• Literaire mijlpaal die het verdient meerdere keren herlezen te worden

    Literaire mijlpaal die het verdient meerdere keren herlezen te worden

    In de delen 3 en 4 van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage schuiven de persoonlijke geschiedenis van Gesine, zoals ze die aan haar dochter Marie vertelt, en de hedendaagse zoals die wordt verslagen in de New York Times steeds meer naar elkaar toe. Dat is niet alleen het geval omdat Gesine’s verhaal loopt tot het eind van de jaren 50 en daarmee bijna tot ‘het jaar van Gesine’ van augustus 1967 tot augustus 1968, maar ook vanwege twee thema’s die elkaars spiegelbeeld zijn: de vorming van de DDR en de stalinisering van Oost-Europa na de Tweede Wereldoorlog aan de ene kant en de Praagse Lente in 1968 die juist was gericht op het socialisme met een menselijk gezicht, vrij van de knoet van Rusland, aan de andere kant.

    Bestreken de delen 1 en 2 globaal een periode van vijftien jaar tot begin 1945, in deel 3 blijven we in 1945 en 1946. Dat is niet verwonderlijk. In Jerichow, het dorp waar Gesine als kind woont, bereikt de oorlog, en vooral zijn nasleep, de inwoners nu pas echt. Tot dan toe hebben we nauwelijks gehoord wat de oorlog in Europa teweeg bracht. Het geweld speelde zich ver van Jerichow af. In 1945 valt die wereldgeschiedenis ineens de Mecklenburgse stad zelf binnen. Eerst komen de Engelsen, die als gevolg van internationale afspraken al snel vervangen worden door de Russen. Dan komt de dood in haar gruwelijke gedaante de huizen van Jerichow binnen. Er verdwijnen mensen, er zijn zelfmoorden, er zijn verkrachtingen van vrouwen door de Russen, en slachtoffers onder de door hen opgejaagde bewoners uit het oosten van het Derde Rijk, zoals Polen.

    Nazistront

    Heinrich Cresspahl, Gesine’s vader, heeft gecollaboreerd met de Engelsen en is door hen benoemd tot burgemeester van Jerichow. Hij laat de kans schieten om met ze mee te gaan als zij weer vertrekken en de macht overdoen aan de Russen; hij wil omwille van zijn dochter, die dan aan tyfus lijdt, en de Poolse vluchtelingen thuis blijven. Als de Russen Heinrich in zijn functie handhaven bezorgt hem dat onder de andere inwoners al snel de benaming ‘Russenknecht en volksverrader’. Maar het burgemeesterschap duurt kort; hij wordt al snel door de Russen juist als ‘oud stuk nazistront’ gearresteerd. Iedereen merkt aan den lijve ‘dat de oorlog ook hierlangs was gekomen, en er zijn intrek had genomen’. De vriend van de ene dag is de volgende dag je vijand. Helden worden ineens slachtoffers en lafaards worden op het schild geheven. Gesine – haar moeder Lisbeth heeft kort voor de oorlog zelfmoord gepleegd – wordt opgevoed door Marie Abs en haar zoon Jakob die in de laatste oorlogswinter als vluchtelingen bij hen in huis zijn gekomen.

    Hand op haar schouder

    De veranderingen betekenen dat Gesine, dan twaalf jaar oud, meer dan ooit de grote geschiedenis ervaart. De beschrijvingen daarvan door Johnson zijn van een wrede schoonheid. Als ze een kapel binnenloopt die als mortuarium is ingericht ziet ze de doden: ‘Ze zaten in het kleine mortuarium alsof ze leefden, met hun rug tegen de muur geleund, de meesten met open ogen. De jurken, broeken en jasjes hadden ze aangelaten, uit vrees voor besmetting, of men had ze weer aangekleed; de kleren zaten alleen wat scheef aan het lichaam, te hoog in de nek, te hoog boven de knieën. Sommigen raakten elkaar aan, hielden een buur overeind die anders zou omvallen (…) een jonge man, een jaar of tweeëntwintig schatte Gesine hem, met zwarte haren en lange bakkebaarden, in een net zwart pak met overhemd en stropdas, een stadsmens die zijn schoenen was kwijtgeraakt. Zijn hoofd was naar opzij gekeerd alsof hij naar de andere muur keek. Bij hem lag een meisje half opzijgezakt, een blondine met hoog opgestoken haren, onder de zomersproeten, zij was half bij de jongeling op schoot gegleden, en hoe sereen haar houding ook was, zijn hand op haar schouder leek een beetje verlegen, niet helemaal vrijwillig’.

