late leven is een fijnzinnig, stil, melancholisch boek dat je in een rustig tempo zou moeten lezen. Het begin alleen al. ‘Hij nam niet de lift, maar de trap. Hij liep langzaam naar beneden, tree na tree, etage na etage, het wit van de muren viel hem op, het groen van de getallen die naast de lift de etages aangaven, het groen van de deuren. Toen stond hij buiten en vielen hem de frisse lucht op, de voetgangers op de stoep, de auto’s op straat, de steigers voor het huis aan de overkant. Zijn eerste gedachte was dat hij in plaats van de trap de lift had moeten nemen, nu hem nog maar zo weinig tijd restte.’

    Daarmee valt de auteur met de deur in huis; de kunst van het loslaten, het besef van vergankelijkheid, de relativiteit van wat vroeger belangrijk was en tevens de verscherpte blik op alles wat tot dan toe gewoon en routine was. De dilemma’s die zich aandienen, moet je alles nu juist snel doen of toch langzaam of gewoon? Maar ook een zo logische gedachte als hoe zou het met de wereld gaan, komt er oorlog tussen de VS en China, hoe gaat het met het klimaat? ‘Hij hield niet van de dood omdat hij niet zou weten hoe alles verder zou gaan.’ En het onoplosbare dilemma: ’Hij hoefde niet eeuwig te leven, maar had graag verder geleefd op een manier die hem in staat zou stellen om de komende eeuwen op dezelfde manier te zien als hij de afgelopen eeuwen zag.’ Voor een jurist en rechtsfilosoof met een speciale interesse in de geschiedenis van het recht een prangende gedachte.

    Ontroerende roman

    Is er dan niks aan te merken op het boek? Ach, Ulla wordt soms meer als decor dan als levensecht geschetst, Martin is wel erg bovenmenselijk rustig en verdraagzaam. Maar wat zou het als een boek je zo meesleept in afstand nemen, loslaten en aanvaarden van het lot met een korte tijd voor reflectie over wat essentieel is en wat niet. Martin had een gelukkig leven, zeker de laatste twaalf jaar met een jonge Ulla en op zijn zeventigste nog een kind, een ‘geschenk waar je geen vraagtekens bij plaatst’.

    Deze ontroerende roman van een auteur die nooit tot de literaire incrowd wilde behoren pakt je bij de keel. Misschien is Schlink als jurist als geen ander in staat om helder en scherp te schrijven, zonder onnodige uitweidingen of ingewikkelde constructies. In een interview met de Volkskrant heeft Schlink een hele mooie, troostende gedachte voor lezers op leeftijd laten optekenen: ‘Wat ik heb willen zeggen in Het late leven: het late leven is een echt leven. Het is niet zo dat het geleidelijk bergafwaarts gaat. Het is een intens leven met, wederom, zijn eigen uitdagingen, zijn eigen problemen en zijn eigen vreugde.’

    Deze schrijver geeft een grote mate van zuiver lezersgenot, en ook nog een portie troost over de schoonheid van het ouder worden. Jongere lezers zal het wellicht minder aanspreken, maar dit wijze en aangrijpende boek is het waard om met aandacht woord voor woord te savoureren.

     

  • Oogst week 21 – 2020

    De naam van de wereld

    In De naam van de wereld van Denis Johnson heeft de hoofdpersoon, Michael Reed, zich gaandeweg opgewerkt van leraar Maatschappijleer op een middelbare school tot universitair docent aan een Faculteit der Geesteswetenschappen.

    Johnson neemt het academisch reilen en zeilen op de hak en zijn schijnbaar lethargische personage ook, ‘Ik gaf kleine werkgroepen, vroeg slimme, ongerichte studenten boeken te lezen die ik zelf al gelezen had en luisterde daarna hoe ze werkstukken blootstelden aan de kritiek van de rest van de groep. Met andere woorden, ik voerde niets uit.’

    Reed draagt een groot verdriet met zich mee: zijn vrouw en dochter zijn overleden als gevolg van een auto-ongeluk. Als zijn dienstverband beëindigd dreigt te worden, spreekt Reed nieuwe contacten aan en begint hij opnieuw richting te geven aan zijn vastgelopen leven.

     

    De naam van de wereld
    Auteur: Denis Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De smaak van wilde peren

    Er is meer buitenlandse literatuur geoogst: De smaak van wilde peren, van Ewald Arenz. In deze roman draait het om de bijzondere vriendschap die tussen de personages Sally en Liss ontluikt.

