• De tijd gevangen

    De tijd gevangen

    De tijden vertelt over drie generaties en het lijkt of Elvis Peeters (pseudoniem van Nicole Van Bael en Jos Verlooy) alle grote gebeurtenissen binnen die generaties heeft willen vatten: de tijd die zich uitstrekt van de Tweede Wereldoorlog en de naweeën met collaborateurs en helden, de opkomst van de jazzmuziek, de onafhankelijkheid van Congo, mei 68, vrouwenrechten, de financiële crisis tot de wereld van nu. De tijden verhaalt van de rivier de Zenne tot Congo, Londen, Barcelona, Brussel, Zagreb. Het idee om zoveel feitelijke geschiedenis en de geest ervan op te tekenen aan de hand van persoonlijke verhalen is enorm.

    Door het boek heen word je een razende verandering gewaar. De tijd zet zijn stempels, trekt en sleurt met zijn tentakels en het lijkt of hij dat steeds feller doet, of hij steeds razender tekeer gaat. Maar er is ook een constante: die van de kwetsbare mens die niet alles bevatten kan en vaak slechts een pion is, maar evenzeer rustig blijft ademen en een akkertje ploegt, terwijl hij de tijd aan zich voorbij laat gaan.

    De mens Emiel

    Die kwetsbare mens heet Emiel. Emiel is het sterkst uitgewerkte personage van het boek. Bij hem kruip je onder de huid, zijn twijfel en weemoed zijn levensecht. Misschien leeft hij als landbouwer nog het dichtst van al bij de aarde en voel je dat in zijn persoon. De latere generatie lijkt er alleen nog maar overheen te vliegen. Net als in het boek van Chris de Stoop Dit is mijn hof getuigt ook De tijden over landbouwers die nog contact hebben met de natuur, landbouwers die verdwijnen, zoals het landschap verdwijnt en steeds meer geradbraakt wordt.

    ‘Zijn moeder droeg hem het jaar 1929 in.’ Een harde koude winter met een doodgevroren kip in het hok, de Elfstedentocht en Trotski die werd verbannen uit de Sovjet-Unie. Er kwam een griepepidemie. De geschiedvertelling wervelt hier tussen klein en groot en dicht en ver. De factor tijd is onlosmakelijk verbonden met de plaats. Wie werd er nog meer geboren in dat jaar? ‘Lee Hazlewood, Jacques Brel, Milan Kundera, Remco Campert, Hugo Claus, Anne Frank, Yasser Arafat, Jurgen Habermas.’ Opmerkelijk om deze namen plots verenigd te zien. Al die plaatsen en geschiedenissen uit één jaar. Wat een tijd niet al vergaren kan.

    In het verhaal blikt Emiel terug op zijn leven. Hij heeft dit leven niet altijd gewild. Weerhielden pech of een gebrek aan lef hem van zijn eigenlijke doel? Eentonig wil hij het niet noemen, maar hij had toch iets anders voor zich gezien. Hij had zijn universiteitsstudie kunnen afmaken, tropische gewassen bestuderen en dan naar Congo trekken. Maar op een dag werd hij kleurenblind. Daarna werd zijn vader ziek en uiteindelijk nam Emiel de boerderij over. ‘Dit is zijn bestaan,’ weet hij. Hij loopt in de voetsporen van zijn vader, zoals hij nooit had vermoed dat hij zou kunnen. Het boerenleven wordt verteld met het boerenidioom: het wannen van het graan, de ransel met het brood, de ploegschaar, de paarden roskammen, de haspel op het maaibord, halmen die in schoven op het gemaaide veld worden gegooid.