    In de delen 3 en 4 verplaatst het toneel zich naar het, net als Jerichow, fictieve stadje Gneez, 19 km verder, waar Gesine haar middelbare schooltijd doorbrengt. De lessen en het schoolleven raken steeds meer doordrenkt van de proletarische heilsstaat waarvan Stalin als onschendbare leider moet worden vereerd. Wee degene die zich daaraan onttrekt: ‘Op de school van Hitler werden we gewaarschuwd voor de afgesneden schaduw van een man met een plutocratenhoed [de afbeelding op een sticker in WO II in Duitsland]: de vijand luistert mee. Op de Nieuwe School leerden we elkaar te waarschuwen: Jeugdvriend [een communistische scholierenorganisatie] luistert mee’. (Terzijde: Zoals in de eerste bespreking van Jahrestage al vermeld weet Johnson niet alleen personen maar ook steden en gebouwen zo te beschrijven dat ze bezield worden. Het schitterendste voorbeeld  is de rondwandeling door Gneez van 27 juni 1968. Die is zo levendig en beeldend geschreven dat de lezer er zonder veel moeite het stadsgezicht naar zou kunnen tekenen).

    Gesine wordt een paar keer beschuldigd van contra-revolutionaire opmerkingen. Ze krijgt het er benauwd van en wil naar het Westen. Jakob, die werkzaam is bij de spoorwegen, zorgt voor een retourkaartje; hij hoopt dat ze terugkomt, maar Gesine blijft weg omdat de geruchten steeds sterker worden dat het Oostblok de grenzen naar het Westen zal dichtgooien.

    Spiegeleffect

    Zoals gezegd schuift dit verhalende gedeelte over Gesine’s jeugd als een spiegeleffect steeds dichter naar het heden (1968) toe. In het nieuws dat Gesine in 1968 in New York tot zich neemt is er groeiende aandacht voor de ontwikkelingen in Tsjecho-Slowakije waar onder Alexander Dubček de Praagse Lente ontluikt. We volgen de hoop op meer zelfstandigheid en de zenuwachtige reacties van het Warschaupact van dag tot dag, in het ritme waarin Gesine de berichten erover in de New York Times leest. De New Yorkse bank waar zij werkt ziet kansen om banden aan te gaan met Tsjecho-Slowakije nu dat land lijkt open te staan voor het kapitalisme in het Westen. Vanwege haar kennis over Oost-Europa is Gesine gevraagd om er een vertegenwoordiging te vestigen. Ze wil het graag omdat ze in haar hart socialistisch is gebleven.

    Het komt in deel 4 inderdaad tot een vertrek naar Praag. Maar dan eindigt de roman plotseling op 20 augustus 1968. In de daarop volgende nacht slaan de Warschaupactlanden met een inval in Praag alle hoop de bodem in. Voor Johnson was het een dramatische keuze om Jahrestage daar te laten eindigen. Ook voor hem was de inval een vernietigende aanslag op zijn geloof dat Marxisme met een menselijk gezicht mogelijk zou zijn. Extra tragisch was dat hij kort daarna ontdekte dat zijn vrouw Elisabeth (die voor Gesine model stond) een geheime relatie had met een Praagse studievriend die voor de geheime dienst werkte. Dit deel ontrolt zich naar het plotselinge einde in tal van omineuze toespelingen. Er zijn de sterfgevallen van Gesines schoolvriend Julius; van Jakob, die in 1957 vader is geworden van Marie; van haar (Duitse) partner in Amerika, Dietrich Erichson. Alle drie komen ze om bij een ongeluk. En Gesine leest steeds vaker in de New York Times over vliegtuigcrashes, waarbij ze denkt: ‘Binnenkort vliegen wij’.

    Ze was het niet

    Bijzonder in Jahrestage is hoe Gesine omgaat met namen. Haar New Yorkse vriend Dietrich Erichson wordt bijna uitsluitend vermeld met zijn initialen D.E. Dat is liefkozend bedoeld, omdat Marie, die erg goed met hem kan opschieten, ze graag wil zien als afkorting van Dear Erichson. Mensen over wie Gesine met liefde spreekt worden altijd bij hun voornaam genoemd: Jakob, Marie. Tot anderen bewaart zij een afstand door over hen te praten als Mr Cresspahl (haar vader) en Mrs Cresspahl (haar moeder), die ook vaak als us Lisbeth voorkomt omdat ze door anderen zo werd aangeduid. Soms keurt ze historische personen geen naam waardig: Hitler is dan ‘De Oostenrijker’ en DDR-president Ulbricht ‘De Zetbaas’.