    De jonge Sally schopt overal tegenaan, Liss is juist rustig en beheerst – iets wat duidelijk ook in hun vertelstijl wordt weerspiegeld, vlak voor ze elkaar ontmoeten in een wijngaard en Liss om Sally’s hulp vraagt.

    De smaak van wilde peren is het eerste boek van Arenz dat naar het Nederlands is vertaald.

    De smaak van wilde peren
    Auteur: Ewald Arenz
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Maanscherf

    Laurens van den Broek (1989) schreef met Maanscherf zijn debuutroman: een roman waarin hij vader-zoonverhoudingen, reizen en de voorspellende kracht van natuurverschijnselen met elkaar verbindt.

    Het hoofdpersonage, ex-ornitholoog Alphonse (of kortweg Fons) van Felius, reist af naar Les Sept Îles om de populatie jan-van-genten die daar leeft nader te onderzoeken. Langzaamaan lijkt zijn rationele inborst te worden aangetast.

    Het idee voor Maanscherf kreeg gestalte tijdens zijn deelname aan het schrijfkamp van Das Mag, in 2014. Naast schrijver is Van den Broek ontwerper.

    Maanscherf
    Auteur: Laurens van den Broek
    Uitgeverij: Palmslag
  • Wandelen langs de rivier

    Wandelen langs de rivier

    De Zwitserse schrijver Gerhard Meier (1917-2008) is hier te lande niet zo bekend, hoewel hij een groot oeuvre van proza en poëzie heeft opgebouwd. Nu is voor het eerst een roman uit 1979 van hem vertaald, Dodeneiland.

    Het is een kort verhaal; twee oude vrienden, Baur en Bindschädler, wandelen langs de rivier de stad uit. Zoals de rivier door het landschap slingert, zo verloopt het gesprek tussen de twee mannen; althans het is Baur die aan één stuk door praat en Bindschädler die luistert en nadenkt. De vertelling meandert van diepe inzichten tot oppervlakkige observaties, het gaat alle kanten op: over de kersenbomen die door kraaien worden belegerd, over de bakkerswinkel waar zijn schoolvriendin Linda woonde, over de begraafplaats waar zijn neef Johann ligt, ‘de laatste landloper van onze streek’, over de vrouw van de cavaleriemajoor waaraan Baur geparenteerd was, over ‘de omineuze bootreis die ze achter zich hadden’ (naar Griekenland), enzovoort.

    Het is niet gemakkelijk te achterhalen wat Baur bezielt: waarom vertelt hij dit allemaal aan zijn oude vriend? En waarom reageert Bindschädler nauwelijks? Misschien is dit het antwoord:

    ‘”Waarom, Bindschädler, heeft men op zijn oude dag die krankzinnige behoefte – achterom te zien of in het verleden te leven, steeds weer die draden in de greep te krijgen die je verbinden met wat vergaan, vervlogen en onmogelijk weer terug te brengen is, wat op de een of andere manier is opgelost, maar toch aanwezig is en niet weg te poetsen? Wat uiteindelijk op een of andere manier met ons de grond ingaat waar het oplost, vervluchtigt of opgaat in het minerale, het stoffelijke, om dan in bloemen, in lelies bijvoorbeeld, in asters, in sneeuwklokjes, vergeet-mij-nietjes weer op te duiken, als hun geur (voor zover ze die wensen af te geven) en zo weer te vervliegen,” zei Baur.’

    Door er op deze manier over te praten houdt hij het verleden levendig en daarmee zijn leven. Dit citaat is ook illustratief voor het epische taalgebruik van Meier. Het is mooi geschreven, beeldend proza waarbij je je een goede voorstelling kunt maken van wat de beide vrienden onderweg tegenkomen, wat ze zien en welke associaties dat vooral bij Baur oproept. Baur is naar eigen zeggen een ‘ogenmens’, neemt veel waar, zowel wat hij tijdens zijn wandelingen langs de rivier ziet, als ook de herinneringen die bij hem bovenkomen van gebeurtenissen die zij samen hebben meegemaakt.