    Verandering

    Gisèle, Emiels jeugdvriendin, is opstandiger. Zij wil de tijden veranderen. Emiel kijkt op naar het vastberaden meisje. Ze inspireert hem, leert hem Rosa Luxemburg kennen, discussieert, gaat naar lezingen, woont vakbondsacties bij. Gisèle komt uit een armer nest, verklaart dat haar opstand? Emiel is bescheidener en introverter van aard. Hij trouwt uiteindelijk met Odette, een brave vrouw, geen grote persoonlijkheid. Was zijn liefde voor Gisèle platonisch? Was hij te bang voor het echte vuur? Is Odette een compromis? Om dat te ontdekken geraak je niet diep genoeg in het hart van Emiel. Misschien kent Emiel het zelf niet eens. Hij is niet slecht voor Odette met wie hij twee kinderen krijgt, maar later ontmoet hij Gisèle opnieuw en blijkt hij toch niet zo trouw, of… is hij juist wel trouw aan zijn hart? Het laffe deel van zijn karakter krijgt soms een doffe klank, maar Emiel verenigt dat laffe met het volhardende. Juist dat halfslachtige maakt hem menselijk. Hij ziet de vooruitgang aan, wil niet zomaar alles veranderd zien. Toch valt er ook door hem niet te ontkomen aan de modernisering, aan schaalvergroting. Paarden worden vervangen door tractoren en ze moeten geld vinden voor een melkmachine. Dat levert hartverscheurende scènes op. ‘Wat is er mis met de paarden, of met melken met de hand?’ vraagt Emiels moeder. ‘Daar is niks mis mee,’ zegt Emiel, ‘alleen kost het tijd die er in deze tijd alsmaar minder is.’ De Boerenbond beveelt onkruidverdelgers en hormonen aan.

    Intussen ‘werpen de Congolezen hun minderwaardigheid af in een uitbarsting van woede en geweld’. Emiels zus woont daar en moet abrupt terugkeren. Emiel had met een koloniale lening geïnvesteerd in Congolese koffieplantages en kan die nooit terugbetalen. Hij ruilt de boerderij voor werk van nine to five in een magazijn. Was het niet Gisèle die hem al van het begin zei dat hij de boerderij moest opgeven? Het verhaal van Emiel is eigenlijk brandend actueel met de boerenprotesten van nu.

    Tussen verzet en berusting

    Emiel zit geklemd tussen verzet en conservatisme, begrippen die in de loop van de tijd ook veranderen. Hiermee duidt Elvis Peeters de tijdgeest treffend aan.
    De tijden daarna dragen het idee van maakbaarheid in zich. Alles kan je naar je hand zetten, alles wordt bestelbaar, koopbaar. De personages van de volgende generatie zijn vlakker. Hannelore, de dochter van Emiel laat het werk op de boerderij achter zich, verzet zich. Lijkt ze op Gisèle? Hannelore gaat mee in de punkbeweging, studeert in Leuven. Daarna wordt ze reclamevrouw in Londen, slogans voor de revolutie veranderen in slogans voor producten. Ze baart een kind, is een afwezige moeder. Elvis Peeters toont kanttekeningen bij het feminisme dat hier vertegenwoordigd wordt. Hannelore gaat steeds meer mee in een oppervlakkig leven van consumptie en vlug genot. Van een vrouw die zich verzet verandert ze in een marionet. In 2008 breekt de financiële crisis uit en is ze in een klap alles kwijt.

    De idealen van de volgende generatie schuiven nog verder op. Deze generatie zit met de erfenis van de vooruitgang: vervuiling, troosteloze consumptie, de opwarming van de aarde. Hannelore’s zoon Matteo studeert af als jurist. Hij ziet zijn moeder als een ‘prototypische workaholic uit de bullshitsector.’ Toch is hij vaak even afstandelijk en oppervlakkig als zij en er gaat een subtiele vertwijfeling van hem uit. Hij lijkt dan weer rationeel, dan weer pathetisch. Er hangt iets ongevoelig over hem, alsof hij niet in staat is tot werkelijk contact. Zou het komen door zijn nogal liefdeloze opvoeding? Hij klaagt over te veel culturen in Brussel, vreest een toxische toekomst met niet-Europeanen ‘door het decennialange bewind van idiote ideologieën’. Wel voelt hij medelijden met verwaarloosde rijpaarden uit een reportage. Ook Matteo zet zich af tegen de vorige generatie. Hij bekritiseert de wereld rond zich maar komt niet tot zelfonderzoek. Hij en zijn vriendin Myrthe trekken de natuur in met een kruisboog. Dat ze uiteindelijk flirten met extreemrechts en ecofacisme is niet echt verrassend.