    Maar het meest opvallend is hoe vaak Gesine over zichzelf praat in de derde persoon in een bepaalde hoedanigheid, soms in één zin afgewisseld met ‘ik’:  ‘studente Cresspahl’, ‘het kind Cresspahl’, ‘het kind dat ik was’. Of zelfs: ‘Dat was Gesine niet. Dat was werkneemster Cresspahl’. Het is alsof ze afstand wil nemen van haar verleden.: ‘Het kind dat ik was, Gesine Cresspahl, halfwees (…) moet op een dag hebben besloten de volwassenen hun deel te geven, zichzelf daarbij weg te smokkelen om een leven te bereiken waarin ze kon zijn zoals ze zou willen’. De complexiteit van Gesine als verteller wordt daarbij nog eens vergroot door het feit dat ze stemmen hoort in haar hoofd die het verhaal soms overnemen.

    Hete hond

    Bijzonder aan de Nederlandse uitgave van Jahrestage is ook dat het het debuut is van vertaler Marc Hoogma. Hij begon zonder enige staat van dienst op dat gebied aan de titanenklus, louter uit bewondering. Een ongelooflijke prestatie die hij volbracht met steun van redacteur Theo Veenhof. Het titanische werd niet alleen gevormd door de omvang, maar evenzeer door de veelheid van stijlen en stemmen, het hermetische van bepaalde tekstgedeelten, het gebruik van meerdere talen (waaronder platduits) en de door Johnson veronderstelde voorkennis. Gelukkig kon Hoogma een beroep doen op het meticuleuze commentaar dat ook voor ons als lezers digitaal beschikbaar is bij de universiteit van Rostock (de link is in de roman opgenomen). En er is het – niet door de vertaler genoemde – uitvoerige (540 pagina’s) lexicon Kleines Adressbuch für Jerichow und New York, een register met duiding over onder andere personen, plaatsen en geschiedenis dat eveneens digitaal raadpleegbaar is.

    Hoogma is er in geslaagd Jahrestage in soepel Nederlands om te zetten. Als er al wat op (aan) te merken is, dan betreft dat een paar opvallende ‘vernederlandsingen’, zoals ondermens (waar het Duitse Untermensch, dat overigens één keer in het Duits wordt gebruikt, een aansprekender term is) en de bijna komisch aandoende ‘stijve bovenlip’ en ‘hete hond’ voor stiff upper lip en hot dog. Toch laat raadpleging van het Duitse origineel zien dat we met dergelijke kritiek voorzichtig moeten zijn. Johnson zelf gebruikt in de betreffende passages ‘steife Oberlippe’ en (op meerdere plaatsen) ‘heisse Hund’, terwijl zijn tekst toch doorspekt is met Engelse woorden en een Duitser die een broodje worst wil eten in het algemeen toch echt zal vragen om een hot dog. Waarschijnlijk getuigen deze keuzes dus van trouw aan het origineel.

    Op Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage zijn alle etiketten van toepassing die voor de mijlpalen uit de literatuur zijn bedacht. Het is een roman die het verdient meerdere keren te worden herlezen. Gesine is een personage dat niet alleen de Duitse geschiedenis in het midden van de twintigste eeuw representeert, maar ook iemand aan wie je gehecht raakt. Als je het boek sluit nadat je 366 intensieve dagen met haar hebt verkeerd, is het alsof je een beetje weduwnaar bent geworden.

     


    Dit is de derde van een driedelige bespreking van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage van Uwe Johnson, dat in Duitsland tussen 1970 en 1983 in vier delen is verschenen, en in 2020 in Nederland. De eerste bespreking voor Literair Nederland staat hier, de tweede hier.

     

     

  • ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’

    ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’

    De vierdelige roman Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage kent twee hoofdlijnen – onder vele andere. De ene wordt gevormd door de gebeurtenissen van 21 augustus 1967 tot en met 20 augustus 1968, zoals Gesine die dagelijks leest in de New York Times; de andere door het leven van haar en haar familie in Duitsland onder de nazi’s en na de oorlog in de DDR, zoals Gesine dat aan haar dochter Marie vertelt. In deel 2 wordt uit de gesprekken tussen Gesine en Marie steeds duidelijker hoe de wereld van moeder en dochter uiteenloopt. Marie is veel meer bezig Amerikaanse te worden dan haar moeder. In hun nieuwe thuisland verschillen ze van mening over racisme en de Vietnamoorlog. Waar Marie de Amerikaanse politiek wil begrijpen is Gesine daar afkerig van.