     

  • Het zoeken naar de waarheid

    Het zoeken naar de waarheid

    De hoofdstukken in deze debuutroman van de Duitse schrijfster Bettina Wilpert zijn niet genummerd of getiteld maar geletterd van A, B en C, tot en met N. Als je begint te lezen, voel je direct dat er iets aan de hand is dat nog geen naam mag hebben. Niet dat er sprake is van suspense, een spanningsboog of achtergehouden informatie. Nee, er is meer sprake van een grote informatiedichtheid. De personages, Anna, Jonas, Hannes, Verena, Uli, buitelen over elkaar. De gebeurtenissen in Leipzig volgen elkaar met een hoge snelheid op. Het is een snelkookpan die oververhit raakt. De alinea’s worden steeds korter en bestaan soms uit één zin: ‘Ze kon niet lang boos op hem blijven’.

    Anna en Jonas

    ‘Ze’ is Anna, net afgestudeerd als vertaalwetenschapper Russisch en Spaans, en ‘hij’ is Jonas, bezig met zijn proefschrift over Oekraïense popliteratuur. Anna wordt geïntroduceerd als een feministe die ‘vond dat je eigenlijk mánnenvoetbalkampioenschap moest zeggen, omdat er ook een vrouwenvoetbalkampioenschap bestond’. Jonas heeft wat van een macho met een baard, ‘die bijna geen boeken van vrouwen las’ en alles beter weet.
    Een alwetende verteller hoort het verhaal van beiden aan (een advocaat, agent?). Door een zinnetje als ‘Jonas zei dat het in juni was’ of door een opmerking tussen haakjes (‘biechtte hij mij op’). Dit terloopse staat in contrast tot de nadrukkelijke vaart van de ouverture van het boek, waarin alle personages worden voorgesteld (A).

    Vanaf het tweede hoofdstuk wordt pas echt duidelijk, dat het om een verhoor gaat. Het opsommen van feiten begint telkenmale met het woordje ‘Dat’: ‘Dat ze het fijn vond weer eens seks te hebben gehad’, ‘Dat ze elkaar een paar dagen later weer tegen waren gekomen’. Het gaat om-en-om, dan weer is Anna aan het woord, dan weer Jonas. Maar ook Hannes, de studievriend met wie ze heeft samengewoond, en Verena, Anna’s huisgenote, beiden merkten dat er iets niet klopte, maar hadden dit toen niet tot hun bewustzijn willen of kunnen laten doordringen en doen nu alsnog het woord. Zij brengen de details aan bij het woord-tegen-woord van Anna en Jonas. Details die wél te bewijzen zijn. Het zijn stuk voor stuk kenmerken voor dergelijke situaties en worden goed, invoelend en herkenbaar beschreven.

    Twee perspectieven

    Het verhaal en de verteltrant komt in een wat rustiger vaarwater terecht, wat contrasteert met de vertwijfelde, kolkende gemoedstoestand van Anna en de emoties rond het WK voetbal (2014). Dit WK staat symbool voor het thema van het boek: de verkrachting van Anna door Jonas. Er zijn tegenstanders die overwonnen moeten worden, toeschouwers die het niet konden geloven, Anna die er niets bij voelde en Duitse vlaggetjes van auto’s afbrak, boos op alles en iedereen.

    De twee perspectieven van Anna en Jonas staan tegenover elkaar, zoals twee voetbalelftallen. Jonas meent dat ‘het’ in onderlinge overeenstemming gebeurde, hij had immers een condoom gebruikt. Anna meent dat het onvrijwillige seks was geweest. Ook de visies van de omgeving worden van twee kanten bekeken en beschreven. De avondwinkelier die Anna voor openingstijd op het raam hoorde bonzen en twijfelde of hij wel open zou doen, en Anna die vertelt dat hij ‘zo aardig was om open te doen’. Of die van de agent, waarover Anna vertelt dat hij zei dat ze als jonge vrouw niet zoveel moest drinken. ‘U ziet wat ervan komt’, waarmee hij de schuld bij haar legt. Het komt bekend voor: U moet niet zulke korte rokjes dragen, of, onlangs nog: Een vrouw kan zich toch verweren? Alsof er geen verkramping bestaat.