    L’art pour l’art en maatschappij

    Het verhaal is goed geconstrueerd, heeft een sterke compositie. De perspectiefwisselingen gebeuren virtuoos. Elvis Peeters legt haarfijn het mechanisme bloot van hoe idealen totaal kunnen veranderen. Hij probeert l’art pour l’art te verbinden met maatschappijkritische literatuur en dat is bij het personage van Emiel zeker gelukt. De passages over hem zijn verwerkt, de lagen goed gedroogd. De andere personages lijken soms slechts stickers van een tijd, geconstrueerd en minder doorleefd waardoor de vertelde tijd te lang wordt. De feiten en de maatschappijbeschrijvingen voelen ondanks hun waarheid wat geforceerd aan, zijn te veel gestapeld met oppervlakkige opsommingen die het betreffende personage maar weinig ademruimte geven. Of dat aan de schrijver dan wel aan die tijd ligt, is nog maar de vraag.

     

  • Oogst week 43 – 2021

    De scheurkalender is een genre op zich. Het woord ‘genre’ impliceert bovendien dat je een goede of een slechte kunt krijgen, en dat is ook zo. De ene hoort thuis in de kast, de andere op het toilet. Je hebt schijtlollige bundels van Moppentoppers, quotes jattende snuisterijvelletjes van Happinez en natuurlijk stichtelijke kalenders van christelijken huize. Tussen 1972 en 1986 maakten Van Kooten & De Bie de Bescheurkalender. Hun niveau heeft eigenlijk niemand meer geëvenaard, met uitzondering van makers die gewoon hun eigen weg bewandelden: Maarten van Rossem, Quest of de Poëziekalender van Plint. Maar de F*ck-it list (‘grappig’, want het tegenovergestelde van Bucket List)? ‘Mijn middelvinger is gek op iedereen.’ … doortrekken maar.

    Uitgeverij Sunny Home komt nu met een wel heel verrassende kalender aangescheurd, getiteld DNA Arnon. Aangezien Grunberg naast een ontzagwekkend literair oeuvre ook al duizenden voetnoten in De Volkskrant op zijn naam heeft staan, staat buiten kijf dat hij voor 365 dagen eveneens iets boeiends optekent. Uit allerlei romans, essays, opiniestukken en toespraken van zijn hand heeft DNA Arnon wijsheden, overdenkingen en zinsneden geselecteerd. 

    Wat de aanprijzing betreft, zetten de grote boekhandels hoog in: de lezers zullen het mysterie achter Grunberg ontdekken met slechts één ferme rits per dag. Zelf vermoed ik vooral dat het werk een mooie vingerafdruk, of – zo u wil – een DNA-blauwdruk van Grunbergs werk biedt: provocatief, geestig, absurd, scherpzinnig en intelligent. En vergeet je op een Blauwe Maandag een keer de juiste datum weg te rissen? Wees niet getreurd. Literatuur is soms net als eten: een nachtje laten sudderen en de volgende dag waardeer je het des te meer.