    Verraad

    Dat komt voort uit het feit dat ze geen gedeeld verleden hebben. De verklaring van Gesine is dat Marie zich geen voelbaar beeld kan vormen van oorlog. ‘Ze kan de oorlog in Vietnam niet zien. Al te precies heeft ze van mij gehoord hoe een oorlog aan de buitenkant eruitziet (…) Ze kent de ruïnes tussen de Avenues Amsterdam en Columbus, maar die werden niet door de bommen van de vijand ginds veroorzaakt maar door de sloopkogels van de grondspeculanten hier. De kleine winkeltjes op Broadway geven niet de geest doordat erfgenamen in de oorlog sneuvelen, maar door de dollars van de huur en de maffia [enz enz]’. Dat verschil tussen Marie als buitenstaander ten opzichte van Vietnam en Gesine met traumatische herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog leidt soms tot verwijten. Als Gesine Marie toevoegt dat ze niet in de gaten heeft hoe de Amerikaanse politiek van leugens aan elkaar hangt, antwoordt haar dochter: ‘Jij hebt jouw oorlog niet tegengehouden, en nu moet ik het voor jou doen!’

    Andersom voelt Gesine hoezeer zij zelf buitenstaander is. Na de moord op Martin Luther King in april 1968 betuigt ze een zwarte medebewoner van haar appartement haar medeleven, maar krijgt als reactie: ‘Het spijt u niet Mrs. Cresspahl (…) Martin Luther King was een zwarte man zoals ik. U hoort bij de blanken’. Onder de indruk van die opmerking neemt ze Marie kwalijk dat zij als blanke een telegram aan Coretta King heeft gestuurd en maakt de weduwe daarvoor per brief zelfs excuses.

    Gesine probeert voorzichtig de verschillende werelden van haar en haar dochter te overbruggen door parallellen te trekken tussen de VS van dat moment en het Duitsland van de jaren 30 en 40. Als Gesine vertelt dat haar vader voor de Engelsen werkte wekt dat bij Marie verbazing. Ze ziet het als verraad aan het vaderland. ‘Maar had zijn land niet ongelijk?’ vraagt Gesine waarop Marie reageert: ‘Gesine, heeft dit land [Amerika] niet [voor jou] ook ongelijk? (…) Kom jij daarom in actie om het te verraden? (…) Iedereen van jouw familie heeft de nazi’s in de kaart gespeeld, en Cresspahl al helemaal. Nu wil je tenminste van één de eer redden, en het liefst van jouw vader.’

    Legpuzzel

    Johnson spant in Jahrestage een ingenieus en weids samenstel van draden, maar het is aan de lezer om van al die losse draden het tapijt te weven. Al lezend word je meegesleept in steeds nieuwe verhalen waarvan niet meteen duidelijk is wat ze met elkaar te maken hebben. Tot ze elkaar ineens blijken te raken en verknoopt raken. Maar dat kauwt Johnson niet voor. Daardoor wordt de roman een fascinerende legpuzzel die een actieve lezer vraagt.
    Je moet de fragmentarische informatie uit de vele verhaallijnen zelf integreren. Zo was er in deel 1 een passage over een zekere weduwe, Mrs Trowbridge. Er meldde zich een onbekende man op haar adres waar hij te horen kreeg dat ze is verhuisd vanwege geklaag van de buren over haar huilende baby. Waar ze naar toe is gegaan weet niemand. Het is een passage vol mysterieuze vragen. Wie was die man? Wie is Trowbridge? Haar man is blijkbaar gestorven. Was hij de vader van de baby? Maar vooral: wat heeft dit met Gesine te maken? Dat wordt pas in deel 2 geleidelijk duidelijk.

    Een ander voorbeeld is de val van Gesine als kind in een regenton. Op pagina 54 van deel 1 wordt de gebeurtenis een paar keer tussen neus en lippen door vermeld, maar pas op pagina 469 van deel 2, vertelt Gesine het aarzelend aan Marie. Ook dit voorval blijkt in dienst te staan van het grote verhaal over haar ouders, vooral dat van haar moeder Lisbeth, en van een trauma van Gesine zelf: waarom greep haar moeder niet in? Het dwingt je bijna eerdere stukken te herlezen (zoals de aandachtige lezer misschien na lezing van het laatste deel de koffers zou willen pakken naar een onbewoond eiland om de hele roman in opperste concentratie nogmaals tot zich te nemen).
    De regenton wordt een soort code tussen Gesine en Marie, als het verhaal van haar herinneringen stokt. Dat gebeurt bijvoorbeeld als Gesine vertelt over de Kristallnacht in 1938 waarin haar moeder de NSB-burgemeester een klap in zijn gezicht gaf. Ze breekt het verhaal af. ‘Is het een regentonverhaal?’ vraagt Marie dan.