    De waarheid

    Het centrale thema van het boek is echter niet ‘het’ of ‘de gebeurtenis’, maar ‘de waarheid’. Wat is dat, als je vrienden niet kunnen geloven dat Jonas tot verkrachten in staat is en dat Anna nooit liegt?
    Waarheid was al een punt in Anna’s kindertijd. ‘Haar ouders vertelde ze bijvoorbeeld nooit de hele waarheid (…). Van die tienerleugens’. De waarheid betekent ook: je een oordeel aanmatigen. Een kant kiezen.
    Tegen het slot van de roman gaat het over de wettelijke paragraaf over seksueel geweld. ‘Of nee zeggen voldoende was, of dat je je ook fysiek moest verzetten om te voldoen aan de juridische eisen van een verkrachting’. Dat laatste geldt in Nederland ook, maar er komt een wetsvoorstel aan waarin dit mogelijk vervalt.

    Dit – door Marcel Misset schitterend vertaalde – krachtige debuut, vaart mee op de stroom van het #MeToo-debat. Aan de ene kant is dat mooi maar bergt ook het gevaar in zich dat het over het hoofd wordt gezien. Dat het gezien de hoeveelheid publicaties die daarover verschijnen niet wordt opgepikt. Dat zou geheel ten onrechte zijn: want hier is een groot schrijftalent aan het woord, dat zowel qua vorm als inhoud duidelijk grip heeft op het geheel. Eén die het waard is gevolgd te worden.

     

  • Oogst week 21 – 2019

    De grote verkilling

    In deze week van de Europese Verkiezingen ontvingen wij op de redactie het nieuwe boek De grote verkilling van Geert van Istendael (1947), schrijver, vertaler, essayist en dichter. De uitgeverij omschrijft dit boek op de achterflap als: ‘een manifest voor een sociaal Europa, geschreven door een gedreven Europeaan’
    Van Istendael neemt duidelijk stelling in De grote verkilling.

    Uit de flaptekst: Ons Europa verkilt zienderogen. De grote middenpartijen die na 1945 de genereuze sociale bescherming hebben opgebouwd die de halve wereld ons benijdt, zijn aan het verschrompelen of liggen al tijden op apegapen. De burgers hebben hen afgestraft en keren zich naar rattenvangers die beweren in de naam van het volk te spreken. Hebben sociaaldemocraten en christendemocraten – want over hen gaat het – al te gretig het neoliberale geloof omhelsd? Land voor land laat Van Istendael zien hoe de verzorgingsstaat wordt afgekalfd. Dit boek probeert buiten ieder dogma of makkelijke verklaring om de grote verkilling van Europa te beschrijven en de oorzaken van de malaise te achterhalen. Het is daarnaast een vurig pleidooi voor de sociale zekerheid als toekomstproject in het belang van ons allen, zowel binnen als buiten Europa, of zoals van Istendael zelf schrijft:

    ‘Ik stel dat de sociale zekerheid een toppunt is van Europese beschaving en dat zij ons aller borstwering is tegen oeverloze ellende.’

     

    De grote verkilling
    Auteur: Geert van Istendael
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De kleine Huizinga

    In de serie Kleine boekjes – grote inzichten van uitgeverij Atlas Contact is onlangs De Kleine Huizinga verschenen, geschreven door Willem Otterspeer. Otterspeer, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Leiden publiceerde al eerder over Huizinga in Orde en Trouw, een serie essays dat in 2006 verscheen.

    Herfsttij der Middeleeuwen, maar ook de andere boeken van Huizinga worden vaak geprezen, maar evenzo vaak niet goed begrepen.
    In De kleine Huizinga probeert Otterspeer niet alleen Herfsttij der Middeleeuwen maar ook de samenhang met het andere werk van Huizinga te duiden. Om die samenhang te ontdekken vindt Otterspeer dat men Huizinga niet als historicus moet lezen maar als schrijver.

    Inge Meijer schreef een column over De kleien Huizinga en Otterspeer bij VPROBoeken.

    De kleine Huizinga
    Auteur: Willem Otterspeer
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Aan de andere kant van de natuur

    De andere kant van de natuur omvat twaalf prozaschetsen die Rilke in het tweede decennium van de twintigste eeuw schreef en die niet eerder samen in Nederlandse vertaling in boekvorm verschenen. Ze worden gevolgd door een voordracht van Stefan Zweig over Rainer Maria Rilke.