     

    Uitgeverij: Sunny Home

    Nederlandse mannen van middelbare leeftijd lijken een flinke scheut Frankrijk nodig te hebben om in melancholie te kunnen verzinken. Philip Freriks’ bloedtype is Merlot; Matthijs van Nieuwkerk adoreert Charles Aznavour; Youp van ’t Hek oreert over de périphérique; Ivo Niehe spreekt beter Frans dan de gemiddelde Parijzenaar; Wim Sonneveld ontleent zijn lijflied Het dorp aan La montagne van Jean Ferrat. Daar komt nu een Vlaamse francofiel bij die geen pseudoniem behoeft: Jo Komkommer. In De opkomst en ondergang van de Citroën Berlingo wordt de oude, vertrouwde romantische weemoed gevierd, maar nergens is het boek te serieus: wij, mensen kloten maar wat aan, zo luidt de boodschap. Daarop vormt de hoofdpersoon in dit verhaal geen uitzondering.

    België is nu niet bepaald de omgeving die je associeert met ‘Il dolce far niente’ in een oranje avondzon. ‘Niksig en onnuttig voortstrompelen in de drassige klei’ komt al meer in de buurt. Dat is dan ook precies wat onze hoofdpersoon doet: lanterfanten tot hij erbij neervalt. Akkoord, hij werkt sporadisch als afwasser, behaalt per ongeluk na meerdere pogingen zijn rijbewijs en rijdt in Montenegro zijn Franse Citroën Berlingo aan gort. In feite leeft hij als een kind dat al zijn ervaringen ongefilterd absorbeert. Dit prachtige boek is daarvan het resultaat. 

    ‘Ik was een kind en wist niet beter / dan dat het nooit voorbij zou gaan’ zong Sonneveld. Jo Komkommer heeft slechts zijn openingszin nodig om jeugdige onwetendheid bondiger en empathischer te verwoorden: ‘Als kind duurt het leven geruststellend lang.’ Het boek is opgetrokken uit 26 kortere verhalen. Toch vertoont het genoeg samenhang en hangt er een zweem van Vlaamse tevergeefsheid overheen: dit mag een door diknekkige Hollanders bedacht, hardnekkig cliché zijn, maar Komkommer doet De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst nog eens dunnetjes over. Nooit echter verloochent hij zijn eigen stijl en dat is zijn grootste prestatie. Chapeau!

     

    Auteur: Jo Komkommer
    Uitgeverij: Manteau

    De leeservaring wordt intenser, naarmate de lezer zich sterker identificeert met personages of onderwerpen. Een werk moet, voordat het beklijft of een indruk achterlaat, met andere woorden, resoneren via herkenning. Daarom is de titel Echo van de Vlaams-Afroamerikaanse schrijfster Neske Beks zo doeltreffend gekozen. In deze essaybundel betoogt zij onder meer dat een wit narratief in een wit curriculum van een dominant witte mannenwereld ertoe heeft geleid dat de Zwarte vrouw (hoofdletter is bewust) zich dubbel in de marge bevindt: zij is én geen man én zij is niet wit. 

    Echo is Beks’ krachttoer, zij het níét om witheid, mannelijkheid en wat beide concepten inhouden aan te vallen. De Zwarte vrouwen verleent zij de kracht en het narratief dat hen uit de schaduw van minderwaardigheid en onzichtbaarheid sleurt. Volgens de uitgeverij poogt Echo een brug te slaan tussen zwart en wit. Ook deze op het eerste gezicht wat uitgekauwde metafoor werkt kneitergoed: een brug slaan lukt normaliter pas met twee aan elkaar (op zijn minst gedeeltelijk) gelijke overzijden – dan moet die gelijkheid natuurlijk wel eerst bereikt worden. 

    Waar de activistische, ‘wokey’-hoek nogal eens ten laste wordt gelegd dat deze alles wat man en wit is, kapot wil maken, verheft Beks slechts hen die te lang niet zijn gehoord. Zij haalt teksten aan van Amanda Gorman, Toni Morrisson, Gloria Wekker en Maya Angelou. Bovendien verruilt zij schaamte voor trots en verschaft zij elke zwarte vrouw de diepgewortelde overtuiging dat ze vertegenwoordiging verdient. Echo zal daardoor niet alleen bij zwarte vrouwen nagalmen.

     

    Uitgeverij: Querido