    Waarheid

    Er schuilt bij Johnson dan ook altijd een groter verhaal achter elke petite histoire. Johnson schrijft heel precies, zowel wanneer het gaat over New York en Amerika in 1967 en 1968, als wanneer Gesine vertelt over de jaren 30 in Duitsland. De verteller in de roman is exact in adressen en data en wat Gesine leest in haar New York Times wordt al even nauwkeurig verteld. Er zijn letterlijke citaten uit de krant en het wemelt van details over bijvoorbeeld de oorlog in Vietnam. Maar die precisie is er ook in waarnemingen zoals in de bijna ontroerende beschrijving van de scène waarin Marie een kakkerlak ziet baren.
    Dergelijke details worden ook gegeven in de herinneringen van Gesine aan haar kinderjaren. Van een overlijdensbericht uit 1938 wordt niet alleen de exacte datum vermeld, maar ook de naam van de bezorger van de krant waarin het stond compleet met nummer van de jaargang en de abonnementskosten. Het zijn pogingen om de waarheid zo dicht mogelijk te benaderen. Maar wat zeggen die preciese feiten? Wat is die waarheid? Het is een punt dat eveneens opduikt in de gesprekken tussen Gesine en Marie over de herinneringen aan Duitsland:

    ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’.
    ‘Zeker niet. Alleen jóúw waarheid’.
    ‘Zoals ik denk dat het was’.
    ‘Gesine, er zijn toch dingen die jij wél weet’.
    ‘(Gesine verwijst naar wat  ze verteld heeft over de manier waarop een NSDAP-burgemeester met een spreidstand de afstand van één meter mat) Maar ik weet niet waarom mijn geheugen dat heeft bewaard. Waarom niet een ander beeld, een zinniger gesprek?’

    Ondanks die precisie – en die is er ook in de nauwgezette beschrijving van karakters, houdingen en zelfs mimiek van personages – zijn die herinneringen juist sferisch. Later in deel 3 zegt ze zelfs dat ze de betekenis van gebeurtenissen niet ervoer ‘door wat hij [haar vader] zei, maar meer nog door de informatie die wordt overgebracht door stemmingen, manieren van kijken, gelaatsuitdrukkingen’. Het geeft precies weer wat Johnson doet. Hij laat je kijken, maar verklaart niets. Johnson vertelt de lezer niet hoe verschrikkelijk het was maar maakt hem tot een toeschouwer die zelf moet oordelen.
    Het is dan ook geen wonder dat Margathe von Trotta zich in 2000 toch aan een verfilming van het onverfilmbaar geachte Jahrestage waagde. Ze vond daarvoor juist steun in die werkwijze van Johnson om lezers een situatie in te slepen.
    In de trailer van deze (eveneens) vierdelige film zijn bijvoorbeeld het regentonincident en de klap in het gezicht van de burgemeester te zien.

     

    Zie hier de trailer: youtube.com/watch


    Dit is de tweede van drie besprekingen van de roman van Uwe Johnson. De eerste aflevering leest u hier.

     

     

  • Moeder reconstrueert haar Duitse jaren voor haar dochter

    Moeder reconstrueert haar Duitse jaren voor haar dochter

    ‘Lange golven rollen schuin het strand op, welven fors gespierde ruggen, heffen trillende kammen, die omvallen als ze op hun groenst zijn. In die krachtige, al wit gestriemde kanteling wordt een ronde luchtholte omsloten die de heldere massa vervolgens verplettert alsof er iets geheims wordt gecreëerd en weer vernietigd’. Het is niet alleen een prachtige natuurbeschrijving, maar ook de metafoor voor de gebeurtenissen in een roman die de lezer overdondert. We staan tegenover de golven aan de kust van New Jersey in 1967, maar ook tegenover die aan de Oostzee in de eerste helft van de vorige eeuw. De roman is een machtig epos dat bijna 1600 pagina’s in beslag neemt.