    Het verhaal Gym begint als volgt:

    ‘In de militaire school van Sankt Severin. Gymzaal. In de lichtgekleurde tijkhemden staat de klas in twee rijen opgesteld onder de grote gaslampen. De gymleraar, een jonge officier met een hard, getaand gezicht en spottende ogen, heeft het commando tot vrije oefeningen gegeven en deelt nu de groepjes in. ‘Eerste groep rekstok, tweede groep brug, derde groep paard, vierde groep klimmen! Ingerukt!’ En op hun lichte schoenen met colofonium op de zolen verspreiden de jongens zich ogenblikkelijk. Enkelen blijven midden in de zaal staan, aarzelen, quasi-onwillig. Ze vormen het vierde groepje, dat van de slechte gymnasten die geen zin hebben om iets aan de toestellen te doen en al moe zijn van de twintig kniebuigingen, een beetje ontredderd en buiten adem.
    Maar een van hen, normaal hierbij altijd de laatste, Karl Gruber, is al bij de klimstangen die in een nogal schemerige hoek van de zaal staan opgesteld, pal voor de nissen waar de uitgetrokken uniformen hangen. Hij heeft de eerste de beste stang vastgepakt en trekt die met buitengewone kracht naar voren, zodat ze vrij op de voor de oefening geschikte plaats staat te wiegen. Gruber laat de stang niet eens eerst weer los, hij springt omhoog en blijft op een behoorlijke hoogte aan de stang hangen, met zijn benen onwillekeurig in de klemhouding waar hij eerder nooit iets van heeft begrepen.’
    […]

    Aan de andere kant van de natuur
    Auteur: Rainer Maria Rilke
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2019)

    Lezen in tijden van Netflix

    Het is misschien gek om op een website voor lezers een boek te signaleren dat aandacht vraagt voor de concurrentiestrijd tussen de moderne media en het boek. Want lezers weten allang dat de rust, concentratie en onthaasting tijdens het lezen bijzonder aangenaam en waardevol zijn.
    Maar toch, ook echte lezers zullen wel eens voor de keuze staan: lezen of kijken?

    De Duitse Felicitas von Lovenberg (1974) heeft onderzoek, lezerservaringen en haar eigen leesgedrag in dit boek bijeengebracht. Voor allen die tips nodig hebben om hun leesgedrag te optimaliseren, geen tijd meer hebben om te lezen of met de zin en onzin, het nut en de meerwaarde van het lezen worstelen.
    Von Lovenberg schrijft toegankelijk en geanimeerd en gaat in op de manier waarop het lezen de sociale competentie en het zelfbewustzijn kan bevorderen. Hoe het ideologieën ondermijnt, ons minder eenzaam maakt en nieuwe werelden voor ons opent. Maar dat wist u natuurlijk allang!

    Von Lovenberg studeerde Moderne geschiedenis en werkte als literatuurcritica bij de Frankfurter Allgemeine Zeitung en is in de boekenwereld in Duitsland een bekende persoonlijkheid.

     

    Lezen in tijden van Netflix
    Auteur: Felicitas von Lovenberg
    Uitgeverij: uitgeverij Cossee
  • Traumatische gebeurtenis uit het leven van een scholier in 1928 

    Traumatische gebeurtenis uit het leven van een scholier in 1928 

    Wie dit boek ter hand neemt moet zorgen minstens anderhalf á twee uur de tijd te hebben. Want als je er eenmaal aan begint lees je het honderdeneen pagina’s tellende verhaal in één ruk uit. En je maakt dan als lezer één lesuur mee uit klas 3B van het Wittelsbacher Gymnasium in München. In het jaar 1928. Tijdens die les komt de rector het schoollokaal binnen, neemt de les over van de leraar Grieks en zorgt er door zijn wijze van overhoren voor dat hij twee leerlingen van zijn school kan verwijderen wegens arrogant gedrag respectievelijk falende kennis. Doet hij dat met voorbedachte rade?

    Eén van die twee leerlingen is Franz Kien, het alter ego van de schrijver van dit boek, de in Nederland onbekende maar in Duitsland gevierde auteur Alfred Andersch (1914-1980). Het is het waargebeurde verhaal van zijn eigen verwijdering van de school. De pijn daarover droeg hij zijn hele leven mee en schreef het op zijn sterfbed van zich af. Het verhaal heeft in de Duitse literatuur dezelfde status als Bint van Bordewijk in de Nederlandse.

    Waarom hij een alter ego nodig had legt de schrijver in een nawoord geduldig uit aan zijn posthume publiek en de recensenten. Het laten beleven van deze vernedering door Franz Kien gaf hem meer mogelijkheden dan wanneer hij de gebeurtenissen vanuit het blikveld van een ik-persoon zou schrijven: ‘Juist het vertellen in de derde persoon stelt de auteur in staat om zo eerlijk te zijn als maar mogelijk is. Het helpt hem remmingen te overwinnen waarvan hij zich maar nauwelijks kan bevrijden als hij ik schrijft’ En het werkt.

    Vanaf het moment dat de rector het lokaal binnenkomt beleven we een spannend lesuur met Franz Kien, een matige en luie leerling die eerst geniet als een arrogante medeleerling te grazen genomen wordt door de Rex (zoals de rector achter zijn rug genoemd wordt), maar tot zijn grote schrik uiteindelijk zelf slachtoffer wordt van het schoolhoofd. De Rex voert zijn schrikbewind uit met een verraderlijke combinatie van vriendelijke uitstraling en onverhoedse minachting en vernedering van zijn pupillen.

    En deze rector heet Himmler en is de vader van Heinrich Himmler, in 1928 al aanhanger van Hitler en later diens tweede man. Vader Himmler en zoon zijn gebrouilleerd, maar dat heeft vooral te maken met het feit dat vader weinig achting heeft voor de uit de heffe van het volk voortgekomen Hitler, want Duits-nationalistisch is hij vanzelfsprekend wel.

    De leerlingen van het gymnasium zijn, alhoewel pas veertien of vijftien jaar, allemaal op de hoogte van deze situatie en sympathiseren van de weeromstuit met Heinrich, die de moed heeft gehad tegen zijn strenge vader op te staan.
    Behalve een spannend verhaal dat rechttoe-rechtaan geschreven is en je tot de laatste regelt boeit – ook als je de afloop weet –  is De vader van een moordenaar ook een boeiende beschrijving van de omgangsvormen die in die tijd gehanteerd werden op een gymnasium-van-stand.
    Leuk was anders. Een op zichzelf staand citaat is moeilijk te vinden in het zinderende relaas van dit lesuur. Maar een terzijde herinnering van Franz Kien kan toch een aardig beeld geven van de sfeer en de verhoudingen op deze school.

    ‘Franz was in de pauze naar het toilet gegaan en juist nadat hij zijn grote boodschap had gedaan en weer de ruimte met pissoirs betrad kwam de Rex binnen. Dat was vreemd, Franz had nooit eerder gezien dat een leraar in de pauze gebruik maakte van de leerlingentoiletten, als zoiets gebeurde moest er wel sprake zijn van hoge nood die wetten brak, maar de Rex had zo te zien helemaal geen haast, hij leek de wc’s alleen maar te willen inspecteren (…) ik leek vast een idioot, dacht Franz, omdat ik ervan uitging dat de Rex op deze plek en omdat hij me zo vriendelijk aankeek, iets grappigs zou zeggen en dat grappige kwam ook, klonk op van nabij, zakelijk en op fluistertoon maar niettemin zo duidelijk dat ook de andere leerlingen in de pissoirruimte het duidelijk konden horen: “Je gulp staat nog open, Kien.”’

    Door in de titel van dit verhaal (De vader van een moordenaar) een connectie te leggen tussen de wreedheid van de Rex en de oorlogsmisdaden van de zoon doet Alfred Andersch beiden mogelijk onrecht. En met het verhaal heeft de titel ook niets van doen. Maar dat is dan ook het enige negatieve dat gezegd kan worden over deze zeer geslaagde novelle.

     

  • Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    ‘Van lezen wordt je wereld groter’, las ik ooit in een artikel over lezen. Daar ben ik het nog steeds mee eens. Dan lees je een boek als Axolotl en je denkt: ‘Wat is dit? Wat gebeurt hier? Zou dat echt zo zijn?’ Als op de laatste vraag het antwoord ‘ja’ is, dan wordt je wereld groter.