    De golven vormen het begin van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage van Uwe Johnson (uit te spreken op zijn Duits). In de Nederlandse titel is het Duitse Jahrestage terecht blijven staan al wisselde het van plaats ten opzichte van het origineel (Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl). Dat heeft een goede reden. Jahrestage is een essentiëel begrip in deze geschiedenis waarvoor geen goed Nederlands equivalent bestaat. Het is niet simpelweg te vertalen als de dagen van een jaar. In de Engelse vertaling werd het Anniversaries. Dat komt al iets meer in de buurt. In deze roman zijn de Jahrestage de dagen in het beschreven jaar uit het leven van Gesine Cresspahl, maar ook  de reminiscenties aan dagen in het verleden die aan die van Gesine worden gespiegeld.

    Gesine

    Gesine Cresspahl is op 3 maart 1933 (het jaar dat de NSDAP van Hitler de macht greep en twee dagen voor de door hem uitgeschreven Rijksdagverkiezingen) geboren in het denkbeeldige stadje Jerichow (niet te verwarren met de werkelijk bestaande plaats van die naam in Saksen-Anhalt) in Mecklenburg, dat na de oorlog onder de DDR zou vallen.  De roman beschrijft haar leven in New York van 21 augustus 1967 tot 20 augustus 1968 – 366 dagen omdat 1968 een schrikkeljaar was. Ze is op 28 april 1961 naar de Amerikaanse metropool verhuisd met haar tienjarige dochter Marie, waar ze werkt als vertaler bij een bank. Daarvóór is ze vanuit de DDR via Tsjecho-Slowakije naar het westen gevlucht.

    De golven die in New York bij haar aanspoelen zijn die van de herinneringen aan de Oostzee, waaraan Mecklenburg ligt, en van de contemporaine geschiedenis in het beschreven jaar van haar verblijf in het appartementencomplex Riverside Drive 243, aan de Atlantische Oceaan. De roman is een tapijt van verhaallijnen dat niet alleen een halve eeuw, maar ook twee continenten omspant; de lijnen komen afwisselend op de voorgrond. Gesine leest dagelijks over de Vietnamoorlog en de selectieve berichtgeving over slachtoffers daarvan, over rassenrellen en armoede in Amerika. Daartussendoor vertelt ze haar dochter Marie in min of meer chronologische volgorde het verhaal van haar familie in de tijd die beheerst werd door het nazidom en het Stalinisme.

    Johnson

    De auteur Uwe Johnson (1934 – 1984) had zelf, zo jong als hij was, het Derde Rijk van de nazi’s schipbreuk zien lijden en meegemaakt hoe de DDR werd gekneed onder de knoet van de Sovjets. Hij verloor al snel het geloof in de heilsstaat die door het communisme in het vooruitzicht werd gesteld (zijn vader stierf in communistische gevangenschap). Johnson vestigde zich in 1959 in West-Berlijn rond de tijd dat zijn grote roman Mutmassungen über Jakob (in 1990 in het Nederlands verschenen als Vermoedens omtrent Jakob) werd uitgegeven. Van 1966 tot 1968 woonde hij in New York op hetzelfde adres, Riverside Drive 243, als Gesine Cresspahl in Jahrestage. Zelfs het nummer van hun appartement, 240, komt overeen. Gesine Cresspahl en Johnson verbleven bovendien in dezelfde periode in New York.

    Vier delen

    Jahrestage verscheen in vier afzonderlijke delen tussen 1970 en 1983. Ze zijn in de Nederlandse vertaling, die bij Van Oorschot is verschenen, in één band opgenomen. Het eerste deel van Jahrestage, waarover deze bespreking gaat, bestrijkt de periode van 21 augustus tot en met 19 december 1967 en de herinneringen aan Gesines familie tot 1935.

    Halverwege dit eerste deel staat een voorval, dat beslissend moet zijn geweest voor het concept van Jahrestage. De ‘schrijver Uwe Johnson’ duikt daar zelf op als personage in de roman. Hij spreekt het Jewish American Congress (JAC) toe over de Duitse geschiedenis. Er is wrevel onder de toehoorders, zeker als hij toekomt aan de kersverse benoeming van de bondskanselier van West-Duitsland die een NSDAP-verleden heeft (bedoeld wordt Kurt Kiesinger – Johnson veronderstelt dat de lezer dit soort feiten paraat heeft). Hij voelt hoezeer hij, ook als West-Berlijner, belast is met het Duitse verleden. Het lijkt waarschijnlijk dat dat het moment was dat hij een andere stem nodig had om zijn verhaal te vertellen. Dat wordt duidelijk doordat hij er in dit fragment voor kiest om in de zaal Gesine Cresspahl aanwezig te laten zijn: Gesine, die zich geneert voor haar geboorteland. Er volgt een gecursiveerd gezette zin, als een gedachte die bij hem opkomt: Wie vertelt hier eigenlijk, Gesine? / Wij allebei. Dat hoor je toch, Johnson. Het is de Gesine uit Vermoedens omtrent Jakob, waarop Johnson zijn Jahrestage laat aansluiten.

    Cresspahl

    Gesine Cresspahl, zo blijkt al snel, wilde afstand nemen van de kwaadaardigheden in haar geboorteland, maar ziet in haar nieuwe thuisland dagelijks om haar heen rassenhaat, antisemitisme en een vuile oorlog in Vietnam. Daarnaast is er de voortdurende berichtgeving over de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in allerlei processen tegen nazi-misdadigers. Ze leest het tijdens haar dagelijkse consumptie van The New York Times, de krant die ze ‘tante’ noemt en die ze integraal spelt. Die berichten wisselen in de roman af met andere verhaallijnen. De belangrijkste daarvan wordt gevormd door wat Gesine haar dochter Marie vertelt over haar eigen voorgeschiedenis. Gesine is de dochter van Heinrich Cresspahl en Lisbeth Papenbrock. Deze Lisbeth komt uit een familie met Hitlersympathieën (de jongste broer van Lisbeth is al vóór 1933 lid van de SA). Maar naast deze grootmazige structuur zijn er diverse persoonlijke verhalen van inwoners van Jerichow in de jaren 30, die tezamen verbeelden hoe de opkomst van het nazisme wonden sloeg in het stadje en in individuele levens (zoals rassenhaat en de Vietnamoorlog dat in 1967/1968 in New York doen).

    Verteller

    Jahrestage is geen boek dat je snel leest. Om de volle zeggingskracht van de taal van Johnson te genieten moet de lezer doseren en zich concentreren, ja, zelfs passages hernemen. Sommige stukken laten zich moeilijker veroveren dan andere. De perspectieven wisselen nogal eens. Soms is de ‘ik’ de alwetende verteller, soms Gesine, soms als het ware de geest van de inwoners van Jerichow. Een enkele keer verdwaal je in een ingewikkeld betoog zoals dat over semantiek dat we lezen op 28 oktober 1967. Maar na die minder toegankelijke stukken wordt de lezer al weer snel in de vaart meegenomen door – vooral in dit eerste deel – de tragische geschiedenis van de ouders van Gesine. Verreweg de meeste beschrijvingen van Johnson zijn van een grote virtuositeit. Bijna elke karakterisering van een stadswijk of een gebouw is zo raak en geladen met geschiedenis dat zij een bijzondere diepgang krijgt. Dat geldt des te meer voor de typeringen van personen. Eén voorbeeld uit vele mogelijke: Dominee Methling van de Evangelische Kerk in Jerichow, waar Heinrich Cresspahl zijn dochter Gesine wil laten dopen, wordt bijvoorbeeld beschreven zoals hij ‘zichtbaar, voelbaar, hoorbaar’ is: ‘Een man van bijna twee meter en bovendien bijna honderd kilo, wiens toga om zijn buik wijd genoeg was maar bij de enkels te kort, zodat er onder zijn zwarte kiel vaak modderige laarzen te zien waren als hij de Stadtstrasse af liep, met opgeheven hoofd onderweg voor een huisbezoek, met gebogen hoofd achter Svensons lijkwagen, en net zoals zijn gemeenteleden hem in het ene geval liefst de zegen na zouden geven, vertrouwden ze in het andere geval zijn vertoon van deemoed niet’. En er zijn zijn opvattingen: ‘”Ras” hield Methling voor een aardse beperking die in de eeuwigheid opgeheven zou worden; hij wilde de Joden achten en liefhebben en tot het juiste geloof bekeren – alleen wilde hij niet door hen geregeerd worden (dat zou niet christelijk zijn)’.

    Vooruitwijzingen

    In dit eerste deel verwijzen tal van namen en toespelingen vooruit naar zaken die veel later pas een inkleuring zullen krijgen. Dat vraagt om zorgvuldige lezing. Op pagina 11 bijvoorbeeld valt de naam Jakob zonder dat veel lezers precies duidelijk zal zijn om wie het gaat. Pas op pagina 279 kan de lezer vermoeden dat hij de vader is van Marie, de dochter van Gesine. Johnson doet hier alsof zijn lezers bekend zijn met Vermoedens omtrent Jakob, dat gaat over de dood van de Oost-Duitse spoorwegbeambte Jakob Abs, de man van Gesine.