    We maken in dit boek kennis met Mifti, woonachtig in Berlijn, samen met haar zus Annika en haar broer Edmond. Ze wonen in een grote, verwaarloosde woning in het midden van de stad. Het is een grote puinhoop, er zijn meer lege doosjes van medicijnen te vinden, dan appels en peren, iedereen loopt er binnen, kan er slapen of beter gezegd neuken met wie hij of zij wil. Drugs, drank, sex, drank, sex, drugs, sex in alle variaties en combinaties. Ga je gang. Doe waar je zin in hebt. … ‘Twee seconden later vindt ze zichzelf dan onder hem terug, terwijl hij haar door haar netkousen heen als een holbewoner neukt. Zo ongeveer, zeg maar. Vind je dat soms leuk? ’… ‘Ben jij ook zwaar biseksueel?’ … ‘Ik stond welliswaar niet van blijdschap te springen toen ik erachter kwam, maar ja, ik ben ook zwaar biseksueel.’ Daarna minutenlang een vlezige stilte. Ik krijg het gewoon niet voor elkaar nu een trek te nemen van de joint die mij al geruime tijd wordt voorgehouden’…

    School? Te erg voor woorden. Werken?  Leven, vrijheid, bandeloosheid. Mifti heeft op dertienjarige leeftijd haar moeder verloren. Een moeder, die gewelddadig was, psychopatisch, ofwel gestoord. Haar vader is een egocentrische kunstenaar, die met een jongere vrouw om de hoek woont. Mifti en haar broer en zus hebben wel een werkster, want op de een of andere manier is geld geen probleem. Ze gaan van de ene vriendin, naar de andere vriend. Simon heeft het kennelijk goed met Mifti voor, hij geeft haar een axolotl.  ‘Op een gegeven moment bel ik bij Simon in Neukölln aan, gewoon, omdat hij altijd stoned is, een Siamese kat van twee duizend euro heeft en ongeveer veertig aquaria met kleine amfibiachtige kutbeesten die hij verkoopt. Ik bekijk een Mexicaanse nachtsalamander die paars is, of in elk geval zeer zeer roze. Hij heeft grappige kleine tentakeltjes, blauwe knopoogjes en de vriendelijkste glimlach die ik ooit heb gezien. Waanzinnig. … Ik koop die achterlijke axolotl echt van hem en sjouw hem in een doorzichtige, met water gevulde plastic zak een hele tijd met mij mee’.  Dit is zo’n beetje de meest tedere scène in het hele boek. Even geen kutmuziek, kutgymnasiastje en hoofdstukken, waar het woord kut het meest gebruikte stopwoord is. De vriendelijkste glimlach. Die heeft ze nodig. En ‘gewoon iemand die me vraagt hoe het op school was’.

    Mifti is verliefd geworden op een 46-jarige vrouw, Alice. Enerzijds zoekt zij bij deze vrouw, wat zij ooit bij haar moeder gemist heeft en iedereen, inclusief zijzelf beseft dit, behalve Alice. Anderzijds valt zij telkens weer op mannen, die ouder en veel dommer zijn dan zij zelf. En als sex dan niet meer voldoende ontspanning en vergetelheid bezorgt, dan is er altijd nog de heroïne. Nog later probeert zij Alice’s aandacht te trekken door in een groot warenhuis dure kashmir-truien te stelen en als zij betrapt wordt, geeft zij het adres van Alice op. Het helpt niet echt. Ze mag mee, mag er slapen en dat is het dan. Mifti krijgt in haar droom een brief van haar moeder.

    Het is een boek over de generatie-nix, nul, niente. Een verloren generatie. Een vlucht voor verantwoordelijkheid en natuurlijk zijn de ouders en de samenleving schuldig. Wat je zo leest over Mifti’s ouders, maakt ook niet vrolijk. Zou het echt zo kunnen zijn?  En Mifti? Zou ze net als de axolotl nooit volwassen worden? Zou ze een roadkill worden of al zijn?

    Het is een boek, dat veel reacties heeft opgeroepen. Jubelende recensies in Duitsland van gerenommeerde recensenten en boze brieven van lezers. Zeker toen bleek, dat er veel plagiaat in het boek voorkwam uit een blog van een Berlijnse man. De schrijfster verdedigde zich, dat het bij deze tijd hoort, alles is immers te vinden en de kunst is om wat je vindt te bewerken, te verbouwen en nieuwe inhoud te geven. In de nieuwste uitgaven worden de bronnen vermeld. ’t Is een boek, waar je of helemaal enthousiast van wordt of van over je nek gaat. Daar kun je alleen achter komen door het te lezen.

    Axolotl Roadkill

    Auteur: Helene Hegeman
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Vertaald door: Marcel Misset
    € 17,95