    De gebeurtenissen in het jaar van Gesine Cresspahl in New York zijn soms duistere herinneringen (hier in deel 1, en in de nog te bespreken volgende delen in de Tweede Wereldoorlog en onder het stalinisme) aan wat er in de jaren 30 in Duitsland gebeurde. Neem bijvoorbeeld 9 november 1967, waarop Gesine de hele dag wordt gebeld door mensen die verkeerd verbonden zijn of raadselachtige meldingen hebben. Als de doden nou eens hun bek hielden staat er dan ineens als haar onuitgesproken gedachte. Het is waarschijnlijk een verwijzing naar dezelfde datum, 9 november, maar dan van het jaar 1938, de dag waarop Gesines moeder zelfmoord pleegde, maar dat zullen we pas lezen in deel 2.

    En er zijn de reflecties tussen de twee verhalen. Gesine die in New York twijfelt tussen Duitsland en Amerika (dochter Marie kiest in gesprekken met haar nadrukkelijk voor Amerika) lijkt erg op de tweestrijd die haar ouders Heinrich en Lisbeth (ze hadden enkele jaren in Richmond bij Londen gewoond) hadden ten tijde van de geboorte van Gesine: blijven we in Duitsland of gaan we terug naar Engeland?

    Jahrestage kan door zijn omvang van bijna 1600 pagina’s potentiële lezers afschrikken. Maar wie de moed heeft aan dit eerste deel te beginnen is waarschijnlijk al na enkele pagina’s verkocht. De volgende drie delen zitten bij Van Oorschot in dezelfde band. Zolang Covid-19 ons dwingt thuis te blijven is het een ideale aanleiding voor bingereading.

     


    Dit is een deel 1 van een recensie over Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. De volgende delen verschijnen binnenkort. Deel twee vindt u hier.

     

  • Oogst week 43 – 2020

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken

    Thomas Heerma van Voss (1990) is niet alleen schrijver van romans als Stern en Condities, maar hij was ook actief als redacteur bij Babel & Voss, een uitgeverij die in 2009 werd opgericht door Reinjan Mulder. Deze uitgeverij was een frisse wind binnen het literaire veld, maar na een veelbelovend begin bleef het echte succes uit. In 2014 schreef Heerma van Voss daarom het afscheidsboekje Onzichtbare boeken. Ironisch genoeg werd juist dit werk een succes. De uitgeverij ging tóch door.

    Dit jaar viel het doek voor Babel & Voss definitief. Daarom schreef Heerma van Voss opnieuw een afscheidsboekje: Verdwenen boeken. Das Mag heeft Onzichtbare boeken en Verdwenen boeken gebundeld. In deze uitgave gaat het niet alleen over de pieken en dalen van een uitgeverij, maar ook over de band tussen Heerma van Voss en Mulder.

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken
    Auteur: Thomas Heerma van Voss
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.

    Aslast

    In 2010 debuteerde A.H.J. Dautzenberg (1967) met de verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Sindsdien publiceert hij onder meer romans, gedichten, essays, theaterteksten en korte verhalen. Tien jaar na zijn debuut verschijnt Aslast, een novelle over P., een man van middelbare leeftijd. Hij bevindt zich niet alleen in een trein, maar ook in een absurdistisch grensgebied tussen binnen- en buitenwereld. Zo is de wagon opgeleukt met een tekening in de stijl van Mondriaan en beginnen de gekleurde rechthoeken opeens te bewegen. Dautzenberg gebruikt muzikale taal, waardoor deze novelle over eenzaamheid, lotsbestemming en individualiteit veel wegheeft van een lang gedicht.

    Aslast
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl

    Een bijzonder boek dat recent verscheen is Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl van Uwe Johnson (1934-1984), een vertaling door Marc Hoogma, met medewerking van Theo Veenhof, van Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl dat tussen 1970 en 1983 in vier delen werd uitgebracht. Deze Nederlandstalige editie bevat ruim vijftienhonderd pagina’s en gaat over een jonge vrouw in New York die haar dochtertje vertelt over haar eigen jeugd in Duitsland. Niet alleen komen de nazi’s en het leven in de DDR uitgebreid aan bod, ook wordt de wereldpolitiek aan het einde van de jaren 60 belicht, zoals de oorlog in Vietnam, de Praagse lente en de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy.

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl
    Auteur: Uwe Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.